CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanbiedingsbrief colleges-wijziging gr

Gemeenteraad 7 maart 2024, gemeente OssBij agendapunt: B Zienswijze Wijziging gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant5.159 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De colleges van burgemeester en wethouders van de aan het Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant deelnemende gemeenten.

Oss, 13 november 2023

Ons kenmerk: 23-jc

Onderwerp: wijziging gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap NoordoostBrabant

Geacht college,

1. Inleiding. In 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gewijzigd. De wijzigingen van de Wgr hebben gevolgen voor het Werkvoorzieningschap. Het Werkvoorzieningschap is immers een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de Wgr. Het doel van deze wijzigingen is het versterken van de positie van de raden van de deelnemende gemeenten ten opzichte van de gemeenschappelijke regelingen. De wijzigingen richten zich meer in het bijzonder op: - het versterken van de positie van de raden bij besluitvorming door gemeenschappelijke regelingen; - introductie van aanvullende controle-instrumenten voor de raden; - het verbeteren van de positie van de raden met betrekking tot het functioneren van de gemeenschappelijke regelingen. Een deel van deze wijzigingen volgt direct uit de wet en gold meteen op 1 juli 2022. De andere wijzigingen moeten uiterlijk 1 juli 2024 geïmplementeerd zijn. Een deel van de wijzigingen moet worden ingevoerd en een deel kan worden ingevoerd. Hierbij zijn de raden bepalend. Het is inmiddels goed gebruik dat bij dit soort trajecten onze regio gezamenlijk optrekt, zo ook hier. Een zestal gemeenschappelijke regelingen heeft samen met de coördinatiegemeente Meierijstad het proces vormgegeven.

Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn dat er samengewerkt wordt waar het kan en de wijzigingen moeten passen bij het specifieke karakter van de betreffende gemeenschappelijke regeling. In onderstaand voorstel is rekening gehouden met de regionaal gemaakte afspraken.

2 In paragraaf 2 van dit memo wordt allereerst ingegaan op de wijzigingen van de Wgr die betrekking hebben op het versterken van de positie van de raden bij besluitvorming door de gemeenschappelijke regeling en welke eventuele aanpassingen dit vraagt in onze gemeenschappelijke regeling. In paragraaf 3 wordt nader ingegaan op wijzigingen van de Wgr die te maken hebben met aanvullende controle-instrumenten voor de raden en welke eventuele aanpassingen dit vraagt in onze gemeenschappelijke regeling. In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op wijzigingen van de Wgr die te maken hebben met het verbeteren van de positie van de raden met betrekking tot het functioneren van de gemeenschappelijke regeling en welke eventuele aanpassingen dit vraagt in onze gemeenschappelijke regeling. In paragraaf 5 wordt ten slotte geschetst hoe de vervolgprocedure eruitziet. 2. Versterken van de positie van de raden bij besluitvorming door de gemeenschappelijke regeling. Onderstaand worden de wijzingen van de Wgr die bij deze groep horen een voor een toegelicht en wordt aangegeven in hoeverre dit tot wijziging van onze gemeenschappelijke regeling moet/kan leiden. 2.1. Zienswijzen bij treffen van, wijzigen van, toetreden tot en uittreden uit de gemeenschappelijke regeling.

Bij het treffen van, wijzigen van, toetreden tot en uittreden uit collegeregelingen, zoals het Werkvoorzieningschap, moeten de colleges voortaan het ontwerp van de gemeenschappelijke regeling eerst toezenden aan de gemeenteraden. De gemeenteraad kan binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling zijn zienswijze over de ontwerpregeling geven bij zijn college. De raad mag ook van de mogelijkheid tot het geven van zienswijzen afzien. Indien de raden hier geen gebruik van wensen te maken dienen zij de colleges van burgemeester en wethouders hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen, zodat de besluitvorming niet onnodig vertraagd wordt. Nadat de raad eventuele zienswijzen heeft ingediend, volgt de procedure zoals deze voor 1 juli 2022 ook gold. Dit betekent dat het college een voorlopig besluit neemt omtrent de ontwerpregeling en vervolgens toestemming vraagt aan de gemeenteraad voor het wijzigen van de regeling. Beslist de raad onverhoopt niet tijdig, dan is de toestemming van rechtswege verleend. De raad kan de toestemming overigens alleen onthouden wegens strijd met het recht of strijd met het algemeen belang. De Wgr onderscheidt expliciet in de zienswijzenprocedure en een daarop volgende toestemmingsprocedure. Deze kunnen niet gelijktijdig doorlopen worden om zo tijd te winnen. Dan is namelijk weer sprake van de procedure zoals die tot 1 juli 2022 gold. 2.1.1.

