07 De Rechtspraak dd 2 mei 2025 over een omgevingsvergunning_geanonimiseerd
Tekst van het document
de Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant ¿ANTEKENEN 1 J PER POST 1 l EMAH
de raad van de gemeente Oss Postbus 5 5.1.2e Oss
BESTUURSRECHT GEMEENTE
OSS OSTAME
Datum:
O 6 ME! 2025
5.1.2e datum onderdeel contactpersoon doorkiesnummer ons kenmerk
2 mei 2025 Beroep bij vovo afdeling 11
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
s-Hertogenbosch
correspondentieadres Postbus 90125 5.1.2e s-Hertogenbosch 5.1.2e
5.1.2e
www.rechtspraak.nl
5.1.2e
zaaknummer SHE 24 / 1623 WABOA V136
uw kenmerk bijlage(n) onderwerp
bezoekadres
het beroep van
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
te Oss
Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.
Geachte heer/mevrouw, Over het beroep met zaaknummer SHE 24 / 1623 WABOA V136 deel ik u het volgende mee. De rechtbank heeft uitspraak gedaan. lk stuur u een kopie van de uitspraak. lndien in deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak met een ECLI-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubiiceerd op www.rechtspraak.nl. Tegen ðeze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 5.1.2e Den Haag. ln uw beroepschrift moet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.ni voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep. AIs u naar aanleiding van deze briefvragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. A1s u de rechtbank beit ofschrijft, verzoek ik u het zaaknummer te vermelden. Hoogachtend,
5.1.2e
er
Uw persoonsgegevens en indien van toepassing die van uw ciiönt worden, voor zover nodig, voor een goede procesvoering verwerkt in de registratiesystemen van de Rechtspraak.
de Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant
?kNTEKENENI
IPERPOSTI IElAlL
de raad van de gemeente Oss Postbus 5 5.1.2e Oss
BESTUURSRECHT
bezoekadres 5.1.2e 5.1.2e
datum onderdeel contactpersoon doorkiesnummer ons kenmerk uw kenmerk bijlage(n) onderwerp
5.1.2e
s-Hertogenbosch
correspondentieadres Postbus 90125 5.1.2e s-Hertogenbosch
2 mei 2025 Afdeling 1! Zitting
5.1.2e
5.1.2e
www.rechtspraak.nl
5.1.2e
zaaknummer SHE 24 / 1680 WABOA V136
het beroep van
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
te Oss
Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.
Geachte heer/mevrouw, Over het beroep met zaaknummer SHE 24 / 1680 WABOA V136 deel ik u het volgende mee. De rechtbank heeft uitspraak gedaan. Ik stuur u een kopie van de uitspraak. Indien in deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak met een ECLI-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 5.1.2e Den Haag. In uw beroepschrift moet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep. A1s u naar aanleiding van deze briefvragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. A1s u de rechtbank belt ofschrijft, verzoek ik u het zaaknummer te vermelden. Hoogachtend, 5.1.2e
BE023
Uw persoonsgegevens en indien van toepassing die van uw client worden, voor zover nodig, voor een goede procesvoering verwerkt in de registratiesystemen van de Rechtspraak.
uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: SHE 24/1623E SHE 24/1680 einduitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen 5.1.2e5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
, 5.1.2e
5.1.2e
, 5.1.2e 5.1.2e en 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e , en 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e , en allen uit Oss, eisers 1, (gemachtigden: 5.1.2e en 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e en 5.1.2e
5.1.2e ,
en
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
en , 5.1.2e
5.1.2e
, 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e , 5.1.2e , familie allen uit Oss, eisers 2, (gemachtigde: 5.1.2e ) 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
en 5.1.2e en 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
en
5.1.2e
5.1.2e
,
, 5.1.2e , 5.1.2e
en
5.1.2e
,
5.1.2e ),
, familie 5.1.2e , en familie 5.1.2e ,
5.1.2e
5.1.2e
,
5.1.2e5.1.2e
en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, het college, (gemachtigden: 5.1.2e , 5.1.2e , 5.1.2e en 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
).
