CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

2 bijlagenboek bij toelichting Bestemmingsplan Broekstraat 2a Geffen.PDF

Adviescommissie Ruimte 12 mei 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Ontwerpbestemmingsplan Broekstraat 2a Geffen25.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.

Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of voortplantingsplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk.

Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.

Bijlage 4

- Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK BROEKSTRAAT - ELST TE GEFFEN GEMEENTE OSS

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Broekstraat - Elst te Geffen Opdrachtgever

De heer van Wanrooij Broekstraat 2a 5386 KD Geffen

Rapportnummer

15232.002

Versienummer1

1

Datum

15 maart 2021

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw P. Beurskens, MA en de heer N. Otten (stagiair Saxion Hogescholen)

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. M. Stiekema

Paraaf

© Econsultancy bv, Boxmeer Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 1

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

15232.002

Toponiem

Broekstraat - Elst

Opdrachtgever

De heer van Wanrooij

Gemeente

Oss

Plaats

Geffen

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Geffen, sectie D, nummer 649 (ged.) en 651 (ged.)

Omvang plangebied

Circa 4.840 m2

Kaartblad

45B (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 159.928/Y: 417.355

Bevoegde overheid

Gemeente Oss Raadhuislaan 2 5341 GM Oss

Contactpersoon: Mevr. M. Peeters T: 14 0412 E: M.Peetsers@oss.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Monumentenhuis Brabant Markt 9 4931 BR Geertruidenberg

Contactpersoon: Mevrouw K. Kersten E:k.kersten@monumentenhuisbrabant.nl

ARCHIS3

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

4955924100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Boxmeer/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, mevrouw P. Beurskens, MA, (KNA Archeoloog/KNA Prospector), de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector/ fysische geograaf) en de heer N. Otten (stagiair Saxion Hogescholen)

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de heer van Wanrooij in maart 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Broekstraat - Elst te Geffen in de gemeente Oss. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, namelijk deelgebied A waar de initiatiefnemer voornemens is om het bestaande woonhuis te slopen en hier een groter woonhuis voor in de plaats te zetten. In deelgebied B wil de initiatiefnemer een duivenverblijf realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.

Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Voor beide deelgebieden geldt een lage verwachting voor de jagers en verzamelaars tijdens het LaatPaleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers tijdens het Vroege- en Midden-Neolithicum geldt een middelhoge verwachting. Vanaf het Laat-Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen is het plangebied begroeid geweest wat vervolgens in de Late-Middeleeuwen is ontgonnen.

Voor deze periodes zullen de eventuele archeologische resten zijn verdwenen door de ontginning en geldt een lage verwachting. Er geldt een lage verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, behalve voor het zuidelijke deel van deelgebied A. Hier heeft tot 1868 een gebouw met erf gestaan waar mogelijk nog resten van aanwezig kunnen zijn. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat in deelgebied A een verstoorde bodemopbouw aanwezig is. In deelgebied B bevindt zich onder het plaggendek nog een B-horizont op de dekzandafzettingen. Conclusie De verschillen in de profielen zijn te verklaren door het gebruik van de deelgebieden. In deelgebied A zijn een woning en meerdere bijgebouwen gerealiseerd. Bovendien is er een siertuin aangelegd waarbij ook kabelsleuven voor verlichting zijn gegraven. In delen van de tuin waar minder werkzaam-