De besluitvorming met betrekking tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling gaat uiteraard vooraf aan de oprichting van de gemeenschappelijke regeling. De deelnemers zullen de ter zake geldende regelgeving hierbij uiteraard moeten volgen. Onze gemeenschappelijke regeling bestaat reeds en is een feit.

3 Voor het treffen van de gemeenschappelijke regeling hoeft derhalve in onze gemeenschappelijke regeling geen wijziging te worden aangebracht. 2.1.2. De besluitvormingsprocedure met betrekking tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling is geregeld in artikel 41 van onze gemeenschappelijke regeling. Dit artikel luidt:

1.

2.

3. 4.

Artikel 41. Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid, kan de regeling op voorstel van het Algemeen Bestuur worden gewijzigd en worden opgeheven, indien de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van ten minste drie vierde van de gemeenten, vertegenwoordigende ten minste drie vierde van het inwonertal van het gebied, daartoe besluiten. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde is vervuld. De artikelen 3, 4, 6, 7 en 14 kunnen slechts worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten. In geval van opheffing besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daartoe de nodige regels op. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de colleges van burgemeester en wethouders gehoord, vastgesteld.

Met name de zienswijzeprocedure en toestemming van de raad zoals in deze paragraaf 2.1 bedoeld, vraagt om aanpassing van het huidige artikel 41 van onze gemeenschappelijke regeling. Voorgesteld wordt om de huidige leden 2, 3 en 4 te vernummeren tot nieuwe leden 4, 5 en 6 en de volgende nieuwe leden 2 en 3 toe te voegen. 2. De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten stellen hun raad in de gelegenheid om met inachtneming van artikel 1 van de wet hun zienswijze over de voorgestelde wijziging naar voren te brengen. 3. Na kennisneming van de eventuele zienswijze van de raad vraagt het college van burgemeester en wethouders toestemming van de raad voor het besluit inzake wijziging. Het nieuwe artikel 41 luidt dan: Artikel 41. 1. Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid, kan de regeling op voorstel van het Algemeen Bestuur worden gewijzigd en worden opgeheven, indien de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van ten minste drie vierde van de gemeenten, vertegenwoordigende ten minste drie vierde van het inwonertal van het gebied, daartoe besluiten. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde is vervuld. 2.

De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten stellen hun raad in de gelegenheid om met inachtneming van artikel 1 van de wet hun zienswijze over de voorgestelde wijziging naar voren te brengen.

4 3. Na kennisneming van de eventuele zienswijze van de raad vraagt het college van burgemeester en wethouders toestemming van de raad voor het besluit inzake wijziging. 4. De artikelen 3, 4, 6, 7 en 14 kunnen slechts worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten. 5. In geval van opheffing besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daartoe de nodige regels op. 6. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de colleges van burgemeester en wethouders gehoord, vastgesteld. 2.1.3. Indien een gemeente wenst toe te treden tot onze gemeenschappelijke regeling, gaat daar eerst een intern besluitvormingsproces binnen die gemeente aan vooraf. Die gemeente zal de ter zake geldende regelgeving hierbij uiteraard weer moeten volgen. Die besluitvormingsprocedure hoeven we niet te regelen in onze gemeenschappelijke regeling. De wens tot toetreden kan pas geëffectueerd worden nadat de reeds bestaande deelnemers daartoe op een bepaalde wijze besloten hebben. Die besluitvormingsprocedure wordt wel geregeld in onze gemeenschappelijke regeling. Met name de zienswijzeprocedure en toestemming van de raad zoals in deze paragraaf 2.1 bedoeld, vraagt om aanpassing van het huidige artikel 39 van onze gemeenschappelijke regeling. Het huidige artikel 39 van onze gemeenschappelijke regeling luidt :

1.

