02 Commissie MER dd 10 maart 2025 over het toetsingsadvies over MER Duurzame Polder_geanonimiseerd
Tekst van het document
Van: 5.1.2e < 5.1.2e @eia.nl> Verzonden: maandag 10 maart 2025 13:50 Aan: Raadsgriffie < 5.1.2e @oss.nl> CC: 5.1.2e < 5.1.2e @oss.nl>; 5.1.2e < 5.1.2e @s-hertogenbosch.nl>; 5.1.2e < 5.1.2e @eia.nl> Onderwerp: Advies Duurzame Polder (tussen ‘s-Hertogenbosch en Oss) (3737ts) PAS OP: deze mail is niet van de gemeente Oss. Ken je de afzender niet? Of vind je het een vreemde mail? Open dan niet de bijlage en klik niet op een link in het bericht. Geachte Griffier, Hierbij ontvangt u ons advies – en bijbehorende persbericht – over het milieueffectrapport Duurzame Polder (tussen ‘s-Hertogenbosch en Oss). Dit advies heeft de Commissie mer uitgebracht op verzoek van de Gemeente Oss en Gemeente 'sHertogenbosch. Binnen uw organisatie kunt u meer informatie hierover inwinnen bij 5.1.2e . Wij sturen u het advies zodat u de Raadsleden hiervan op de hoogte kan stellen. Het advies en het persbericht zijn ook te vinden op onze website (www.commissiemer.nl). Met vriendelijke groet, 5.1.2e
Projectondersteuner 5.1.2e
________________________________________ www.commissiemer.nl Interesse in onze nieuwsbrief?
Duurzame Polder (tussen
's-Hertogenbosch en Oss) Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 10 maart 2025 / projectnummer: 3737
Advies over het MER in het kort De gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Oss willen in de ‘Duurzame Polder’ tussen beide steden een windturbinepark mogelijk maken. Daarnaast zijn er voor het gebied tussen beide stadsranden andere opgaven, zoals voor waterkwaliteit, landbouw, biodiversiteit en recreatie. De keuze is gemaakt om een voorkeursalternatief voor de inrichting van de polder met turbines vast te leggen in een ‘intergemeentelijk programma’. Voordat de beide gemeenten hierover besluiten zijn de milieugevolgen van verschillende plaatsingszones onderzocht en vergeleken in een milieueffectrapport (hierna: MER).
Figuur 1: Grenzen van de Duurzame Polder tussen ‘s Hertogenbosch en Oss (bron: Quickscan milieu).
De gemeenten hebben aan de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat staat in het MER? Het MER beschrijft de milieueffecten van vijf varianten (basis, geluid, landschap, natuur en restruimte) voor de ontwikkeling van windenergie in de Duurzame Polder op basis van twee referentieturbines (192 en 261 meter tiphoogte). Alle varianten scoren op alle milieuthema’s slecht tot zeer slecht. Er zijn wél verschillen in effecten op natuur (weidevogelgebieden en rust- en foerageergebied voor ganzen- en smienten), cultuurhistorie en op gezondheid (aantallen geluidgehinderden). Hier scoren de varianten ‘natuur’ en ‘geluid’ minder negatief. De gemeenten stellen in het MER een voorkeursalternatief voor dat voldoet aan eerdere bestuurlijke uitgangspunten voor hinderbeperking (zoals minimale afstanden tot de bebouwde kom). Zij geven daarbij duidelijk aan dat voor de gemeenten het belang van de windturbines voor de energiedoelstellingen ‘natuuraantasting onder voorwaarden rechtvaardigt’. Ook geven de gemeenten aan dat ‘realisatie van de windturbines in de Duurzame Polder zwaarder weegt dan het Defensie-belang van handhaving van het (volledige) laagvlieggebied.’ Het voorkeursalternatief scoort net als de meeste andere varianten op alle milieuthema’s slecht tot zeer slecht.
Wat is het advies van de Commissie? De Commissie heeft het MER getoetst als een zogeheten planmilieueffectrapport bedoeld om het intergemeentelijk programma vanuit milieuoogpunt bezien zorgvuldig te onderbouwen.