A1s derde-partij nemen aan de zaak deel: -de gemeente Oss, vergunninghoudster; -de raad van de gemeente Oss. In1eiding Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het college aan vergunninghoudster voor de duur van vijfjaar een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, uitvoeren van een werk ofwerkzaamheden, handelingen in strijd met ruimtelijke regels en uitweg voor de duur van 5 jaar voor een opvanglocatie voor maximaal 500 vluchtelingen aan de 5.1.2e in Oss (het project). Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 26 januari 2024 verleend (het bestreden besluit). Eisers 1 en 2 hebben hiertegen beroep ingesteld.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
2
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2024 op zitting behandeid. Tevens is door de voorzieningenrechter het verzoek van eisers 1 tot het treffen van een vooriopige voorziening behandeld. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 iuni 2024 is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Bij tussenuitspraak van 23 juli 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen van de tussenuitspraak, de gebreken te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op 1 5 oktober 2024 een herstelbesluit genomen. Daarbij heeft het college het bestreden besluit nader gemotiveerd en aanvullende voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning. Eisers 1 hebben hierop op 20 november 2024 een schriftelijke zienswijze gegeven. Eisers 2 hebben geen zienswijze ingediend tegen het herstelbesluit. Het college heeft op de zienswijze van eisers 1 gereageerd bij briefvan 19 december 2024. vervolgens hebben eisers 1 bij brieven van l4januari 2025 en 31 maart 2025 gereageerd op de briefvan het coliege van 19 december 2024. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank .
De rechtbank beschouwt het herstelbesluit van 1 5 oktober 2024 als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit heeft tot gevolg dat de beroepen van eisers 1 en 2 zich tevens richten tegen het herstelbesluit. 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbañk blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. 3. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordee1d dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vestiging van een niet-agrarische functie in Landelijk gebied niet in strijd is met de lnterim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV), zoals die goid ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat dejuridische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de omliggende gemeenten ontbreken als bedoeld ìn artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de IOV. In het verlengde daarvan heeft het college eveneens onvoldoende gemotiveerd waarom het bestreden besluit voldoet aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Het college heeft namelijk niet aangegeven waarom vier locaties Geregistreerd onder zaaknummer SHE 24/2217.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
op de shortlist die zijn gelegen binnen bestaand stedelijk gebied niet geschikt dan wei minder geschikt zouden zijn. In het bestreden besluit had duidelijker gemotiveerd moeten en worden waarom de keuze uiteindelijk is gevallen op de locatie aan de 5.1.2e niet op de onderzochte locaties •binnen bestaand stedelijk gebied. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat er ten onrechte geen voorschriften aan de omgevingsvergunning ziin verbonden die zien op het gebruik van de projectlocatie en die tevens het belang van omwonenden dienen. Bespreking zienswijze eisers ¡ Artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de Iov 4. Het college heeft in zijn herstelbesluit gesteld dat niet is gebleken van een andere locatie met juridische en feitelijke mogelijkheden voor vestiging van het project op een bestaand bouwperceel als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IOV. Het college heeft blijkens het herstelbesluit hiertoe zesentwintig locaties bekeken van een longlist die het college eerder heeft gehanteerd om te komen tot een zorgvuldige keuze voor een voorkeurslocatie. Hiertoe behoren ook de vier locaties op de shortlist die zijn gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. In het herstelbesluit is per locatie uiteengezet waarom die locatie niet geschikt dan wel minder geschikt is voor de realisatie van het project dan de voorziene locatie.
De volgende factoren spelen hierbij een roi: een niet toereikend of ontbrekend bouwvlak waardoor geen sprake is van een bestaand bouwperceel in de zin van artikel 1 .1 van de IOV, onvoldoende oppervlakte, geen beschikbaarheid wegens ander voorzien of bestaand gebruik van de gronden dan wel wegens het niet zijn van eigenaar van de gronden. 4.1. Eisers 1 stellen dat het door de rechtbank gestelde gebrek met betrekking tot artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IOV met het herstelbesluit niet is hersteld. Hiertoe voeren zij aan dat de regels in de IOV omwille van de rechtszekerheid Ietter1ijk moeten worden uitge1egd, net als de planregels in een bestemmingsplan. In het verlengde hiervan stellen eisers 1 dat de IOV vereist dat er geen alternatieven zijn, niet dat alternatieven als minder geschikt kunnen worden beschouwd. Volgens eisers 1 ziin er wel degelijk alternatieven aanwezig. Met betrekking tot de stelling van het college dat sommige locaties minder geschikt zijn vanwege de eigendomssituatie en huidìge bebouwing stellen eisers 1 dat concrete stappen tot verwerving van het eigendom van deze locaties hadden moeten worden onderzocht en bovendien uit de IOV niet volgt dat artikel 3.4, tweede lid, onder e, niet geldt als bestaande oftoekomstige bebouwing belemmerend werkt.
