23-09-20 Oss Hoorcie windenergie RED.docx
Tekst van het document
VERSLAG openbare Hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
Aanwezige genodigden: Mw. W. Buijs - Glaudemans Mw. E. Bos Dhr. I. van Dinther Dhr. M. van der Doelen Dhr. J. van Hest Dhr. A. Geerts Mw. H. de Wit Dhr. F. Molenkamp Dhr. H. van der Wal
Voorzitter Raadslid (GroenLinks) Raadslid (PvdA) Raadslid VDG Burgerlid (CDA) Raadslid (SP) Raadslid (VVD) Raadslid (D66) Raadslid (Beter Oss)
Aanwezige experts Dhr. R. Aarts Dhr. G. Keurentjes Mw. M. van Ballegooijen Dhr. T. Brouwen Dhr. A. Verboom Dhr. H. Gelijns Mw. M. van Huët Dhr. S. Veldhuizen Dhr. J. Dominique Mw. I. van Kamp
Enexis Netbeheer Ministerie EZK en LNV GGD Rechtsom Juristen Nationaal Programma RES-en LBP Site NPBO Adviesbureau Bos en van Rijn Avans Hogeschool RIVM
Verslag hoorcommissie 1.
Welkom en inleiding door de voorzitter De voorzitter opent de bijeenkomst van de openbare hoorcommissie windenergie en heet de aanwezigen welkom bij deze tweede hoorcommissie voor raadsleden. Tijdens de eerste sessie, op 16 september jl., is aan insprekers de gelegenheid geboden en betogen te houden. Naar aanleiding hiervan konden raadsleden vragen indienen, welke vervolgens aan experts zijn voorgelegd en tijdens de bijeenkomst van heden aan de orde komen. De voorzitter benadrukt dat de hoorcommissie geen uitspraak doet, maar zich op basis van zoveel mogelijk informatie voorbereidt op besluitvorming. Vanwege de coronacrisis is het proces vertraagd, maar vanwege het grote belang van het thema ‘windenergie’, acht de gemeente het van waarde dat inwoners hun vragen en opvattingen op tafel kunnen leggen. De ambtelijke organisatie heeft een uitvraag weggezet bij onder andere de ministeries, het Nationaal Programma RES, de Provincie Noord-Brabant en gemeente ‘s-Hertogenbosch en gevraagd welke bekende en objectieve experts een bijdrage kunnen leveren aan deze ronde. Op basis van de ontvangen reacties zijn de aanwezige experts uitgenodigd.
2.
Bespreking per thema Per thema vindt een gespreksronde plaats. Er wordt uitsluitend ingegaan op de thema’s waarover in een eerder stadium vragen zijn gesteld. De hiernavolgende thema’s komen achtereenvolgens aan de orde.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
1
Inhoudsopgave VERSLAG openbare Hoorcommissie Windenergie ..................................................................................1 23 september 2020 .................................................................................................................................1 Thema 1
Vijftig procent lokaal eigendom .......................................................................................2
Thema 2
Impact hoogte windmolens..............................................................................................3
Thema 4
SDE-subsidie bij windmolens............................................................................................3
Thema 5
Mogelijkheden vergunbaarheid voor 1 januari 2025 .......................................................4
Thema 8
Afstanden tot dorpskernen en andere vrijwaringsstanden..............................................4
Thema 9
Uitgangspunten gezondheid - Zie ook thema 16..............................................................4
Thema 10
Omgevingsparticipatie met bewoners .............................................................................5
Thema 11
Mogelijkheden voor windmolens op zee en windkaarten ...............................................6
Thema 16
Gezondheidseffecten – Zie ook thema 9 ..........................................................................7
Thema 17
Thema 17 RES opgave in relatie tot andere (nog te realiseren/ gerealiseerde) duurzame energieopwekkingsprojecten buiten de Duurzame Polder en de Novi............................8
Thema 18
Locaties voor windmolens op andere infrastructuur .......................................................9
Thema 25
Proces ...............................................................................................................................9
Thema 27
Invulling RES-bod met horizon op 2030 en 2050 .............................................................9
Thema 16
Gezondheidseffecten .....................................................................................................10
Slotopmerkingen professionals .............................................................................................................11
Thema 1
Vijftig procent lokaal eigendom
De voorzitter heeft begrepen dat er geen vragen zijn binnengekomen over het thema ‘Vijftig procent lokaal eigendom en vraagt of dit nog steeds de stand van zaken is. De oproep leidt alsnog tot enkele reacties: Het CDA vraagt hoeveel regelruimte een gemeente heeft ten opzichte van de landelijke standaarden. De fractie doelt hierbij op regelruimte om lokale afspraken te maken over participatie en lokaal eigendom. De heer Verboom verwijst naar de afspraak in het Klimaatakkoord om te streven naar gemiddeld vijftig procent lokaal eigendom van windmolens en zonneparken. Dit betreft een landelijk gemiddelde voor Nederland en betekent dat gemeenten hier wel enige ruimte in hebben. In Nederland blijkt het op heel veel plaatsen mogelijk om in windmolenprojecten lokaal eigendom en participatie realiseren. Anderzijds is nergens juridisch vastgelegd dat ieder afzonderlijk project aan die vijftig procent moet voldoen. De SP vraagt wat precies wordt bedoeld met ‘lokaal eigendom’. De heer Verboom antwoordt dat in het Klimaatakkoord geen strikte definitie van ‘lokaal eigendom’ vastligt. Onder meer vanuit de ministeries is een aantal participatiepartijen bij elkaar gebracht om te onderzoeken welke definitie voor ‘lokaal eigendom’ kan worden gehanteerd. Recent is hier een brochure over verschenen. Deze tekst is te vinden op de website van de participatiecoalitie.
