b NL IMRO 0828 BPtveldgff-VG02 tb
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN ‘t Veld Geffen - 2022 Bijlagen bij toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022 Index bijlagen bijlagenboek
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12: Bijlage 13: Bijlage 14: Bijlage 15: Bijlage 16: Bijlage 17: Bijlage 18: Bijlage 19: Bijlage 20: Bijlage 21: Bijlage 22:
Aanvullend onderzoek marterachtige zuidoost deel Aanvullend onderzoek marterachtigen Heesterseweg 35 en 35a Geffen Voortoets stikstofdepositie Archeologisch onderzoek Proefsleuvenonderzoek Verkeersonderzoek Waterparagraaf Memo gemengd gebied Akoestisch onderzoek milieuzonering Bodemonderzoek Veldstraat 30 Bodemonderzoek noordelijk deel Bodemonderzoek zuidelijk deel Geuronderzoek Akoestisch onderzoek wegverkeer t Veld Geffen GGD advies Omgevingsdialoog QuickScan Wet natuurbescherming oostelijk deel Bodemonderzoek Heesterseweg 35 Bodemonderzoek Heesterseweg 35A Gebiedsvisie Geffen t Veld Akoestisch onderzoek Bekkers Geffen_22-206r5 Aanmeldnotitie mer versie 7 april 2022
Besluit hogere waarden
Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022
Bijlage 1:
Aanvullend onderzoek marterachtige zuidoost deel
Aanvullend onderzoek ecologie Geffen ’t Veld Zuidoost Aanvullend onderzoek naar das, kleine marterachtigen en steenmarter in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Status:
Definitief
Project:
2022-0562
Datum:
22 juli 2022
Samensteller:
ing. J. Dekkers
Collegiale toets:
ing. G. Fairhurst
Opdrachtgever:
Gemeente Oss
Contactpersoon:
A. Zaadnoordijk
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
5
1.3
Beschrijving plangebied
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden
5
1.5
Mogelijk aanwezige soorten
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming
7
2 Methode onderzoek
8
2.1
Theoretisch kader
8
2.2
Praktische uitvoering
8
2.3
Veldbezoeken
10
2.4
Specifieke omstandigheden
10
3 Resultaten
11
3.1
Das
11
3.2
Kleine marterachtigen
11
3.3
Steenmarter
11
3.4
Overige soorten
12
4 Conclusie
13
4.1
Das
13
4.2
Kleine marterachtigen
13
4.3
Steenmarter
13
4.4
Overige vogels
13
4.5
Vervolgstappen
13
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Het plangebied is gelegen tussen de Veldstraat en de Heesterseweg te Geffen en betreft onderdeel van het project ’t Veld te Geffen (figuur 1.1). Het onderzoeksgebied bestaat uit een agrarische maïsakker en grasland. De initiatiefnemer is voornemens woningbouw in het plangebied te realiseren. De beoogde ontwikkeling leidt mogelijk tot de aantasting van beschermde soorten en andere beschermde natuurwaarden. Derhalve is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van het plangebied voor deze beschermde natuurwaarden (Brinkbaumer, 2021).
Figuur 1.1
Het onderzoeksgebied is gelegen tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Brinkbaumer, 2021). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of een essentieel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De aan- of afwezigheid van de das is tevens meegenomen in dit onderzoek. Gemeente Oss heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
4
1.2
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn er dassen, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarters aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied migratieroutes, foerageergebieden, voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van voortplantings- en/of verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
1.3
Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit agrarische percelen welke gelegen zijn tussen de Veldstraat en Heesterseweg te Geffen. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (Brinkbaumer, 2021 ; Fairhurst, 2022). In figuur 1.2 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van het plangebied.
Figuur 1.2 Het plangebied bestaat uit agrarische percelen.
1.4
Voorgenomen werkzaamheden Gemeente Oss is voornemens om een woonwijk ‘t Veld in het plangebied te realiseren. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • • • • •
kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer van hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
5
1.5
Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (Brinkbaumer, 2021 ; Fairhurst, 2022) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk voortplantings- en verblijfplaatsen aanwezig zijn van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter (tabel 1.1.). Daarnaast wordt het gebied mogelijk gebruikt als foerageergebied voor de das. De groenstructuren en takkenril hebben mogelijk een belangrijke functie als migratieroute, foerageergebied en/of rust- en voortplantingsplaats, voor de voorgenoemde soorten. Tabel 1.1
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Brinkbaumer, 2021).
Soortgroep
Onderzoek nodig
Bescherming Wnb
Ja
Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10
Mogelijke functie plangebied
Planten Grondgebonden zoogdieren Das Bunzing, hermelijn, wezel Steenmarter
Ja Ja
Foerageergebied Verblijfplaatsen/migratieroute/ foerageergebied
Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
Figuur 1.3 De tikkenril heeft mogelijk een essentiële functie voor kleine marterachtigen en steenmarter.