Daarnaast behoeft het volgens eisers 1 geen locatie te zijn waar het bestemmingsplan het project rechtstreeks toelaat. Alleen als dejuridische offeitelijke mogelijkheden ontbreken voor een wijziging of afwijking van het bestemmingsplan is de locatie ongeschikt. Dat het eventueel verwerven van gronden of het voeren van een planologische procedure tijdrovend zou zijn, is volgens eisers 1 geen argument dat mag meewegen. Evenmin maakt het feit dat er andere plannen bestaan voor het gebruik van het perceel, zoals sociale woningbouw, dat hierom geen sprake zou zijn van een mogelijkheid voor vestiging op een bestaand bouwperceel zoals bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van de IOV. Een opvanglocatie voor asielzoekers is door het college immers ook aangeduid als een hoognodige ontwikkeling. Over de beoordeling door het college van alternatieve locaties merken eisers 1 verder op dat bij bepaalde locaties het õntbreken van een passend bestemmingsplan door het college als bezwaarlijk wordt aangemerkt, terwijl bij de projectlocatie zelfeveneens planologische
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
.
4
aanpassingen nodig waren. Verder worden alternatieven uitgesloten op basis van subjectieve inschattingen van bouwkosten of stapelbouw. In dat kader wijzen eisers 1 op de locatie 5.1.2e , waarover het college in de longlist zelf heeft aangegeven dat deze locatie voldoende ruimte biedt om een opvangvoorziening te realiseren, mits de units in twee tot drie bouwlagen worden gestapeld. Verder stellen eisers 1 dat het feit dat het college in zijn bestreden besluit en herstelbesluit onjuiste informatie heeft opgenomen met betrekking tot de eigendomssituatie van de locaties aan de 5.1.2e en de 5.1.2e reeds maakt dat deze besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 van de Awb. Daarnaast blijkt uit het herstelbesluit niet dat omliggende gemeenten zijn geraadpleegd. Nu toepassing van artikel 3.4 van de IOV alleen kan als dat nodig is vanwege een groot openbaar belang, mag raadpleging van omliggende gemeenten, ook als die in de provincie Gelderland liggen, van het college worden verwacht, aldus eisers l. Ook brengen eisers 1 naar voren dat het college zich in het herstelbesluit herhaaldelijk op het vereiste beroept dat het project een terrein van ten minste 20.000 m2 nodig heeft. Volgens eisers 1 is een bruto vloeroppervlak van 5.855 m2, exclusiefbuitenruimte, voldoende voor de huisvesting van 500 personen. Dit volgt ook uit de door de gemeente zelf opgestelde interne memos. 5.1.2e
4.2. Ten aanzien van de stelling van eisers 1 dat de IOV vereist dat er geen alternatieven zijn en het college ook de mogelijkheid tot het bouwen op een kleiner oppervlak dan 20.000 m2 bij de beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken, overweegt de rechtbank het volgende. Het college dient te beslissen op een aanvraag zoais die is ingediend. Er is een aanvraag ingediend voor een projectlocatie van circa vier hectare. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit artikel 3.4., aanhefen onder e, van de IOV voort dat hetjuridisch offeitelijk mogelijk moet zijn om het aangevraagde ofeen daarmee min of meer vergelijkbaar project op een bestaand bouwperceel in de gemeente te realiseren. Deze provinciale regel gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver, dat het college bij de beoordeling van de aanvraag moet bezien ofde opvang van 500 mensen op een veel kleinere locatie zou kunnen plaatsvinden door een geheel ander bouwplan te realiseren. Dat ten aanzien van de locatie 5.1.2e in de longlist is aangegeven dat hier units in twee tot drie bouwlagen zouden kunnen worden gestapeld, maakt niet dat het herstelbesluit hierom niet in stand zou kunnen blijven. Het college mag naar het oordeel van de rechtbank ook kwalitatieve behoeftes betrekken bij het antwoord op de vraag ofhet feitelijk mogelijk is om het project op een bestaand bouwperceel te realiseren.