De voorzitter verzoekt de Griffie ervoor te zorgen dat de raadsleden kunnen beschikken over de informatie van genoemde brochure. (Actie) De PvdA wijst op de reeds gebruikte constructie binnen de gemeente Oss, waarbij een deel van de inkomsten van een windmolenpark afvloeit naar een duurzaamheidsfonds. Gevraagd wordt of dit ook binnen de definitieve van ‘lokaal eigendom’ kan vallen. De heer Verboom meent dat dit inderdaad mogelijk is. Mevrouw Van Huët verwijst naar de Gedragscode Acceptatie Participatie windenenergie op land. In deze Gedragscode zijn de verschillende vormen van participatie beschreven. Desgewenst kan ook dit document worden gedeeld. (Actie)
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
2
Thema 2
Impact hoogte windmolens
Toegelicht wordt dat de normering voor de hoogte van windturbines, die sinds 2011 in Nederland geldt, voor àlle windturbines van kracht is; dat betreft dus ook de hoge windmolens. De heer Brouwer verwijst naar de recente uitspraak van het Europees Hof inzake de vraag of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld voor een windmolenpark in België, waar hoge windturbines worden geplaatst. Het Europees Hof heeft geoordeeld dat een MER moet worden opgesteld. De heer Brouwer wijst er op, dat deze uitspraak ook gevolgen kan hebben voor Nederland. Spreker wijst op de recente stelling van de Raad van State dat het Nederlandse Activiteitenbesluit onvoldoende concreet is voor het opstellen van een MER. Deze uitspraken lijken niet met elkaar in overeenstemming. De consequentie zal moeten blijken uit een nieuwe uitspraak van de Raad van State. Op windturbines waarvoor reeds vergunning is verleend, heeft dit geen invloed. Reacties vanuit de raadsleden De PvdA vraagt of een milieueffectrapport als onderdeel van de ontwikkeling van een windmolenpark mogelijk is. De heer Brouwer denkt dat voor een windpark, zoals dat nu in de Oss aan de orde is, het maken van een MER altijd verstandig is.
Het risico blijft aanwezig dat, zodra een vergunning wordt verleend, waarin wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit, dit altijd kan worden aangevochten en de Raad van State alsnog een uitspraak moet doen. De SP vraagt zich af of kan worden volstaan met een verwijzing naar het Activiteitenbesluit, omdat het geluid, dat windmolens veroorzaken, specifieke kenmerken heeft. Voorstelbaar is dat een MER wordt opgesteld waarin alle soorten windmolengeluid worden onderzocht, inclusief de effecten hiervan. Spreker vraagt of dit ‘een veilige route’ zou kunnenzijn. De heer Brouwer benadrukt nogmaals dat het altijd goed is om een MER te maken, waarin de effecten van geluid worden onderzocht, waaronder laagfrequent geluid. Echter, het Activiteitenbesluit betreft bestaande regelgeving, waar de gemeente niet omheen kan. De uitspraak van de het Europees Hof stelt dat er beter onderzoek moet plaatsvinden naar de milieueffecten van windturbines. De VDG vraagt zich af of het Activiteitenbesluit inmiddels is achterhaald. Dit is immers gebaseerd op oude normering. De huidige windmolens zijn veel hoger en de impact op de omgeving is dan ook groter. De SP vraagt zich af of het niet verstandig zou zijn om, anticiperend op een eventuele uitspraak van de Raad van State, in de MER naar alle aspecten van windmolengeluid te kijken. De heer Brouwer vindt dit lastig te beoordelen.
Hij meent dat er een MER sowieso breed aandacht moet besteden aan aspecten van geluid, zodat dat gemeenteraad een goede, integrale afweging kan maken. Spreker denkt niet dat het mogelijk is om te anticiperen op een eventuele negatieve uitspraak van de Raad van State, aangezien hierbij sprake is van geldende regelgeving. Het CDA vraagt zich af of de gemeente in dit project überhaupt nog het bevoegd gezag betreft. Indien dit het geval is, is het vervolgens de vraag of in de procedure voldoende veiligheid is ingebouwd ten aanzien van de gezondheid van de inwoners, wanneer in de vergunning alle eisen uit het Activiteitenbesluit integraal worden opgenomen en in de MER de notitie van reikwijdte en detail. De heer Brouwer zegt toe dat hij op een later moment tijdens deze bijeenkomst ingaat op de vraag inzake de gemeentelijke bevoegdheid. In reactie op de vervolgvraag stelt spreker dat het CDA een pragmatische oplossing voorstelt, maar hij verwacht niet dat dit de gewenste juridische veiligheid biedt. Gerealiseerd dient te worden dat een MER voor een windpark er heel anders uitziet dan een MER voor een algemeen verbindende regel, zoals het Activiteitenbesluit.
Wanneer de Raad van State zou besluiten dat een MER moet worden opgesteld voor het Activiteitenbesluit, dan zal het nog steeds onvoldoende zijn om een bepaald voorschrift - in dit geval een geluidsvoorschrift - te voorzien van een MER.
Thema 4
SDE-subsidie bij windmolens
De heer Keurentjes licht toe, dat het principe van de SDE is, dat deze subsidie het verschil opvangt tussen de kostprijs van energie en de marktwaarde hiervan. De looptijd van een SDE-subsidiebeschikking is vijftien jaar. De algemene aanname in het Klimaatakkoord is, dat na 2025 geen SDE-subsidie meer nodig is, maar de beschikkingen, die nu nog worden afgegeven, hebben nog steeds een looptijd van vijftien jaar. Op basis van de verwachte verkoopprijs wordt per jaar een voorschot verstrekt, waarna na afloop van het jaar een eindafrekening plaatsvindt.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
3
De SP wijst op het uitputtingsrisico van de SDE-subsidie. Onder bepaalde omstandigheden kan de marktwaarde van stroom, opgewekt door wind, negatief worden. Bij de afrekening aan het einde van het jaar zal het Rijk dan financieel meer moeten bijdragen dan waar aanvankelijk op was gerekend. De heer Keurentjes licht toe dat, wanneer de energieprijs gedurende een periode van minimaal zes uur negatief is, deze niet meetelt in de berekening voor de beschikking. Het leegraken van de subsidiepot is op dit moment nog niet aan de orde. In het kader van de RES-en zal worden bezien hoeveel windenergie de overheid denkt te gaan realiseren en op basis daarvan wordt beoordeeld of de SDE-subsidiepot voldoende is. Voor de langere termijn is niet in te schatten hoe een en ander gaat lopen. De SP stelt dat dit in de huidige situatie voor de gemeente Oss niet relevant is, maar wel in 2024, wanneer naar verwachting de vergunning wordt afgegeven. De heer Keurentjes licht toe, dat de systematiek op het moment van het verstrekken van de SDE-beschikking, voor vijftien jaar geldt. Het is echter lastig te prognosticeren wat de situatie is op het moment dat de vergunning wordt afgegeven en de SDE-subsidie wordt aangevraagd.
Thema 5
Mogelijkheden vergunbaarheid voor 1 januari 2025
De heer Keurentjes geeft aan, dat het de verwachting is, dat de verplaatsing van de defensieradar van NieuwMilligen naar Herwijnen weinig impact zal hebben op de perspectieven voor het plaatsen van windmolens. Wel zal nadrukkelijk moeten worden gekeken naar de exacte invulling. Het is dus wel zaak om Defensie vroegtijdig in het traject te betrekken.