2.

3.

4.

Artikel 39. Indien een gemeente verzoekt tot de regeling te mogen toetreden, stelt het Algemeen Bestuur, na overleg met de desbetreffende gemeente, de voorwaarden voor die toetreding vast. Het Dagelijks Bestuur zendt vervolgens het verzoek tot toetreding met de door het Algemeen Bestuur vastgestelde voorwaarden naar de colleges van burgemeester en wethouders. Toetreding vindt eerst plaats, nadat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van ten minste drie vierde van de gemeenten daarin bewilligen. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde vervuld is. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die van opname in het register, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet tenzij het Algemeen Bestuur, na overleg met de betreffende gemeente, anders heeft bepaald.

Voorgesteld wordt om de huidige leden 3 en 4 te vernummeren tot nieuwe leden 5 en 6 en de volgende nieuwe leden 3 en 4 toe te voegen. 3.

4.

De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten stellen hun raad in de gelegenheid om met inachtneming van artikel 1 van de Wet hun zienswijze over de voorgestelde toetreding naar voren te brengen. Na kennisneming van de eventuele zienswijze van de raad vraagt het college van burgemeester en wethouders toestemming van de raad voor het besluit inzake toetreding.

5 Het nieuwe artikel 39 luidt dan:

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Artikel 39. Indien een gemeente verzoekt tot de regeling te mogen toetreden, stelt het Algemeen Bestuur, na overleg met de desbetreffende gemeente, de voorwaarden voor die toetreding vast. Het Dagelijks Bestuur zendt vervolgens het verzoek tot toetreding met de door het Algemeen Bestuur vastgestelde voorwaarden naar de colleges van burgemeester en wethouders. De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten stellen hun raad in de gelegenheid om met inachtneming van artikel 1 van de wet hun zienswijze over de voorgestelde toetreding naar voren te brengen. Na kennisneming van de eventuele zienswijze van de raad vraagt het college van burgemeester en wethouders toestemming van de raad voor het besluit inzake toetreding. Toetreding vindt eerst plaats, nadat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van ten minste drie vierde van de gemeenten daarin bewilligen. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde vervuld is. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die van opname in het register, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet tenzij het Algemeen Bestuur, na overleg met de betreffende gemeente, anders heeft bepaald.

2.1.4. Indien een gemeente wenst uit te treden, dan vindt die besluitvorming volledig plaats binnen de gemeente. Dit vraagt niet om aparte besluitvorming door het Werkvoorzieningschap. De betreffende gemeente zal bij de besluitvorming uiteraard wel rekening moeten houden met de gevolgen van de gewijzigde Wgr. De gevolgen van die uittreding moeten wel expliciet geregeld zijn. Daar wordt verderop in dit memo apart op teruggekomen. Uittreding vraagt niet om aanpassing van onze gemeenschappelijke regeling. 2.2. Zienswijze bij bepaalde besluiten. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald dat voor bepaalde besluiten de raden ook in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Als voorbeelden worden genoemd, besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes. Omdat de Wsw vanaf 2015 geen instroom meer kent, is deze voorziening in een soort van sterfhuisconstructie terechtgekomen. Via natuurlijk verloop zal dit proces zich voltrekken. Daarmee is dit instrument beleidsarm geworden. Naast de reeds bestaande zienswijzeprocedures voor kadernota, begroting en jaarrekening lijken ons geen aanvullende zienswijzeprocedures nodig. Aanpassing van onze gemeenschappelijke regeling als gevolg van dit punt is dan ook niet nodig. 2.3. Adviescommissies.

