28 Raad van State dd 5 september 2025 over het bestemmingsplan Osseweg 38a Berghem_geanonimiseerd
Tekst van het document
Raad vanState
Afdeling bestuursrechtspraak
Pagina 1 van
GEMEENTE OSS POSTKAMER Raad van de gemeente Oss
Datum:
0 S SEP 2025
Postbus 5
Afdetjna:
Qí
5.1.2e
OSS
RO
1)atuni
Ons nuninicr
5 september 2025
202502280/1/R2
Uw kenmerk
Onderwerp
In1ichtingen 5.1.2e
Oss Bp. 5.1.2e
5.1.2e
Berghem
lrodsire
Beroep
Geachte heer/mevrouw, Hierbij stuur ik u - ter informatie - stukken die gaan over bovengenoemde procedure. Aangezien dit bericht geautomatiseerd is aangemaakt, is dit niet ondertekend. Hoogachtend, de griffier
** nadere reactie 5.1.2e
5.1.2e
(5A 1)
Postbus 20019 - 5.1.2e Den Haag - T 5.1.2e - F 5.1.2e Bij correspondentie de datum en het nummer van deze brief vermeldeii
- www.raadvanstate.nl
HOOGLANDER
Hooglander B.V. Postbus 971, 5.1.2e
RAA DVA N STATE lNGEKOIV1
Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak
92079709
Bi V:
5.1.2e
Helmond
lB N. 5.1.2e w w.hooglander-advocaten.nl
- 5 SEP. 2025
Postbus 20019 5.1.2e
KVK
DEN HAAG
AANGETEKEND EN VIA VEILIG MAILEN
ZAAKNR. AAN: BEHANDELDDD:
PAR:
Helmond, 2 september 2025 Onze ref.
: D20241147 5.1.2e
Uw ref.
: 202502280/1/R2
/ Berghem Osseweg
Behandelaar : 5.1.2e E-mail direct : 5.1.2e @hooglander-advocaten.nl
Geachte heer/mevrouw, Namens mijn cliënt, 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
, gevestigd aan de 5.1.2e
,
s-Hertogenbosch, reageer ik middels deze brief op het beroepschrift dat door 5.1.2e VOF (hierna te noemen: appellant) op 18 april 2025 is ingediend tegen het bestemmingsplan Berghem.
Bij brief van 21 juli 2025 heeft de Raad van State de mogelijkheid geboden om een reactie uiterlijk 2 september 2025 in te dienen. Van deze mogelijkheid maak ik dan ook graag gebruik. 1.
Vrees voor beperking bedrijfsvoering is onterecht
Appellant betoogt in het beroepschrift dat hij vreest voor beperkingen in het gebruik van de percelen ten noorden van het plangebied als gevolg van het onderhavige bestemmingsplan. Deze vrees is echter ongegrond en niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. Op grond van het vigerende planologische kader behoudt appellant het recht zijn perceel te gebruiken voor agrarische activiteiten, waaronder, indien gewenst, de inzet van gewasbeschermingsmiddelen. Het onderhavige plan brengt geen nieuwe of aanvullende beperkingen aan het huidige gebruik met zich mee, noch kan worden gesproken van een belemmering in het toekomstig agrarisch gebruik van de percelen. De feitelijke en juridische situatie van zijn percelen blijven op dit punt ongewijzigd.
E: info@hooglander-advocaten.rrl
T
5.1.2e
5.1.2e
- 5.1.2e
- Post,us 971 - 5.1.2e
- Helmorrd
Eindhoven - Helmond - Oeurne - Oss- Roermønd
=
HOOGLAN DER Het feit dat appellant deze vermeende beperking van zijn bedrijfsvoering als aanleiding neemt om beroep in te stellen, dient dan ook in een bredere context te worden gezien. Voor het indienen van beroep van appellant ¡s namelijk een ander motief. Appellant heeft eerder gesprekken gevoerd met de gemeente over de mogelijkheid om op de betreffende gronden woningbouw te realiseren. Deze gesprekken hebben er echter niet toe geleid dat zijn bouwplannen in het gemeentelijk traject zijn meegenomen. Enkele weken geleden heeft cliënt rechtstreeks contact gehad met appellant over diens positie en plannen. ln dat gesprek heeft appellant bevestigd dat hij zijn agrarische gronden tegen een hoger dan agrarische waarde zou willen verkopen door woningbouw mogelijk te maken, maar daarbij stuit op belemmeringen in de gemeenteiijke procedure, waardoor zijn plannen vooralsnog niet kunnen worden gerealiseerd. Naar aanleiding hiervan heeft cliënt aangeboden om de gronden van appellant te verwerven om deze gronden ook gedeeltelijk in te zetten als uitbreiding van het woongebied. Voor appellant was in dit in de basis een oplossing maar hij was niet bereid om zijn beroep in te trekken. Appellant was bereid om zijn beroep ¡n te trekken mits er voldoende zekerheid bestond over de ontwikkeling van het plan en de daaraan gekoppelde waardesprong.
