Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen (openbare versie)_A1
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Realisering stal, overdekte longeercirkel, rijhal (met stallen), kapschuur en mestsilo ten behoeve van de vestiging van een paardenhouderij op perceel Bûtewei 3 te Ureterp
Colofon:
Opdrachtgever:
N.N.
Uitgevoerd door: Contactpersoon: Telefoon:
mr. A.J. Spoelstra Omgevingsadviseur De heer A.J. Spoelstra 0512-369900
Email: Projectnummer:
Info@spoelstra-advies.nl AJS/56
Datum:
Drogeham, juli 2023
Inhoudsopgave 1. Inleiding _______________________________________________________________________________ 4 1.1
Algemeen _______________________________________________________________________ 4
1.2
Projectgebied ____________________________________________________________________ 4
2. Projectbeschrijving ______________________________________________________________________ 5 2.1
Huidige situatie __________________________________________________________________ 5
2.2
Het project ______________________________________________________________________ 5
3. Beleid _________________________________________________________________________________ 6 3.1
Rijksbeleid _______________________________________________________________________ 6
3.2
Provinciaal beleid _________________________________________________________________ 6
3.3
Gemeentelijk beleid _______________________________________________________________ 6
4. Omgevingsaspecten _____________________________________________________________________ 8 4.1
Algemeen _______________________________________________________________________ 8
4.2
Milieuzonering ___________________________________________________________________ 8
4.4
Licht ___________________________________________________________________________ 9
4.5
Ecologie_________________________________________________________________________ 9
4.6
Archeologie/Cultuurhistorie _______________________________________________________ 10
4.7
Landschappelijke inpassing ________________________________________________________ 10
4.8
Externe veiligheid ________________________________________________________________ 11
4.9
Water _________________________________________________________________________ 11
4.10
Bodem _________________________________________________________________________ 11
4.11
Wet Natuurbescherming __________________________________________________________ 12
4.12
Verkeer en geluid ________________________________________________________________ 12
4.13
Kabels en leidingen _______________________________________________________________ 13
5. Uitvoerbaarheid________________________________________________________________________ 14 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ___________________________________________________ 14
5.2
Economische uitvoerbaarheid ______________________________________________________ 14
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -2-
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16 Bijlage 17
Principe toezegging gemeente d.d. 05-02-2020 Verslag Nije Pleats methode Landschappelijk inpassingsplan Vergunning Wet natuurbescherming d.d. 15 juli 2022 Aeriusberekening 1 Aeriusberekening 2 Invoergegevens Aeriusberekening Ecologisch onderzoek Bodemonderzoek Watertoets Bouwtekeningen Bedrijfsplan Advies vooroverleg provincie Archeologisch onderzoek Advies vooroverleg Wetterskip Fryslân (Geanonimiseerd) verslag overleg buren Notitie Paardenhouderij in Opsterland
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -3-
1.
Inleiding
1.1 Algemeen Op het perceel Bûtewei 3 te Ureterp is een voormalige boerderij aanwezig die thans overeenkomstig de bestemming als woning wordt gebruikt. Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse zijn hobbymatige paardenhouderij geleidelijk uit te breiden tot een professionele paardenhouderij voor het houden van 10 volwassen paarden (> 3 jaar) en 24 paarden in opfok (<3 jaar) waarvoor ter plaatse een overdekte rijhal met stallen, een overdekte longeercirkel, een kapschuur voor de stalling van materieel en materiaal een sleufsilo voor de opslag van mest moeten worden gerealiseerd. Voor de paardenhouderij wordt gebruik gemaakt van de 2,3 ha agrarische percelen die initiatiefnemer in eigendom heeft en voorts van ca. 5 ha. huurland dat in ruime mate voorhanden is nabij de Bûtewei. Het projectgebied is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied gemeente Opsterland (vastgesteld 30 juni 2014) en de correctieve en partiële herziening daarvan, vastgesteld 8 oktober 2018. Het perceel is deels bestemd als “Wonen-Woonboerderij”(artikel 21) en deels bestemd als “Agrarisch” (artikel 3). De beoogde kapschuur wordt opgericht binnen de bestemming “Wonen-Woonboerderij”. De rijhal met stallen, de sleufsilo en de longeercirkel worden in de bestemming “Agrarisch” gesitueerd. Binnen deze bestemmingen is de uitoefening van een paardenhouderij niet toegestaan.