-1-
Een ontwikkelaar van een windpark (een initiatiefnemer) zal na vaststelling van het programma later nog een projectmilieueffectrapportage opstellen voor een windpark (met gedetailleerder milieuonderzoek) en vervolgens een vergunning aanvragen. De Commissie vindt het positief dat de gemeenten in het MER duidelijk hun overwegingen bij het voorstel voor het voorkeursalternatief hebben aangegeven. Een complex besluitvormingstraject, zoals dit ‘intergemeentelijk programma’, dat onder hoge tijdsdruk plaatsvindt, vraagt goed onderbouwde en navolgbare stappen. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER echter dat belangrijke informatie ontbreekt. Deze informatie is essentieel om het belang van het milieu volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de begrenzing van het voorkeursalternatief voor het intergemeentelijke programma Duurzame Polder. Het gaat om de volgende punten:
De locatieonderbouwing van de Duurzame Polder – Waarom hier en niet elders? – is niet compleet: dit is een gemis. Een goed onderbouwd antwoord op deze vraag is niet alleen van belang voor het programma maar ook voor latere vergunningenprocedures voor een windturbinepark;
Het MER mist op onderdelen de benodigde diepgang en milieueffecten zijn onvoldoende onderbouwd: o
Natuur: de voorspelde effecten zijn niet uitgewerkt en onderbouwd met beschikbare natuurgegevens. Hierdoor ontstaan risico’s op onnodige natuurschade voor weidevogels, voor ganzen- en smienten, Natuurnetwerk Brabant en Natura 2000-gebied Rijntakken (watervogels en stikstofdepositie). Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het programma uitvoerbaar is binnen natuurregelgeving.
o
Gezondheid en ‘landschap en cultuurhistorie’: de varianten voor plaatsingszones zijn te globaal uitgewerkt. Hierdoor geven de geluid- en landschapsscores een verkeerd beeld en zijn ze deels waarschijnlijk overschat.
o
Gebiedsontwikkeling: de koppeling tussen de voorgestelde gebiedsontwikkeling (opgaven voor waterkwaliteit, landbouw, biodiversiteit en recreatie) en de verschillende varianten, en hoe dit doorwerkt in milieuscores, is niet onderzocht.
De Commissie adviseert daarom deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en daarin een beter onderbouwde en navolgbare vergelijking te maken van de milieueffecten van vijf varianten voor de ontwikkeling van windenergie in de Duurzame Polder. Een eerder advies van de Commissie biedt al handvaten voor deze aanvulling.1 Besluit pas na de aanvulling over het voorkeursalternatief. Tot slot wijst de Commissie er volledigheidshalve op dat nog geen zekerheid bestaat over beperkingen vanuit luchtvaartveiligheid:
de uitkomst van de voorgestelde wijziging van de laagvliegroutes van defensie, die over het gehele plangebied liggen;
nog uit te voeren onderzoek naar mogelijke beperkingen voor de plaatsing van windturbines vanwege de dekking van de radarstations.
1
Zie hiervoor het advies van de Commissie 3737_tts_tussentijds_toetsingsadvies.pdf.
-2-
Achtergrond De gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Oss hebben in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES) Noordoost Brabant (NOB) aan het Rijk in de RES 1.0 een bod gedaan om in 2030 5.1.2f TWh (0,35 + 0,28) hernieuwbare elektriciteit op te wekken door windturbines, zonnevelden en zon op dak. De plaatsing van windturbines in de Duurzame Polder (de polder tussen beide steden) is een belangrijk onderdeel daarvan. Echter bij de RES 1.0 NOB waren de milieuconsequenties van het bod nog niet voldoende onderzocht en waren ook nog geen belangenafwegingen gemaakt over de benodigde ruimtelijke inpassing van een windturbinepark. Ook is er een bestuursovereenkomst met het Rijk en de provincie dat beide gemeenten de regie krijgen bij de ontwikkeling van de Duurzame Polder.2 Daarom wordt nu door beide gemeenten een gezamenlijk intergemeentelijk programma onder de Omgevingswet3 voorbereid met daarin een voorkeursvariant voor de inrichting van de polder met turbines. Daarnaast spelen aan de stadsranden andere opgaven, zoals voor waterkwaliteit, landbouw, biodiversiteit en recreatie die plek (moeten) krijgen in dit programma. De gemeenten hebben aan de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het plan-MER. Eerder hebben beide gemeenten in 2022 al een notitie reikwijdte en detailniveau vastgesteld. De Commissie is niet gevraagd hierover te adviseren.
