1.5 Bijlagen toelichting Bijlage 5 Aanvullend advies Commissie m.e.r.+adviesCommissie m.e.r. 20.pdf
Tekst van het document
Naam Gemeenschappelijke Regeling Heesch West Reflectie op advies Commissie m.e.r. d.d. 21-5-2021 Inleiding De Commissie m.e.r. is voorafgaand aan de publicatie en terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Heesch West, volgens afspraak in het Burenoverleg, door het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Heesch West gevraagd advies uit te brengen op de Aanvulling MER Heesch West. Zo heeft de omgeving al tijdens de terinzagelegging inzicht heeft in het advies van de Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. heeft hiervoor haar advies gebaseerd op een conceptversie van de Aanvulling MER. De Commissie m.e.r. constateert dat de diverse planaanpassingen en de Aanvulling MER zorgvuldig en uitgebreid invulling geeft aan de meeste punten uit het eerdere advies van de Commissie m.e.r. in 2019. De commissie constateert daarbij dat de samenvatting van het aangevulde MER en de begeleidende ‘leeswijzer’ snel en overzichtelijk inzicht geven in de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke plan en de consequenties daarvan voor de milieueffecten. Op twee aspecten wordt door de Commissie m.e.r. nog aandacht gevraagd om elementaire informatie aan te vullen bij vaststelling van het bestemmingsplan. Hierin is, in vervolg op de door de Commissie m.e.r. beoordeelde voorlopige rapporten, nu bij het ontwerp bestemmingsplan al direct in voorzien.
Dit wordt hieronder kort toegelicht. 1. De Commissie m.e.r. stelt in haar aanvullende advies op de conceptstukken vast dat “nog informatie ontbreekt die essentieel is voor het meewegen van het milieubelang in het besluit over het bestemmingsplan.” Dit betrof de concept Passende beoordeling zonder berekeningsresultaten van de uitstoot van stikstof en de effecten van de maatregelen die voorzien zijn om deze uitstoot te beperken. In de definitieve aanvulling .m.e.r. , is de aangevulde Passende beoordeling, inclusief berekeningsresultaten opgenomen. De beheersing van en sturing op stikstofuitstoot is op basis hiervan ook geborgd in de regels van het ontwerpbestemmingsplan. 2. De Commissie m.e.r. constateert dat “de effecten op geluidhinder niet goed te controleren zijn, waardoor ook nog onduidelijk is hoe effectief geluidbeperkende maatregelen kunnen zijn.” Dit betrof het concept akoestisch onderzoek. In paragraaf 3.4.4 en bijlage 3 van het akoestisch onderzoek zijn de uitgangspunten opgenomen. Naar aanleiding van het aanvullende advies van de Commissie m.e.r. is deze toelichting (verder) uitgebreid.
3. Naast bovengenoemde elementaire aandachtspunten geeft de Commissie m.e.r. nog een aantal verdere overwegingen en aanbevelingen naar aanleiding van de beoordeelde conceptstukken. Navolgende aandachtspunten zijn verwerkt of worden nog nader uitgewerkt bij het in de omgevingsparticipatie te ontwerpen landschapspark en de landschappelijke inpassing of bij vaststelling van het bestemmingsplan. Dit betreft: o Locatiekeuze, in het bijzonder actuele onderbouwing behoefte. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan (onderdeel Ladder voor duurzame verstedelijking), het circulair kwaliteitsplan en de bijlage kwaliteitsverbetering landschap zijn deze aandachtspunten verder uitgewerkt ten opzichte van de conceptstukken die ter toetsing voorlagen; o Inrichting van het plangebied, in het bijzonder uitwerking van het landschapspark. Deze hierna benoemde aandachtspunten worden betrokken in het ontwerp- en participatietraject dat de Kruit Kok Landschapsarchitecten wordt begeleid: Aanbevolen wordt in de verdere planuitwerking de ecologische potenties van de Peelrandbreuk te betrekken en de relatie van het landschapspark met de omgeving; Het park kan een overgangszone van omliggend gebied naar bedrijventerrein zijn waarbij bedrijventerrein en landschapsstructuren zijn verweven, maar ook een scherpe afschermingszone ter afronding van het bedrijventerrein of een zelfstandig park.
De Commissie beveelt aan hierover bij de nadere uitwerking van het ontwerp duidelijkheid te geven. o Duurzaamheid. De Commissie m.e.r. constateert dat in de Aanvulling MER het begrip ‘circulair landschapspark’ meer inhoud krijgt. En dat duurzaamheid concreter en meer meetbaar is gemaakt in het aangevulde Circulair kwaliteitsplan Heesch West. Daarnaast is er aandacht voor flexibiliteit en adaptiviteit. De Aanvulling MER maakt hierdoor op een heldere en navolgbare manier duidelijk welke duurzaamheidsambities de gemeentes voor het plangebied hebben, welke kansen er zijn om deze te realiseren en hoe dit in de praktijk wordt geborgd. De Commissie doet daarbij nog een aantal suggesties om nog nader te betrekken in verdere uitwerkingen van het Circulair Kwaliteitsplan.
Paul van Dijk, Directeur Gemeenschappelijke Regeling Heesch West
2
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
Advies in het kort De gemeentes ’s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss willen het bedrijventerrein ‘Heesch West’ mogelijk maken. Het terrein zal ruimte bieden aan grootschalige logistiek en andere bedrijven, met een accent op duurzame energie (zonnepanelen) en circulaire economie. Deze 5
ontwikkelingen worden ingepast in een zogenaamd landschapspark. Voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De Commissie signaleerde in een eerder advies1 over dit project dat in het MER op diverse onderdelen informatie ontbrak. Zij adviseerde deze informatie aan te vullen voorafgaand aan
10
de besluitvorming. De ‘gemeenschappelijke regeling Heesch West’ heeft, namens de gemeenteraden van de betreffende gemeentes, de Commissie gevraagd te adviseren over het aangevulde MER.2
Wat blijkt uit het aangevulde MER? 15
Het aangevulde MER beschrijft een aantal nieuwe alternatieven voor de inrichting van het bedrijventerrein. Windturbines maken geen deel meer uit van het plan, en aan bedrijven uit zwaardere milieucategorieën wordt minder ruimte geboden. Daarnaast zijn enkele nieuwe verkeerskundige maatregelen opgenomen. Deze aanpassingen leiden tot een lagere geluidbelasting voor de omgeving (door de combinatie van minder wegverkeerslawaai,
20
industrielawaai en geluid van windturbines). Ook effecten op de luchtkwaliteit, gezondheid, landschap en natuur zijn minder groot dan in de oorspronkelijke opzet. De aankoop van enkele bestaande veehouderijen in en vlak bij het plangebied moet effecten van stikstof op kwetsbare natuur voorkomen, maar daarvan zijn de effecten nog niet duidelijk omdat het onderzoek daarnaar nog niet is afgerond. De overige (positieve en negatieve) effecten zijn
25
gelijk aan de oorspronkelijke opzet.