De nieuwe Wgr kent de mogelijkheid om adviescommissies in te stellen die bestaan uit raadsleden van deelnemende gemeenten. Deze adviescommissie adviseert de vertegenwoordigende lichamen en helpt met het voorbereiden van zienswijzen. Reeds eerder is aangegeven dat de Wsw de enige taak is die het Werkvoorzieningschap heeft en dus een beleidsarm instrument is geworden. Nieuw beleid komt niet veel voor en als dat het geval is, wordt dat vooraf met de gemeenten in het kader van de adoptieregeling afgestemd met de gemeenten.

6 Net als de kring van griffiers en coördinatiegroep zijn wij van mening dat een adviescommissie als hier bedoeld in onze situatie niet nodig is. 2.4. Burgerparticipatie. Bij gemeenschappelijke regelingen kunnen taken en bevoegdheden met grote maatschappelijke relevantie zijn belegd. Op gemeentelijk niveau kan bijvoorbeeld via inspraak bij de gemeenteraad door inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties aandacht voor een bepaald onderwerp worden gevraagd. Die mogelijkheid bestaat niet wanneer een bevoegdheid of taak bij een gemeenschappelijke regeling is belegd. De wetswijziging brengt hier verandering in, doordat nu in de gemeenschappelijke regeling moet worden afgesproken of, en zo ja hoe, participatie mogelijk wordt gemaakt. Onder verwijzing naar wat we eerder hebben aangegeven over het “sterfhuis Wsw” en het gegeven dat de Wsw beleidsarm is geworden, achten wij het niet zinvol om een vorm van burgerparticipatie te organiseren. Dit moet wel expliciet worden vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling. Overigens is er wel participatie georganiseerd voor de doelgroep Wsw en belangenbehartigers via de Wsw-raad.

Voorgesteld wordt om aan artikel 4 van de gemeenschappelijke regeling de volgende tekst toe te voegen: “Het Werkvoorzieningschap kiest ervoor om hierbij cliëntenparticipatie voor belanghebbenden te organiseren via de Wsw-raad zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Wsw. Andere vormen van (burger)participatie zoals bedoeld in artikel 10 lid 7 van de Wgr worden niet georganiseerd door het Werkvoorzieningschap.” Artikel 4 luidt dan als volgt: Artikel 4. Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant heeft tot doel: het continueren van een gemeenschappelijke voorziening ter integrale uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende voorschriften en regelingen, alsmede andere vormen van gesubsidieerde arbeid. Met name wordt bevorderd dat inwoners uit de regio Noordoost-Brabant met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, hulp wordt geboden bij het verkrijgen van betaald werk. Het Werkvoorzieningschap kiest ervoor om hierbij cliëntenparticipatie voor belanghebbenden te organiseren via de Wsw-raad zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Wsw. Andere vormen van (burger)participatie zoals bedoeld in artikel 10 lid 7 van de Wgr worden niet georganiseerd door het Werkvoorzieningschap. 2.5. Informatieplicht. 2.5.1. Actieve informatieplicht. Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling is verplicht actief te informeren.

In de gemeenschappelijke regeling moeten afspraken worden vastgelegd over de wijze waarop informatie wordt aangeleverd. Ook hier geldt weer dat de Wsw een beleidsarm instrument is geworden. Alle besluitvorming van het Algemeen Bestuur staat op de website van het Werkvoorzieningschap.

7 Verplichtingen met betrekking tot overheidspublicaties worden nageleefd. Over het Werkvoorzieningschap valt verder niet zoveel met informatiewaarde door te geven aan de raden. Anders is dit met betrekking tot de uitvoeringsorganisatie IBN. Dit is een 100% deelneming van het Werkvoorzieningschap en een voor de gemeenten belangrijke organisatie met veel dynamiek. Wij willen graag de raden actief en periodiek informeren over het wel en wee van deze organisatie. Voorgesteld wordt om aan artikel 4 van de gemeenschappelijke regeling de volgende zin toe te voegen “Het Algemeen Bestuur draagt er zorg voor dat de raden van de deelnemende gemeenten periodiek actief worden geïnformeerd over het functioneren van de uitvoeringsorganisatie IBN. Het Algemeen Bestuur stelt hiertoe een regeling vast.” Artikel 4 luidt dan als volgt: Artikel 4. Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant heeft tot doel: het continueren van een gemeenschappelijke voorziening ter integrale uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende voorschriften en regelingen, alsmede andere vormen van gesubsidieerde arbeid. Met name wordt bevorderd dat inwoners uit de regio Noordoost-Brabant met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, hulp wordt geboden bij het verkrijgen van betaald werk.