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de das, bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter valt onder de nationaal beschermde soorten. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wet nb, art 3.10 lid 1 (b) (nationaal beschermde soorten) Lid 1: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter) opzettelijk te beschadigen of te vernielen; Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Per 2023 zal de Omgevingswet in werking treden. Binnen de Omgevingswet blijft het beschermingsregime nationaal beschermde soorten onverminderd van kracht. Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats. Implementatie en wijze van uitvoering zijn vooralsnog niet vastgesteld.
7
2 Methode onderzoek 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de kleine marterachtigen en steenmarter zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Handreiking voor kleine marterachtigen (Bouwens, 2017) welke in dit onderzoek als leidraad is gebruikt voor de marterachtigen, in dit onderzoek is tevens de aanwezigheid van de das onderzocht. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform de Handreiking voor kleine marterachtigen. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de Handreiking voor kleine marterachtigen.
Soort
Type
Periode
Omschrijving
Kleine marterachtigen
Functioneel leefgebied
Maart - Augustus
Minimaal 6 weken inventariseren middels marterboxen, cameravallen en sporenonderzoek.
Steenmarter
Functioneel leefgebied
Maart - Augustus
Minimaal 6 weken inventariseren middels cameravallen en sporenonderzoek.
Cat. 5 vogels Algemene broedvogels
Nest
De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.
2.2 Praktische uitvoering Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen Het onderzoeksgebied is het aanvullend onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities Het onderzoeksgebied het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische locaties van het plaatsen van de camera’s en het zoeken naar sporen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, watergangen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen en steenmarter vast te stellen zijn twee marterboxen en twee cameraval(en) ingezet (figuur 2.1). De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties langs lijnvormige structuurrijke plaatsen, tussen ruige begroeiing en in een takkenril (figuur 2.2). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 25 mei 2022 t/m 7 juli 2022, gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken. De camera’s zijn geplaatst ter hoogte van greppels en lijnvormige groenstructuren welke als looproute of als dekkingsmogelijkheden voor marterachtigen kunnen functioneren. Middels palen die in stonden zijn de camera’s vastgezet en gericht op verschillende oriëntatiepunten (figuur 2.3). Met de wildcamera’s kan tevens aanwezigheid van de das worden vastgesteld.
De marterboxen zijn geplaatst tussen ruigtebegroeiing en in een houtwal rondom een boom heen. Deze structuren kunnen mogelijk als verblijfplaats voor marterachtigen functioneren. Een marterbox is een kist met een buis als opening.
8
De buis leidt naar de binnenzijde waar een lokstof (sardientjes) wordt geplaatst. In de kist zit een camera met bewegingsdetector. Op de camera is een lens met sterkte geplaats (2+). De cameravallen zijn opgehangen in de bosschage gericht op het noordwesten. Naast het plaatsen van wildcamera’s en marterboxen is tijdens elk veldbezoek specifiek een sporenonderzoek uitgevoerd. Hierbij is gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen en/of verblijfplaatsen. Dit betreffen sporen als graafsporen, wissels, neusputjes, latrines, uitwerpselen, prooiresten, prenten en vraatsporen.
Figuur 2.1 Overzicht van de locaties van de cameravallen en marterboxen.
Figuur 2.2 Eén van de geplaatste marterboxen (links) en één van de geplaatste cameravallen (rechts).
9
2.3 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2
Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek. Aantal pers.
Veldbezoek
Functie
Datum
Marter
Camera’s uitzetten / sporen zoeken
2
25-05-2022
Marter
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
08-06-2022
Marter
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
20-06-2022
Marter
Onderzoek afronden / sporen onderzoeken
1
07-07-2022
2.4 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
10
3 Resultaten 3.1
Das Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn geen dassen waargenomen. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als wisselsporen, haren, prenten, neusputjes, vraatsporen en latrines met uitwerpselen die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Derhalve is er geen sprake van een rust- en/of voortplantingsplaats op de planlocatie. Functioneel leefgebied Op de planlocatie is tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van de das door geen visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten, vraatsporen of wisselsporen) binnen de planlocatie.
3.2 Kleine marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn geen waarnemingen van kleine marterachtigen gedaan. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Derhalve is er geen sprake van een rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied. Functioneel leefgebied In het onderzoeksgebied is tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van kleine marterachtigen door geen visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten of wisselsporen) binnen het onderzoeksgebied.
3.3 Steenmarter Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn geen waarnemingen van de steenmarter vastgelegd. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Derhalve is er geen sprake van een rust- en/of voortplantingsplaats binnen het onderzoeksgebied. Functioneel leefgebied In het onderzoeksgebied is tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van steenmarter door geen visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten of wisselsporen) binnen het onderzoeksgebied.
11
3.4 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. In de marterboxen zijn ware muizen waargenomen. De volgende soorten zijn waargenomen op de wildcamera’s: ekster, haas, huiskat, huismus, konijn, merel, vink, vos, ware muis en zwarte kraai (figuur 3.1). In de zomereik in het onderzoeksgebied is een nest aangetroffen van aannemelijk een zwarte kraai. Een uitgebreide beschrijving van het nest is te vinden in de quickscan Wnb (Fairhurst, 2022).