Thema 8
Afstanden tot dorpskernen en andere vrijwaringsstanden
Mevrouw Van Ballegooijen refereert aan de vraag, wat een acceptabele afstand is tot dorpskernen. Deze vraag kan niet door de GGD worden beantwoord. Wel verwacht de GGD vragen met betrekking tot gezondheid. De heer Veldhuizen geeft aan, dat de afstand tot windmolens landelijk niet is vastgelegd. De milieunormen zijn uitgedrukt op basis van doses effectrelaties. Dit vertaalt zich vervolgens in een afstand, die bij windmolens moet worden aangehouden. In lokaal beleid kan een afstandsnorm worden geconcretiseerd. Hogere windturbines werpen ook een grotere slagschaduw. Als er normoverschrijdende slagschaduw optreedt, zal de windturbine moeten worden stilgezet en hierbij zullen dus financiële aspecten een rol spelen bij de locatiebepaling. De ervaring op dit moment leert dat de grotere hoogtes van windmolens niet tot substantiële vergroting van de onderlinge afstand leidt. De VDG vraagt of de heer Veldhuizen het een acceptabele methode vindt om bij geluid uit te gaan van het jaargemiddelde. Spreker wijst er op dat de piekbelasting bij huizen groter kan zijn. De heer Veldhuizen vindt de methode verdedigbaar omdat er bij de geluidsnormen ook bepaalde straffactoren zijn ingebouwd, waardoor het jaargemiddelde niet een waarneembaar getal is. Spreker meent dat dat de norm voor geluid beter uitlegbaar is dan die voor slagschaduw.
Thema 9
Uitgangspunten gezondheid - Zie ook thema 16
Mevrouw Van Ballegooijen licht toe, dat in een MER verschillende alternatieven ten opzichte van elkaar moeten worden afgewogen, waarbij verschillende aantallen windturbines kunnen worden gewogen. Daarnaast dient onder meer te worden gekeken naar geluid en slagschaduw in relatie tot hinder. Ook de zichtbaarheid vanuit de woning is een aspect dat van invloed is op de hinderbeleving. De GGD heeft bij een eerder gerealiseerd windmolenpark op verzoek van de gemeente de gezondheidseffecten van de verschillende varianten in beeld gebracht. Reacties raadsleden Mevrouw Van Kamp adviseert om in de MER ook nachtelijke belasting te betrekken; dit vanwege de effecten op de slaap. Er bestaat een voorlopige WHO blootstellingeffect-curve, gebaseerd op een etmaal. Die curve kan hiervoor worden gebruikt. Mevrouw Van Ballegooijen licht toe, dat de Omgevingswet een integrale beschouwing vraagt van het effect van een initiatief. Daarom is het vroegtijdig raadplegen van experts, het opstellen van een MER en de bewonersparticipatie van groot belang. De VDG vraagt of een verschil gemaakt zou moeten worden tussen woningen in een stedelijk of industrieel gebied of woningen in het open landschap.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
4
Mevrouw Van Kamp stelt dat achtergrondgeluid in een stedelijke omgeving anders is dan op het platteland. Spreker heeft echter geen voorbeelden gezien waarin deze effecten verschillend zijn vastgelegd. Het CDA vraagt of laagfrequent geluid een thema is, dat kan worden meegenomen in de MER. Spreker vraagt vervolgens of het meenemen van de blootstellingeffect-curve in de MER juridisch kan worden geborgd. Mevrouw Van Kamp geeft aan dat laagfrequent geluid een actueel thema is en zeker een aandachtspunt. Op basis van literatuur kan worden geconcludeerd dat laagfrequent geluid een component is van de hinderbeleving, zij het niet de belangrijkste. Dit blijft een ingewikkeld issue. De SP vraagt of mensen meer hinder ervaren van windmolens, wanneer deze zichtbaar zijn vanuit de woning. Het lijkt de SP voorstelbaar dat personen, die langs een snelweg wonen relatief minder hinder ervaren van windmolens, dan bewoners van een stil gebied. Mevrouw Van Ballegooijen wijst er op, dat de gebruikte blootstellingscurves afkomstig zijn uit internationale onderzoeken. Situaties zullen nooit identiek zij. Voor de situatie in Oss zou het percentage hinder kunnen worden berekend op basis van een blootstellingscurve, maar dat wil niet zeggen dat dit overeenkomt met de situatie, die daadwerkelijk gaat optreden.
Immers, de ervaren hinder is afhankelijk van allerlei factoren, waaronder ook de perceptie en de persoonlijke gevoeligheid van mensen. Een aspect dat ook meespeelt in de beleving van hinder is het feit of mensen zich serieus genomen voelen in het traject. Op die beleving kan een gemeente zeker invloed uitoefenen. Mevrouw Van Kamp stelt dat al dit soort aspecten aanknopingspunt zijn voor gemeentelijk beleid.
De voorzitter constateert dat er twee typen aspecten zijn, waar rekening mee dient te worden gehouden. Ten eerste betreft dat de mate van ‘gewenstheid’ en betrokkenheid in het proces, de participatie en beïnvloedbaarheid. Ten tweede zijn dat technische aspecten zoals geluid en slagschaduw. De eerste categorie geldt voor iedere nieuwe ontwikkeling. Mevrouw Van Ballegooijen licht toe dat van de akoestische aspecten een aantal zaken ook beïnvloedbaar is. Vervolg reacties raadsfracties D66 vraagt of de conclusie juist is, dat draagvlak de bodem vormt voor probleemacceptatie. Mevrouw Van Ballegooijen bevestigt dat draagvlak zeker bijdraagt aan acceptatie, maar ook als er draagvlak bestaat, kan nog steeds sprake zijn van geluidshinder, maar dit wordt dan mogelijk als minder hinderlijk ervaren. GroenLinks vraagt - naar aanleiding van deze laatste opmerking - of de schade voor de gezondheid dan ook minder is. Mevrouw Van Ballegooijen benadrukt dat het van belang is, dat iemand die participeert ook kan meebeslissen over de uitkomst en het gevoel heeft dat er wordt geluisterd. Wanneer men niet het gevoel heeft serieus te worden genomen, zou dit juist kunnen leiden tot méér ervaren hinder. Spreker zegt in reactie op de vraag van GroenLinks dat het feitelijke geluidsniveau niet verandert.