Het Werkvoorzieningschap kiest ervoor om hierbij cliëntenparticipatie voor belanghebbenden te organiseren via de Wsw-raad zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Wsw. Andere vormen van (burger)participatie zoals bedoeld in artikel 10 lid 7 van de Wgr worden niet georganiseerd door het Werkvoorzieningschap. Het Algemeen Bestuur draagt er zorg voor dat de raden van de deelnemende gemeenten periodiek actief worden geïnformeerd over het functioneren van de uitvoeringsorganisatie IBN. Het Algemeen Bestuur stelt hiertoe een regeling vast. 2.5.2. Passieve informatieplicht. De passieve informatieplicht was al geregeld in artikel 17 van de Wgr. Dit was echter nog niet geregeld in onze gemeenschappelijke regeling. Daarom wordt voorgesteld om een nieuw artikel 25a in onze gemeenschappelijke regeling op te nemen, dat als volgt luidt:

1.

2.

3. 4.

Artikel 25a. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen schriftelijk en zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet in strijd is met het algemeen belang. De verzoeken om inlichtingen worden door de leden van een raad ingediend bij de voorzitter van zijn raad, die ze onmiddellijk doorzendt aan het desbetreffende orgaan van Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant. Het Algemeen Bestuur verstrekt de inlichtingen in ieder geval binnen acht weken; het Dagelijks Bestuur en de voorzitter binnen vier weken. De voorzitter zendt een afschrift van een verzoek om inlichtingen en de reactie daarop zo spoedig mogelijk aan de raden van de overige gemeenten.

8 3. Aanvullende controle-instrumenten voor de raden. Onderstaand worden de wijzingen van de Wgr die bij deze groep horen een voor een toegelicht en aangegeven in hoeverre dit tot wijziging van onze gemeenschappelijke regeling moet/kan leiden. 3.1. Recht van onderzoek. De bij een gemeenschappelijke regeling betrokken gemeenteraden krijgen een nieuw instrument in de vorm van een regionale onderzoekscommissie. Deze komt bovenop de reeds sinds 2002 bestaande mogelijkheid van de gemeentelijke onderzoekscommissie. Die laatste onderzoekscommissie kan alleen onderzoek doen naar door het college en/of de burgemeester gevoerd bestuur. De nieuwe regionale onderzoekscommissie kan echter onderzoek doen naar het door het samenwerkingsverband gevoerde bestuur. Dat betekent dus dat ook onderzoek kan worden gedaan naar het handelen van het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, de voorzitter of een adviescommissie of bestuurscommissie bij een gemeenschappelijk openbaar lichaam. Alle (oud-)bestuursleden, (oud)-voorzitters, (oud-)leden van commissies en (oud-)ambtenaren werkzaam bij of uit anderen hoofde ondergeschikt aan het bestuur, zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek van de regionale onderzoekscommissie. Voorwaarde voor het instellen van een regionale onderzoekscommissie is wel dat de bij het samenwerkingsverband betrokken gemeenteraden hiertoe unaniem beslissen.

Het instellingsbesluit moet het onderwerp van het onderzoek omschrijven en toelichten. Het instellingsbesluit zelf is een gemeenschappelijke regeling, waarbij de onderzoekscommissie formeel als gemeenschappelijk orgaan wordt geduid. De onderzoekscommissie kan alleen uit raadsleden bestaan, waarbij voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de betrokken gemeenteraden wordt gezorgd. De regionale onderzoekscommissie zal als zodanig niet vaak gebruikt worden. Daarvoor is het instrument te zwaar. Het is een nuttig instrument om in te zetten wanneer er bij een samenwerkingsverband grote problemen worden ervaren vanuit de gemeenteraden. Zij kunnen dan zelfstandig onderzoek doen, waarbij het verplicht is medewerking te verlenen. Ze zijn dus niet afhankelijk van het samenwerkingsverband of het college voor medewerking. Omdat het instellen van een regionale onderzoekscommissie via een aparte gemeenschappelijke regeling gebeurt, hoeft dit onderwerp niet geregeld te worden in onze gemeenschappelijke regeling. 3.2. Bevoegdheden rekenkamer(commissie). Bij de rekenkamer verandert niet veel. Een gemeentelijke rekenkamer kon altijd al onderzoek doen bij een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan om zo de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur vast te stellen.