Figuur 3.1 Een konijn welke is waargenomen op één van de camera’s.
12
4 Conclusie 4.1
Das In de periode mei - juli 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van das in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van dassen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd.
4.2 Kleine marterachtigen In de periode mei - juli 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd.
4.3 Steenmarter In de periode mei - juli 2022is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenmarter in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd.
4.4 Overige vogels Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot de das, kleine marterachtigen en steenmarter. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. In de zomereik binnen het plangebied is een (oud) nest aangetroffen van de zwarte kraai. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen.
4.5 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de beoogde ruimtelijke ingreep is geen ontheffing Wnb nodig. Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen.
13
Bronvermelding Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marterachtige. Provincie Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch. Brinkbaumer, M.A., 2021. Quickscan Wnb Geffen Zuidoost. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Fairhurst, G., 2022. Quickscan Wnb ’t Veld Geffen. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Gebruikte websites www.arcgis.com www.zoogdiervereniging.nl Bijlagen Bijlage 1 Das, kleine marterachtigen en steenmarter
14
Bijlagen Das De das is een marterachtige en een sociaal dier dat vrijwel altijd in een dassenclan leeft (figuur 1). Zo’n clan bestaat meestal uit één dominante man en één dominante vrouw met jongen en jaarlingen (de jongen van het voorgaande jaar). De grootte van een clan is afhankelijk van de grootte van het leefgebied en het voedselaanbod (BIJ12, 2017; Zoogdiervereniging Das, 2022) en kan variëren van 2 tot 12 dieren. In Nederland bestaat de gemiddelde grootte van een dassenclan uit circa vier individuen. Dassen leven in verschillende type burchten. Naast de hoofdburcht zijn er vaak ook (kleinere) bijburchten en vluchtpijpen, welke tijdelijk worden gebruikt en meestal op strategische plaatsen liggen, zoals dicht bij een voedselbron. Afhankelijk van de periode in het jaar wordt de hoofdburcht of een van de bijburchten bewoond. Deze dassenpijpen liggen verspreid in het territorium, waarin verschillende foerageergebieden en looproutes aanwezig en met elkaar verbonden zijn (BIJ12, 2017). Dassen zijn schemer en nacht actieve dieren, waarbij ze de burcht vaak pas ’s avonds verlaten opzoek naar voedsel. Hierbij worden veelal wissels (looproutes) gebruikt om van de burcht naar het foerageergebied te komen en terug. Het dieet van de das bestaat voor het grootste deel uit regenwormen (circa 40-80 %).
Het overige deel van het dieet bestaat uit overige ongewervelde (kevers, pissebedden, duizendpoten slaken etc.), noten, bessen en seizoensgebonden gewassen als mais en graan en soms ook kleine zoogdieren en amfibieën (Dinther et al., 2010; Bommel et al., 2015). De das is een opportunist, wat inhoudt dat hij de voorkeur zal geven voor het voedsel dat het ‘makkelijkst’ bereikbaar is. Hierdoor zijn er grote verschillen, afhankelijk van het seizoen, in het dieet. Echter blijkt dat een hoge biomassa regenwormen het belangrijkste is voor het functioneren van een essentieel foerageergebied. De paring kan het hele jaar door plaatsvinden. Echter wordt er meestal een piek van paring gezien in februari direct nadat de jongen zijn geboren (BIJ12, 2017; Bommel et al., 2015). Na de bevruchting nestelt het embryo niet meteen in de baarmoederwand waardoor vaak de draagtijd pas later begint, meestal in de winter. Hierdoor bedraagt de daadwerkelijke draagtijd enkel zeven tot acht weken en worden jonge dassen geboren in de periode januari - maart met een piek in februari. Als de jongen circa 8 weken oud zijn komen deze voor het eerst uit de burcht. Vanaf juni-augustus worden de jongen zelfstandig. Indien de clan de maximale grootte heeft bereikt gaan de jongen migreren en opzoek naar een nieuwe clan en/of partner (BIJ12, 2017).
Figuur 1 De das (Meles meles) (bron: Blom Ecologie, Zeist). 15
Kleine marterachtigen De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen (figuur 2). Deze soorten zijn sterk gebonden aan kleinschalige landschappen met afwisselende structuren als houtwallen, bosschages, begroeide oevers, weides en parken. Afwisselende structuren bieden voldoende dekking en voedsel en zijn van groot belang bij de migratie. Alle drie de soorten zijn roofdieren die vaak dag en nacht actief opzoek zijn naar voedsel als kleine zoogdieren, amfibieën en (jonge) kleine vogels. Naast de belangrijke functies als dekking, voedsel en verspreiding moet een geschikt leefgebied ook voorzien in rust- en voortplantingsplaatsen. Droge plaatsen als oude holen, houtstappels, holle bomen, takkenrillen, strobalen, puinhopen en ook oude schuren en stallen bieden geschikte rust- en voortplantingsmogelijkheden. De voortplantingsperiode van de soorten liggen tussen circa medio april en juni, dit is dan ook een actieve periode van kleine marterachtigen (Bouwens, 2017; Zoogdiervereniging, 2022).