Wat is het advies van de Commissie? De aanvulling op het MER is uitgebreid en voorzien van verschillende bijlagen. De samenvatting van het aangevulde MER en de begeleidende ‘leeswijzer’ geven snel en 30
overzichtelijk inzicht in de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke plan en de consequenties daarvan voor de milieueffecten. De Commissie is desondanks van oordeel dat in het MER en de aanvulling daarop nog informatie ontbreekt die essentieel is voor het meewegen van het milieubelang in het besluit
35
over het bestemmingsplan. De concept Passende beoordeling is nog niet volledig. Daarin ontbreken namelijk nog de berekeningsresultaten van de uitstoot van stikstof en de effecten van de maatregelen die voorzien zijn om deze uitstoot te beperken. Daardoor is nog niet vast te stellen of het plan uitvoerbaar is binnen de kaders van de natuurbeschermingsregelgeving. Daarnaast zijn de effecten op geluidhinder niet goed te controleren, waardoor ook nog
40
1 2
onduidelijk is hoe effectief geluidbeperkende maatregelen kunnen zijn.
Zie het toetsingsadvies over het milieueffectrapport, uitgebracht op 10 oktober 2019.
Dit advies gaat uit van de aanvullingen op het MER die op 2 april 2021 ter beschikking zijn gesteld. Een deel van deze aanvullingen is naderhand aangepast of verder aangevuld, waaronder de Passende beoordeling. Op de website van de
Commissie staan de documenten in de versie waarop dit advies is gebaseerd. Deze kunnen dus afwijken van de definitieve
versies die ter inzage zijn gelegd.
-1-
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
De Commissie adviseert de ontbrekende informatie aan te vullen voordat het besluit over het bestemmingsplan wordt genomen. De gemeentes hebben aangegeven dat de ontbrekende informatie in de definitieve versie van de aanvulling, die in juni 2021 ter inzage wordt gelegd, 5
opgenomen zal worden. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar beoordeling toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
Figuur 1: Stedenbouwkundig ontwerp Heesch West + planaanpassingen (in rood) (bron: concept-aanvulling MER) Achtergrond Initiatiefnemer voor het plan is de ‘Gemeenschappelijke regeling Heesch West’, waarin de gemeentes ‘sHertogenbosch, Oss en Bernheze vertegenwoordigd zijn. Het regionale bedrijventerrein Heesch West
10
krijgt een totale oppervlakte van 170 hectare waarvan 50 tot maximaal 80 hectare zal worden gebruikt voor bedrijven die vallen binnen milieucategorie 4.2. Via een afwijkingsbevoegdheid zijn op een beperkt deel van het terrein bedrijven van categorie 5.1 mogelijk. Daarnaast biedt het plan ruimte voor een aantal zonneparken. De gemeenteraden van ‘s-Hertogenbosch en Bernheze. stellen hiervoor beiden een nieuw bestemmingsplan vast. Daarnaast wordt voor het vastleggen van de geluidzone van het terrein een
15
‘facet-bestemmingsplan’ opgesteld door de gemeentes ‘s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss. Voor de besluitvorming hierover wordt de plan-m.e.r.-procedure doorlopen omdat de bestemmingsplannen het kader vormen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. De drie gemeenteraden zijn gezamenlijk het bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure.
20
Waarom een advies? De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraden van ‘s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss - besluiten over de
25
bestemmingsplannen. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3402
30
op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
-2-
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe en geeft zij adviezen om het aangevulde MER op een aantal punten verder aan te vullen. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het 5
milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Locatiekeuze 10
In haar toetsingsadvies over het MER adviseerde de Commissie de locatiekeuze voor de windturbines nader te onderbouwen. Verder gaf zij in overweging om in het bestemmingsplan een geactualiseerde onderbouwing op te nemen van de locatiekeuze voor het bedrijventerrein ten opzichte van andere potentiële locaties.
15
De windturbines zijn uit het plan geschrapt, waarmee onderbouwing daarvan niet meer aan de orde is. In de aanvulling (par. 4.2) is een beknopte nadere onderbouwing gegeven voor het realiseren van het bedrijventerrein. De Commissie beveelt aan om in het definitieve bestemmingsplan deze onderbouwing uit te breiden en de nadruk te leggen op de actuele inzichten over de behoefte aan bedrijventerreinen in de hele provincie3 en rekening te
20
houden met nationale ontwikkelingen aangaande locatiekeuzes voor zeer grootschalige distributiecentra (uitwerking NOVI).
Alternatieven en varianten voor de inrichting van het plangebied De Commissie adviseerde in haar toetsingsadvies over het MER om in een aanvulling: 25
1.
een alternatief te beschrijven waarbij wordt ingezet op een kleinere geluidzone;
2.
een alternatief te beschrijven dat meer recht doet aan de ambities voor biodiversiteit en
3.
de mogelijkheid van een variant met vier kleinere windturbines te onderzoeken;
4.
een aparte tabel op te nemen waarin de effecten van de varianten voor de windturbines
landschap en dat gebruik maakt van de bijzondere hydrologische situatie;
separaat worden beoordeeld. 30 Ad. 1 In de aanvulling is een alternatief beschreven dat uitgaat van een kleine geluidzone. Dit wordt gerealiseerd doordat de (maximale) oppervlakte waarop zwaardere milieucategorieën (categorie 5.1) is toegestaan te verkleinen van ca 36 hectare naar ca 6 hectare. Het 35
aanvullende akoestische onderzoek laat goed zien tot welke (reductie van) geluidbelasting dit leidt en wat dit betekent voor het vaststellen van hogere waarden. Ad. 2 Als aanvulling op het MER is nader onderzoek verricht naar de Peelrandbreuk. Dit onderzoek
40
leidt niet (direct) tot een planaanpassing, maar geeft inspiratie en richting voor uitwerking van het landschapsontwerp. De Commissie merkt op dat het landschapspark volgens het MER
3
Zie hiervoor onder andere het rapport ‘Prognose bedrijventerreinen en kantoren Noord-Brabant’ (Stec Groep, 2018).
-3-
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
en de aanvulling verschillende doelen dient: mitigatie van negatieve effecten op natuur en landschap, het realiseren van ambities voor biodiversiteit en circulariteit, het optimaliseren van de waterhuishouding en het creëren van een overgang tussen het bedrijventerrein en de omgeving. In hoeverre deze doelen gehaald zullen worden zal afhankelijk zijn van de verdere 5
uitwerking, die in samenspraak met de omgeving en natuur- en milieuorganisaties zal plaatsvinden. De Commissie heeft hiervoor de volgende aandachtspunten: x
Het zichtbaar maken van de 'Peelrandbreuk en haar specifieke karakteristieken' is als ambitie verwoord in de aanvulling op het MER (p. 178). De Commissie beveelt aan deze ambitie expliciet mee te nemen in het ontwerp voor het landschapspark. De
10
Peelrandbreuk kruist het landschapspark aan de oostzijde. Om te zorgen dat recht wordt gedaan aan de ecologische potenties van de Peelrandbreuk ter plaatse is wellicht een aanpassing van het uitgeefbare terrein in fase 2 noodzakelijk. x
De positie van het landschapspark ten opzichte van de omgeving is nog niet geheel duidelijk. Het park kan een overgangszone van omliggend gebied naar bedrijventerrein
15
zijn waarbij bedrijventerrein en landschapsstructuren zijn verweven, maar ook een scherpe afschermingszone ter afronding van het bedrijventerrein of een zelfstandig park. De Commissie beveelt aan hierover bij de nadere uitwerking van het ontwerp duidelijkheid te geven.