Strikt formeel mocht géén onderzoek worden gedaan naar de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het samenwerkingsverband gevoerde bestuur als zodanig. In de praktijk gebeurde dat, op vrijwillige basis, wel veelvuldig. De bevoegdheid van de gemeentelijke rekenkamers tot het doen van onderzoek bij onder andere openbare lichamen, zoals het Werkvoorzieningschap, is geregeld in artikel 184 van de gemeentewet en behoeft geen nadere regeling in onze gemeenschappelijke regeling.

9 4. Verbeteren van de positie van de raden met betrekking tot het functioneren van de gemeenschappelijke regelingen. Onderstaand worden de wijzingen van de Wgr die bij deze groep horen een voor een toegelicht en wordt aangegeven in hoeverre dit tot wijziging van onze gemeenschappelijke regeling moet/kan leiden. 4.1 Afspraken over evaluatie. Een ander instrument dat geïntroduceerd wordt, is dat van de evaluatie. Artikel 11a Wgr luidt : “Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling.” De afspraak kan overigens ook zijn dat er niet geëvalueerd wordt, maar dat moet dan wel expliciet opgenomen worden in de gemeenschappelijke regeling. Met de kring van griffiers zijn wij van mening dat dit instrument niet nodig is om de positie van de raden te verbeteren. Er is reeds instrumentarium beschikbaar via de instrumenten genoemd in de vorige paragraaf en de zienswijzeprocedure. Verdere evaluatie van een zo beleidsarm openbaar lichaam als het Werkvoorzieningschap lijkt ons niet zinvol. Voorgesteld wordt om een nieuw artikel 25b in onze gemeenschappelijke regeling op te nemen, wat als volgt luidt: Artikel 25b. Buiten hetgeen reeds in de wet en deze regeling is bepaald, vindt er geen evaluatie plaats zoals bedoeld in artikel 11a van de wet. 4.2. Afspraken over uittreding.

De Wet gemeenschappelijke regelingen heeft altijd bepaald dat in de gemeenschappelijke regeling, bepalingen moeten worden opgenomen omtrent wijziging, toetreding, uittreding en opheffing. Met de wijzigingen van 2015 en van 2022 is in artikel 9 lid 1 verder verduidelijkt wat dit precies inhoudt. De gemeenschappelijke regeling moet bepalingen inhouden omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van het openbaar lichaam. Dat laatste is niet echt duidelijk geregeld in onze gemeenschappelijke regeling. Vandaar dat voorgesteld wordt om aan artikel 40 lid 5 toe te voegen: “Een uittredende gemeente kan geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van het Werkvoorzieningschap.” Tot 1 juli 2022 hoefde dit formeel slechts bij gemeenschappelijke regelingen die voor onbepaalde tijd waren getroffen, maar sindsdien geldt dit voor alle gemeenschappelijke regelingen, dus ook bij voor bepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regelingen. In onze gemeenschappelijke regeling hebben wij de gevolgen van uittreding voor het overige voldoende geregeld in artikel 40. Dit artikel 40 komt dan als volgt te luiden:

1.

Artikel 40. Uittreding van een gemeente kan geschieden bij besluiten van de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van de betreffende gemeente.

10 2. 3. 4.

5.

6.