Rapport 15232.002 versie 1

heden hebben plaatsgevonden is nog een plaggendek aanwezig. Naar verwachting zullen dit echter kleine delen van deelgebied A zijn. Restanten van een B-horizont van een podzol zijn waargenomen, maar alleen in brokken wat wijst op een verstoring van deze laag. De top van de natuurlijke afzettingen is in deelgebied A verdwenen/verstoord. De hoge archeologische verwachtingen kunnen worden bijgesteld naar laag. Deelgebied B is in gebruik geweest als weiland waarbij de bodem weinig verstoord is. Dit is ook te zien aan de bodem waar nog een B-horizont van een podzol bewaard is gebleven. Uit de gegevens van het bureauonderzoek is het duidelijk dat deze locatie in een nat gebied ligt. Dit was een minder geschikte locatie voor bewoning voor de jagers en verzamelaars en de landbouwers, waardoor de lage verwachting gehandhaafd kan blijven. De hoge verwachting van de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voor het aantreffen van sporen en vondsten gerelateerd aan het agrarisch gebruik kan blijven gehandhaafd. Desondanks hebben dit soort sporen en vondsten een weinig informatieve waarde. Advies Daar waar het bodemprofiel is verstoord kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om delen van deelgebied A vrij te geven (figuur 13-15).

Voor het zuidelijke deel van deelgebied A, ter plaatse van de historische bebouwing en erf op de minuutkaart, wordt geadviseerd om de dubbelbestemming archeologie te behouden (figuur 13). Volgens de toekomstige plannen zouden hier geen bodemverstoringen gaan plaatsvinden. Indien er toch gegraven wordt, zal er een vervolgonderzoek uitgevoerd moeten worden. Afhankelijk van de ingrepen kan dit in de vorm van een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding. Ondanks de intact bodemopbouw van deelgebied B, worden hier geen archeologische resten verwacht vanwege de landschappelijke locatie. Econsultancy adviseert om dit deelgebied vrij te geven voor de toekomstige ontwikkelingen (figuur 13-15). Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Oss). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).

2

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 15232.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 15 Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 19 BRONNEN .......................................................................................................................................... 21

Rapport 15232.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland Figuur 2. Detailkaart van het plangebied Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Figuur 9. Situering van het plangebied binnen Kadastrale Minuut uit 1817 Figuur 10. Situering van het plangebied binnen Kadastrale Minuut uit 1817 Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Figuur 12. Boorpuntenkaart Figuur 13. Advieskaart Figuur 14. Advieskaart op de kadastrale minuut van 1817 Figuur 15. Advieskaart met de toekomstige plannen

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 15232.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van de heer van Wanrooij een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Broekstraat - Elst te Geffen in de gemeente Oss (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, namelijk deelgebied A waar de initiatiefnemer voornemens heeft om de bestaande woonhuis te slopen en hier een groter woonhuis voor in de plaats te zetten. In deelgebied B wil de initiatiefnemer een duivenverblijf realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in februari 2021 door mevrouw P. Beurskens, MA (KNA Archeoloog/ KNA Prospector) en de heer N. Otten (stagiair). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd door de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) en mevrouw P. Beurskens, MA (KNA Archeoloog/ KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:      3

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

SIKB.

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 1 van 21

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:            

2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Oss; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied is gelegen aan de Broekstraat – Elst, ongeveer 300 meter ten noorden van de kern van Geffen in de gemeente Oss. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, deelgebied A en deelgebied B. Deelgebied A heeft een oppervlakte van circa 4.414 m² (figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld van deelgebied A zich op een hoogte van circa 5,2 meter +NAP. Het deelgebied is kadastraal bekend als Gemeente Geffen, sectie D, nummer 651 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 45B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 159.928/Y: 417.341. Deelgebied B heeft een oppervlakte van circa 427 m² (figuur 2). Het maaiveld van deelgebied B bevindt zich op een hoogte van circa 4,6 meter +NAP. Het deelgebied is kadastraal bekend als Gemeente Geffen, sectie D, nummer 649 (ged.).

Volgens de topografische kaart van Nederland, 45B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 159.928/Y: 417.397.

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 2 van 21

Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Deelgebied A is momenteel bebouwd met een woonhuis en enkele bijgebouwen in het noordelijke deel. De rest van het deelgebied is in gebruik als tuin en een kleine boomgaard. Deelgebied B is momenteel in gebruik als weide voor paarden (zie figuur 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ (vastgesteld op 16-042020). Volgens dit bestemmingsplan hebben beide deelgebieden een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’.

Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.5 Volgens de beleidskaart van gemeente Oss liggen beide deelgebieden in een zone met een hoge archeologische verwachting (Figuur 4).6 Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 15232.001). Uit de resultaten blijken er geen verontreinigen in de bodem aanwezig te zijn. Het grondwater is licht verontreinigd met zink.7 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In deelgebied A wordt het huidige woonhuis gesloopt om een groter woonhuis te realiseren (bijlage 7). Volgens het conceptplan zal dit woonhuis zich ten zuidoosten van de huidige woning bevinden. Het oppervlakte dat bebouwd zal worden betreft 245 m2. Vooralsnog is de mogelijkheid tot een kelder opgenomen. In de noordwestelijke hoek van deelgebied A zal een bijgebouw met een oppervlakte van 65 m2 worden gerealiseerd. Ook ten zuiden van de nieuw woning wordt een bijgebouw, circa 85 m2, gebouwd. De funderingsdiepte van het woonhuis en de bijgebouwen zijn nog niet bekend. Over het algemeen worden funderingen tot een diepte van 80 – 100 centimeter onder het maaiveld gefundeerd. In deelgebied B wil de initiatiefnemer een duivencomplex met een oppervlakte van 250 m 2 realiseren. De diepte van de funderingen is nog niet bekend. Over het algemeen worden funderingen tot een Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Botman et al. 2009. 7 Coolen 2021. 5 6

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 3 van 21

diepte van 80 – 100 centimeter onder het maaiveld gefundeerd (bijlage 7). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6)

Paleogeografische kaarten9

Beide deelgebieden zijn bedekt geweest met veen tussen 2750-1500 voor Chr. (LaatNeolithicum – Bronstijd) tot 1500 na Chr. (Nieuwe tijd)

Geomorfologie10

Dekzandrug (3L5)

Bodemkunde11

Hoge zwarte enkeerdgrond; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21)

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met overwegend afzettingen van de Formatie van Boxtel. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, toen de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.12 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. 13 Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Op de paleogeografische kaarten is te zien dat beide deelgebieden zijn afgdekt met veen vanaf de periode 2750 – 1500 voor Chr., het Laat-Neolithicum en de Bronstijd. Het veen blijft tot circa 1500 na Chr. waarna het werd ontgonnen om het gebied bruikbaar te maken voor landbouw en bewoning.

14 Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. De Mulder et al. 2003. Vos et al. 2018. 10 Wageningen Environmental Research 2017. 11 Stichting voor Bodemkartering 1976. 12 Berendsen 2008. 13 De Mulder et al. 2003. 14 Vos et al. 2018. 8 9

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 4 van 21

Volgens de geomorfologische kaart liggen beide deelgebied binnen een dekzandrug (3L5). De dekzandrug is zuidwest naar noordoost georiënteerd en ligt in een grote terrasvlakte (2M18b) (zie figuur 5). Het zuidoostelijke deel van deelgebied A is gekarteerd als bebouwing van de kern van Geffen (Beb). DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 16 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een dik pakket dekzand van het maaiveld tot circa 5 meter onder het huidige maaiveld. Het dekzand behoort tot de Formatie van Boxtel. Onder het dekzand bevindt zich grof sterk grindig zand wat geïnterpreteerd wordt als rivierzand wat behoort tot de Formatie van Kreftenheye. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)17 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse.

Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op de AHN is te zien dat deelgebied A zich op de rand van een dekzandrug bevindt. Deelgebied A bevindt zich op een hoogte van circa 5,3 meter +NAP. Opvallend is dat het plangebied op een hoogte ligt in vergelijking met de directe omgeving. Op basis van de scherpe en rechte lijnen wordt geconcludeerd dat dit een onnatuurlijke hoogte betreft. Deze onnatuurlijke hoogtes zijn opgebracht door de mens voor het realiseren van gebouwen. Ook in de omgeving liggen de gebouwen op een onnatuurlijke hoogte. Deelgebied B ligt in de gradiëntzone van de hoge dekzandrug ten zuiden naar de lagergelegen vlakte ten noorden. Deelgebied B bevindt zich op een hoogte van circa 4,7 meter +NAP en ligt dan ook 60 centimeter lager ten opzichte van deelgebied A. De terrasvlakte ten noorden van deelgebied B is beduidend lagergelegen, op een hoogte van circa 3,9 meter +NAP (zie figuur 6). Waarschijnlijk is dit gebied natter dan de hooggelegen dekzandrug. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) hebben beide deelgebieden bevinden een hoge zwarte enkeerdgrond; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21) (zie figuur 7).

Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel Dinoloket. DINO boornummers B45B1340, B45E0204, B45E0300, B45B1353, B45E0890. 17 AHN. 15 16

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 5 van 21

door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.18 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling19

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen.

Doesburg et al. 2007. Locher en de Bakker 1990. 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 18 19

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 6 van 21

De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant21 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt in het cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat in de regio Maaskant. Het gebied van de Beerse en Baardwijkse Overlaat maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen, dekzandruggen, donken en lagergelegen open komgronden. De oude dorpen en steden in de regio liggen op de oeverwallen, donken en op de flanken van de dekzandrug.

Het gebied heeft een groot aantal archeologische monumenten en vindplaatsen uit vrijwel alle perioden uit onze geschiedenis. De vindplaatsen omvatten onder meer grafvelden, woonplaatsen en rituele plaatsen (Empel). Het gebied van de Beerse Overlaat is een smalle strook land ten noorden van de hogere dekzanden die zich uitstrekken van Mill via Oss naar Rosmalen. Het bestaat uit drie, geheel verschillende onderdelen. In het noorden ligt de Maas met haar uiterwaarden. Ten zuiden daarvan ligt een strook oud cultuurland op oeverwallen en donken, die al vanaf het Neolithicum bewoond is en waar de dorpen en stadjes op liggen. Aan de zuidkant van deze vanouds bewoonde zone ligt een aaneenschakeling van laaggelegen komgebieden. Door deze kommen stroomde vroeger, bij hoge waterstanden van de maas, een parallelrivier: de Beerse Maas. Het water uit de Maas stroomde bij Cuijk het land binnen om vervolgens een brede, traag stromende rivier te vormen naar ’s-Hertogenbosch. Hierdoor was het een lange tijd niet mogelijk om in de komgebieden huizen te bouwen of akkers aan te leggen. De komgebieden werden extensief gebruikt als hooi of weiland, als griend of eendenkooi. Veel opgaande bomen trof men niet aan in de loop van de Beerse Maas, bossen zouden de doorstroming van het water belemmeren.

De boerderijen, dorpen en steden, boomgaarden en akkers lagen op de oeverwallen, donken en op de flanken van de dekzandruggen. Voor de afwatering van het komgebied werden dijken en weteringen aangelegd. De Hertogwetering uit het begin van de veertiende eeuw is met zijn 30 km lengte een belangrijke schakel in het waterbeheer. Door de aanleg van dijken resteerde minder ruimte voor het water van de Maas en is een complex stelsel van overlaten ontwikkeld. Een deel van het Maaswater stroomde binnendijks door de lage komgebieden naar het westen (de Beerse Maas). De nederzettingen en de oude cultuurgronden werden door dijken tegen overstromingen van de Beerse Maas Beschermd. Door verbeteringen in het stroombed van de Maas kon de Beerse Overlaat in 1942 worden gesloten. De komgronden waren vanouds als grasland in gebruik. Vanwege de regelmatige overstromingen was het gebied onbebouwd. Na de tweede wereldoorlog zijn de komgebieden goed ontwaterd en zijn nieuwe boerderijen gebouwd. In het oostelijke Maaskant wordt de overgang met de dekzandrug gemarkeerd door lintbebouwing van Kruisstraat, Heeseind en Geffen. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied22 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaam21 22