Hierbij dient in dit geval bijvoorbeeld te worden gedacht aan voldoende buitenruimte gezien de doelgroep waaronder kinderen. De mogelijk altematieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied, waaronder Aengelbertlaan-Julianasingel, zijn qua omvang dermate veel kleiner, dat het college hierover in redelijkheid heeft kunnen stellen dat het feitelijk niet mogelijk is om het project binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Dit nog daargelaten dat de locaties die door het college zijn onderzocht veelal ook om andere redenen niet kunnen worden aangemerkt als een locatie als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IOV. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat het planologisch niet rechtstreeks toelaatbaar zijn van een project, het bestaan van concrete plannen voor andere ontwikkelingen op een locatie zoals woningbouw, het ontbreken van eigendom van een perceel of de aanwezigheid van bebouwing die ongeschikt is voor de realisatie van het project, onder het ontbreken van juridische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel als
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
bedoeld in artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de Iov vait. Dat voor het kunnen realiseren van het project eveneens een afwijking van het bestemmingsplan is vereist, Ieidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de IOV voort dat reeds bij de beoorde1ing van de aanvraag de realisatie van het project op een bestaand bouwperceel juridisch en feitelijk mogelijk moet zijn en kan dit niet afhankelijk worden gesteld van een onzekere gebeurtenis in de toekomst, zoals bijvoorbeeld de verwerving van eigendom ofde wijziging van het planologisch regime. Met betrekking tot de onjuist gebleken informatie over de eigendomssituatie van de locaties en de 5.1.2e overweegt de rechtbank dat dit inderdaad aan de 5.1.2e onzorgvuldig is, maar de rechtbank ziet hierin geen aan1iding om het herstelbesluit te vernietigen. Deze locaties zijn namelijk ook om andere redenen niet te beschouwen als locatie waar het project gerealiseerd zou kunnen worden als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van de IOV. Wooncorporatie Mooiland wil namelijk aan de 5.1.2e is sociale woningbouw realiseren en de bestemming van de locatie aan de 5.1.2e Agrarisch. In hetgeen eisers 1 hebben aangevoerd over de door het college onderzochte potentiële locaties ziet de rechtbank wegens het voorgaande geen aanleiding om het herstelbesluit te vernietigen. 5.1.2e
5.1.2e
4.4. Ten aanzien van de stelling van eisers 1 dat het college omliggende gemeenten had moeten raadplegen, overweegt de rechtbank het volgende. In het herstelbesluit is aangegeven dat er niet naar locaties buiten de gemeentegrenzen is gekeken, omdat iedere gemeente een eigen opdracht heeft om te voorzien in voldoende opvangplaatsen. Verder is in het herstelbesluit gesteld dat het migratievraagstuk wel degelijk door de gemeente Oss in een regionaal overleg tussen bestuurders op het niveau van de veiligheidsregio aan de orde is gesteld en dat hier is geconcludeerd dat er geen locaties voor vluchtelingen beschikbaar zijn binnen de andere gerneenten in de regio Noordoost-Brabant voor de gemeente Oss. Om alleen al aan de eigen opgave te voldoen is voor elke gemeente een stevige uitdaging, zo is daar naar voren gebracht. Hoewel eisers 1 terecht naar voren brengen dat het college zijn stelling dat het migratievraagstuk op regionaai niveau is besproken niet met stukken heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat zij aannemelijk acht dat dit inderdaad aan de orde is geweest. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat er ten tijde van het nemen van het besluìt van 26 januarì 2024 een verdeelsleutel tussen de provincies gold, waarbij de verdeling van de opvangplekken binnen de provincie tussen de gemeenten onderling moest worden overeengekomen. Dit vergt onvermijdelijk overleg.