De Commissie adviseerde in 2023 wel tussentijds over de te onderzoeken varianten in het MER. Destijds was nog sprake van een gefaseerde mer-aanpak.1 Het MER4 vermeldt hierover dat ‘door een gewijzigde procesaanpak’ het ‘combi-MER’ is verlaten en de planning is in 2025 vergunningsaanvragen voor te bereiden, en mogelijke vergunningverlening in 2025 te laten plaatsvinden. Een initiatiefnemer (de ontwikkelaar van een windpark) kan dan in dat kader een projectmilieueffectrapportage opstarten en vervolgens een vergunning aanvragen.5 Aanleiding MER Reden van dit plan-MER is dat de besluiten over een intergemeentelijk programma onder de Omgevingswet een kader stellen voor een project waar mogelijk een project-MER voor opgesteld moet worden. Het gaat in ieder geval om: ‘C2 windparken, J8 Hoogspanningsleidingen en J12 landinrichtingsprojecten’ van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Vanwege de Passende beoordeling is ook een plan-MER aan de orde. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – Burgemeester en Wethouders van ’s-Hertogenbosch en Oss - besluit over het programma Duurzame Polder.
De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3737 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
2
Gezien de omvang van het windpark had rijks- of provinciale coördinatie onder de Elektriciteitswet aan de orde kunnen
3
Beide gemeenten waren eerder van plan pas in een later stadium deze afwegingen te maken in het kader van een
4
Zie pagina 31 van het MER.
zijn. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2022:14307, Rechtbank Den Haag, C/09/636239 KG ZA 22-894. vergunning afwijken bestemmingsplan dan wel omgevingsplan.
5
Zie pagina 44 van het MER.
-3-
Toelichting op het oordeel Locatieonderbouwing Duurzame Polder niet compleet Het MER vat de projectgeschiedenis, wie de betrokken partijen zijn, de gezette stappen en de raadsbesluiten samen.6 Duidelijk beschreven is dat op grondgebied van beide gemeenten of in de directe omgeving andere locaties denkbaar zijn voor een windturbinepark, maar dat volgens het MER diverse bestuurlijke besluiten van RES-regio en gemeenteraden ertoe geleid hebben dat deze locaties niet verder onderzocht zijn. Hierbij zijn in het MER weliswaar kort enkele milieuargumenten genoemd, maar een verdere uitwerking en onderbouwing daarvan ontbreekt. Ook de rol die ze speelden bij de locatieonderbouwing blijft onduidelijk. Consequentie hiervan is dat vanuit milieuoogpunt geen complete locatieonderbouwing –
Waarom hier en niet elders? - beschikbaar is voor de te maken afwegingen over het
programma. Dit is een gemis: een goed onderbouwd en navolgbaar antwoord op deze vraag is ook van belang voor eventuele komende vergunningenprocedures. De Commissie adviseert daarom om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over het programma:
een overzicht op kaart te maken van de in het MER genoemde vergelijkbare alternatieve locaties binnen de gemeentegrenzen van ‘s Hertogenbosch en Oss;
deze locaties (bijvoorbeeld in tabelvorm) op hoofdlijnen te vergelijken op hun milieuaspecten. Vul eventueel nog ontbrekende milieugegevens aan. De Commissie adviseert daarbij om uit te gaan van globale gegevens;7
de locatiekeuze voor Duurzame Polder hiermee kort te onderbouwen. Beschrijf de rol van milieuargumenten hierbij.
Te beperkte uitwerking varianten en hun milieugevolgen De Commissie constateert dat de varianten die nu voorliggen nog steeds vooral de afspiegeling zijn van de harde en zachte belemmeringen die de gemeenten eerder al in beeld hadden. De doorvertaling van deze belemmeringenkaarten naar logisch afgebakende ruimtelijke plaatsingszones met globale plaatsingsopties voor windturbines heeft niet plaatsgevonden in het MER. Wél beschikbare opstellingsprincipes van windturbines (bijvoorbeeld in bijlage VIII van het MER) zijn niet gehanteerd in de doorgerekende varianten.8 De nu in het MER gehanteerde ‘worst-case’-onderzoeksmethodiek - met een inschatting van milieueffecten van de varianten ten opzichte van de randen van de plaatsingszones zonder naar globale turbineopstellingen te kijken - leidt er daardoor toe dat:
de beschreven milieueffecten in het MER deels overschat, onduidelijk of zelfs onjuist zijn. Uit bijlage VIII blijkt immers dat turbines waarschijnlijk vaak niet op de randen van de
6
Zie paragraaf 1.1.5 van het MER.