CHW, provincie Noord-Brabant. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 7 van 21

heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied bevindt zich niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMKterrein (zie bijlage 2 en figuur 8). Het AMK-terrein ligt circa 30 meter ten zuiden van het deelgebied A. Het betreft de oude dorpskern van Geffen waarbinnen bewoningssporen worden verwacht uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. De begrenzing van de kernen is gebaseerd op 19e en vroeg 20e-eeuws kaarten. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal acht archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen (zie bijlage 3 en figuur 8). Elst 3 (onderzoeksmeldingnummer 2308219100) Direct ten zuiden van deelgebied A is een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de informatie in het bureauonderzoek is een verwachting opgesteld.

Voor de jagers en verzamelaars tijdens het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum geldt een middelhoge verwachting en voor de landbouwers in het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen een hoge verwachting. Voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting. Er wordt geen historische bebouwing verwacht. Tijdens het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit een plaggendek op dekzandafzettingen. De oorspronkelijk aanwezige podzolgrond is verstoord door ploegwerkzaamheden en is opgenomen in het bovenliggende plaggendek. Een deel van het plangebied is verstoord door de realisatie van de voormalige schuur. Alle middelhoge en hoge verwachtingen kunnen worden bijgesteld naar laag. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd.24 Rietkampsestraat 2 en 2a (Onderzoeksmelding 4622576100) Circa 200 meter ten noorden van het plangebied is een bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd. Het plangebied is gelegen in een dekzandwelving, waarin zich een hoge zwarte enkeerdgrond gevormd heeft. Het erf aan de Rietkampsestraat 2 en 2a is in 1967 ontstaan. Op grond van het uitgevoerde cartografisch onderzoek waarbij een groot aantal historische kaarten is geraadpleegd, blijkt dat het plangebied deels bebouwd is geweest en verder altijd een agrarische functie heeft gekend.

Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een verwachting heeft op archeologische resten uit alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Uit het booronderzoek blijkt er geen intacte bodem meer aanwezig is. In boring 1, 3 en 6 is sprake van een AC-profiel, waarbij de oorspronkelijke eerdlaag volledig vermengd is geraakt met de top van de C-horizont als gevolg van (diep)ploegen. De C-horizont (dekzandafzettingen) is op een diepte van 30 tot 60 centimeter onder het maaiveld aanwezig. Een boring is gezet in een oude sloot tot een diepte van 90 centimeter onder het maaiveld. Vanwege het ontbreken van een intact bodemprofiel, waarbij de top van de C-horizont in alle gevallen verdwenen is en vanwege het ontbreken van archeologische indicatoren, wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven. 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Berkmortel 2010. 25 Woolschot en van der Kuijl 2018. 23 24

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 8 van 21

Lopikerkapel (onderzoeksmeldingnummer 2444648100) Ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 300 meter is een booronderzoek uitgevoerd. De top van de bodem bestaat uit een bouwvoor van bruine humeuze klei met baksteenpuin. Hieronder bevindt zich een pakket grijsbruine klei met baksteenpuin, schelpresten en fosfaatvlekken met een gemiddelde diepte van 120 centimeter onder het maaiveld. Deze laag is geïnterpreteerd als ‘terpzool’ en vormt de basis van het ophogingspakket van de percelen die onderzocht zijn. Onder de terpophoging bevindt zich een dik pakket kalkloze grijze vette slappe komklei. In deze afzettingen zijn laklagen, enkele brokjes verslagen veen en brokjes bruine klei aangetroffen. Vanwege het ontbreken van archeologisch indicatoren gaat het hier vermoedelijk om oude vegetatiehorizonten die in de nabijheid van de oever zijn gevormd. Vanwege de grotendeels natuurlijke bodemopbouw en het ontbreken van archeologische indicatoren die wijzen op menselijke bewoning, wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. 26 Conclusie De onderzoeken in de omgeving laten zien dat op veel percelen geen natuurlijke bodemopbouw meer aanwezig is door bouw- en grondwerkzaamheden. De verwachte plaggendekken zijn in veel gevallen nog aanwezig, maar de podzolbodem is verdwenen waardoor wordt verwacht dat de archeologische resten zijn verstoord.