Voor zover eisers l betogen dat ook omliggende Gelderse gemeenten hadden moeten worden geraadpleegd, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke uitleg van de zinsnede omliggende gemeenten in artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de IOV niet in de rede ligt. De IOV bevat immers alleen regels voor gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant en hiermee is blijkens de toelichting onder meer beoogd om samenwerking binnen de provincie te bevorderen. Uit de IOV blijkt niet dat hierbij is gedacht aan provincie overschrijdende samenwerking. Omdat de rechtbank het ook een feit van algemene bekendheid acht dat het voldoen aan de eigen opgave voor gemeenten al lastig is, nu er naast de opvang van asielzoekers ook Oekraïense ontheemden moeten worden opgevangen en statushouders moeten worden gehuisvest en gezien genoemd regionaal overleg, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat dejuridische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de omliggende gemeenten ontbreken.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
6
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit, zoais aangevuld bij het herstelbesluit, niet in strijd is met artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de 10v. Het gestelde gebrek in het bestreden besluit is hiermee genoegzaam hersteld. Artikel 3.1 .6 van het Bro 5. Het college heeft in het herstelbesluit verder gesteld dat er niet elders binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de beoogde ontwikkeling. Dit standpunt heeft het college eveneens toege1icht aan cle hand van de zesentwintig locaties van de hiervoor genoemde longlist. Dat er geen geschikte locaties zijn binnen bestaand stedelijk gebied is volgens het college te wijten aan te kleine ofgeïsoleerde locaties, de ligging van de locatie in of nabij een sociaal kwetsbare wijk dan wel in een wijk met een erg hoge criminaliteit, een ander wenselijk ofbestaand gebruik van de locatie ofhaar omgeving, zoals voor wonen, sport, bedrijvigheid ofgroenvoorziening, het aspect externe veiligheid wegens toegestane bedrijven in milieucategorie 4, de beschermde status van een pand, het ontbreken van eigendom van een pand/perceel, een onveilige verkeerssituatie, de ligging buiten bestaand stedelijk gebied dan wel het ontbreken van een toereikende aansluiting met voorzieningen. 5. l.
Eisers 1 stellen dat de motivering in het herstelbesluit dat binnen bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de opvanglocatie zou. kunnen worden gerealiseerd, nog steeds onvoldoende is. Zij kunnen zich niet vinden in het uitgangspunt van het college dat voor een opvanglocatie voor 500 mensen een oppervlakte is benodigd van 20.000 m2. Deze eis is volgens hen enkel gebaseerd op de omvang van de reeds gerealiseerde opvanglocatie aan de 5.1.2e -Ma 5.1.2e . Verder is er bij menige geslagen dat deze grenst locatie wel acht op aan de gevoelige wijk De Ruwaard, maar is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de gekozen locatie grenst aan de buurt De Horzak, die onderdeel is van de gevoelige wijk Schadewijk. Tot slot heeft het college aangedragen dat van belang is dat zeker niet iedere wijk voldoende draagvlak biedt voor een opvanglocatie met 500 pçrsonen, maar dit draagvlak is er evenmin , aldus eisers 1. in de omgeving van de 5.1.2e 5.2. Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, behelst artikel 3.1 .6, tweede lid, van het Bro een motiveringseis en vraagt het om explicitering van gemaakte keuzes. Met artikel 3.1 .6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren.
De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een níeuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1 .6, tweede Iid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.2 5.3.
Met betrekking tot de stelling van eisers 1 dat het college ten onrechte als
2 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:872.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
uitgangspunt heeft genomen dat voor een opvanglocatie voor 500 mensen een oppervlakte nodig is van 20.000 m2, verwijst de rechtbank naar wat zij in rechtsoverweging 4.2. hierover heeft gesteld. 5.4. Uit de stukken, waaronder de ruimtelijke onderbouwing, volgt dat de wegingsfactoren waaraan is getoetst bij de locatiekeuze zijn: de beschikbaarheid, de ruimtelijke/planologische situatie, de omgevingskwaliteit, de bereikbaarheid van voorzieningen en de relatie met de omgeving. Deze wegingsfactoren komen de rechtbank op zichzelf redelijk voor. Het plangebied is onder meer gekozen omdat het een ruim perceel betreft, waardoor er genoeg ruimte is voor de benodigde opvangplaatsen en op het terrein zelfruimte is om zinvolle daginvulling en activiteiten te organiseren. Mede gelet op de beoogde opvang van 500 personen, waaronder kinderen, en het feit dat zij in de regel zijn aangewezen op dagbesteding op het terrein zelf, heeft het college aan de omvang van het perceel een groot gewicht kunnen toekennen.