Aangezien er tot op heden nog onvoldoende zekerheid bestaat voor appellant, is het beroep niet ingetrokken. Het gaat appellant dus niet om de beperking van zijn perceel of eventuele wijziging van akkerbouwplannen. Die plannen zijn namelijk niet aan de orde. Appellant wil zijn perceel bij voorkeur ook inzetten voor woningbouw om daarmee een waardesprong te maken en zal het anders op dezelfde manier blijven gebruiken. Niets meer en niets minder. Cliënt is van mening dat bij de beoordeling van het beroep deze omstandigheden een rol dienen te spelen in het kader van de representatieve invulling van de maximale mogelijkheden. Mocht u van oordeel zijn dan deze omstandigheden geen rol kunnen spelen dan stelt cliënt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. 2.
Stellingen appellant onvoldoende gemotiveerd
Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van een representatieve invulling van de planologische mogelijkheden en dat onvoldoende inzicht bestaat in de gezondheidsrisicos als gevolg van dampen en aerosolen. Deze stellingen bieden echter geen grond om te twijfelen aan de juistheid van het
Pagina 2 van 8
HOOGLAN DER standpunt van de gemeenteraad. Dat standpunt wordt ondersteund door het overgelegde rapport van Adromi, dat is opgesteld door een deskundige. Het door appellant aangevoerde is niet onderbouwd met een deskundigenrapport en bevat geen enkel aanknopingspunt om te twijfelen aan de deugdeiijkheid van het rapport van Adromi. Zoals uw Afdeiing eerder heeft geoordeeld, is het feit dat door appellant is aangevoerd niet onderbouwd met een rapport van een deskundige en biedt om die reden verder geen grond om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het rapport van Adromi.1 Om die reden kan het beroep van appellant niet slagen. 3.
Representatieve invulling van de maximale mogelijkheden
Appellant stelt dat in het rapport van Adromi ten onrechte is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Volgens appellant had uitgegaan moeten worden van een zogenoemd worst case-scenario, waarbij in de beoordeling ook rekening had moeten worden gehouden met een situatie waarin al wordt samengewerkt met een tuinder en een akkerbouwer ten behoeve van vruchtwisseling. Dit betoog mist feitelijke en juridische grondslag. De beoordeling van de planologische mogelijkheden dient uit te gaan van een realistische en representatieve invulling van het agrarisch gebruik, niet van een hypothetisch worst case-scenario zonder concrete aanwijzingen of reële grondslag. Het is daarom niet gerechtvaardigd om zonder feitelijke onderbouwing uit te gaan van een scenario waarin andere agrarische activiteiten plaatsvinden die thans niet piaatsvinden en niet aannemelijk zijn in de toekomst. ln de beoordeling is bovendien al rekening gehouden met diverse akkerbouw, zoals op pagina 6 en pagina 27, waarin wordt aangegeven dat rekening wordt gehouden met akkerbouwgewassen. Het betreffende perceel is in de praktijk jareniang gebruikt voor de teelt van maïs en als grasland. Uit de gegevens van boerenbunder.nl blijkt in ieder geval dat de afgelopen jaren het perceel gebruikt is voor grasiand:
AßRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263, r.o. 5.5.3.
Pagina 3 van 8
HOOGLANDER
Gewasrototie
2019 Mas
2020 Mas
2021 Mas
2022 2023 Grasarø Grr.