Thema 10
Omgevingsparticipatie met bewoners
De heer Brouwer licht toe, dat er geen strikte regels zijn voor bewonersparticipatie in het algemeen en voor financiële participatie in het bijzonder. Er bestaan wel richtlijnen, maar deze zijn voor een rechter moeilijk toetsbaar. Dit moet meer worden gezien als een inspanningsverplichting. De Raad van State zal met name beoordelen of er moeite is gedaan om de stakeholders aan tafel te krijgen. Toegevoegd wordt dat in lokaal beleid wel een bepaalde participatie en compensatie kan worden voorgeschreven. Hieraan dient zowel de gemeente, als ook de initiatiefnemer zich te houden. Reacties raadsfracties De VVD vraagt of het Rijk, wanneer zij bevoegd gezag is, zich hier nièt aan hoeft te houden. De heer Veldhuizen antwoordt dat het Rijk zich inderdaad niet hoeft te houden aan de lokale regelgeving wat betreft participatie en compensatie. Het CDA vraagt wie voor ten aanzien van het lokaal initiatief in Oss het bevoegd gezag is. De heer Veldhuizen antwoordt dat formeel de Provincie bevoegd gezag is, als de capaciteit tussen vijf en honderd Megawatt ligt. Omdat het in de Duurzame Polder over meer dan honderd Megawatt gaat, neemt spreker aan, dat het Rijk in dezen het bevoegd gezag is. De mogelijkheid bestaat om de bevoegdheid terug te leggen bij de gemeente, wanneer aannemelijk is dat het project evenveel voortgang boekt als wanneer
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
5
het Rijk of de Provincie bevoegd gezag is. Het voordeel voor de gemeenten is, dat in dat geval de gemeenten de regie houden en strenger beleid kunnen formuleren. De heer Keurentjes voegt toe dat, kijkend naar de inzet van de rijkscoördinatieregeling, het terugleggen van de bevoegdheid bij de gemeente, zal gebeuren op het moment dat daar onderling overeenstemming over bestaat. Voordeel van het neerleggen bij de gemeente is dat een initiatief kan worden ingebed in het integrale gebiedsproces. Voor het Rijk is dit een overweging om de bevoegdheid bij de lokale overheid neer te leggen. Desgevraagd wordt toegelicht dat door de initiatiefnemer een melding is gedaan bij het Rijk omdat het initiatief groter is dan honderd Megawatt. In dat geval kan de rijkscoördinatieregeling worden ingezet, maar dit is geen verplichting. De voorzitter vraagt wat er gebeurt als de gemeente in een bepaald gebied geen ontwikkeling wil en daar beleid voor heeft geformuleerd, maar het Rijk en/of de Provincie blijken wel bereid te zijn om mee te werken aan een initiatiefvoorstel in hetzelfde gebied. De heer Keurentjes antwoordt dat het de rijkscoördinatieregeling in principe alleen wordt ingezet als er overeenstemming bestaat over een initiatief. De heer Verboom legt uit, dat juist hierover in het Klimaatakkoord afspraken over zijn gemaakt.
Onder andere is afgesproken dat het Rijk zich terughoudend opstelt, zolang in het kader van de RES op regionaal niveau de locatiemogelijkheden voor wind- en zonneparken in beeld worden gebracht. In het Klimaatakkoord ligt de bevoegdheid dus in eerste instantie bij de regio’s. Zolang de verwachting bestaat dat op landelijk niveau de doelstellingen uit het Klimaatakkoord worden gehaald, valt niet te verwachten dat het Rijk gaat ingrijpen zonder dat de partijen op regionaal niveau daar gezamenlijk om vragen. Ook wanneer een regio specifieke regels stelt, die strenger zijn dan de landelijke, en de landelijke doelstelling wordt alsnog gerealiseerd, dan is ingrijpen door het Rijk niet te verwachten. Ook een afwijkend lokaal bod zal niet bedreigend zijn voor de overeenstemming met het Rijk, zolang de landelijke opgave maar wordt behaald. Een lokale overheid mag immers zelf strengere regels stellen. De heer Veldhuizen voegt toe, dat het artikel, dat aan de provincies verplicht om een inpassingsplan op te stellen, niet meer van toepassing is nu de regionale energiestrategieën, RES-en, zijn opgesteld. Ook is het niet meer waarschijnlijk dat een initiatiefnemer achter de rug van het ene overheidsorgaan met een ander overheidsorgaan zaken kan doen.
Thema 11
Mogelijkheden voor windmolens op zee en windkaarten
De heer Keurentjes verwijst naar de uitspraak van Minister Ollongren inzake windmolens op zee en het toepassen van de zonneladder op lokaal niveau. In het landelijk regeerakkoord is de prioriteit gelegd bij wind op zee. Echter, ook op zee moeten belangen worden afgewogen. Met het opstellen van het Klimaatakkoord is het besef ontstaan dat de doelstelling van ‘wind op zee’ niet alleen kan worden gehaald. Daarnaast moet worden bedacht dat een deel van de opgave ook na 2030 moet worden ingevuld. Reacties raadsfracties De SP verwijst naar de drijvende windmolens in Spanje en Portugal. Dit zou ook op het noordelijk gebied van de Noordzee mogelijk zijn, maar dit deel van de zee is niet ingetekend als zoekgebied voor windmolens omdat de zee daar te diep is voor de traditionele windmolens. Wellicht bieden drijvende windmolens wél mogelijkheden in dat specifieke gebied en kan deze optie het rijksstandpunt doen wijzigen. De SP vraagt zich af of de Minister wellicht daar op doelde met haar uitspraak. De heer Keurentjes verwacht er in het traject naar 2050 nog een hele reeks aan innovaties. In de loop van de tijd zal worden bezien welke stappen aanpassing behoeven. Het is niet uitgesloten dat op een bepaald moment een herijking dient plaats te vinden. De VVD verwijst naar het artikel over windmolens op zee.