Figuur 2 Links de bunzing, midden de wezel en recht de hermelijn (bron: © Zoogdiervereniging). Steenmarter Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap (figuur 3). De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, houtsingels, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang (Zoogdiervereniging steenmarter, 2022).
Figuur 3 De steenmarter (bron: zoogdierverening.nl).
16
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 17
Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022
Bijlage 2:
Aanvullend onderzoek marterachtigen Heesterseweg 35 en 35a Geffen
Aanvullend onderzoek ecologie Heesterseweg 35 & 35a te Geffen Aanvullend onderzoek naar das en kleine marterachtigen in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Status:
Definitief
Project:
2022-0188
Datum:
29 april 2022
Samensteller:
ing. J. Dekkers
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Holding J & R van Herpen B.V.
Contactpersoon:
J. Meulepas
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
5
1.3
Beschrijving plangebied
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden
6
1.5
Mogelijk aanwezige soorten
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming
7
2 Methode onderzoek
8
2.1
Theoretisch kader
8
2.2
Praktische uitvoering
8
2.3
Veldbezoeken
9
2.4
Specifieke omstandigheden
10
3 Resultaten
11
3.1
Das
11
3.2
Kleine marterachtigen
11
3.3
Overige soorten
11
4 Conclusie
13
4.1
Das
13
4.2
Kleine marterachtigen
13
4.3
Overige soorten
13
4.4
Vervolgstappen
13
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Heesterseweg 35 & 35a te Geffen is een transportbedrijf met loods, opslagplaats en woning gesitueerd, het noordelijke deel van het plangebied wordt begrensd door een houtwal (figuur 1.1). De initiatiefnemer is voornemens alle bebouwing en beplanting, behoudens de woning, te slopen en te verwijderen. De beoogde ontwikkeling leidt mogelijk tot de aantasting van beschermde soorten en andere beschermde natuurwaarde. Derhalve is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie voor deze beschermde natuurwaarde (van Suijlekom, 2021).
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen aan de Heesterseweg 35 & 35a te Geffen.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (van Suijlekom, 2021). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus, verblijfplaatsen van vleermuizen en vaste rust- en verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of een essentieel leefgebied van das en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Holding J & R van Herpen B.V. heeft Blom Ecologie verzocht het aanvullend onderzoek naar de das en kleine marterachtigen uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
4
1.2
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn er dassen en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied migratieroutes, foerageergebieden, voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van voortplantings- en/of verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
1.3
Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit een woning, loods, opslagplaats en een houtwal aan de Heesterseweg 35 & 35a te Geffen. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (van Suijlekom, 2021). In figuur 1.2 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van het plangebied.
Figuur 1.2 De bebouwing in het plangebied betreffen.
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden Holding J & R van Herpen B.V. is voornemens om, behoudens de woning, alle bebouwing op de planlocatie te slopen en alle groenstructuren op de planlocatie te verwijderen. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • • • • • •
1.5
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer van hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (van Suijlekom, 2021) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk voortplantings- en verblijfplaatsen aanwezig zijn van de das en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) (tabel 1.1.). De houtwal heeft mogelijk een belangrijke functie als migratieroute, foerageergebied en/of rust- en voortplantingsplaats voor kleine marterachtigen en als foerageergebied van de das. Tabel 1.1
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (van Suijlekom, 2021).
Soortgroep
Onderzoek nodig
Bescherming Wnb
Ja Ja Ja Ja
Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10
Mogelijke functie plangebied
Planten Grondgebonden zoogdieren Das Bunzing Hermelijn Wezel
Verblijfplaatsen/migratieroute/ foerageergebied
Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
6
Figuur 1.3 De houtwal heeft mogelijk een essentiële functie voor de das en kleine marterachtigen.
1.6
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de das, bunzing, hermelijn en wezel valt onder de nationaal beschermde soorten. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wet nb, art 3.10 lid 1 (b) (nationaal beschermde soorten) Lid 1: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (das, bunzing, hermelijn en wezel) opzettelijk te beschadigen of te vernielen; Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Per 2023 zal de Omgevingswet in werking treden. Binnen de Omgevingswet blijft het beschermingsregime nationaal beschermde soorten onverminderd van kracht. Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats. Implementatie en wijze van uitvoering zijn vooralsnog niet vastgesteld.
7
2 Methode onderzoek 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de das zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Voor de kleine marterachtigen zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Handreiking voor kleine marterachtige (Bouwens, 2017) welke in dit onderzoek als leidraad is gebruikt voor de marterachtigen. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de relevante Kennisdocumenten en/of NGB soorteninventarisatieprotocollen.
Soort
Type
Periode
Omschrijving
Das
Foerageergebied
Jaarrond
Minimaal 4-6 weken inventariseren middels cameravallen en sporenonderzoek.