Gerreer.te Oss Nr-8raart
2024 Graslara
:::
IarøbgeOred Zuideiij VeerCuder,.; : Coordnaer 5t 771t5, 5 55892
Gewosrotutie
21 1r. larø Grasiand Graslano Graslana Gcasan0
208 Mas
Gerneente Oss 1loord-8tabant Larclbouw9etled. Ziidelrjl Veerouoerijgebied Coorðiralen. 51.77115 5.55892
Gezien de aard en continuïteit van de bestaande bedrijfsvoering is een omschakeling naar een andere vorm van agrarisch gebruik waarbij (intensief) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt, niet aan de orde. Er is enkel rekening gehouden met andere, soortgelijke teelt. Daarnaast ligt het überhaupt niet in de lijn der verwachtingen dat appellant zal omschakelen naar een andere bedrijfstak waarin hij andere gewassen zal gaan telen. Ploegmakers Melkvee VOF staat bij de Kamer van Koophandel geregistreerd onder SBl-codes 01411 en 01412 welke zien op het houden van melkvee en het opfokken van jongvee voor de melkveehouderij. Dít maakt een omslag naar intensieve akkerbouw ofgroenteteelt, waarbij intensiefgebruik van gewasbeschermingsmiddeten te verwachten is, niet aannemelijk. Ten overvloede wordt opgemerkt dat zoals uw Afdeling eerder heeft overwogen, het feit dat op een perceel op dit moment geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, geen aanleiding vormt om iri een beoordeling wél met een dergelijk gebruik rekening te houden. Zo heeft uw Afdeling in de zaak Heeze-Leende geoordeeld dat er bij een (melk)veehouderij geen rekening
hoeft
te
worden
gehouden
met
een
Pagina 4 van 8
vorm
van
agrarisch
gebruik
waarbij
HOOGLANDER gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt.2
Uit
atere jurisprudentie kan worden
gedestilleerd dat het ontbreken van concrete plannen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken tot gevošg kan hebben dat dergelijk gebruik kan worden uitgesioten.3 Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij reeds samenwerkt met een tuinder en een akkerbouwer ten behoeve van vruchtwisseling. Van deze samenwerking is echter niets kenbaar gemaakt in de onderiiggende stukken of in de procedure. Om die reden kan dat betoog niet slagen. Zelfs indien incidenteel sprake zou zijn van vruchtwisseling, zou dit gaan om eenjarige teelten, en daar is, zoals gezegd, op pagina 27 van de onderbouwing rekening mee gehouden. Tevens verwijst appellant naar een perceel elders wat zou worden gebruikt voor tuinbouw. Het feit dat elders op locatie tuinbouw wordt toegepast, zoais appellant heeft toegepast, doet hieraan niets af, nu dit geen directe relatie heeft met het gebruik van het betreffende perceel en de huidige bedrijfsvoering van appešlant. Kort samengevat is cliënt van mening dat de raad terecht is uitgegaan van een representatieve ¡nvulling van de maximaše mogelijkheden. Om die reden dient het beroep ongegrond te worden verklaard. 4.
Geen enkel inzicht in de gezondheidsrisicos als gevolg van dampen en aerosolen
Appellant stelt dat de notitie van Adromi geen enkele onderbouwing biedt waarom dampen en aerosošen die vrijkomen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen gevaar voor de gezondheid opleveren. Deze stelling is echter onjuist. Op de relevante afstand tussen de bron (het perceel waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast) en de beschermde objecten kan blootstelling uitsluitend plaatsvinden via dampen en aerosolen, zoals in het Adromi rapport is beschreven. Door de afstand vindt blootstelling alleen nog in zeer geringe hoeveelheden plaats, doordat de concentratie van schadelijke stoffen snel afneemt door verdunning in de open lucht. Verder is van belang dat veeš gewasbeschermingsmiddelen relatief snel afbreken onder invloed van zonlicht (photolyse) en andere milieu-invloeden. Hierdoor neemt de concentratie van potentieel schadelijke stoffen nog verder af, wat de mogelijke blootstelling en risicos op gezondheidsproblemen nog verder
ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2O17:3524 (Heeze-Leende). ABRvS 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4506 (Veere).
Pagina 5 van 8
HOOGLANDER beperkt. Deze effecten zijn ook expiiciet vermeld en onderbouwd in het rapport van Adromi (pagina 21). Tevens is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om een windhaag aan te leggen rondom het betreffende perceel. Zoals blijkt uit het rapport van Adromi fungeert deze dichte windhaag als een fysieke barrière die de verspreiding van kleine aerosolen verder remt. Dit verkleint de kans dat dampen en aerosolen zich in ongewenste mate verspreiden en verhoogt de bescherming van de omgeving. De notitie van Adromi biedt voldoende onderbouwing dat blootstelling aan dampen en aerosolen op de relevante afstand en onder de gegeven omstandigheden geen gevaar vormt voor de gezondheid. Het betoog van appellant dat deze onderbouwing ontbreekt, is daarom ongegrond. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels om een afschermde haag te plaatsen, zoals in artikel 14.2.1 van de planregels is opgenomen. 5.