Hierin werd gesteld, dat het Rijk wellicht de regie meer naar zich toe moet gaan trekken. Afgevraagd wordt hoe dit zich verhoudt tot het streven om de opgave zoveel mogelijk regionaal op te lossen. De heer Keurentjes denkt dat deze discussie over de volle breedte speelt. Ook op andere beleidsterreinen lijkt meer regie van het Rijk nodig, maar het adagium voor zowel wind- als zonne-energie blijft dat de opgave zoveel mogelijk van onderop regionaal wordt ingevuld. De voorzitter vraagt of besparen bijdraagt aan het invullen van de opgave. Gewezen wordt op het doel van 49 procent CO2-reductie in 2030. Gedurende een aantal jaren is bezien, hoe dit kan worden bereikt. Besparen vormt daar een onderdeel van.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
6
Voor wat betreft het verduurzamen van de elektriciteitsproductie, is bepaald dat het verstandig is om voor 2030 in te zetten op 35 Terawattuur op land en 49 Terawattuur op zee. Dat neemt niet weg dat besparingen noodzakelijk blijven. De RES-opgave is een opwekopgave. De SP wijst op de autonome opgave voor regio’s om elf procent te besparen. Wanneer het regio’s lukt om méér te besparen, dan zou dit van de RES-opgave mogen worden afgetrokken. De heer Verboom geeft aan dat dit niet het geval is voor wat betreft de opgave van 35 Terawattuur.
Thema 16
Gezondheidseffecten – Zie ook thema 9
Mevrouw Van Kamp heeft diverse reviews (mee)geschreven voor diverse internationale instanties, waaronder de WHO. De studies naar laagfrequent geluid zijn op één hand te tellen. In het verleden werd vaak gerefereerd aan een Nederlandse studie van Bakker en twee Zweedse studies. Dit waren vragenlijstonderzoeken. In Canada is een grote studie gedaan, waar belangrijke gezondheidsgegevens zijn uitgekomen. De meest recente studies, waar veel naar wordt verwezen, zijn twee Deense studies. In deze studies zijn grote groepen mensen gevolgd. In één van deze studies is ook het laagfrequent geluid betrokken. Dit is de enige studie, waarin dat is gebeurd. Geen enkele studie biedt harde bewijzen voor een relatie tussen windturbinegeluid en gezondheidsklachten, zoals hoge bloeddruk, beroertes, hartinfarcten en andere hartaandoeningen. Wel blijkt sprake van een lichte verhoging van hartaandoeningen in de groep met de allerhoogste blootstelling, maar het zwakke punt voor deze stelling dat in deze groep maar een klein aantal personen omvat en daarmee niet representatief zijn. Hetzelfde geldt voor slaapverstoring. Deze effecten zijn dus te gering om hier algemene conclusies. Of er sprake is van effecten en zo ja, in welke mate, vraagt nader onderzoek.
Reacties raadsfracties De PvdA constateert dat er al veel onderzoeken zijn gedaan, maar in de meeste gevallen zijn deze onderzoeken voor een gemeenteraad moeilijk te doorgronden. Daarom vraagt de PvdA zich af of de afweging op gezondheidseffecten niet beter op nationaal of zelfs internationaal niveau moet plaatsvinden, want de hinder van windmolens speelt overal. Mevrouw Van Ballegooijen geeft aan dat een gemeenteraad zich moet realiseren dat hinder een heel belangrijk gezondheidseffect is van windturbines en dat het daarnaast aannemelijk is dat ook slaapverstoring kan optreden, ook al is dat lastig objectief vast te stellen. Onzekerheid over andere effecten speelt niet alleen bij windturbines, maar honderd procent zekerheid over de gezondheidseffecten in relatie tot hinder zal nooit kunnen worden verkregen. Als een gemeente hierin beleid wil voeren, dan zal dat op geluidsaspecten en slaapverstoring wel mogelijk zijn. Mevrouw Van Huët adviseert in gesprek te gaan met de omgeving vòòrdat er wordt bepaald of een ontwikkeling wordt geaccepteerd. De gemeente heeft in (de totstandkoming van) dit gesprek de rol van facilitator. De PvdA kan zich voorstellen dat in een MER allerlei varianten tegen elkaar worden afgewogen, maar daarmee zijn er nog steeds geen harde cijfers over de effecten van hinder, die een rol kunnen spelen in de afweging door de gemeenteraad.
Mevrouw Van Ballegooijen licht toe, dat twee jaar geleden vanuit de WHO de norm van 45 dB is voorgesteld. Daarbij is het wel een feit dat bij het aanhouden van die norm -, volgens de algemene doses effectrelaties - nog steeds sprake zal zijn van negen tot tien procent hinder door geluid. Er zal altijd sprake zijn van een compromis in relatie tot de gezondheid. Mevrouw Van Kamp voegt toe dat de WHO niet alleen heeft gekeken naar de hinder bij 45 dB, maar ook naar andere effecten. Dit heeft geleid tot de conclusie dat 45 dB acceptabel is. De WHO heeft dit niet vastgesteld als norm, maar als gezondheidskundige streefwaarde. Om het zekere voor het onzekere te nemen, zou je daar als gemeenteraad nog iets onder kunnen gaan zitten. De SP vraagt aan mevrouw Van Kamp of de bevraagde personen in het Deense onderzoek, allemaal in de omgeving van windmolens wonen. Mevrouw Van Kamp legt uit, dat uit het Deense GBA-systeem woonadressen zijn geselecteerd op verschillende afstanden van windturbines. Mensen zijn niet bevraagd. De gegevens over hun gezondheid zijn uit de gezondheidsregistratie gehaald. De twaalf personen met ernstige aandoeningen bevonden zich in de hoogste blootstellingscategorie, maar dit aantal is te klein op het totaalaantal onderzochte personen en maakt het onmogelijk om hier algemene conclusies aan te kunnen verbinden.
De SP vraagt hoe de experts denken over het voorzorgsprincipe van de overheid. Mevrouw Van Ballegooijen is niet bekend met dit thema in relatie tot windmolens, maar wel in relatie tot straling. Het voorzorgsprincipe kan worden toegepast zolang er nog te weinig wetenschappelijk bewijs is
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
7
om harde uitspraken te kunnen doen over gezondheidseffecten, maar er wel aanwijzingen zijn gevonden voor effecten, zoals bij hoogspanningsmasten. Spreker vraagt zich af of er bij windturbines zoveel onzekerheden zijn dat hier het voorzorgsprincipe voor zou moeten gelden. Dit is eerder een beleidskeuze. De SP vindt dit antwoord opmerkelijk, want de windmolens worden steeds groter en de onderzoeken zijn van eerdere datum. De VDG vraagt, naar aanleiding van het Deense onderzoek of is aangetoond dat de twaalf ernstige gevallen niet zijn veroorzaakt door de effecten van windmolens. Mevrouw Van Kamp zegt dat het probleem van statistisch onderzoek is, dat de bewijskracht van de twaalf casussen te klein is om hier een algemene conclusie aan te kunnen verbinden. Dit is een technische conclusie en daarom onbevredigend. Mevrouw Van Ballegooijen voegt toe dat uit statistisch onderzoek nooit een oorzakelijk verband kan worden gedestilleerd omdat niet is bewezen dat de bron de oorzaak is van het effect. Uit het Deense onderzoek kan wel een hypothese worden gesteld voor nader onderzoek. De PvdA meent zich te herinneren dat voor windmolenpark De Geer in Oss 43 dB als uitgangspunt is genomen. Dit zou passen binnen de suggestie om onder streefwaarde van 45 dB te gaan zitten.