20
Ad. 3 en 4 Omdat de windturbines inmiddels uit het plan zijn geschrapt, vervallen deze aanbevelingen.
Duurzaamheid De Commissie adviseerde in haar toetsingsadvies over het MER om in een aanvulling: 1. 25
de duurzaamheidsambities zoveel mogelijk te vertalen naar (semi-)kwantitatieve en toetsbare criteria, die gebruikt kunnen worden voor monitoring van deze ambities;
2.
aan te geven welke kansen en knelpunten er te verwachten zijn ten aanzien van deze realisatie van deze ambities;
3.
aan te geven welke instrumenten de gemeentes kunnen inzetten om het behalen van deze ambities te realiseren en indien nodig ontwikkelingen bij te sturen.
30 In de aanvulling is een omschrijving opgenomen van het ‘circulair landschapspark’, waardoor dit begrip meer inhoud krijgt. Ook is het begrip duurzaamheid concreter en meer meetbaar gemaakt in het aangevulde Circulair kwaliteitsplan Heesch West. In een aparte notitie is een (concept) voorstel gedaan om duurzaamheidsambities te borgen, gekoppeld aan het 35
bestemmingsplan en de gronduitgifte.4 Daarnaast is er aandacht voor flexibiliteit en adaptiviteit. De aanvulling maakt hierdoor op een heldere en navolgbare manier duidelijk welke duurzaamheidsambities de gemeentes voor het plangebied hebben, welke kansen er zijn om deze te realiseren en hoe dit in de praktijk wordt geborgd.
40
De Commissie plaatst hierbij enkele kanttekeningen: x
Grote distributiecentra hebben een oppervlak dat kan oplopen tot 10 ha of meer. Volgens de aanvulling worden de daken daarvan voor een groot deel voorzien van zonnepanelen.
4
Voor de thema’s energie, klimaat(adaptatie), duurzaam en circulair bouwen en bedrijfsproces, mobiliteit en landschap en biodiversiteit wordt gescoord: x x x
“-“ als alleen wordt voldaan aan bestaande wetgeving.
“0” als wordt voldaan aan gemeentelijke ambities (of van hogere overheden). “+” als meer wordt gedaan dan de gemeentelijke (of hogere) ambitie.
-4-
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
Elders in de aanvulling is ook aangegeven dat ‘groene daken’ worden voorzien, met het oog op klimaatadaptatie en energiebesparing (groene of witte daken kunnen leiden tot een forse besparing op de benodigde capaciteit voor airconditioning). Het is niet duidelijk hoe deze uitgangspunten zich tot elkaar verhouden. 5
x
Volgens het MER, de aanvulling en het Circulair kwaliteitsplan moet het terrein minimaal energieneutraal worden, maar het liefst ‘energiepositief’. Volgens de aanvulling is het ook zonder de windturbines mogelijk om aan de energieambities te voldoen, maar dit is niet gekwantificeerd. De beoordeling van het aspect duurzaamheid in de aanvulling suggereert dat het aangepaste plan nog steeds positief scoort op windenergie (zie tabel
10
18.2), terwijl in het plan geen windturbines zijn opgenomen. x
De passages over CO2-reductie in het “voorstel borging duurzaamheidsambities” zijn niet goed te volgen. Het lijkt te gaan over bedrijfsactiviteiten die niet elektrisch mogelijk zijn, maar het blijft onduidelijk waaraan dan precies wordt gedacht. De Commissie adviseert concreet te maken welke CO2 uitstoot gerelateerd aan welke type activiteiten of transport
15
wordt bedoeld. De Commissie beveelt aan om bovenstaande punten te concretiseren en te verduidelijken in de definitieve versie van het Circulaire Kwaliteitsplan (concept voorstel borging duurzaamheidsambities).5
Milieueffecten
20
2.4.1
Uitgangspunten voor effectbeoordeling In haar toetsingsadvies over het MER constateerde de Commissie dat voor de bepaling van de effecten van de alternatieven is uitgegaan van algemene uitgangspunten voor de milieucategorieën die mogelijk worden gemaakt. Het gebruik van algemene uitgangspunten
25
voor de effectbeoordeling betekent dat het MER wel een beeld geeft van de potentiële effecten, maar dat deze niet per definitie de ‘worst case’ situatie vertegenwoordigen, oftewel de maximale effecten die zich kunnen voordoen. Daarom adviseerde de Commissie om in een aanvulling: 1.
30
een risico inschatting te geven voor de milieueffecten die te voorzien zijn op basis van de toegelaten invulling van het bedrijventerrein;
2.
als hieruit risico’s naar voren komen, aan te geven welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om effecten te voorkomen of beperken en waar nodig de effectbeoordeling aan te passen.
35
In de aanvulling is een nadere toelichting opgenomen van de wijze waarop de ‘worst case’ effecten van het bedrijventerrein zijn bepaald. De verkleining van het oppervlak milieucategorie 5.1 in het ontwerpbestemmingsplan leidt tot een afname van geluid- en luchtkwaliteitseffecten. Daarnaast zijn in het ontwerpbestemmingsplan aanvullende voorwaarden opgenomen, waardoor onder andere effecten op geur en externe veiligheid
40
5
worden beperkt of voorkomen.
In de leeswijzer bij de aanvulling is aangegeven dat het ‘concept voorstel borging duurzaamheidsambities’ nog wordt aangevuld, voordat dit wordt opgenomen in het Circulair Kwaliteitsplan.
-5-
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
2.4.2
Geluidhinder De Commissie adviseerde in haar toetsingsadvies over het MER om in een aanvulling een toelichting met bronvermelding op te nemen waaruit blijkt met welke getallen de geluidberekeningen voor bedrijven/industrie (en windturbines) zijn uitgevoerd.6 De
5
Commissie gaf daarbij in overweging uit te gaan van geluidemissiewaarden in dB(A) per m2 in plaats van een vast totaal bronvermogen per milieucategorie. De Commissie constateert dat in de aanvulling (inclusief het nieuwe deelonderzoek geluid) de aangegeven uitgangspunten (par. 3.4.4. van het deelonderzoek) niet te herleiden zijn tot de
10
gehanteerde bronvermogens in de bijlagen. Er wordt verwezen naar het ‘facetplan geluid’ en een akoestisch onderzoek bij het bestemmingsplan, maar deze zijn (nog) niet beschikbaar. Hierdoor zijn de effecten van het plan én de effecten van mitigerende maatregelen niet goed navolgbaar.
15
De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming - in de definitieve aanvulling op het MER – alsnog een toelichting met bronvermelding op te nemen waaruit blijkt met welke getallen de geluidberekeningen voor bedrijven/industrie zijn uitgevoerd (emissiegetallen per milieucategorie/locatie).