Maart - Augustus
Minimaal 6 weken inventariseren middels marterboxen en cameravallen.
N.v.t.
De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.
Migratieroute/ Kleine marterachtigen
Cat. 5 vogels Algemene broedvogels
Foerageergebied /Verblijfplaats Nest
2.2 Praktische uitvoering Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie is het aanvullend onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische locaties van het plaatsen van de camera’s en het zoeken naar sporen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, watergangen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Om de aan- of afwezigheid van de das en kleine marterachtigen vast te stellen zijn één marterbox en twee cameravallen ingezet (figuur 2.1). De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties als wissels, in de houtwal (figuur 2.2). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 8 maart 2022 t/m 21 april 2022, gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken. De camera’s zijn geplaatst in de houtwal. De camera’s zijn aan bomen en struiken in de houtwal vastgezet en gericht op verschillende oriëntatiepunten (figuur 2.1). De marterbox is op een beschutte plaats in de houtwal geplaatst. Een marterbox is een kist met een buis als opening. De buis leidt naar de binnenzijde waar een lokstof (sardientjes) wordt geplaatst. In de kist zit een camera met bewegingsdetector. Op de camera is een lens met sterkte geplaats (2+).
8
Naast het plaatsen van wildcamera’s en een marterbox is tijdens elk veldbezoek specifiek een sporenonderzoek uitgevoerd. Hierbij is gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van dassen, marterachtigen en/of verblijfplaatsen. Dit betreffen sporen als graafsporen, latrines met uitwerpselen, prooiresten, prenten en vraatsporen.
Figuur 2.1 Overzicht van de locaties van de marterbox en cameravallen.
Figuur 2.2 De marterbox (links) en één van de cameravallen (rechts).
2.3 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2
Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek. Aantal pers.
Veldbezoek
Functie
Datum
Marter & das
Camera’s uitzetten / sporen zoeken
1
08-03-2022
Marter & das
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
22-03-2022
Marter & das
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
05-04-2022
Marter & das
Camera’s ophalen / sporen zoeken
1
21-04-2022
9
2.4 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
10
3 Resultaten 3.1
Das Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoekrondes is de das één keer waargenomen). Dit betrof camera 3. De das bewoog zich vanuit de westzijde richting het oosten toe. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als wisselsporen, haren, prenten, neusputjes, vraatsporen en latrines met uitwerpselen die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Derhalve is er geen sprake van een rust- en/of voortplantingsplaats van de das op de planlocatie. Functioneel leefgebied Op de planlocatie is tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van de das door infrequent visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten, vraatsporen of wisselsporen) binnen de planlocatie.
3.2 Kleine marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn in geen van de marterboxen en op geen van de camera’s waarnemingen van kleine marterachtigen aangetroffen. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Derhalve is er geen sprake van een rust- en/of voortplantingsplaats op de planlocatie. Functioneel leefgebied Op de planlocatie is tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van kleine marterachtigen door geen visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten of wisselsporen) binnen de planlocatie.
3.3 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. Op camera 2 is de steenmarter eenmalig waargenomen. Op de planlocatie zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen. De steenmarter leeft bij voorkeur in gebieden met een kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen, bosjes en groenstroken. De steenmarter kan in één nacht 10-15 kilometer afleggen (Zoogdiervereniging, 2022). Doordat de steenmarter één enkele keer op de planlocatie is waargenomen, en er enkel een groenstrook wordt verwijderd in de beoogde ruimtelijke ingreep maakt de planlocatie derhalve geen onderdeel uit van een rust- en of voortplantingsplaats of van het functioneel leefgebied van de steenmarter. In de marterbox is een ware muis waargenomen. De volgende soorten zijn waargenomen op de wildcamera’s: ekster, gaai, haas, heggenmus, hond, houtduif, huiskat, huismus, kauw, koolmees, merel, roek, roodborst, Turkse tortel, vink, vos, ware muis, winterkoning en zanglijster.
11
Tabel 3.1 Waarnemingen van marterachtigen op de planlocatie. De cameranummers corresponderen met de nummers zoals aangewezen in figuur 2.1. Camera
Datum van
Soort waargenomen
waarnemingen
Das
Steenmarter
Bunzing
Wezel
Hermelijn
1
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
2
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
3
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Das: 8 maart 2022 Steemarter: 9 maart 2022
12
4 Conclusie 4.1
Das In de periode maart - april 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van das in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is één individu waargenomen op de planlocatie. Tijdens het onderzoek zijn verder geen sporen van dassen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd.
4.2 Kleine marterachtigen In de periode maart - april 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd.
4.3 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot de das en kleine marterachtigen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Op de planlocatie is de steenmarter één keer waargenomen. Op de planlocatie zijn geen sporen van de steenmarter waargenomen. Door de infrequente waarnemingen van de steenmarter is een essentiële functie van het plangebied voor de steenmarter uitgesloten. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen.