De VVD vraagt of het voorzorgsprincipe door gemeenten afzonderlijk kan worden gehanteerd of dat dit iets is dat landelijk gebeurt. Mevrouw Van Kamp lijkt het voor de hand liggend om dit landelijk op te pakken. Mevrouw Van Ballegooijen geeft aan dat in het kader van de Omgevingswet van de GGD’s wordt gevraagd aan te geven wat de ruimte is voor gemeenten om bovenwettelijke maatregelen te nemen. De voorzitter vraagt de heer Brouwer welke ruimte een gemeenteraad heeft om bovenwettelijke lijnen uit te zetten op dit gebied. De heer Brouwer bevestigt dat die ruimte er is. Deze moet gezocht worden in het vaststellen van lokaal beleid, waarin wordt aangegeven dat strengere normen gelden dan de wettelijke eisen in het Activiteitenbesluit. De SP vraagt op welk moment dit lokaal beleid moet zijn geformuleerd. De heer Brouwer stelt dat het mogelijk is om lokaal beleid op vrij korte termijn te maken. Wel dient ervoor te worden gewaakt, dat lokaal beleid wordt gemaakt voor één project. Dit moet meer algemeen worden gehouden. GroenLinks vraagt in hoeverre lokaal beleid met bovenwettelijke voorwaarden aanvechtbaar is voor initiatiefnemers. De heer Brouwer stelt dat een gemeente beleidsvrijheid heeft en wanneer daar invulling aan wordt gegeven, kan een initiatiefnemer daarop worden gewezen. De SP wijst er op dat wat betreft de Lithse polder waarschijnlijk het Rijk de initiatiefnemer is.
De vraag is in hoeverre het Rijk is gehouden om dit initiatief te toetsen aan lokaal beleid. De heer Brouwer zegt dat gemeentelijk beleid alleen de gemeente bindt en wanneer het Rijk bevoegd gezag is, dan is zij niet gebonden aan het beleid van de gemeenten.
De bijeenkomst wordt kort geschorst. De bijeenkomst wordt hervat.
Thema 17
Thema 17 RES opgave in relatie tot andere (nog te realiseren/ gerealiseerde) duurzame energieopwekkingsprojecten buiten de Duurzame Polder en de Novi Hier ontbreekt een stukje opname direct na de schorsing. (Geen geluid) Wellicht via de betreffende spreker te reconstrueren? Reacties raadsfracties De SP vraagt of grootschalige opwekking via zonnedaken, waarbij wordt teruggeleverd aan het net, meetelt in de landelijke opgave van 35 Terawattuur. Geantwoord wordt dat het bij het percentage van zeven procent puur om de opwekking gaat en niet om wat aan het net is teruggeleverd. De PvdA vraagt hoe deze zeven procent zich vertaalt naar de opwekopgave in Oss. De heer Verboom licht toe, dat deze berekening vanuit het RES-programma wordt gemaakt en dan zullen de cijfers in beeld komen. De voorzitter stelt dat de Raad benieuwd is of Oss aan haar opwekopgave kan voldoen zonder windmolens en zonder zonnevelden op agrarische grond.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
8
De heer Verboom licht toe, dat de opgave, die voor Oss is neergelegd - vanuit de opgave in de RES - reeds voor een klein deel is gerealiseerd. Binnen de gemeente Oss wordt er rekening mee gehouden dat heel veel zon op dak kan worden gerealiseerd. Wanneer dit allemaal bij elkaar wordt opgeteld, dan blijft nog steeds de helft van de opgave over, die op andere wijze moet worden ingevuld. Dat getal komt overeen met ongeveer acht tot dertien extra windmolens; dit is buiten de windmolens die al in de pipeline zitten. De heer Aarts voegt toe, dat - kijkend naar de maatschappelijke kosten - windmolens voordeliger zijn dan zonnepanelen, omdat de netwerkkosten van zonnepanelen hoger zijn. In de afweging is dit een relevant aspect. De SP vraagt of de maatschappelijke kosten niet kunnen worden gedrukt, wanneer er grotere oppervlakten aan zonnepanelen worden gerealiseerd. Spreker veronderstelt dat de daken zijn gelegen op locaties waar goede netvoorzieningen aanwezig zijn en een groot gedeelte van de opgewekte energie wordt gebruikt. De heer Aarts kan daar geen inhoudelijk antwoord op geven. Benadrukt wordt dat de combinatie van zon en wind belangrijk blijft. De VDG informeert aan welke hoogtes moet worden gedacht bij de extra benodigde acht tot dertien windmolens.
De heer Verboom antwoordt dat het bij acht stuks hoge windmolens zullen moeten zijn en bij dertien windmolens volstaan kan worden met lage molens.
Thema 18
Locaties voor windmolens op andere infrastructuur
De voorzitter vraagt of Rijkswaterstaat gronden beschikbaar zou willen stellen voor windmolens langs infrastructurele lijnen. Ze wil graag weten en of bepaalde gronden binnen de gemeente Oss grond hiervoor in aanmerking kunnen komen. De heer Keurentjes zegt dat op rijksniveau zeker naar windmolens langs de infrastructuur wordt gekeken. Hiertoe loopt een aantal pilotprogramma’s, waarin onder andere wordt gekeken naar de gronden van Rijkswaterstaat, maar ook die van het Rijksvastgoedbedrijf. Vanuit landelijk perspectief worden de lokale mogelijkheden bekeken. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden voor zonnepanelen langs snelwegen, want dit biedt meer perspectief vanwege de geringere afstand die nodig is tot aan de weg.
Thema 25
Proces
Gevraagd wordt of er modellen zijn waarmee tevoren wordt gegarandeerd, dat de gronden weer schoon worden opgeleverd als een windmolen aan het eind van de levensduur komt. De heer Veldhuizen antwoordt dat die modellen er niet zijn. Dit zal in de praktijk middels een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en het bevoegd gezag moeten worden vastgelegd. Dit zou ook kunnen via een link in het bestemmingsplan of in de omgevingsvergunning.