2.4.3 20
Natuur In het MER uit 2019 werd voor de effecten van stikstofdepositie verwezen naar het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het vervallen van het PAS betekende dat alle gevolgen van de extra stikstof die het plan veroorzaakt in een eigen Passende beoordeling beoordeeld moeten worden. De Commissie adviseerde in haar toetsingsadvies over het MER om deze Passende beoordeling op te nemen in een aanvulling op het MER en op basis daarvan een
25
alternatief te beschrijven dat uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Onderdeel van de aanvulling op het MER zijn een aangevulde Natuurtoets en een concept Passende beoordeling. Beiden zijn van goede kwaliteit, met uitzondering van het aspect stikstofdepositie, dat nog niet volledig is uitgewerkt.
30 Hoewel nog geen berekeningsresultaten zijn opgenomen, maakt de concept Passende beoordeling duidelijk dat het voornemen leidt tot een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden7, door de realisatie van het voornemen, de uitstoot van bedrijven en de verkeer aantrekkende werking van het 35
bedrijventerrein. Om die reden zijn maatregelen beschreven om de stikstofuitstoot zoveel mogelijk te beperken (aardgasvrij bedrijventerrein en verkleining van de oppervlakte voor zwaardere milieucategorieën). De resterende stikstofuitstoot moet worden ‘gesaldeerd’ met bestaande stikstofbronnen. Hiertoe zijn twee bestaande veehouderijen in en één net buiten het plangebied aangekocht.
40
6
Daarmee ontstaat ook helderheid over de geluidemissie-gegevens voor een alternatief met een lagere geluidemissie, zoals
7
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ligt op circa 10 kilometer afstand ten
aangegeven in § 2.2 van het advies.
westen van het plangebied. Ten noorden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken (op ca 11 km). Verder
naar het westen ligt op ca. 20 km afstand het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Ten zuiden en ten oosten van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden op meer dan 30 km afstand.
-6-
3402 ts2 definitief toetsingsadvies
25 mei 2021
In de concept Passende beoordeling ontbreken nog de resultaten van de AERIUSberekeningen, die duidelijk moeten maken hoe groot de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden zal zijn, en welk resultaat de saldering met de genoemde bedrijven heeft. Daarnaast is aangegeven dat in de definitieve Passende beoordeling de meest recente 5
inzichten en jurisprudentie over de stikstofproblematiek meegenomen worden. Deze nog ontbrekende informatie is essentieel voor de besluitvorming, omdat deze bepalend is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Commissie wijst erop dat het aankopen van de veehouderijbedrijven vooral lokaal effect
10
zal hebben op de stikstofuitstoot. Door de verkeeraantrekkende werking van het bedrijventerrein zijn echter ook effecten op grotere afstand van het plangebied te verwachten. De afbakening van het studiegebied voor de effecten van stikstofdepositie is derhalve cruciaal en dient goed gemotiveerd te worden.
15
De Commissie adviseert om voorafgaand aan de besluitvorming, in de definitief Passende beoordeling: x
de bedoelde AERIUS-berekeningen op te nemen;
x
daarbij expliciet rekening te houden met de verkeer aantrekkende werking van het bedrijventerrein en te motiveren tot op welke afstand van het bedrijventerrein de invloed
20
daarvan relevant is voor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden; x
te onderbouwen dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000gebieden kan worden uitgesloten. Als dit niet het geval is, is het aan het bevoegd gezag om binnen de kaders van de natuurbeschermingsregelgeving tot een adequate oplossing te komen.
25
-7-
Bedrijventerrein Heesch-West
(gemeenten Oss, Den Bosch en Bernheze)
Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 10 oktober 2019 / projectnummer: 3402
Advies over het MER in het kort De gemeentes ’s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss willen het bedrijventerrein ‘Heesch-West’ mogelijk maken. Het terrein zal ruimte bieden aan grootschalige logistiek en andere bedrijven, met een accent op duurzame energie (windturbines en zonnepanelen) en circulaire economie. Deze ontwikkelingen worden ingepast in een zogenaamd landschapspark. Voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De ‘gemeenschappelijke regeling Heesch-West’ heeft, namens de gemeenteraden van de betreffende gemeentes, de Commissie gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat blijkt uit het MER? Het MER beschrijft een aantal alternatieve invullingen van het terrein, die allemaal gebaseerd zijn op dezelfde ambities en principes. De alternatieven verschillen in de oppervlakte die gebruikt wordt voor bedrijven (50 of 80 hectare) en het soort bedrijven (voornamelijk industrie of voornamelijk logistieke bedrijven). Alle alternatieven leiden tot aantasting van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden. De (industriële) activiteiten, de toename van (vracht)verkeer en de bouw van drie windturbines leiden vooral tot een toename van de geluidhinder. Door de nadruk op duurzame energieproductie en circulariteit zijn de effecten op ‘duurzaamheid’ (zoals energiegebruik, circulaire economie, klimaatadaptatie) positief. Het MER beschrijft een aantal maatregelen waarmee de negatieve effecten gedeeltelijk worden verminderd, zoals aanpassingen in de verkeersstructuur en technische maatregelen aan de windturbines. Met de aanleg van het landschapspark worden nieuwe landschaps- en natuurwaarden ontwikkeld, onder andere om negatieve effecten van het bedrijventerrein te compenseren.
Wat is advies van de Commissie? Het MER geeft veel informatie over de milieueffecten van het plan en de maatregelen die genomen kunnen worden om negatieve effecten te beperken. Zo is grondig onderzoek uitgevoerd naar de effecten op het verkeer, waardoor niet alleen negatieve effecten maar ook positieve effecten van het voornemen duidelijk worden. Het MER is erg uitgebreid en voorzien van een grote hoeveelheid bijlagerapporten. Ook de samenvatting van het MER is omvangrijk. De samenvatting bevat geen duidelijke visualisaties van de toekomstige situatie. Daardoor is het voor een niet ingevoerde lezer niet eenvoudig om goed zicht te krijgen op de belangrijkste conclusies van het MER. De Commissie concludeert dat in het MER nog belangrijke informatie ontbreekt. Het gaat daarbij om het volgende: x
Voor de windturbines zijn de locatiekeuze en de onderzochte varianten nog onvoldoende onderbouwd.
x
In het MER ontbreken alternatieven voor de invulling van het bedrijventerrein die vanuit milieuoogpunt van belang kunnen zijn: o
een alternatief met een lagere geluidbelasting op de omgeving;
o
een alternatief dat meer recht doet aan de ambities voor biodiversiteit en landschap.
-1-
x
De duurzaamheidsambities voor het plan zijn nog onvoldoende concreet uitgewerkt. Daardoor kan niet goed worden getoetst (en gemonitord) in hoeverre deze ambities gehaald worden.
x
Sommige omgevingseffecten zijn mogelijk onderschat, omdat de maximale effecten van de toekomstige bedrijven nog niet duidelijk zijn.
x
De effecten op geluidhinder zijn niet goed te controleren, waardoor ook nog onduidelijk is hoe effectief geluidbeperkende maatregelen zouden kunnen zijn.
x
De effecten op natuurgebieden die gevoelig zijn voor stikstof zijn onvoldoende onderzocht. Dit hangt samen met de recente uitspraak van de Raad van State waardoor geen gebruik gemaakt kan worden van het Programma Aanpak Stikstof (PAS).