Een besluit tot uittreding dient minimaal één jaar vóór de datum van uittreding aan het Dagelijks Bestuur te worden aangeboden. Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de colleges van burgemeester en wethouders. Een uittredende gemeente is gehouden na uittreding bij te dragen in het begrote nadelig saldo van het laatste volledige jaar van deelname, en wel in het eerste kalenderjaar na uittreding het volle aandeel, in het tweede jaar na uittreding 75 procent van het aandeel, in het derde jaar na uittreding 50 procent van het aandeel en in het vierde jaar na uittreding 25 procent van het aandeel. Een uittredende gemeente is voorts gehouden tot betaling van de door het Algemeen Bestuur vast te stellen desintegratiekosten, welke het gevolg zijn van die uittreding. Een uittredende gemeente kan geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van het Werkvoorzieningschap De uittreding treedt niet in werking dan na opname in de registers als bedoeld in artikel 27, tweede lid van de wet.

4.3. Aanpassing termijnen voor kadernota, begroting en jaarrekening. 4.3.1. Kadernota. De planning & control cyclus start formeel met de in 2015 geïntroduceerde kadernota. Moest deze voorheen voor 15 april verzonden zijn aan de gemeenteraad, die datum is wat naar achteren geschoven, t.w. naar 30 april. Benadrukt moet worden dat het hier om een uiterste termijn gaat. Dat betekent dat in de praktijk ook een eerdere datum kan worden afgesproken, maar in elk geval geen latere datum. De gemeenteraad hoeft formeel niets met de kadernota te doen, anders dan deze natuurlijk voor kennisgeving aan te nemen. Dat laat onverlet dat de raad er wel over kan debatteren en er op kan reageren, maar dat moet de raad dan wel tijdig doen. Als de ontwerpbegroting (zie Toezending ontwerpbegroting) al is toegezonden, heeft reageren op de kadernota weinig zin meer. In de praktijk conformeert het Werkvoorzieningschap zich aan de termijnafspraken die worden gemaakt in het kader van het afstemmingsproces tussen gemeenten en gemeenschappelijke regelingen in Noordoost-Brabant, ook wel adoptieregeling genoemd. Onderdeel van die afspraken is dat de raden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen naar aanleiding van de concept-kadernota. Wettelijk is dit niet verplicht.

De kadernota als onderdeel van de planning & control cyclus had nog geen plaats in onze gemeenschappelijke regeling. Voorgesteld wordt om als onderdeel van hoofdstuk Vll hiervoor een nieuw artikel 32a op te nemen dat luidt: Artikel 32a. Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. De kadernota wordt overigens toegezonden door het Dagelijks Bestuur. Bij het Werkvoorzieningschap betekent dat dus dat het Algemeen Bestuur formeel geen rol heeft bij het op- of vaststellen van de kadernota.

11 In het kader van de eerder genoemde adoptieregeling is afgesproken dat het Algemeen Bestuur de kadernota definitief vaststelt nadat de zienswijzeprocedure is afgerond. 4.3.2. Begroting. De volgende stap in de begrotingscyclus is het toezenden van de ontwerpbegroting aan de gemeenteraad. Bij een openbaar lichaam is het Dagelijks Bestuur daarmee belast. De ontwerpbegroting moet aan de gemeenteraden worden gezonden twaalf weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. Dat was voorheen acht weken. Artikel 35 van de Wgr schrijft wél expliciet voor dat het Dagelijks Bestuur de ontwerpbegroting aan de gemeenteraad zendt. Het gaat dus om een rechtstreekse toezending, zonder tussenkomst van het college. Dat betekent echter niet dat het college niets kan doen in de voorbereiding, want het is wel gebruikelijk dat het college raadsbesluiten voorbereidt. Dat geldt onverminderd ook bij zienswijzen richting het Dagelijks Bestuur. Nieuw is verder dat het voortaan verplicht is te reageren op de door de raden ingediende zienswijzen. Het Dagelijks Bestuur moet schriftelijk én gemotiveerd aan de gemeenteraden laten weten wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid. Die ‘terugkoppeling’ moet aan de raden worden gegeven vóórdat het Algemeen Bestuur de begroting vaststelt. Dat is geregeld in het nieuwe lid 4 van artikel 35 van de Wgr.