Thema 27
Invulling RES-bod met horizon op 2030 en 2050
De centrale vraag is of er bij de opstelling van windmolens in de huidige opgave al rekening moet worden gehouden met de toekomstige opgave. De heer Veldhuizen denkt dat dit een aspect is dat in de MER aan bod kan komen, waarin verschillende alternatieven worden doorgerekend en rekening kan worden gehouden met overdimensionering. De heer Aarts zegt dat dit ook impact heeft op het net. De netbeheerder hoort graag tijdig wat er gaat gebeuren. Reacties raadsfracties De VDG vraagt of – wanneer het gaat om geluid – de huidige stand van de techniek de basis moet vormen voor de normering. De vraagstelling richt zowel op het meten, als op de technische ontwikkeling van de molen. De heer Gelijns licht toe, dat het geluid van een windmolen wordt veroorzaakt door de wieken die door de lucht slaan. Hoe groter en hoger de windmolens, hoe trager de wieken door de lucht slaan, maar dit is toch nog altijd met een behoorlijke snelheid. Hierdoor ontstaan er turbulenties in de luchtlagen. De windrichting heeft effect op de hoeveelheid geluid, die op een bepaalde locatie terechtkomt. Dit wordt aerodynamisch geluid genoemd, waarop allerlei rekenmodellen worden toegepast. De uitkomst van die berekeningen wordt gebruikt voor vergunningverlening en voor het Activiteitenbesluit.
Het meten bij woningen, die op de normcontour zijn gelegen, is complex, want het is zeer moeilijk om de ideale situatie te bereiken voor het meten bij een specifieke woning. Eigenlijk moet een jaar lang worden
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
9
gemeten om te kijken of aan het jaargemiddelde wordt voldaan. Zodra een windmolen is geplaatst, kan worden gemeten of het geluidsniveau overeenstemt met de opgave van de fabrikant. Uit jarenlange ervaring weet spreker dat de betrouwbaarheid van de opgave van de fabrikant honderd procent is, ook nu de molens steeds groter en moderner worden. D66 vraagt wat de heer Gelijns verstaat onder ‘de korte afstand’ waarop wordt gemeten. De heer Gelijns zegt dat dit afhankelijk is van de hoogte van de molen. Bij ‘een korte afstand’ moet worden gedacht aan een paar honderd meter. De PvdA vraagt of de berekeningen, waar de heer Gelijns over spreekt, specifiek betrekking hebben op de windmolens, die de initiatiefnemer wil plaatsen. De heer Gelijns antwoordt bevestigend. Zodra een molen ‘van de band komt’ wordt deze geplaatst en wordt een bronsterktemeting verricht. De heer Gelijns licht desgevraagd toe dat er twee eenheden bestaan voor geluid. Een momentaan geluidniveau, wordt aangeduid als dBa; dat kan worden gemeten als er genoeg stilte is en er alleen een windturbine als geluidsbron is. De dB-waarde, die over de Lden van windturbinegeluid gaat, wordt berekend over een heel jaar en heeft te maken met een optelsom van vele dBa’s.
De heer Veldhuizen voegt toe dat, wanneer de windturbine op vol vermogen draait en je t bij een woning op de normgrens staat, dan is het maximum dat bij die woning wordt gemeten 45 dBa. Het gemiddelde over een jaar is echter lager en ligt op 41 dB. Omdat in de berekening van de norm de nacht en avond zwaarder worden geteld, is de uitkomst van de berekening niet 41 dB maar 47 dB. De PvdA vraagt of verificatie van deze berekening heeft plaatsgevonden. Er zou immers een jaar lang op eenzelfde locatie kunnen worden gemeten. De heer Gelijns antwoordt dat dit in theorie mogelijk zou zijn, maar in de praktijk is het in Nederland nog nooit voorgekomen dat zich de ideale omstandigheden voordoen – dus zonder stoorgeluid – om dit met zekerheid te kunnen meten. De enige manier om dit te verifiëren, is om te kijken naar de berekening van de overdrachtsfactor van de rotor en die is juist. Het CDA vraagt wat de experts adviseren als het gaat om de opgave voor 2050 en hoe de gemeenteraad daar op dit moment rekening mee kan houden. De heer Verboom antwoordt dat niemand kan zeggen hoe we er over tien jaar voorstaan en kan anders tegen de zaak worden aangekeken.
Thema 16
Gezondheidseffecten
De voorzitter stelt vast dat onder dit thema niet alle vragen zijn beantwoord. Onder andere resteert een aantal vragen met betrekking tot laagfrequent geluid. De vraag is of laagfrequent geluid meetbaar is, ook al is het niet hoorbaar. De heer Gelijns antwoordt dat dit meetbaar is. Bijna ieder geluid heeft een onderdeel laagfrequent geluid, maar het aandeel laagfrequent geluid in windturbines is lager dan bijvoorbeeld in wegverkeer of compressoren. De voorzitter vraagt voorts of hogere windturbines het geluid verder verspreiden en of het geluidsniveau vlak bij deze molens hoger of lager is. De heer Gelijns antwoordt dat deze vraag drie aspecten kent. Meestal is er op grotere hoogte meer wind. Dit betekent ook dat er méér geluid wordt geproduceerd. De technieken, die bij de modernere molens worden toegepast, zorgen er echter voor dat het verschil met de oudere molens – wanneer wordt uitgegaan van hetzelfde opgewekte vermogen – minimaal is. Overigens gelden nog steeds dezelfde normen. Dus als het geluidniveau hoger is, moet de afstand worden vergroot aan de Lden norm te kunnen voldoen. Vlak onder de turbine zal het geluidniveau lager zijn, maar dit is sowieso boven de norm voor woningen. De voorzitter vraagt of het geluidsniveau ook wordt bepaald door de windrichting. De heer Gelijns antwoordt dat dit onderdeel is van de basisnorm. Hier wordt dus rekening mee gehouden.