De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over de bestemmingsplannen. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
Figuur 1: Stedenbouwkundig ontwerp regionaal bedrijventerrein Heesch-West (bron: MER) Achtergrond Initiatiefnemer voor het plan is de ‘Gemeenschappelijke regeling Heesch-West’, waarin de gemeentes ‘sHertogenbosch, Oss en Bernheze vertegenwoordigd zijn. Het regionale bedrijventerrein Heesch-West krijgt een totale oppervlakte van 170 hectare waarvan 50 tot maximaal 80 hectare zal worden gebruikt voor bedrijven die vallen binnen milieucategorie 4.2. Via een afwijkingsbevoegdheid zijn bedrijven van categorie 5.1 mogelijk. Daarnaast biedt het plan ruimte voor de bouw van 3 windturbines (totaal vermogen maximaal 12,6 MW) en zonnevelden. De gemeenteraden van ‘s-Hertogenbosch en Bernheze. stellen hiervoor beiden een nieuw bestemmingsplan vast. Daarnaast wordt voor het vastleggen van de geluidzone van het terrein een ‘facet-bestemmingsplan’ opgesteld door de gemeentes ‘s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss. Voor de besluitvorming hierover wordt de plan-m.e.r.-procedure doorlopen omdat de bestemmingsplannen het kader vormen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. De drie gemeenteraden zijn gezamenlijk het bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure. Waarom een advies? De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER.
Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit
-2-
geval de gemeenteraden van ‘s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss - besluiten over de bestemmingsplannen. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3402 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Locatiekeuze 2.1.1
Bedrijventerrein In de samenvatting en hoofdstuk 1 van het MER is een beknopte beschrijving opgenomen van de voorgeschiedenis van het plan voor het bedrijventerrein Heesch-West. In § 5.2 van het MER is deze verder toegelicht aan de hand van verschillende achtereenvolgende provinciale en gemeentelijke visies en plannen. Hieruit blijkt onder andere dat de locatie in 2004 al als zoeklocatie in het provinciale beleid is opgenomen, vervolgens in 2006 in een regionaal structuurplan en in 2014 in de provinciale structuurvisie. Voor het structuurplan is een strategische milieubeoordeling1 uitgevoerd, voor de provinciale structuurvisie is de planm.e.r.-procedure doorlopen. Een in 2007 opgestarte bestemmingsplanprocedure is voortijdig afgebroken vanwege gewijzigde (economische) omstandigheden en herijking van het provinciale programma voor bedrijventerreinen. Het MER stelt dan ook dat er geen aanleiding is om de locatiekeuze te heroverwegen, omdat de voordelen van de locatie onverminderd geldig zouden zijn.2 Er heeft geen vergelijking met andere potentiële locaties meer plaatsgevonden. Gezien de gewijzigde inzichten over de omvang en aard van de bedrijven en de ambities op het gebied van duurzame energie, circulaire economie, landschap en biodiversiteit kan mogelijk ook op andere locaties aan deze doelstellingen worden voldaan.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan locaties aansluitend op bestaande bedrijventerreinen, waar de impact op landschap en natuur mogelijk beperkter is. De Commissie constateert op basis van bovenstaande dat de locatie Heesch-West al lange tijd in beeld is als ontwikkellocatie voor een bedrijventerrein en dat milieuoverwegingen een
1 2
De procedure van Strategische Milieubeoordeling (SMB) is in 2006 vervangen door de plan-m.e.r.-procedure.
Volgens pagina 76 van het MER: een goede ontsluiting op de A59, een ligging met een minimale hinder op woningen/woonkernen op de omgeving en een ligging in een gebied met relatief weinig landschappelijke,
cultuurhistorische, natuur- en andere waarden en relatief weinig andere belemmeringen vanuit bijvoorbeeld water,
veiligheid e.d. Het regionale bedrijventerrein heeft een (boven)regionale uitstraling en ligt als een zelfstandige eenheid in het landschap.
-3-
rol hebben gespeeld in de achtereenvolgende keuzes voor deze locatie. De Commissie geeft in overweging om bij de besluitvorming over de bestemmingsplannen – bijvoorbeeld in de toelichting - een beschouwing te geven over de locatie voor het bedrijventerrein ten opzichte van andere potentiële locaties, gegeven de duurzaamheidsambities en de actuele inzichten over de invulling van het bedrijventerrein, zodat er een actuele locatieonderbouwing beschikbaar komt.
2.1.2
Windturbines Zoals hierboven aangegeven heeft voor de locatie van het bedrijventerrein een afweging plaats gevonden waarbij milieuaspecten zijn mee gewogen. Dat geldt echter niet voor de geplande windturbines. Vanuit de duurzaamheidsambities voor het bedrijventerrein is het logisch dat aan windturbines wordt gedacht, maar deze zijn niet onlosmakelijk aan het bedrijventerrein verbonden. Gezien de potentiële negatieve effecten van windturbines is het volgens de Commissie essentieel dat milieuaspecten worden mee gewogen bij de keuze van de locatie. Vooral de landschappelijke effecten zijn van belang, aangezien de geplande windturbines tot op grotere afstand zichtbaar zijn dan het bedrijventerrein zelf.3 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER de locatiekeuze voor de windturbines te onderbouwen, daarbij andere potentiële locaties voor windturbines op het grondgebied van de gemeentes te betrekken en deze op hoofdlijnen te vergelijken op hun milieuvoor- en nadelen.
Alternatieven en varianten voor de inrichting van het plangebied 2.2.1
Alternatieven voor invulling van het bedrijventerrein Voor de inrichting van het bedrijventerrein zijn in het MER vier alternatieven beschreven, die zich onderscheiden in de te gebruiken oppervlakte voor bedrijven (50 of 80 hectare) en het karakter van de bedrijven (80% logistiek versus 80% industrie). Doordat voor de effectbeoordeling in het MER (zie verder § 2.4.1 van dit advies) is uitgegaan van eenzelfde milieucategorie voor de alternatieven (80% logistiek en 80% industrie) zijn de meeste effecten voor deze alternatieven niet onderscheidend. De geluidzonering is ook voor elk alternatief gelijk. Daarmee is volgens de Commissie te weinig in beeld gebracht welke milieuwinst te halen is wanneer op (een deel van) het terrein bedrijven met bijvoorbeeld een lagere geluidemissie worden toegestaan4. In de praktijk zal een invulling met voornamelijk logistiek waarschijnlijk tot lagere geluidbelastingen leiden dan een invulling met voornamelijk industrie. Dit zou de mogelijkheid kunnen bieden de geluidzone te verkleinen,
3
Ook de Verordening Ruimte van de Provincie Noord-Brabant stelt eisen aan de locatiekeuze voor windturbines.
Aandachtspunt daarbij is onder andere dat ‘ontwikkeling plaatsvindt in een landschap dat daar qua schaal en maat geschikt voor is, als bedoeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie’.