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied27 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vier vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). Bij een onderzoek in de kern van Geffen, circa 450 meter ten oosten van deelgebied A is steengoed en industrieel wit uit Maastricht aangetroffen. De fragmenten worden gedateerd in de Nieuwe tijd. 400 meter ten westen van deelgebied B zijn drie vondstwaarnemingen geregistreerd. Dit is handgevormd aardewerk daterend van Neolithicum – IJzertijd, twee fragmenten gedraaid aardewerk uit de Vroege-Middeleeuwen – Late-Middeleeuwen en een vuursteen kling uit het Paleolithicum – IJzertijd. Het vondstmateriaal toont aan dat de omgeving van de deelgebieden vanaf de prehistorie is bewoond. Wetenschappelijke publicaties en archieven In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, zie bovenstaande paragraaf. Voor aanvullende informatie over de huidige bebouwing zijn de bouwdossiers aangevraagd bij gemeente Oss. Bovendien is bij de lokale heemkundekring geïnformeerd of er nog informatie beschikbaar was. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.

26 27

Van der Kuijl et al. 2014. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 9 van 21

Korte bewoningsgeschiedenis van Geffen28 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De naam Geffen zou zijn afgeleid van de woorden "gen" en "effe", dat is: "gelegen aan het water". Het dorp Geffen heeft dan ook eeuwenlang dichtbij water gelegen, op de grens tussen de hogere zandgronden en de lager gelegen rivierklei. Dat water was afkomstig van de rivier de Maas, die soms tot de lijn Rosmalen-Nuland-Geffen-Oss buiten zijn oevers trad. Het oudste tot nu toe bekende document waarin de naam Geffen voorkomt, is een oorkonde uit 1246. Daarin staat vermeld dat de Bosschenaar Gozewijn Kok landgoederen in leen heeft in "Geffene". Dat er in de loop van de 13e eeuw duidelijk sprake was van een groeiende lokale gemeenschap wordt bevestigd door een oorkonde van 1 oktober 1298, waarin hertog Jan II van Brabant een complex gemeenschappelijke gronden ter beschikking stelt aan de goede lieden van Geffen, tegen een jaarlijkse erfpacht van drie pond Leuvens. Deze “gement” lag tussen de huidige rijksweg en het dorp Vinkel. Het oudste archiefstuk over Geffen dat het BHIC beheert, is het reglement (de “kaart”) van het Sint-Jorisgilde te Geffen van 24 april (Sint-Jorisdag) 1548. In 1303 krijgt het dorp ook het eigendomsrecht van de gement in handen.

Hertog Jan II verkoopt de grond voor een bedrag van 150 ponden. Voortaan mochten de Geffenaren zelf beslissingen nemen over hun gement in hun gemeenschappelijk raad. Daarbij moeten we denken aan een soort volksvergadering. Het is de oudste omschrijving van een dorpsbestuur in Geffen. Veel concreter wordt dit bestuur in de oorkonde van 24 februari 1356, waarbij de hertog de Geffenaren toestemming geeft hun gemeenschappelijke gronden onderling te verdelen. Zij zullen zich daarbij moeten houden aan de richtlijnen, vastgesteld door de "zeven wettige geburen van Geiffen" en de "gezworenen des dorps van Geffen". Hoewel de eigenlijke verdeling door de zeven geburen geschiedt, zijn de gezworenen (die hebben dus een eed afgelegd) steeds verantwoordelijk voor het beheer van de gement. In ditzelfde stuk van 1356 worden ook "onzen scouth, richteren en vorsteren" genoemd: de schout, de schepenen en de vorster. Vanaf de vijftiende eeuw kwamen het overheidsgezag en enkele andere rechten in Geffen in handen van families, die zich "heer van Geffen" gingen noemen. Bekend waren de Van Vladerackens (14791628), die ook heer van Nuland waren en daar op het kasteel woonden. Vanaf 1445 had het dorp officieel een schepenbank. Uit dezelfde periode, tweede helft van de vijftiende eeuw, dateert het grootste deel van de parochiekerk, toegewijd aan Maria Magdalena.