Voor afstanden groter dan tien keer de as-hoogte wordt wel een correctie toegepast op de windrichting, maar de minimale norm verandert daardoor niet. Reacties raadsfracties De SP wijst op de geluidsnormeringkaart, die voor windpark Elzenburg De Geer is gemaakt. De vraag is of bij een langdurige wind uit een bepaalde richting sprake kan zijn van afwijking op de geluidsnormeringkaart. De heer Gelijns bevestigt deze afwijkingsmogelijkheid. Zeker voor woningen op grotere afstand van de turbines kan in de beleving sprake zijn van een hogere belasting, maar de berekening blijft dan nog steeds binnen de norm omdat sprake is van een jaargemiddelde.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
10
De voorzitter wijst op de vraag of molens - ter compensatie van de perioden dat ze stilstaan - meer geluid mogen maken op momenten dat ze draaien, zolang het jaargemiddelde niet wordt overschreden. De heer Gelijns antwoordt dat dit in beginsel het geval is. Het maximale bronvermogen van een turbine kan echter nooit hoger zijn dan een bepaald niveau. De voorzitter wijst op de vraag of tonaal geluid is verwerkt in de basisnorm. De heer Gelijns bevestigt dit. De norm dateert uit 2011. Daarvòòr zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de doses effectrelaties en de soorten geluid. Tonaal geluid was daar ook onderdeel van. Daar is uit gebleken dat winmolens geen specifiek tonaliteitskarakter hebben. Wel is sprake van een effect doordat de wieken telkens langs de masten gaan. De heer Veldhuizen voegt toe, dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt gekeken naar cumulatie van verschillende geluidsbronnen. Daarin worden verschillende geluidsbronnen met een bepaalde weging bij elkaar opgeteld omdat de ene bron wellicht hinderlijker wordt ervaren dan de andere. In een dergelijke cumulatieve berekening tellen windturbines zwaarder mee. In reactie op de vraag of het ’s nachts gemiddeld harder waait dan overdag en er ’s nachts dus meer geluid wordt geproduceerd, stelt spreker dat dit in Nederland afhankelijk is van de as-hoogte.
Bij de as-hoogte van de windturbines, waar het nu over gaat, waait het ’s nachts gemiddeld iets harder dan overdag. De heer Gelijns licht vervolgens toe, dat bij de berekende geluidsnormen is uitgegaan van allerlei soorten woningen, zowel oudere als nieuwe. De VDG vraagt hoe 45 dBa wordt ervaren in slaapkamers wanneer het raam openstaat. De heer Gelijns zegt dat met een open raam weinig geluid zal worden tegengehouden, dus 45 dBa op de gevel zal dan ook bijna 45 dBa binnen zijn. Ramen en muren dempen geluid beter dan isolatiemateriaal zoals glaswol en steenwol. De voorzitter wijst er op, dat in Denemarken een norm voor ‘onhoorbaar geluid’ wordt gehanteerd. De vraag is hoe hoog deze norm is. De heer Gelijns stelt dat het niet om ‘onhoorbaar’ geluid gaat, maar om laagfrequent geluid. Deze is 20 dB voor bepaalde frequentiegebieden. In de praktijk blijkt deze norm weinig effect te hebben. Voor Nederland zal dit weinig toegevoegde waarde hebben. Over het effect van laagfrequent geluid op dieren is weinig bekend omdat hier nog weinig onderzoek naar is gedaan.
Slotopmerkingen professionals De voorzitter vraagt de heer Dominique welke vragen of thema’s hij vanavond heeft gemist en waar hij nog iets over zou willen zeggen. De heer Dominique stelt vast dat alle vragen vanavond consciëntieus zijn beantwoord. Feit is dat een glazen bol ontbreekt en veel ontwikkelingen nog niet bekend zijn. Vanavond is bijvoorbeeld niet gesproken over een ander type windturbines, waterstof, warmtenetten en dergelijke, terwijl dit soort ontwikkelingen wel impact zullen hebben op de RES, ook na 2030. Dit mag het zetten van de eerste stappen echter niet blokkeren. De normen worden steeds strenger, de ambities steeds hoger en de tijd steeds korter. Dat alles pleit ervoor om stappen te blijven zetten. Een ontwikkeling, die reeds praktijk is in het buitenland, zijn drijvende windturbines. Daarnaast worden windturbines steeds groter. Voor waterstof is ook windenergie nodig en dat vereist extra investeringen in offshore windparken. Vanavond is verder weinig gesproken over zonne-energie. Zon op dak vindt spreker een prima ontwikkeling, maar ook gevels en geluidsschermen kunnen hiervoor dienen. De SP vraagt of de heer Dominique meer kan vertellen over de opwekking van zonne-energie uit wegen. De heer Dominique zegt dat op allerlei manieren wordt geëxperimenteerd met zonne-energie op wegen, fietspaden en geluidsschermen.
In feite lenen alle oppervlakken zich voor zonnepanelen, maar duurzaamheid, circulariteit en betaalbaarheid moeten wel worden meegewogen om dergelijke innovaties voort te zetten. De voorzitter vraagt de overige experts of zij nog een slotopmerking willen maken. De heer Aarts vindt het van belang om met elkaar in gesprek te blijven over dit onderwerp. De samenwerking, die een netbeheerder heeft met overheden, is heel belangrijk omdat alle ontwikkelingen invloed hebben op kabels en leidingen. De heer Keurentjes sluit zich aan bij de opmerking dat nù het moment is om stappen te zetten. Innovaties zullen veel brengen, maar ook na 2030 moeten nog veel stappen worden gezet. Het blijft van belang om snelheid in het proces te houden.
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
11
Mevrouw Van Huët benadrukt dat het als gemeente belangrijk is om zelf heldere doelstellingen te formuleren en heldere kaders mee te geven voor het participatieproces. De heer Veldhuizen complimenteert de Raad en de Gemeente met het organiseren van dit soort hoorcommissies. De heer Dominique stelt dat het technische aspect vaak niet het probleem is bij de ontwikkeling van windparken, maar de sociaaleconomische kant ervan. Spreker wenst de Raad heel veel wijsheid om daarin een zorgvuldige afweging te maken. Het CDA vraagt - naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Van Huët - of de gemeente Oss daarmee niet te laat is. Er liggen immers al initiatieven, er worden vergunningaanvragen voorbereid en de initiatiefnemers hebben zelf ook al een participatietraject doorlopen. Mevrouw Van Huët stelt dat een overheid vaak al op achterstand staat wanneer er initiatieven vanuit het veld komen, maar op het moment de gemeente met een initiatiefnemer in gesprek gaat zonder daarbij de omgeving te betrekken, dan wordt de achterstand nog groter. Dan kan echter alsnog het gesprek worden aangegaan met de omgeving. Bij het creëren van draagvlak gaat het niet alleen om draagvlak voor het resultaat, maar ook om draagvlak voor het proces. 3.
Sluiting De voorzitter dankt de experts voor de hun inbreng en sluit de vergadering. Voor akkoord, De voorzitter
De commissiegriffier
Verslag hoorcommissie Windenergie 23 september 2020
12