7
Hiervoor kan bijvoorbeeld de aanpak uit hoofdstuk 3 van het milieueffectrapport voor windpark Echteld Lienden worden
8
Bijvoorbeeld voorbeeldopstellingen (of opstellingsprincipes) van turbines, hiervoor zijn in de Duurzame Polder al diverse
gevolgd die (milieu)studies van hun RES-regio en de gemeenten recombineren en onderbouwen met gemeentelijke keuzes. studies uitgevoerd. Het MER bijlage VIII bevat hiervoor een goed bruikbare studie van H+N+S.
-4-
plaatsingsruimte zullen komen, ook om milieuredenen. Dit is mogelijk, omdat de plaatsingszones veel groter zijn dan nodig om de energiedoelstelling te halen;
de milieueffecten van de varianten onvergelijkbaar zijn omdat: o
gebieden niet hetzelfde oppervlak hebben;
o
milieugevolgen van gebiedsdelen van varianten die wellicht helemaal niet nodig zijn voor de plaatsing van turbines, wel meetellen in negatieve scores;
het logisch afbakenen en (her)begrenzen van plaatsingszones op basis van milieuinformatie niet (goed) mogelijk is.
Hieronder werkt de Commissie een voorbeeld uit van bovenstaande. Voorbeelduitwerking gezondheidseffecten variant natuur In de ‘variant natuur’ liggen de geluidcontouren in het zuiden en oosten over grote delen van woongebieden (in grijs) omdat ze ten opzichte van de rand van het groene gebied zijn bepaald. Volgens de twee voorbeeldopstellingen uit de bijlagen bij het MER zijn daar echter geen windturbines voorzien. Hierdoor zijn de gezondheidseffecten (geluid) van de natuurvariant voor de twee turbinetypes veel hoger dan van de andere varianten en daarmee (fors) overschat. In andere woorden: veel ‘groene delen’ dichtbij woningen zullen geen turbines bevatten. Ook lijken er goede mogelijkheden om met voorbeeldopstellingen die het dichtste bij de bebouwing van ‘s Hertogenbosch, Geffen en Oss liggen nog te schuiven om gezondheidseffecten te beperken/voorkomen. Dit betekent dat voor deze variant optimalisatie goed mogelijk is. Dit schuiven met voorbeeldopstellingen geeft volgens de Commissie relevante beslisinformatie voor het onderbouwd begrenzen van plaatsingszones in het programma.
De voorbeeldopstellingen in de variant natuur, bijlage VIII van het MER.
Geluidscores uit het MER van de varianten voor twee referentieturbines (bron tabel 7.51 van het MER).
-5-
Globaal zicht op turbinesopstellingen is ook noodzakelijk om milieugevolgen voor natuur, leefomgeving (gezondheid) en landschap op hoofdlijnen navolgbaar te kunnen onderbouwen in het MER.9 De Commissie adviseert daarom in ieder geval voor natuur, gezondheid en ‘landschap en cultuurhistorie’ de milieueffecten van de vijf varianten voor de ontwikkeling van windenergie in de Duurzame Polder nauwkeuriger te onderbouwen met behulp van globale voorbeeldopstellingen en daarmee een nieuwe of aanvullende vergelijking te maken van de milieueffecten. Hiermee kan een goed onderbouwde afweging gemaakt worden over een voorkeursalternatief voor het intergemeentelijke programma Duurzame Polder, waarin het milieu een volwaardige rol kan spelen. Hieronder licht de Commissie dit verder toe.