4
In antwoord op vragen van de Commissie is bijvoorbeeld aangegeven dat veel logistieke bedrijven in de praktijk in milieucategorie 3.1 vallen (in plaats van de nu aangehouden milieucategorie 5.1).
-4-
waardoor minder hogere grenswaarden aangevraagd hoeven te worden.5 Een dergelijk alternatief ontbreekt in het MER.
2.2.2
Alternatieven voor inpassing en landschapspark Voor de landschappelijke inpassing van de bedrijven is een zogenaamd circulair landschapspark ontworpen. Hiervoor zijn geen alternatieven of varianten beschreven. De Commissie is van mening dat een andere inrichting van het landschapspark meer recht kan doen aan de ambities op het gebied van landschap en biodiversiteit en de bijzondere hydrologische situatie. Het landschapspark is in het huidige ontwerp vooral gericht op het bedrijventerrein zelf. Het gaat erom de tegenstelling tussen de zeer forse maten en verhoudingen op het bedrijventerrein en het veel kleinschaliger agrarisch landschap adequaat te geleiden. Dit geldt vooral aan de zuidzijde – de landschapskant - van het bedrijventerrein, en dan met name langs de Ruitersdam. Een kwalitatief stevige overgang vraagt nog nadere uitwerking en een forse ontwerpinspanning. 6 De doelstellingen van het circulair landschapspark suggereren zorgvuldig uitgewerkte overgangszones, zeker aan de zuidkant van het bedrijventerrein. Het plangebied ligt in de Roerdalslenk en onder het gebied komt een (zij)breuklijn voor die kan leiden tot een bijzondere hydrologische situatie. Hoewel historische landschappelijke elementen niet meer zichtbaar zijn, is - zoals het MER aangeeft - deze bijzondere hydrologie (nog steeds) van invloed. Welke condities hier precies spelen is nog onvoldoende onderzocht.
Beter inzicht in de condities kan mogelijk leiden tot een optimale (ruimtelijke) inrichting mogelijk met een plaatselijke aanpassing van de begrenzing van deelgebieden binnen het plangebied - met het oog op het halen van de biodiversiteitsambities.7
2.2.3
Varianten opstelling windturbines Voor de windturbines zijn in het MER separaat vier varianten beschreven, variërend in locatie, ashoogte en rotordiameter van de turbines. Het aantal windturbines is in alle varianten gelijk (drie). De Commissie acht het van belang om ook (de mogelijkheid van) een variant met vier
5
Uit het MER blijkt dat voor een aantal woningen in de omgeving van Heesch West en langs de ontsluiting een hogere
6
In het MER en de ontwerp bestemmingsplannen is al wel aandacht besteed aan de tweezijdigheid van de Zoggelsestraat,
grenswaarde voor de hoogst toelaatbare geluidbelasting moet worden verleend (cf Wet geluidhinder art 110a).
zodat er ook in de toekomst aan de beide kanten erven zullen zijn. Het handhaven van de erven is voorwaardelijk voor de kenmerkende kleinschalige beleving langs de Zoggelsestraat. De forse bosstrook draagt ook bij aan de stevigheid van de
overgangszone. Langs de Ruitersdam – nu een waardevol historisch pad – liggen nauwelijks erven. Om het pad te behouden zal een parallelweg worden aangelegd. Hiervan is een minder stevig beeld te zien op de plankaarten. De landschappelijke
overgang langs de Ruiterdam vraagt om nog meer ontwerpinspanning dan langs de Zoggelsestraat.
7
Hierbij spelen twee overwegingen:
1. Door het huidige sterk bemeste karakter van het gebied als gevolg van het landbouwkundig gebruik van de laatste
decennia is de kans groot dat de bodem verzadigd is met meststoffen. Dat vormt een ongunstige uitgangssituatie voor het behalen van natuurontwikkelingsdoelen, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een diep fosfaatprofiel. Er is dan
een reële kans dat bij het afgraven van de voedselrijke bouwvoor of het graven van plassen nog steeds een fosfaatrijke bodem aan het oppervlak ligt, wat ongunstig is voor natuurontwikkeling. In gebieden met een relatief grote kwelintensiteit zijn de fosfaatprofielen in het algemeen minder diep.
2. IJzerhoudend kwelwater kan een bijdrage leveren aan een voedselarme uitgangssituatie voor natuurontwikkeling, omdat fosfaat door ijzer wordt gebonden. Er is een gerede kans dat langs de breuklijn ijzerhoudend kwelwater afkomstig uit diepe watervoerende lagen, aanwezig is.
-5-
kleinere windturbines te onderzoeken (met een onderlinge tussenruimte van 330 – 400 m). De effecten op het landschap zullen normaalgesproken beperkter zijn, terwijl de energieopbrengst van de variant met vier kleinere turbines die van de andere varianten kan benaderen. Verder merkt de Commissie op dat de effecten van de varianten voor de windturbines in het MER wel apart zijn beschreven, maar bij de vergelijking van de alternatieven niet apart en per variant in beeld zijn gebracht. De effecten van de windturbines en de verschillen tussen de varianten zijn daardoor niet eenvoudig uit het MER af te leiden.8 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER: x
een alternatief te beschrijven waarbij wordt ingezet op een kleinere geluidzone;
x
een alternatief te beschrijven dat meer recht doet aan de ambities voor biodiversiteit en landschap en dat gebruik maakt van de bijzondere hydrologische situatie;
x
de mogelijkheid van een variant met vier kleinere windturbines te onderzoeken;
x
een aparte tabel op te nemen waarin de effecten van de varianten voor de windturbines separaat worden beoordeeld.
Duurzaamheid Ambities De voorontwerp bestemmingsplannen, het MER en de website van het project geven blijk van hoge duurzaamheidsambities van de betrokken gemeentes. Heesch-West moet ‘het meest duurzame bedrijventerrein van Brabant’ worden. In het Circulaire Kwaliteitsplan9 is uitgewerkt wat hieronder verstaan wordt aan de hand van vijf thema’s (energie, klimaatadaptatie, landschap/biodiversiteit, circulair bouwen en ontwikkelen, mobiliteit). Vanwege deze hoge ambities laten de (voorontwerp) bestemmingsplannen veel ruimte voor duurzame planonderdelen, zoals windturbines en zonnevelden. De Commissie constateert dat de duurzaamheidsambities – bijvoorbeeld ‘circulair grondstofgebruik’ en ‘duurzame mobiliteit’ - niet allemaal even concreet zijn en in de praktijk moeilijk toetsbaar. Ook hebben de gemeentes een beperkt aantal instrumenten ter beschikking om op de ambities te sturen. Naast de bestemmingsplannen en het Circulaire Kwaliteitsplan zal een uitgifteplan worden vastgesteld, die gezamenlijk de basis vormen voor de invulling van het terrein. Daar staat tegenover dat de bestemmingsplannen vooralsnog ruimte bieden aan bedrijven uit de zwaardere milieucategorieën en/of grootschalige logistiek (met toename van het (vracht)verkeer als gevolg) en dat het bedrijventerrein een ‘zelfstandige eenheid’ is zonder relatie met de omgeving.