Daaraan voegt de rechtbank toe dat bij de motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol kunnen spelen.3 De rechtbank is van oordeel dat het college zich in het herstelbesluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locaties binnen bestaand stedelijk gebied minder geschikt waren voor de realisatie van de hier aan de orde zijnde stedelijke ontwikkeling, omdat zij minder goed (ofniet) voldeden aan de genoemde criteria dan de uiteindelijk gekozen locatie buiten bestaand stedelijk gebied. Het college heeft hierom in het herstelbesluit deugdelijk gemotiveerd dat binnen het bestaand stedelijk gebied niet in de behoefte kan worden voorzien. Het in de tussenuitspraak gestelde gebrek is hiermee hersteld. Ten aanzien van de stelling van eisers 1 dat bij het nemen van het herstelbesluit ten 5.5. onrechte niet is betrokken dat de projectlocatie grenst aan de buurt De Horzak die onderdeel is van de gevoelige wijk Schadewijk en er in de omgeving van de 5.1.2e evenmin draagvlak bestaat voor een opvanglocatie met 500 personen, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het herstelbesluit en de daarbij behorende bijlage 2 voldoende heeft onderbouwd dat bepaalde locaties minder geschikt dan wei ongeschikt zijn vanwege de ligging in of naast een sociaal kwetsbare wijk. Het college heeft terecht gesteld dat sociaal-economische factoren een rol mogen spelen bij de keuze voor een locatie. De rechtbank stelt vast dat eisers 1 weliswaar hebben gesteld dat de projectlocatie grenst aan de kwetsbare wijk Schadewijk, maar niet op enigerlei wijze hebben onderbouwd dat deze wijk sociaal kwetsbaar is. Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor draagvlak bestaat. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project dient te maken. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het college hecht aan draagvlak in de omgeving, maar dit betekent niet dat het college bij het ontbreken tiiervan reeds hierom de gevraagde omgevingsvergunning had moeten weigeren. Bij enkele van de door het coilege onderzochte Zie voetnoot 2.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
potentiële locaties zou het opvangen van 500 personen vanwege het aantai reeds aanwezige kwetsbare bewoners kunnen Ieiden tot het verder onder druk zetten van de leefbaarheid van de wijk, zo is door het college gesteld. Dat is van een andere orde dan dat een aantal omwonenden zicli niet kan verenigen met het project, maar waarbij niet aannemelijk is gemaakt dat de leefbaarheid van hun omgeving nu reeds te wensen overlaat en bij realisatie van het project verder in het gedrang zou kunnen komen. Nieuwe vergunningvoorschriften In het herstelbesluit heeft het college besloten tot de volgende aanvullende 6. voorschriften: 1.Beveiliging De vergunninghouder dient te allen tijde - 24 uur per dag en 7 dagen per week — beveiliging op de opvanglocatie aanwezig te hebben. De beveiliging dient zichtbaar en herkenbaar te zijn voor zowel de bewoners als omwonenden. 2.Cameratoezicht en verlichting Op de opvanglocatie moeten cameras en voldoende vertichting aanwezig zijn om de veiligheid van de bewoners en de omgeving te waarborgen. De cameras dienen zodanig te worden geplaatst dat zij een volledig overzicht bieden van de belangrijkste toegangen en openbare ruimtes binnen de opvanglocatie. 3. Meldpunt De vergunninghouder is verplicht om een meldpunt in te stellen dat 24 uur per dag en 7 dagen per week bereikbaar is.
Dit meldpunt moet bereikbaar zijn voor zowel bewoners van de opvanglocatie als omwonenden. Eisersl stellen dat deze vergunningvoorschriften ontoereikend zijn. De 6.1. formuleringen ervan zijn volgens hen algemeen en missen concrete handhaafbare normen. Zo stelt het college in algemene termen dat er zichtbare beveiliging aanwezig zal zijn, maar het blijft onduidelijk wat hieronder precies wordt verstaan. Ook is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor het toezicht op deze beveiligingsmaatregelen en op welke wijze hierop gehandhaafd zal worden. Ook missen zij in het herstelbesluit concrete regels die direct bijdragen aan een waarborging van de leefbaarheid, waaronder voorschriften die de bewoners van de opvanglocatie verplichten om overlast te vermijden en rekening te houden met de leefomgeving. Evenmin zijn er regels opgenomen die gericht zijn op handhaving van rust en orde, zoals bijvoorbeeld avonðklokregels of beperkingen aan het aantal bezoekers per dag. Verder missen eisers 1 vergunningvoorschriften ten aanzien van huishoudelijke regels voor de opvanglocatie. Het ontbreken van een duidelijk en afdwingbaar huishoudelijk reglement vergroot het risico op conflicten en overlast en heeft een negatieve impact op de leefbaarheid voor de omwonenden en bewoners, aldus eisers 1.