2.2.1
Natuur Het MER stelt dat op basis van een ‘worst-case’- beoordeling alle varianten (sterk) negatieve effecten hebben op natuur.10 Het MER geeft ook aan dat dit een risico vormt voor de haalbaarheid van het project en dat daarom vervolgonderzoek in een volgende fase nodig is. Hieruit moet nog blijken of en in welke mate significant negatieve effecten optreden en/of voorkomen kunnen worden.11 Ook is een ecologische risicoanalyse opgenomen met daarin onder meer verschillende ‘hoog-risico-gebieden’ in de polder voor natuur.12 Voor zover de Commissie heeft kunnen nagaan speelt deze analyse echter verder geen rol in de ‘worstcase’- beoordeling van alle varianten of bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief13. Vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden is ook een zogeheten Passende beoordeling opgesteld van het voorkeursalternatief. Ook deze bevat een open einde met
9
De Commissie wees er ook bij haar tussentijdse toetsing al op dat het nog nodig was het overgebleven gebied op
hoofdlijnen in te vullen met voorbeeldopstellingen (of opstellingsprincipes) van turbines. Alleen dan is het mogelijk zones te onderzoeken en te vergelijken op hun milieugevolgen.
10 11
Zie pagina’s 144 en 145 van het MER.
De bijlage bij het MER bevat een ‘aanvullend onderzoek natuur’. Dit onderzoek stelt op basis van een vooral kwalitatieve
analyse dat vanwege het belang van de Duurzame Polder voor weidevogels, de kritische status van deze vogelsoorten en
beschermingsregimes maken dat behoud niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk is vanuit natuurregelgeving. Ook is
inzicht nodig in de daadwerkelijk voorkomende aantallen wintergasten en de eventuele aantallen aanvaringsslachtoffers en dan pas kan worden bepaald worden of windturbines in de Duurzame Polder een (significant) negatief effect hebben op de bestaande populaties. 12
Zie bijlage XVI van het MER. In deze studie zijn diverse hoog risicogebieden voor ‘Windenergie in de Duurzame Polder’
geformuleerd: •
Natuur Netwerk Brabant en directe omgeving;
•
plasdrasgebieden en directe omgeving;
•
rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten en directe omgeving;
• • •
hotspotlocaties weidevogels en directe omgeving;
belangrijke landschapselementen voor vleermuizen;
zones met de meeste risicovolle vliegbewegingen langs de grote rivieren.
Daarnaast zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd: Een hogere tiplaagte van de windturbines heeft de voorkeur.
Clustering van de windturbines heeft de voorkeur boven spreiding. Op basis van de hoog risicogebieden is realisatie van windenergie in het (noord)oosten en uiterste zuidwesten van het zoekgebied het meest kansrijk. Echter kunnen dan nog steeds mitigerende en/of compenserende maatregelen aan de orde zijn. 13
Het onderzoek in bijlage XVI van het MER stelt juist voor een groot deel van het voorkeursalternatief uit te sluiten voor
windturbines, vanwege hoge risico’s voor de natuur (‘Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk)’.
-6-
deelconclusies, namelijk dat nog nader onderzoek nodig is omdat aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied Rijntakken (watervogels en stikstofdepositie in de aanlegfase) niet uitgesloten kan worden. De Passende beoordeling vermeldt tegelijkertijd wel al de conclusie dat er geen twijfel is dat het plan binnen de natuurwetgeving ontwikkeld kan worden. De Commissie heeft hiervoor geen onderbouwing kunnen vinden in het MER en de bijlagen. De Commissie kan dan ook niet volgen hoe de natuurconclusies in het MER tot stand zijn gekomen. Voor dit deel van Nederland zijn voldoende natuurgegevens voorhanden om kwantitatieve analyses te doen om een inschatting te doen voor vogeleffecten van de verschillende varianten14. Dit is belangrijk om de conclusies over natuureffecten te kunnen onderbouwen en begrenzingen van varianten aan te passen vanwege natuurwaarden.1 Wel is in het MER aangegeven dat er kansen zijn om lokale natuur te sparen door weidevogels én gebieden voor ganzen en smienten, beide door herinrichting naar het noorden te verplaatsen. Hierdoor wordt mogelijk externe werking met Natura 2000-gebied Rijntakken voor aangewezen vogelsoorten vermeden.