Voorwaardelijke verplichting en westzijde
Appellant stelt dat de in het plan opgenomen voorwaardelijke verplichting ten onrechte slechts van toepassing is op het noordelijk gelegen gedeelte van de gronden, en niet tevens op het westelijk geiegen gedeelte. Cliënt kan deze stellingname niet volgen. Allereerst geldt dat de gronden aan de westzijde niet in eigendom zijn van appellant, maar toebehoren aan de gemeente Oss. Om die reden kan appellant zich niet met succes beroepen op het ontbreken van een verplichting ten aanzien van die gronden. Het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, staat ín de weg aan een inhoudelijke beoordeling van dit onderdeel van het beroep. Appellant ondervindt immers geen rechtstreeks nadeel van het al dan niet opnemen van een verplichting ten aanzien van eigendom van derden, zodat hij niet kan opkomen voor dit belang. Daarnaast is van belang dat de gronden aan de westzijde door de gemeente Oss zijn ingericht als natuurgebied, als onderdeel van een groter project bekend als Bos van Oss en De Spaander Straatsche Akkers met onder meer de aanleg van een wandelpad en nieuwe aanplanting.4 De gemeente heeft in de Structuurvisie Oss 2020 opgenomen, zoals op pagina 7 van het Adromi-rapport is weergegeven, niet voornemens te zijn deze bestaande natuurinrichting te wijzigen of (terug) te transformeren naar een agrarische gebruiksvorm.
Er is derhalve geen aanleiding om, in het kader van
website gemeente Deze informatie is te vinden op de van de https ://www.oss. nl/inwoners/Actueel- 2/plannen-en-projecten/Bos_van_Oss. htm
Pagina 6 van 8
via:
HOOGLANDER een planologisch worstcasescenario, uit te gaan van een situatie waarin deze gronden een agrarische functie krijgen. Het plan behoeft op dit punt geen nadere regulering dan reeds is voorzien. 6.
Voorwaardelijke verplichting en waarborging
Voorts stelt appellant dat in het plan ten onrechte niet ¡s gewaarborgd dat de te realiseren haag winterdicht moet zijn, waardoor de effectiviteit van de haag als maatregel ter beperking van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen beperkt zou zijn. Ook dit betoog houdt geen stand. ln artikel 14.2.1 van de planregels ¡s expliciet bepaald dat een haag moet worden geplaatst vóór het in gebruik nemen van de woning. Het begrip haag impliceert daarbij dat sprake is van een dichte, groenblijvende afscheiding. Bovendien is in de subonderdelen c en d van dit artikel bepaald dat de haag zowel horizontaal als verticaal aaneengesloten dient te zijn. Daarnaast is in subonderdeel f opgenomen dat de haag duurzaarn in stand moet worden gehouden. Voorts is in subonderdeel b vereist dat de haag gedurende het groeiseizoen een bladbedekkingsgraad van ten minste 90% heeft. Het groeiseizoen is als referentie gekozen omdat dit het moment is waarop gewasbeschermingsmiddelen feitelijk worden toegepast. Juist in deze periode is een effectieve afscherming van belang, welke met de gestelde eisen afdoende wordt gewaarborgd. Voor de winterperiode geldt bovendíen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in die tijd niet aan de orde is. Om die reden dient het beroep ongegrond te worden verklaard. 7.
Uitvoerbaarheid van de voorwaardeijke verplichting
Appellant betoogt ten slotte dat de voorwaardelijke verplichting niet uitvoerbaar zou zijn, omdat de gronden waarop de haag moet worden aangelegd (mogelijk) niet in eigendom zijn van de toekomstige bewoners, terwijl het gebruik van de woning afhankelijk wordt gesteld van de realisatie van deze haag. Dit betoog is onjuist en doet verder niet ter zake. n onderhavige zaak betreft het een voorwaardelijke verplichting waarbij het gebruik van de woning pas is toegestaan nadat is voldaan aan de aanleg- einstandhoudingsverplichting van de haag. lndien toekomstige bewoners niet in staat of niet bereid ziin om aan deze verplichting te voldoen, leidt dat er slechts toe dat de woning niet in gebruik kan worden genomen vóór nakoming van die verplichting. Daarmee is de voorwaardelijke verplichting juridisch uitvoerbaar. ln de planregels wordt voorzien in een publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding van die maatregel. Wie eigenaar is van de gronden, doet daar verder niks aan af. Cliënt verwijst
Pagina 7 van 8
HOOGLANDER hiervoor naar rechtspraak van uw Afdeling.5 Daarnaast wordt de maatregel ook privaatrechtelijk geborgd door middel van een kwalitatieve verpiichting, aangevuld met een ketting- en boetebeding.
Conclusie Cliënt verzoekt u het beroep van appellant ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Met vriendelijke groet, Hooglander B.V.
5.1.2e
5.1.2e
Advocaat
ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076.
Pagina 8 van 8
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1, 2, 10