4.4 Vervolgstappen Voor het verwijderen van de groenstrook aan de noordoostzijde van de planlocatie is geen ontheffing Wnb nodig. Er gelden in het kader van de Wnb geen verdere vervolgstappen voor het verwijderen van de groenstrook aan de noordoostzijde van de planlocatie.
13
Bronvermelding BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Bommel, van F., Vreugdenhil, S. & M. La Haye, 2015. De Das. KNNV, Zeist. Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marterachtige. Provincie Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch. Dinther, B., J. Hack, Visser, A. & P. Leendertse, 2010. De bodem uitgezocht. TAUW B.V., Eindhoven. Van Suijlekom, J., 2021 . Geffen Heesterseweg 35-35a. Ecologische Quickscan. Buro Maerlant, Dussen.
Gebruikte websites www.arcgis.com www.zoogdiervereniging.nl Bijlagen Bijlage 1 Das Bijlage 2 Kleine marterachtigen
14
Bijlagen Das De das is een marterachtige en een sociaal dier dat vrijwel altijd in een dassenclan leeft (figuur 1). Zo’n clan bestaat meestal uit één dominante man en één dominante vrouw met jongen en jaarlingen (de jongen van het voorgaande jaar). De grootte van een clan is afhankelijk van de grootte van het leefgebied en het voedselaanbod (BIJ12, 2017; Zoogdiervereniging Das, 2022) en kan variëren van 2 tot 12 dieren. In Nederland bestaat de gemiddelde grootte van een dassenclan uit circa vier individuen. Dassen leven in verschillende type burchten. Naast de hoofdburcht zijn er vaak ook (kleinere) bijburchten en vluchtpijpen, welke tijdelijk worden gebruikt en meestal op strategische plaatsen liggen, zoals dicht bij een voedselbron. Afhankelijk van de periode in het jaar wordt de hoofdburcht of een van de bijburchten bewoond. Deze dassenpijpen liggen verspreid in het territorium, waarin verschillende foerageergebieden en looproutes aanwezig en met elkaar verbonden zijn (BIJ12, 2017). Dassen zijn schemer en nacht actieve dieren, waarbij ze de burcht vaak pas ’s avonds verlaten opzoek naar voedsel. Hierbij worden veelal wissels (looproutes) gebruikt om van de burcht naar het foerageergebied te komen en terug. Het dieet van de das bestaat voor het grootste deel uit regenwormen (circa 40-80 %).
Het overige deel van het dieet bestaat uit overige ongewervelde (kevers, pissebedden, duizendpoten slaken etc.), noten, bessen en seizoensgebonden gewassen als mais en graan en soms ook kleine zoogdieren en amfibieën (Dinther et al., 2010; Bommel et al., 2015). De das is een opportunist, wat inhoudt dat hij de voorkeur zal geven voor het voedsel dat het ‘makkelijkst’ bereikbaar is. Hierdoor zijn er grote verschillen, afhankelijk van het seizoen, in het dieet. Echter blijkt dat een hoge biomassa regenwormen het belangrijkste is voor het functioneren van een essentieel foerageergebied. De paring kan het hele jaar door plaatsvinden. Echter wordt er meestal een piek van paring gezien in februari direct nadat de jongen zijn geboren (BIJ12, 2017; Bommel et al., 2015). Na de bevruchting nestelt het embryo niet meteen in de baarmoederwand waardoor vaak de draagtijd pas later begint, meestal in de winter. Hierdoor bedraagt de daadwerkelijke draagtijd enkel zeven tot acht weken en worden jonge dassen geboren in de periode januari - maart met een piek in februari. Als de jongen circa 8 weken oud zijn komen deze voor het eerst uit de burcht. Vanaf juni-augustus worden de jongen zelfstandig. Indien de clan de maximale grootte heeft bereikt gaan de jongen migreren en opzoek naar een nieuwe clan en/of partner (BIJ12, 2017).
Figuur 1 De das (Meles meles) (bron: Blom Ecologie, Zeist). 15
Kleine marterachtigen De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen (figuur 2). Deze soorten zijn sterk gebonden aan kleinschalige landschappen met afwisselende structuren als houtwallen, bosschages, begroeide oevers, weides en parken. Afwisselende structuren bieden voldoende dekking en voedsel en zijn van groot belang bij de migratie. Alle drie de soorten zijn roofdieren die vaak dag en nacht actief opzoek zijn naar voedsel als kleine zoogdieren, amfibieën en (jonge) kleine vogels. Naast de belangrijke functies als dekking, voedsel en verspreiding moet een geschikt leefgebied ook voorzien in rust- en voortplantingsplaatsen. Droge plaatsen als oude holen, houtstappels, holle bomen, takkenrillen, strobalen, puinhopen en ook oude schuren en stallen bieden geschikte rust- en voortplantingsmogelijkheden. De voortplantingsperiode van de soorten liggen tussen circa medio april en juni, dit is dan ook een actieve periode van kleine marterachtigen (Bouwens, 2017; Zoogdiervereniging, 2022).