Hiervoor moet het windpark zoveel mogelijk ten zuiden en buiten de vliegroutes tussen foerageergebieden in Duurzame Polder en de rustplaatsen in het Natura 2000-gebied komen te liggen.13 In hoeverre deze aanpak kansrijk en praktisch uitvoerbaar is, door samenwerking met diverse overheden, grondeigenaren en het Brabants Landschap, is niet onderzocht. Of een dergelijke aanpak binnen provinciaal natuurbeleid en natuurregelgeving past, is ook niet onderbouwd. Dit is een gemis, omdat inzicht hierin belangrijk is om te kunnen beoordelen in hoeverre (delen) van de onderzochte varianten voor een windpark kunnen samengaan met het behoud van (beschermde) natuur in de Duurzame Polder. De Commissie concludeert dat de in het MER voorspelde effecten niet navolgbaar zijn uitgewerkt en onderbouwd met wél beschikbare natuurgegevens. Het MER mist daarmee de noodzakelijk diepgang. Ook ontstaan hierdoor risico’s op onnodige natuurschade voor weidevogels, voor ganzen en smienten, Natuurnetwerk Brabant en Natura 2000-gebieden Rijntakken (watervogels en stikstofdepositie). Tot slot is niet aannemelijk gemaakt dat het programma met de noodzakelijke verplaatsing van weidevogelgebied en van rustgebied voor ganzen en smienten praktisch uitvoerbaar is binnen natuurregelgeving.
14
Bijvoorbeeld door globaal het percentage overlap van vliegroutes met globale voorbeeldopstellingen in beeld te brengen
van de diverse vogelsoort(groep)en. De beschikbare verspreidingsgegevens van watervogels en weidevogels kunnen hiervoor bijvoorbeeld gebruikt worden.
-7-
De Commissie adviseert daarom om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over het programma:
voor elke variant vanuit natuur één of meerdere globale voorbeeldopstellingen uit de bijlage bij het MER8 te hanteren. Schat dan daarmee op basis van bestaande informatie kwantitatief de effecten van elke variant op vogels in. Onderbouw daarmee de natuureffecten van de varianten navolgbaar voor het aspect natuur;
de mogelijkheden om lokale natuur te sparen per variant nu al uit te werken. Hier ligt ook een koppeling met de gebiedsontwikkeling (zie §2.2.4 van dit advies). Ga hierbij ook in op mogelijkheden om stikstofdepositie in de aanlegfase te voorkomen. Geef op basis hiervan een kort overzicht van de mogelijkheden om natuureffecten te mitigeren, natuur te versterken of compenseren (waaronder het verplaatsen van beschermde gebieden binnen de Duurzame Polder door herinrichting);
2.2.2
te onderbouwen welke varianten uitvoerbaar (te maken) zijn binnen natuurregelgeving.
Gezondheidseffecten (geluid en slagschaduw) De geluidcontouren zijn bepaald vanaf de randen van de plaatsingszones. Daardoor is de berekening een fictieve ‘worst case’-situatie op basis waarvan de alternatieven met elkaar vergeleken zijn. Belangrijk nadeel daarvan is, zoals hierboven ook besproken, dat met een verstandige plaatsingsstrategie binnen de (grote) beschikbare plaatsingszones het aantal gehinderden (geluid, slagschaduw) fors lager ligt en kan worden beperkt. Hierdoor zal ook de onderlinge vergelijking van alternatieven in het MER sterk veranderen. Dit geeft een overschatting van de gezondheidseffecten van bijvoorbeeld de natuurvariant. Ook bij de andere varianten is dit mogelijk aan de orde. De vertaling van de geluidcontouren in het MER naar alternatievenscores is niet passend. Eén enkele overschrijding van de contourwaarde (geluid) zorgt ervoor dat een variant al sterk negatief scoort.15 Effecten worden hierdoor overschat ten opzichte van de ‘variant geluid’ en relevante milieuverschillen tussen varianten in de scores niet zichtbaar gemaakt. Hierdoor is het niet mogelijk goed onderbouwde afwegingen te maken tussen de plaatsingszones. De Commissie adviseert daarom om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over het programma:
voor elke variant te laten zien welke gezondheidseffecten er zijn wanneer de globale voorbeeldopstellingen uit de bijlage bij het MER16 gehanteerd worden;
in de scores voor geluid het aantal woningen binnen de geluidcontouren te laten meewegen bij de bepaling van hoe negatief een variant scoort.