Dit kan op gespannen voet staan met de duurzaamheidsambities.
8
Het opnemen van de milieueffecten van de windturbines onder de 4 alternatieven in de hoofdtabellen (zoals tabel S.3 en 24.1) is bijvoorbeeld verwarrend omdat het daarin – gezien de scores – kennelijk niet over de 4 varianten voor de windturbines gaat.
9
Het Circulair Kwaliteitsplan is een bijlage bij het MER en de voorontwerp bestemmingsplannen en vormt de weergave van de duurzaamheidsambities van de gemeentes, de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas. Het moet als inspiratie dienen voor de dialoog met bedrijven die zich op het bedrijventerrein willen vestigen.
-6-
Doelbereik en monitoring In hoofdstuk 23 van het MER zijn de alternatieven kwalitatief getoetst aan de criteria duurzaam energiegebruik en energie-opwekking, duurzame inrichting landschap en biodiversiteit, duurzaam gebruik grondstoffen/circulariteit, duurzaam watergebruik/ klimaatadaptatie en duurzame mobiliteit. Omdat het plan kansen biedt voor duurzame initiatieven scoren de alternatieven positief op de meeste van deze criteria. Daarmee is echter – mede door bovengenoemde onzekerheden - nog niet duidelijk in hoeverre de duurzaamheidsambities worden gehaald. De Commissie vindt het essentieel voor de besluitvorming dat de duurzaamheidsambities (zoveel mogelijk) vertaald worden naar (semi-)kwantitatieve en toetsbare criteria. Dit is vooral van belang om te zorgen dat gedurende de uitgifte van het terrein kan worden gevolgd in hoeverre aan de ambities wordt voldaan. Op basis van monitoring van deze criteria kan indien nodig besloten worden om ontwikkelingen bij te sturen.10 Denk daarbij bijvoorbeeld aan: x
Energie: de ambitie is om van Heesch-West een ‘energiepositief’ bedrijventerrein te maken. Door het energiegebruik af te zetten tegen de energieproductie kan bepaald worden hoeveel energie voor andere doeleinden (in de omgeving) resteert.
x
Grondstoffen: er wordt actief geanticipeerd op het grondstoffenakkoord 2030. Daarin is bepaald dat er in 2030 50% minder primaire grondstoffen worden toegepast. Het is nog onduidelijk of deze ambitie voor Heesch-West realistisch is en wat dit kan betekenen voor het uitgiftebeleid.
x
Circulair landschapspark: het is nog onduidelijk wat met deze ambitie wordt bedoeld (voornamelijk met het uitgangspunt ‘circulair’).
x
Biodiversiteit: het is nog onvoldoende duidelijk op welke habitats en/of soorten de inrichting van het gebied zich richt. Doelsoorten voor fauna zijn beschreven maar geen doeltypen en -soorten voor vegetatie en flora. Meer focus hierop is gewenst omdat hydrologische herstelmaatregelen (herstel kwel) op vegetatie en flora een grote en directe invloed heeft en een indirecte op fauna.
x
Duurzame mobiliteit: gezien de focus op grote logistieke bedrijven ligt het voor de hand dat het bedrijventerrein tot relatief veel transportbewegingen zal leiden. Daarom is van belang dat duidelijk is welke eisen er aan mobiliteit worden gesteld.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER: x
de duurzaamheidsambities zoveel mogelijk te vertalen naar (semi-)kwantitatieve en
x
aan te geven welke kansen en knelpunten er te verwachten zijn ten aanzien van deze
x
aan te geven welke instrumenten de gemeentes kunnen inzetten om het behalen van
toetsbare criteria, die gebruikt kunnen worden voor monitoring van deze ambities; realisatie van deze ambities ; deze ambities te realiseren en indien nodig ontwikkelingen bij te sturen.
10
In hoofdstuk 26 van het MER is beknopt aandacht besteed aan het evaluatie- en monitoringsprogramma. De duurzaamheidsambities lijken daarbij nog geen rol te spelen.
-7-
Milieueffecten 2.4.1
Uitgangspunten voor effectbeoordeling Uit de bijlagerapporten blijkt dat voor de bepaling van de effecten van de alternatieven is uitgegaan van algemene uitgangspunten voor de milieucategorieën die mogelijk worden gemaakt (maximaal categorie 5.1). De indeling in milieucategorieën volgens de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering is nogal grof en gebaseerd op uitgangspunten die weinig actueel zijn. Dat wil zeggen dat de categorieën een breed scala aan mogelijke bedrijven en activiteiten bevatten. Op basis daarvan kunnen zich op het bedrijventerrein zeer verschillende typen bedrijven vestigen. Het gebruik van algemene uitgangspunten voor de effectbeoordeling betekent dat het MER wel een beeld geeft van de potentiële effecten, maar dat deze niet per definitie de ‘worst case’ situatie vertegenwoordigen, oftewel de maximale effecten die zich kunnen voordoen. De effecten op bijvoorbeeld luchtkwaliteit, geur, waterkwaliteit en/of externe veiligheid kunnen daardoor in werkelijkheid hoger zijn.
Onder de toegelaten categorieën vallen verschillende activiteiten die grotere en andere effecten kunnen hebben dan waar in het MER van uit is gegaan, waaronder bedrijven die op zichzelf m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn.11 Voor de besluitvorming over de bestemmingsplannen en het eventueel opnemen van regels of beperkingen voor de invulling van het bedrijventerrein is het essentieel om inzicht te hebben in de mogelijke milieueffecten van de toegestane bedrijven. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER een risico inschatting te geven voor de milieueffecten die te voorzien zijn op basis van de toegelaten invulling van het bedrijventerrein. Als hieruit risico’s naar voren komen, geef dan daarnaast aan welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om effecten te voorkomen of beperken en pas waar nodig de effectbeoordeling aan (zie verder hieronder).
2.4.2
Geluidhinder Hoofdstuk 6 van het MER gaat in op de geluideffecten van de windturbines, wegverkeer en industriële activiteiten. Opvallend is dat de alternatieven die uitgaan van 80% industrie niet tot een andere geluidbelasting leiden dan de alternatieven die uitgaan van 80% logistiek. Dat komt vooral omdat in het akoestisch onderzoek voor het bepalen van de geluidbelasting op de omgeving is uitgegaan van standaard geluidemissiewaarden per milieucategorie (zie ook § 2.2.1.). Het is lastig uit het MER te halen welke uitgangspunten zijn gehanteerd voor de geluidemissie van bedrijven (kavels, oppervlaktebronnen) en de windturbines. Ook in bijlage 10 (Akoestisch onderzoek) zijn de uitgangspunten niet helder; zo ontbreken voor de oppervlaktebronnen de totale emissiegegevens12, de oppervlaktes en (nummer)verwijzingen in de figuren en lijken de emissiegegevens van de windturbines niet opgenomen (zoals bronvermogens en gebruikte
11
Voorbeelden van toegestane m.e.r.-beoordelingsplichtige bedrijven en activiteiten zijn afvalverwijderings- of
verbrandingsinstallaties, chemische installaties, biovergisters en toepassing van geothermie. Op p. 371 van het MER wordt (voor de langere termijn) gesproken over warmte-/koude-opslag en vergistings- en composteerinstallaties. In het MER is geen rekening gehouden met de effecten daarvan.