Uit meldingen en verklaringen van omwonenden blijkt verder dat het in voorschrift 3 genoemde meldpunt niet conform de voorschriften functioneert. Daarbij wijzen zij erop dat de eerste vier e-mails met klachten van omwonenden onbeantwoord zijn gebleven en er voor zover bekend geen duidelijke registratie bestaat van de ontvangefl meldingen en de acties die zijn ondernomen. 6.2. Het college stelt dat de voorschriften duidelijk en handhaafbaar zijn alsmede borgen dat er geen onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat plaatsvindt. Daarbij wijst het erop dat volgens de voorschriften altijd zichtbare en herkenbare beveiliging aanwezig dient te zijn. Vergunninghouder komt, aldus het college, flexibiliteit toe bij het bepalen welke vorm de beveiliging moet krijgen, zolang die maar zichtbaar en herkenbaar is. Het college
zaaknummers: SHE 24/1623 en SI-IE 24/1680
9
vindt het wenselijk dat het hiervoor gemaakte veiligheidsplan kan worden aangepast als dat in de praktijk nodig mocht zijn. Opneming van het veiligheidsplan in de voorschriften is niet werkbaar, omdat een wijziging van het veiligheidspian dan steeds een wijziging van de vergunningvoorschriften vergt. Voor zover het meldpunt niet goed functioneert, wat het coliege betwist, is dat een handhavingskwestie. Wat betreft de door eisers 1 genoemðe overlast en de handhaving van rust en orde stelt het college dat ðit de openbare orde betreft, wat niet kan worden gereguleerd bij deze omgevingsvergunning. Ten aanzien van de door eisers 1 gewenste borging van de naleving van huisregels in een vergunningvoorschrift voert het college aan dat deze huisregels wel bestaan, maar dat het weinig zin heeft om die op te nemen in de vergunningvoorschriften. Vanwege voortschrijdende inzichten moeten die immers veranderd kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat de bij het 6.3. herstelbesluit opgenomen vergunningvoorschriften voldoende duidelijk en daarmee handhaafbaar zijn. De rechtbank deelt echter niet het standpunt van het college dat deze vergunningvoorschriften toereikend zijn ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat van omwonenden.
Zoals eisers 1 terecht hebben gesteld zijn in het herstelbesluit geen voorschriften opgenomen die in het kader van een goed woon- en leefldimaat voor het college mogelijk maken om zelfhandhavend op te treden indien het vergunde gebruik leidt tot overlast bij omwonenden, waaronder eisers 1. Weliswaar stelt het college dat er huisregels zijn, maar het college heeft geen invloed op de naleving van deze huisregels. Het valt niet uit te sluiten dat bepaalde gedragingen op het perceel van de opvanglocatie kan leiden tot overlast bij omwonenden. Dit betreft dan niet de openbare orde. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is op dit punt dus niet hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het herstelbesluit te vernietigen voor zover hierin geen voorschrift is opgenomen over huisregels en zelfvoorziend het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden: De opvanglocatie dient te beschikken over een huisreglement. Het huisreglement dient zich op een goed zichtbare plaats te bevinðen en zowel in het Nederlands als in de taal van de bewoners van de opvanglocatie te zijn opgesteld. Het is de taak van een beheerder ofeen beveiliger om 24 uur per dag en 7 dagen per week op het naleven van de huisregels toe te zien.
De rechtbank acht dit vergunningvoorschrift, samen met de overige gestelde voorschriften in het herstelbesluit, toereikend ter bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Als een huisregel wordt overtreden, is dit een aanwijzing dat verguilninghoLldster heeft gehandeld in strijd met het betreffende voorschrift en onvoldoende toezicht heeft gehouden. Vergunninghoudster zal dan een verklaring moeten geven waarom zij niet heeft kunnen voorkomen dat de liuisregels niet zijn nageleefd. De rechtbank is van oordeel dat het coilege geen aanleiding heeft hoeven zien om de huisregels als voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Dit is, zoals llet college terecht heeft opgemerkt. niet werkbaar. Bij een wijzigillg van de huisregels moet dan immers ook de omgevingsvergunning worden gewijzigd en dit kan veel tijd iri beslag nemen, wat ertoe kan leiden dat vergunninghoudster hierom afziet van llet wijzigen van de huisregels terwijl daar wel alle aanleiding voor ZOII kunnen bestaan. Ten aanzien van het in voorschrift 3 genoemde meldpunt heeft het college ten slotte terecht gesteld dat indien dit niet functioneert, wat het college betwist, dat een kwestie van handhaving is. Het gaat erom dat bij naleving van de voorschriften de mogelijke overlast voldoende wordt tegengegaan dan wel beperkt.