15
De beoordelingsschaal voor geluid (MER pagina 163) gaat uit van overschrijding van de 45 dB Lden-waarde (- -) en 40-45
dB Lden (-) maar hangt niet af van het aantal woningen binnen deze contouren. Dit betekent dat 1 overschrijding (bijvoorbeeld > 45 dB Lden op 1 woning) al tot een sterk negatief effect leidt. De aantallen woningen binnen de geluidcontouren zijn wel gegeven. 16
Hanteer bijvoorbeeld de gebruikte richtafstanden in het MER-onderzoek dan vanaf de (fictieve) turbineposities.
-8-
2.2.3
Landschap en cultuurhistorie Het MER bevat in de bijlagen goed onderzochte voorbeeldopstellingen voor alle varianten Ook zit er voldoende variatie in de opstellingen: lijnen, clusters, zwermen om landschappelijke effecten zichtbaar te maken.
Opvallend is dat in de landschappelijke effectanalyse17 deze opstellingen amper aan de orde komen. Sterker nog, voor elke variant zijn in het MER vrijwel dezelfde teksten voor landschap opgenomen. Logischerwijs aanwezige verschillen per variant en opstelling zijn dus niet
onderzocht en beschreven, waardoor er geen rekening mee gehouden kan worden. Daarnaast mist het landschappelijke effect van andere opstellingen binnen een variant (compact, zwerm et cetera). Bij de beoordeling van de effecten op cultuurhistorie in het MER spelen verschillende
opstellingen zelfs helemaal geen rol. Denk bijvoorbeeld aan antwoorden op vragen zoals:
Staan turbines dicht op de wetering, in een kooicirkel, in de overlaat of elders?
Wat doen de turbineposities met de beleving van de cultuurhistorische waarden?
Ook bij cultuurhistorie zal de opstelling bepalend zijn voor de omvang van het effect. Elders in het MER wordt dit weliswaar wel erkend18, maar bij de beoordeling speelt het geen rol. Scores zijn alleen gebaseerd op geografische ligging. Dit leidt tot overschatting van de effecten én zorgt ervoor dat verschillen tussen varianten, die er logischerwijs zijn, niet zichtbaar worden.
De Commissie adviseert daarom om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over het programma:
voor elke variant vanuit landschap één of meerdere globale voorbeeldopstellingen uit de bijlage bij het MER19 te hanteren;
2.2.4
de scores voor landschap en cultuurhistorie te baseren op deze voorbeeldopstellingen.
Koppeling gebiedsontwikkeling en varianten Het MER stelt dat de voorgestelde gebiedsontwikkeling (opgaven voor waterkwaliteit,
landbouw, biodiversiteit en recreatie) niet maatgevend zullen zijn voor milieueffecten van het
programma en daarom alleen kort kwalitatief beschouwd hoefden te worden.20 De Commissie heeft van de gemeenten begrepen dat in het programma het zoeken naar varianten voor
plaatsingszones voor windturbines leidend is. Andere gebiedsopgaven zijn daarmee volgend. Het MER geeft wel aan dat gebiedsontwikkeling integraal onderdeel worden van het programma Duurzame Polder.
17 18
19 20
Zie het MER paragraaf 7.1.1 en 7.1.2.
Zie het MER pagina 302 paragraaf 14.5 Beschouwing ruimtelijke principes, Landschap en cultuurhistorie: ‘Door de windturbines dusdanig te positioneren kan de openheid echter ook worden benadrukt. Met het uitlichten van de cultuurhistorische waarden in het landschap wordt de historie beter beleefbaar gemaakt en wordt dit beter behouden voor toekomstige generaties.’ Hanteer bijvoorbeeld de gebruikte richtafstanden in het MER-onderzoek dan vanaf de (fictieve) turbineposities. Zie pagina 85 van het MER.
-9-
De gebiedsontwikkeling is echter ook om een andere reden relevant. De koppeling tussen de gebiedsontwikkeling en de verschillende varianten, of beter: de voorbeeldopstellingen van varianten, kunnen leiden tot het ontwerpen van nieuwe en kansrijke mitigerende en
compenserende maatregelen voor landschap, cultuurhistorie en/of natuur. De in het MER beschreven sterk negatieve milieueffecten laten ook zien dat tegen deze achtergrond dergelijke maatregelen vanuit milieuoogpunt uitermate relevant kunnen zijn.