Het bestemmingsplan kent voorts geen afwijkings- of wijzigingsbepalingen om de vestiging van de paardenhouderij mogelijk te maken. Burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland hebben bij brief d.d. 5 februari 2020 aangegeven in beginsel planologische medewerking te willen verlenen aan de gewenste ontwikkeling. In deze notitie zal de planologische aanvaardbaarheid van het beoogde project worden onderbouwd. 1.2
Projectgebied
De projectlocatie ligt aan de Butewei 3 te Ureterp ten zuidwesten van de kern Ureterp in de gemeente Opsterland. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Ureterp, sectie E, nr. 1428. In figuur 1 is de ligging van de betreffende locatie weergegeven.
Figuur 1: ligging projectgebied (bron: Google earth)
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -4-
2.
Projectbeschrijving
2.1
Huidige situatie
Op het onderhavige perceel is een voormalige boerderij met één voormalige agrarische vrijstaande schuur aanwezig. De huidige bebouwing is in het buitengebied van Ureterp gesitueerd. Hieronder in figuur 2 is de voorzijde van de aanwezige bebouwing te zien.
Figuur 2: aanzicht vanaf de Bûtewei De gebouwen worden gebruikt voor wonen en het hobbymatig houden van 6 paarden. Ook vindt er stalling van de eigen landbouwmachines en enig materieel plaats op het buitenterrein. De overige gronden zijn tot op heden in gebruik als tuin en erf.
2.2
Het project
Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse een paardehouderij te vestigen. Het huidige bouwperceel is daarvoor niet toereikend en ook het gebruik als paardenhouderij is thans niet toegestaan. De realisatie van een overdekte rijhal met stallen, overdekte longeercirkel, kapschuur van de stalling van materiaal en materieel en een sleufsilo voor de opslag van mest is daarmee niet toegestaan. Voor een overzicht van de omvang van het project wordt verwezen naar de bijgevoegde tekeningen welke hierna ook is weergegeven. De uitbreiding van de bebouwing wordt gerealiseerd op het achterterrein, achter de bestaande bebouwing, waarmee visueel de bebouwing niet sterk in het landschap opvalt. Daarnaast maskeert de bestaande streekeigen beplanting de stal en de op het nieuwe erf plaatsvindende activiteiten. Eén en ander is voorts weergegeven op het eveneens bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -5-
3.
Beleid
3.1 Rijksbeleid Het beleid van het rijk op de ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit van Nederland is neergelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). (Vastgesteld 11-09-2020). Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van Rijksbeleid op 21 nationale belangen. Voor deze belangen acht het Rijk zich verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 21 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten die weer vertaald worden in beleidskeuzes: 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
Sterke en gezonde steden en regio’s;
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het platteland.
Het initiatief is niet in strijd met het genoemde beleid van de Rijksoverheid. 3.2 Provinciaal beleid Het provinciaal omgevingsbeleid van de provincie Fryslân is neergelegd in de Omgevingsvisie “Romte Diele” (september 2020). Dit beleid heeft zijn juridische vertaling gekregen in de provinciale omgevingsverordening Romte Fryslân 2014. In deze verordening zijn regels gesteld waarmee bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het gaat hier om de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Immers de definitie van “agrarisch bedrijf” in de Provinciale omgevingsverordening luidt: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of door middel van het fokken of houden van dieren. De onderhavige paardenhouderij is gericht op het verkrijgen van veulens die om daaraan een meerwaarde te geven, worden beleerd. De definitie van grondgebonden agrarisch bedrijf” luidt: agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf in de vorm van een grondgebonden veehouderij en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven.
Het begrip “grondgebonden veehouderij” wordt gedefinieerd als: een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij. De in totaal ca. 7.5 ha. die initiatiefnemer aanwendt voor de paardenhouderij is bedoeld voor het weiden van de paarden, de winning van ruwvoer en de afzet van mest. Mede gelet op de toelichting van de Omgevingsverordening Romte wordt voor wat betreft de grondgebondenheid uitgegaan van 3 grootvee-eenheden (GVE) per ha. Een paard wordt daar gelijkgeschakeld met 0,8 GVE. Voor een opfokpaard (<200 kg) wordt in de literatuur uitgegaan van 0,5 GVE. Voor 10 fokpaarden is derhalve 3 ha. (afgerond) nodig. Voor 24 opfokpaarden is ca. 4 ha nodig. De beschikbare 7,5 ha. is derhalve toereikend voor wat betreft de grondgebondenheid. Artikel 6.1.1. bepaalt vervolgens dat een ruimtelijk plan uitsluitend een nieuw agrarisch bouwperceel kan bevatten indien het bouwperceel is bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hiervan is sprake zodat de onderhavige ruimtelijke inpassing van de paardenhouderij via artikel 2.12. sub 1 onder a.3. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet in strijd is met het provinciale beleid. 3.3
Gemeentelijk beleid
Het projectgebied is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied gemeente Opsterland (vastgesteld 30 juni 2014) en de correctieve en partiele herziening daarvan, vastgesteld 8 oktober 2018. Het perceel is deels bestemd als “Wonen-Woonboerderij” (artikel 21) en deels bestemd als “Agrarisch” (artikel 3).