zaaknummets: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
10
Conclusie 7.Gelet op de overwegingen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van eisers 1 en 2 voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, behalve ten aanzien van de vergunningvoorschriften ten behoeve van een goed woon- en leetklimaat van eisers 1 (en 2). De rechtbank verklaart het beroep van eisers 1 tegen het herstelbesluit daarom ook gegrond. Zoals in het voorgaande reeds is gesteld, ziet de rechtbank echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde Iid, aanhefen onder b, van de Awb nu zelfeen beslissing te nemen en het in het dictum vermelde voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Nu eisers 2 geen gronden hebben aangevoerd tegen het herstelbesluit is hun beroep daartegen ongegrond. 8.Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers 1 en 2 vergoeden en krijgen eisers 1 een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor eisers 1 € 5.1.2f omdat de gemachtigden van eisers 1 een beroepschrift hebben ingediend, aan de zitting hebben deelgenomen en een schrifteiijke zienswijze na een bestuurlijke lus hebben ingediend. 9.Ten aanzien van eisers 2 is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
11
Beslissing De rechtbank: -
-
verklaart de beroepen van eisers 1 en 2 tegen het besluit van 26 januari 2024 gegrond; verklaart het beroep van eisers 1 tegen het besluit van 1 5 oktober 2024 gegrond en dat van eisers 2 ongegrond; vernietigt het besluit van 26 januari 2024 en het bestuit van 1 5 oktober 2024 voor zover hierin geen voorschrift is opgenomen ter waarborging van een goed woon- en leeflçlimaat van de omwonenden; bepaalt dat aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift wordt verbonden: De opvanglocatie dient te beschikken over een huisreglement. Het huisreglement dient zich op een goed zichtbare plaats te bevinden en zowel in het Nederiands als in de taal van de bewoners van de opvanglocatie te zijn opgesteld. Het is de taak van een beheerder of een beveiliger om 24 uur per dag en 7 dagen per week op het naleven van de huisregels toe te zien. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit; bepaalt dat het college het griffierecht van € 5.1.2f aan zowel eisers 1 als 2 moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 5.1.2f aan proceskosten aan eisers 1.
Deze uitspraak is gedaan door 5.1.2e , voorzitter, 5.1.2e 5.1.2e , leden, in aanwezigheid van 5.1.2e is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025. :=
griffier
en , griffier. De uitspraak
5.1.2e
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
O 2 ME) 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
12
Invoeringswet Omgevingswet Artikel 4.3 AIs voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde Iid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b.als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt. Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de afte wegen belangen. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (oud) Artikel 1 .1 Begripsbepaling bestaand bouwperceel bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 1 00 m2 toestaat; bestemmingsvlak. Hoofdstuk 3 Instructierege1s aan gemeenten Afdeling 3.1 Algemeen Paragraaf 3.1 .1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Toepassingsbereik Lid 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen: a. een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, Wet ruimtelijke ordening; b.een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening; c.
een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 30, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan ofde beheersverordening wordt afgeweken; d.een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.1 0 Crisis- en herstelwet. Artikel 3.4 Algemene maatwerkbepaling (...); Lid 2 Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken wanneer dit nodig is vanwege een groot openbaar belang als:
(...);
e. dejuridische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de omliggende gemeenten ontbreken; (.. .).
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
13
Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b.een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c.de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d.de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; e.een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingspian zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. (...).
T // —J
-
sw
S 5.1.2e RECHTBANK RABANT Postbus 70584 5.1.2e S-HERTOGENBOSCH the Netherlands
_________ ___________________________
Aangetekend _____-
Recommandé
3SGQYQ6655399
postnl Frankering betaaid
D-A-1
RAAD VAN DE GEMEENTE OSS Postbus 5 5.1.2e OSS
NL
1111 llfl HMI
o (.,4 (4 û-
3SGQYQ6655399
U ifl
o o -o
(. G)
o-, o t G)
c c-,
\
(
lfì
Lfì
c,J Q O
-D o Q-
\
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 13, 16
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub f
De bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens
12, 13