Geffen was voor 1900 vooral een agrarische gemeenschap van enkele honderden mensen. In de loop van de tijd groeit de gemeenschap. Het bevolkingspeil van 4.500 werd midden jaren ’80 bereikt en in 1998 lag dat aantal al ruim boven de 5.000. Sindsdien is de bevolking eigenlijk niet meer echt gegroeid: anno 2020 woonden er circa 5000 mensen in het Geffense deel van Maasdonk.

28

https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/geffen-in-vogelvlucht

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 10 van 21

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut29

1817

Gemeente Geffen, Sectie A, blad 2 en sectie B, blad 1

1:2.500

Zuidelijke deel van deelgebied A bebouwd, overig in agrarisch gebruik.

Ten noorden is de Broekstraat aanwezig. De weg ten oosten wordt de Elsterweg genoemd.

Deelgebied B in agrarisch gebruik

Militaire topografische kaart30 (nettekening)

1868

569

1:50.000

De bebouwing in deelgebied A is gesloopt.

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1899

569

1:50.000

-

Ten zuiden van deelgebied A is het station en de spoorlijn Nijmegen - ’s-Hertogenbosch gerealiseerd

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1910

569

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1927

569

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1949

569

1:50.000

-

-

Topografische kaart

1956

45B

1:25.000

-

Het station is verdwenen

Topografische kaart

1967

45B

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1978

45B

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1988

45B

1:25.000

-

Ten noorden van deelgebied A wordt een bedrijf met woning gerealiseerd. Wegenpatroon veranderd.

Topografische kaart

1994

45B

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1999

45B

1:25.000

Deelgebied A bebouwd

-

Deelgebied A bestaat aan het begin van de 19e eeuw uit een perceel met in het zuiden een woning met erf dat in 1868 al niet meer aanwezig is op de kaart (figuur 9). Deelgebied A wordt in agrarisch gebruik genomen. In de loop van de tijd veranderd er weinig. Rond 1899 wordt ten zuidoosten van deelgebied A een station en spoorlijn van Nijmegen naar ’s-Hertogenbosch gerealiseerd. Op de kaart van 1956 wordt het station niet meer weergeven. Rond 1990 wordt ten noorden van deelgebied A het bedrijf met bijhorende woning van familie van Wanrooij gerealiseerd. Het agrarisch gebruik van het perceel veranderd pas rond 1999 toen het woonhuis werd gerealiseerd. Deelgebied B bestaat aan het begin van de 19e eeuw uit twee percelen (figuur 10). Op het kaartmateriaal is te zien dat deelgebied B vanaf het begin van de 19 e eeuw in gebruik is als akker- of grasland. Bij de herverkaveling rond 1900 veranderen de perceelgrenzen en behoord deelgebied B nog tot één perceel. Het agrarisch gebruik blijft onveranderd (figuur 11).

29 30

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 11 van 21

Op de minuutkaart is te zien dat deelgebied A en B beide grenzen aan de Broekstraat. Ten oosten van deelgebied A bevindt zich een weg die de Elsterweg wordt genoemd. Het wegenpatroon blijft hetzelfde tot in 1988. Op deze kaart is te zien dat de weg ‘Broekstraat’ is verdwenen, waarschijnlijk door de realisatie van het bedrijf en deelgebied B niet meer aan een weg grenst (figuur 11). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP-monumenten. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Oss is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (d.d. 01-03-2021). Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen van de bebouwing in deelgebied A. Tabel IV.