Wat ook nog verandert, is dat de inzending van de vastgestelde begroting aan Gedeputeerde Staten, als financieel toezichthouder, voortaan niet meer vóór 1 augustus hoeft te geschieden, maar vóór 15 september. Om onze gemeenschappelijke regeling in lijn te brengen met het bovenstaande wordt voorgesteld om artikel 33 van onze gemeenschappelijke regeling als volgt te wijzigen: - in lid 3 “1 tot en met 3” te wijzigen in “1 tot en met 4”; - in lid 3 “1 juli” te vervangen door “1 september” - een nieuw lid 4 toe te voegen dat luidt: “4. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.” Het gewijzigde artikel 33 van onze gemeenschappelijke regeling luidt dan:

1. 2. 3.

4.

Artikel 33. Het begrotingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Het Dagelijks Bestuur maakt elk jaar een ontwerpbegroting van uitgaven en inkomsten voor het volgende jaar. Nadat aan het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 van artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is voldaan, stelt het Algemeen Bestuur de begroting vast, uiterlijk op 1 september voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

12 Overigens conformeert het Werkvoorzieningschap zich aan de termijnafspraken die worden gemaakt in het kader van het afstemmingsproces tussen gemeenten en gemeenschappelijke regelingen in Noordoost-Brabant, ook wel adoptieregeling genoemd. 4.3.3. Jaarrekening. De termijnen in het jaarrekeningtraject zijn niet gewijzigd. Als uiterste datum blijft 15 juli gelden, zijnde de datum waarop de vastgestelde jaarrekening aan Gedeputeerde Staten moet zijn gezonden. Om onze gemeenschappelijke regeling op dit punt te verduidelijken wordt voorgesteld artikel 34 van onze gemeenschappelijke regeling als volgt aan te passen: - in lid 4 de datum 1 juli te wijzigen in 7 juli; - een nieuw lid 6 toe te voegen wat luidt: “6. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar, volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten.” Het gewijzigde artikel 34 van onze gemeenschappelijke regeling luidt dan:

1. 2.

3.

4. 5.

6.

Artikel 34. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Degene(n), die, ingevolge de in artikel 35 bedoelde voorschriften belast is/zijn met de samenstelling van een rekening, draagt/dragen er zorg voor, dat onmiddellijk na de sluiting van de dienst de rekening van uitgaven en inkomsten over het voorafgaande dienstjaar wordt opgemaakt. Hij legt/zij leggen deze vóór 1 maart aan het Dagelijks Bestuur over. Het Dagelijks Bestuur biedt deze rekening(en), na toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid, ingesteld door de op grond van artikel 37 aangewezen deskundige, en hetgeen het Dagelijks Bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden, ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur aan. Het Dagelijks Bestuur zendt de rekening(en) met het bijbehorende verslag eveneens aan de raden. Deze kunnen daaromtrent binnen acht weken na ontvangst het Dagelijks Bestuur van hun gevoelen doen blijken. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren, waarin dit gevoelen is vervat, bij de rekening(en). Het Algemeen Bestuur onderzoekt vervolgens de rekening(en) zonder uitstel en stelt ze vast uiterlijk op 7 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft/hebben.

De vaststelling van een rekening strekt het Dagelijks Bestuur en de op grond van artikel 36 aangewezen functionarissen tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar, volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten.

13 5. Vervolgprocedure. De gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant is een ‘collegeregeling’. Wijziging van deze regeling is dan ook een bevoegdheid van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. Alvorens de colleges komen tot definitieve besluitvorming, zullen de raden in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen en vervolgens om toestemming moeten worden gevraagd. Wij vragen uw bijzondere aandacht voor deze gewijzigde procedure. Nadere informatie hierover vindt u onder paragraaf 2.1. Wij streven ernaar de hele besluitvorming uiterlijk 1 juli 2024 te hebben afgerond en verzoeken u daarmee bij de agendering rekening te houden.

Hoogachtend, namens het Algemeen Bestuur van Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant

Mr. J.F.H.P. Canton, secretaris.

Bijlage: concept gemeenschappelijke regeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2a2a7c6b-092b-41d3-9f7d-3ee7d2076025