Figuur 2 De bunzing (links) de wezel (midden) en de hermelijn (rechts) (bron: © Zoogdiervereniging).
16
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 17
Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022
Bijlage 3:
Voortoets stikstofdepositie
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen Gemeente Oss
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
1
Gegevens over het plan: Plannaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen 04-10-2022 89.03.08
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Oss
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding ................................................................................................................................. 5
1.1
Doelstelling onderzoek .......................................................................................................................... 5
1.2
Projectbeschrijving ................................................................................................................................ 5
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebieden.................................................................................................... 6
Hoofdstuk 2
Wettelijk kader ...................................................................................................................... 8
2.1
Landelijke wet- en regelgeving .............................................................................................................. 8
2.2
Voortoets ............................................................................................................................................... 8
2.3
Passende beoordeling ........................................................................................................................... 9
2.4
Aanlegfase ............................................................................................................................................. 9
Hoofdstuk 3
Berekeningssystematiek ....................................................................................................... 10
3.1
Gebruikt rekenmodel........................................................................................................................... 10
3.2
Input rekenmodel ................................................................................................................................ 10
3.2.1 Bestaand gebruik.................................................................................................................................. 10 3.2.2 Toekomstig gebruik .............................................................................................................................. 10 3.2.3 Aanlegfase ............................................................................................................................................ 11 Hoofdstuk 4
Resultaten berekening .......................................................................................................... 14
4.1 Bestaand gebruik......................................................................................................................................... 14 4.2 Toekomstig gebruik ..................................................................................................................................... 15 4.3 Aanlegfase ................................................................................................................................................... 20 Hoofdstuk 5
Conclusies ............................................................................................................................. 25
Bijlagen
.............................................................................................................................................. 27
Bijlage 1: Toelichting uitgangspunten aanlegfase ............................................................................................. 29 Bijlage 2: AERIUSberekening ............................................................................................................................. 31
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
3
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doelstelling onderzoek
In het zuidoosten van Geffen wordt een nieuwe woonwijk met circa 310 woningen gerealiseerd. Doel van dit onderzoek is toetsing van mogelijke (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt, aan de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming is de toekomstige gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever, ervaringscijfers en kengetallen. De depositie is op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Voorliggende rapportage geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodiek, de berekende resultaten en de conclusie.
1.2
Projectbeschrijving
Het plangebied is gelegen aan de Heesterseweg te Geffen. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied in de omgeving.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
5
Ligging van het plangebied In het zuidoosten van Geffen wordt de nieuwe woonwijk ’t Veld gerealiseerd met circa 310 woningen. Navolgende afbeelding toont een schetsontwerp van de locatie, welke het uitgangspunt voor de berekening vormt.
Schets van het plangebied
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebieden
Voor het uitvoeren van de stikstofdepositieberekening moet rekening gehouden worden met Natura 2000gebieden. AERIUS toetst automatisch aan alle Natura 2000-gebieden in Nederland en aan nabijgelegen buitenlandse Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen en maatgevende Natura 2000-gebied voor dit
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
6
project is Rijntakken. Deze ligt op een afstand van circa 10 km van het project. Op de afbeelding hieronder zijn het plangebied en de betreffende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Ligging plangebied in relatie tot de maatgevende Natura 2000-gebieden
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
7
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Landelijke wet- en regelgeving
In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. Met het verdwijnen van het Programma Aanpak Stikstof is de ontwikkelingsruimte en standaard grenswaarde voor projecten niet meer beschikbaar. Op 16 juni 2020 hebben provincies de geldende beleidsregels voor intern en extern salderen vastgesteld. Dit vormt het nieuwe beleid op basis waarvan de vergunningverlening binnen de Wet natuurbescherming met betrekking tot stikstofdepositie plaatsvindt.
2.2
Voortoets
Een voortoets heeft tot doel te onderzoeken of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor beschermde Natura 2000 gebieden. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij de voortoets wordt bekeken of het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Hierbij mag een vergelijking worden gemaakt met het bestaande gebruik binnen het project zelf (intern salderen) of mag met het stoppen van een stikstofuitstotende activiteit elders worden gecompenseerd (extern salderen).
Van plannen die ten opzichte van de feitelijke situatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. In het geval uit de voortoets blijkt dat: de ontwikkeling wel kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitat; van deze habitats de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden; dient een volgende stap gezet te worden. Op dat moment wordt door middel van een ecologische voortoets onderzocht of ecologische significante effecten uitgesloten kunnen worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kleine deposities en/of deposities voor een korte tijd. Mocht dat laatste ook niet het geval zijn dan is een passende beoordeling noodzakelijk.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
8
2.3
Passende beoordeling
Wanneer een plan significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de Wet natuurbescherming een passende beoordeling opstellen vóórdat het plan kan worden vastgesteld. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Het bestemmingsplan zal rekening moeten houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. Als het bevoegd gezag (in veel gevallen Provinciale Staten) op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen, dan kan een plan toch worden vastgesteld.