12
Ook overall bronvermogensniveau LWr ontbreken: in de uitdraaien zijn uitsluitend spectrale gegeven opgenomen.
-8-
windstatistiek).13 Daardoor zijn de effecten van het plan én de effecten van mitigerende maatregelen niet goed navolgbaar. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER een toelichting met bronvermelding op te nemen waaruit blijkt met welke getallen de geluidberekeningen voor bedrijven/industrie en windturbines zijn uitgevoerd. Neem per kavel/oppervlaktebron/bestemmingsvlak op van welke emissie is uitgegaan en welke bandbreedte daarin mogelijk is. Daarmee ontstaat ook helderheid over de geluidemissie-gegevens voor een alternatief met een lagere geluidemissie, zoals besproken in § 2.2.1 van dit advies. De Commissie geeft daarbij in overweging om uit te gaan van geluidemissiewaarden in dB(A) per m2 in plaats van een vast totaal bronvermogen per milieucategorie. Geef daarbij ook aan – zeker bij de windturbines – of de later besproken mitigerende maatregelen effectief zijn bij de gehanteerde uitgangspunten. In het akoestisch onderzoek is geen rekening gehouden met de effecten van reflectie van de nieuwe (grootschalige) gebouwen die op het terrein zullen komen. Wanneer grootschalige gebouwen dicht langs de (snel)weg staan, kan reflectie van geluid tot effecten aan de overzijde van de weg leiden. De Commissie adviseert deze effecten bij de verdere uitwerking van het bestemmingsplan mee te nemen, zodat ook hier voldoende rekening mee wordt gehouden.
2.4.3
Natuur De bedrijven die zich op het bedrijventerrein zullen vestigen kunnen een toename van stikstofemissie veroorzaken - door emissies van de bedrijven zelf of door aantrekking van verkeer - die van belang kan zijn voor natuurgebieden in de omgeving. De uitstoot van stikstof en de gevolgen daarvan voor omliggende natuurgebieden zijn volgens het MER berekend met het programma AERIUS calculator. De uitgangspunten en berekeningsresultaten zijn niet in het MER of de bijlagen daarbij opgenomen. Wel is aangegeven dat het bedrijventerrein zal leiden tot een toename van stikstofemissies, en daardoor van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.14 Omdat de huidige depositie in deze gebieden al hoger is dan de grenswaarden15, is het voornemen als prioritair project aangemerkt in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Om die reden is in het MER aangegeven dat de effecten van de beide bestemmingsplannen al zijn beoordeeld in de Passende beoordeling die is opgesteld voor het PAS.
Gevolgen PAS-uitspraak Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Daaruit blijkt dat de Passende 13
De Commissie begrijpt dat voor de geluidemissie van de industriekavels (oppervlaktebronnen) is uitgegaan van de VNGbrochure, waarbij per bedrijfsbestemmingsvlak (bijlage 10, p. 17) aan de voorkeurswaarden op woningen moet worden
voldaan. Dat betekent dat in cumulatie (met de overige vlakken) deze waarde bij de woningen zal worden overschreden. Dat leidt dan ook tot 29 woningen binnen de geluidzone (dat wil zeggen met een geluidbelasting > 50 dB(A)). Het is de Commissie niet duidelijk waarom voor deze opzet is gekozen.
14
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn op 11 km afstand gelegen (Rijntakken en Vlijmens Ven, Bossche Broek en
15
Grenswaarden zijn vastgelegd in de AmvB grenswaarde PAS. Deze waarde bepaalt of voor een activiteit een melding of
Moerputten).
vergunning in het kader van het PAS nodig is.
-9-
beoordeling bij het PAS niet als toestemmingsbasis kan dienen voor plannen en projecten die leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden met instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige soorten en habitattypen. Daarom moeten alle gevolgen van de extra stikstof die het plan veroorzaakt in een eigen Passende beoordeling worden beoordeeld. Hierin moet worden beoordeeld of aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten. Bij deze beoordeling kunnen mitigerende maatregelen worden meegenomen.16 Hierbij moet vooral gedacht worden aan maatregelen aan de bron, zoals interne (binnen een bedrijf) en externe saldering (met een bron buiten het bedrijf). Voor bronmaatregelen kan namelijk met wetenschappelijke zekerheid worden bepaald hoeveel stikstofdepositie de maatregel wegneemt. Gebiedsgerichte maatregelen (bijvoorbeeld plaggen in een natuurgebied) kunnen waarschijnlijk niet als mitigerende maatregelen worden beschouwd. Het is in de praktijk namelijk lastig om met wetenschappelijke zekerheid aan te tonen dat de maatregel een negatief effect voorkomt, ook al gaat het om een ‘bewezen’ maatregel. Dan nog is de vraag of de positieve effecten van de maatregel tijdig, voldoende en op de gewenste plek optreden.
Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Raad van State dat maatregelen alleen als mitigerende maatregelen kunnen worden meegenomen, als deze niet al nodig zijn voor het behoud of het voorkomen van verslechtering of verstoring van het gebied.17 Uit de wetgeving volgt dat een project of plan alleen doorgang kan vinden als de zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast, of de zogenaamde ADC-toets met succes wordt doorlopen. Het MER geeft nog niet de onderbouwing dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden kan worden voorkomen. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER een alternatief te beschrijven dat uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Onderbouw dit met een Passende beoordeling voor de beide bestemmingsplannen. Geef een beschrijving en onderbouwing van de uitgangspunten die voor de stikstofberekeningen worden gehanteerd.
16
Zie over het inzetten van maatregelen ook de brief Nadere reactie op uitspraak Raad van State inzake het Programma
17
Hoe een maatregel kan worden aangemerkt, zal moeten blijken in een nadere gebiedsanalyse per Natura 2000-gebied
Aanpak Stikstof van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 juni 2019.
waarin de benodigde instandhoudings- en passende maatregelen worden benoemd. Zolang deze gebiedsanalyses niet beschikbaar zijn, is niet duidelijk welke maatregelen nog beschikbaar zijn als mitigerende maatregel.
-10-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of
onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de
ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit
wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het
gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Peter van der Boom dr. Henk Everts ing. Jan van der Grift drs. Pieter Jongejans (secretaris) drs. Marieke van Rhijn (voorzitter) Ir. Ruud Westerhof drs. Gerrit de Zoeten Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan Heesch West (gemeente ’s-Hertogenbosch, gemeente Bernheze), Facetplan geluidzone gezoneerd industrieterrein Heesch West (gemeente ’s-Hertogenbosch, gemeente Bernheze, gemeente Oss). Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteiten D11.3 (industrieterrein), D22.2 (windturbines) en D16.1(delfstoffenwinning). Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld.
Bevoegd gezag besluiten Gemeenteraden van ’s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss Initiatiefnemer besluiten Gemeenschappelijke regeling Heesch-West, namens de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeentes ’s-Hertogenbosch, Bernheze en Oss. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?
Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3402 in te vullen in het zoekvak.