Verleende bouwvergunningen

Jaartal

Omschrijving

1989

Bouw van het woonhuis en garage. Het woonhuis heeft een kelder met een diepte van 2,55 meter onder het maaiveld. De fundering van het woonhuis bevindt zich op 80 centimeter onder het maaiveld.

1993

Bouw van een prieeltje in de tuin met een diameter van 3,3 meter. Funderingsdiepte is niet bekend.

2001

Realisatie van een bijgebouw. Onderkant fundering van het bijgebouw bevindt zich op 60 centimeter onder het maaiveld.

Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 31 Ten noorden van deelgebied A op circa 50 meter afstand is een explosief gevonden en verwijderd (zie onderstaande alinea). Uit de overige bronnen blijkt dat echter dat er geen aanwijzingen voor resten van de Tweede Wereldoorlog in het plangebied. De kans wordt dan ook klein geacht dat er nog resten van de Tweede Wereldoorlog aanwezig zullen zijn. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundewerkgroep Vladerack Geffen (d.d. 5 maart 2021). Van de heer Verhagen is op 5 en 8 maart een reactie ontvangen. De heemkundekring vermeldde dat in het gebied al op de minuutkaart bebouwing aanwezig is. Verder is ongeveer 20 jaar geleden tijdens werkzaamheden aan de riolering ter hoogte van bouwbedrijf van Wanrooij (ten noorden van deelgebied A), een brisantgranaat uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen. Deze is onschadelijk gemaakt door de EOD. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld:

Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Beobom Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 31

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 12 van 21

Tabel V.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroeg- en MiddenNeolithicum

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Laat-Neolithicum

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Zuidelijk deel, deelgebied A: hoog Overig: laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Deelgebied B: laag

Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug naar terrasvlakte is het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en matig gunstig vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit met name de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.

Rapport 15232.002 versie 1

Pagina 13 van 21

Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.32 De deelgebieden bevinden zich beide op afstand van een beekdal of een ven, waardoor het geen geschikte locatie was voor de tijdelijke bewoning van de jagers en verzamelaars. Er geldt een lage verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.33 De deelgebieden bevinden zich op de rand van een dekzandrug.

Over het algemeen gingen de landbouwers wonen op hoger gelegen gebieden van een dekzandrug en werd de rand gebruikt voor activiteiten zoals landbouw. De landschappelijke locatie is dus matig geschikt voor bewoning. Voor het Vroege- en Midden-Neolithicum geldt een middelhoge verwachting. Tussen 2750 – 1500 voor Chr. (Laat-Neolithicum – Bronstijd) is deze dekzandrug begroeid geraakt met veen. Over het algemeen was veen geen geschikte bewoningslocatie vanwege de natte omstandigheden. Eventueel zouden er losse vondsten zoals rituele deposities aanwezig kunnen zijn. In de Nieuwe tijd, vanaf 1500 na Chr. werd het plangebied ontgonnen om zo geschikt te maken voor bewoning. Hierbij zijn alle eventuele archeologische resten uit het Laat-Neolithicum tot en met de LateMiddeleeuwen verdwenen. Er geldt een lage verwachting voor deze periodes. De deelgebieden maken geen onderdeel uit van de historische kern van Geffen. Beide deelgebieden zijn in agrarisch gebruik geweest waardoor er dan ook geen historische bebouwing wordt verwacht. Een uitzondering hierop is het zuidelijke deel van deelgebied A dat tot circa 1868 bebouwd is geweest. Er geldt een lage verwachting voor de Nieuwe tijd, behalve voor het zuidelijk deel van deelgebied A waarvoor een hoge verwachting geldt voor het aantreffen van resten van historische bebouwing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=d38e277f-fa4b-4d49-a3d0-a937d2aff6ac