2.4
Aanlegfase
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurherstel in werking getreden. Op basis van deze wet worden bepaalde bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten in de bouwsector buiten beschouwing gelaten bij de toets of een project (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het gaat om de volgende activiteiten in de bouwsector (conform het Besluit stikstofreductie en natuurherstel): het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. In dit geval is, om volledige zekerheid te verschaffen over de mogelijke effecten van het beoogde plan, ervoor gekozen om de aanlegfase te berekenen en in deze voortoets stikstofdepositie mee te nemen.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
9
Hoofdstuk 3 3.1
Berekeningssystematiek
Gebruikt rekenmodel
In deze voortoets is gerekend met de AERIUS Calculator. De rekenkern van AERIUS wordt gevormd door het Operationeel Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Dit model berekent de verspreiding van stikstof door de lucht en de depositie. OPS houdt daarbij rekening met verschillende factoren die de verspreiding en depositie van stikstof beïnvloeden, bijvoorbeeld de windrichting en -kracht, de ruwheid van het terrein en de hoogte van de vegetatie. Voor wegverkeer wordt gebruikt gemaakt van Standaard Rekenmethode 2 (SRM2). Daarmee sluit AERIUS aan op de modellering in het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit.
3.2
Input rekenmodel
Belangrijk voor elk rekenmodel is de kwaliteit van de input. In deze paragraaf wordt voor elk onderdeel de bijbehorende uitgangspunten beschreven en onderbouwd.
3.2.1 Bestaand gebruik Voor het berekenen van de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde natuurgebieden is het noodzakelijk de referentiesituatie te modeleren. Omdat sprake is van een plan is de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan de referentiesituatie. In de referentiesituatie is een groot deel van het plangebied in gebruik als weiland en voor akkerbouw. Bedrijfsmatig (en vaak ook hobbymatige) gebruikte landbouwgronden worden bemest. De functie van het plangebied is gecontroleerd met behulp van luchtfoto’s. De hoogte van de uitstoot NH3 die de bemesting veroorzaakt, is bepaald op basis van de kengetallen die Bij12 geeft voor de verschillende mestdeelgebieden waarin Nederland is opgedeeld. Voor het mestdeelgebied waar het plangebied binnen ligt geldt een emissie NH3 van 21,4 kg/ha/j. De bemeste gronden zijn in dit geval 8,35 hectare groot (de paardenweide aan de zuidwestkant van het plangebied is niet meegerekend). Dit zorgt ervoor dat voor de bestaande situatie het uitgangspunt is dat er sprake is van een uitstoot NH3 van 178,69 kg/j. Naast dat de uitstoot van de paardenweide niet is meegenomen in de berekening, is ook de stikstofuitstoot vanwege de bedrijfsvoering van de bedrijven aan de Heesterseweg 35 en 35a niet meegerekend.
Hiermee is er in de berekening sprake van een onderschatting van de stikstofuitstoot in het plangebied in de bestaande situatie.
3.2.2 Toekomstig gebruik Verkeersbewegingen Met betrekking tot het beoogde plan is het van belang te kijken naar de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. Voor het bepalen van de extra verkeersbewegingen wordt als worst case uitgegaan van 8 motorvoertuigbewegingen per woning per dag. Het plan gaat uit van 310 woningen waardoor het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie circa 2.480 zal bedragen. Deze verkeersbewegingen bestaan enkel uit licht verkeer. Daarnaast zijn er als worst case 18 verkeersbewegingen van zwaar verkeer gemodelleerd voor afvalwagens, bezorgingen, verhuizingen, etc. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Veldstraat en de Heesterseweg op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
10
Overige bronnen De woningen worden conform het Bouwbesluit gasloos uitgevoerd. Daarmee is er over het algemeen geen sprake van een verbrandingsinstallatie in het huis. Ammoniakemissies als gevolg van menselijk gebruik, huisdieren e.d. worden niet aan woningbouw toegerekend en blijven conform het document “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2019” buiten beschouwing. Mogelijke stikstofuitstoot door de toekomstige woningen en bijgebouwen is kleinschalig en incidenteel. Wat onder deze kleinschalige en incidentele uitstoot valt is bijvoorbeeld het gebruik van een hout- of pelletkachels of biomassaketels. Aangezien dit plan enkel nieuwbouwwoningen betreft waarin dergelijke installaties niet standaard worden ingebouwd, zal het percentage woningen dat één van deze manieren van verwarming gebruikt erg klein zijn. Ook omdat per 1 januari 2020 de ISDE-subsidie op biomassaketels en pelletkachels is komen te vervallen is de verwachting dat het aandeel van de woningen met een dergelijke installatie in dit plan klein zal zijn. Om in de berekening toch rekening te houden met het gebruik van dergelijke installaties en eventueel ander incidenteel en kleinschalige stikstofuitstoot, is er worst case voor 50% van de nieuwe woningen (155 woningen) toch een stikstofuitstoot gemodelleerd.