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over het programma:
de andere gebiedsopgaven waar mogelijk al wel uit te werken;
kort de potentie voor nieuwe en kansrijke mitigerende en compenserende maatregelen voor landschap, cultuurhistorie en/of natuur te beschrijven.
-10-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of
onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de
ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit
wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het
gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: 5.1.2e 5.1.2e
(secretaris)
5.1.2e 5.1.2e
(voorzitter)
5.1.2e
Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Intergemeentelijk programma onder de Omgevingswet Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat. Reden van dit plan-MER is dat de besluiten over een intergemeentelijk programma onder de Omgevingswet een kader stellen voor een project waar mogelijk een project-MER voor opgesteld moet worden. Het gaat in ieder geval om: ‘C2 windparken, J8 Hoogspanningsleidingen en J12 landinrichtingsprojecten’ van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Vanwege de Passende beoordeling is ook een plan-MER aan de orde. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraden van ’s-Hertogenbosch en Oss Initiatiefnemer besluit Burgemeester en Wethouders van ’s-Hertogenbosch en Oss Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?
Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.
Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3737 in te vullen in het zoekvak.
Commissie voor de milieueffectrapportage
t
5.1.2e
ë info@commissiemer.nl w commissiemer.nl
5.1.2e
Utrecht
5.1.2e
10 maart 2025 Persbericht
Werk mogelijkheden om natuur van Duurzame polder te sparen nu al uit De Commissie voor de milieueffectrapportage adviseert om het natuuronderzoek voor windenergie in de Duurzame polder verder uit te werken met al beschikbare gegevens. Dat beperkt het risico op onnodige natuurschade en onderbouwt beter welke plaatsingszones voor windturbines uitvoerbaar zijn binnen natuurregelgeving. Dat zegt de Commissie in haar advies over dit milieueffectrapport. De gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Oss hadden de Commissie gevraagd de inhoud van het rapport te beoordelen. ‘s-Hertogenbosch en Oss willen in de ‘Duurzame polder’ een windturbinepark mogelijk maken. Dit willen de gemeenten vastleggen in een voorkeursalternatief voor de inrichting van de polder. Naast windenergie krijgen daarin ook waterkwaliteit, landbouw, biodiversiteit en recreatie een plaats. De gemeenten nemen dit alles op in een intergemeentelijk ‘programma’ onder de Omgevingswet. Voordat beide gemeenten hierover besluiten zijn plaatsingszones voor windturbines in de polder onderzocht in een milieueffectrapport. In de Duurzame polder vindt grootschalig agrarisch natuurbeheer (weide- en watervogels) plaats. Daarnaast is de polder deels aangewezen als Natuurnetwerk Brabant. Het milieueffectrapport laat sterk negatieve effecten van de windturbines op de natuur zien.
En stelt dat dit een risico vormt voor de haalbaarheid van het project en dat daarom vervolgonderzoek nodig is. Ook geeft het rapport aan dat er kansen zijn om lokale natuur te sparen door gebieden voor weidevogels, ganzen en smienten te verplaatsen. De Commissie concludeert dat bij de voorspelling van natuureffecten in het milieueffectrapport wél beschikbare natuurgegevens niet zijn gebruikt. Zij adviseert dat alsnog te doen én om de mogelijkheden om lokale natuur te sparen nu al uit te werken, zodat hier rekening mee gehouden kan worden. Hier ligt ook een koppeling met de gebiedsontwikkeling. Besluit na die uitwerking pas over het intergemeentelijke programma. ----------------------------------------------------------De onafhankelijke Commissie mer is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van milieueffectrapporten. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag - in dit geval de gemeenteraden van ‘s-Hertogenbosch en Oss - besluit over het project. Zie ook www.commissiemer.nl.
Noot voor de redactie Op de website vindt u het volledige advies. Voor meer informatie kunt u bellen met onze persvoorlichter: 5.1.2e
, 5.1.2e
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1, 13, 14, 15
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub f
De bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens
5