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -6-
De beoogde kapschuur ten behoeve van het stallen van materiaal en materieel wordt opgericht binnen de bestemming “Wonen-Woonboerderij”. De overdekte rijhal met stallen, de sleufsilo en de overdekte longeercirkel worden in de bestemming “Agrarisch” gesitueerd. Binnen deze bestemmingen is de uitoefening van een paardenhouderij niet toegestaan. Het bestemmingsplan kent voorts geen afwijkings- of wijzigingsbepalingen om de vestiging van de paardenhouderij mogelijk te maken. Daarnaast is specifiek beleid voor paardenhouderijen vastgelegd in de Notitie Paardenhouderij in Opsterland (november 2008). Dit beleid is erop gericht mogelijkheden te bieden voor de paardensector in het buitengebied van Opsterland, zowel in hobbymatige zin als in het kader van een grondgebonden als een nietgrondgebonden bedrijf, mits één en ander landschappelijk goed wordt ingepast. Aan de uitgangspunten van deze notitie (zie bijlage) wordt voldaan. Burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland hebben bij brief d.d. 5 februari 2020 aangegeven in beginsel planologische medewerking te willen verlenen aan de gewenste ontwikkeling. Conclusie De vestiging van de paardenhouderij past binnen het rijks- en provinciale beleid. Het initiatief is in strijd met het bestemmingsplan maar in overeenstemming met het beleid zoals verwoord in de Notitie Paardenhouderij in Opsterland.
Het college van burgemeester en wethouders heeft zich bereid verklaard mee te willen werken aan de planologische inpassing van de paardenhouderij.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -7-
4.
Omgevingsaspecten
4.1
Algemeen
De voorgenomen vestiging van de paardenhouderij kan mogelijk effecten op de omgeving van het projectgebied hebben. Daarbij valt te denken aan aspecten als hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid en stof. Voorts kan het project archeologische waarden die binnen het plangebied voorkomen, e.d. aantasten. Voor vele van dergelijke aspecten zijn wettelijke regels en/of normen vastgelegd. In het onderstaande zal nader worden ingegaan op die omgevingsaspecten die relevant kunnen zijn ten aanzien van het onderhavige project. 4.2
Milieuzonering
Ter bescherming van de woon- en leefkwaliteit is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Om die reden moet worden onderzocht of in de directe omgeving van het plangebied gevoelige functies aanwezig zijn die hinder en/of overlast kunnen ervaren door de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. In de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” zijn de meest voorkomende vormen van bedrijvigheid beoordeeld op grond van hun hinderlijkheid en aan de hand daarvan verdeeld in een zestal milieucategorieën. Op grond van de mate van milieuhinderlijkheid wordt geadviseerd een bepaalde afstand ten opzichte van gevoelige functies aan te houden, zoals woningen, scholen, e.d. Deze afstandsnormen zijn indicatief van aard. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering valt het bedrijf onder de categorie "paardenfokkerijen”. De richtafstand tot gevoelige bebouwing van derden bedraagt 50 meter op basis van geur als wordt uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk/rustig buitengebied”. De richtafstand geldt enerzijds tussen de grens van de bestemming van de bedrijven en anderzijds de uiterste situering van de gevel van de gevoelige bestemming. Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij dient deze afstand op grond van artikel 4 eveneens 50 meter te bedragen.
In alle gevallen wordt aan de richtafstand van 50 meter tussen de paardenhouderij en gevoelige bebouwing van derden voldaan. De dichtstbijzijnde gevoelige bebouwing bevindt zich op een afstand van ca. 100 meter. Initiatiefnemer zal ten behoeve van de vestiging van de paardenhouderij een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer indienen. 4.3
Luchtkwaliteit
In de Wet luchtkwaliteit zijn normen opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht. Deze normen hebben betrekking op de concentraties in de buitenlucht van een aantal luchtverontreinigende stoffen. Het betreft de stoffen zwaveldioxide, fijn stof (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Deze wetgeving vloeit voort uit normen voor luchtkwaliteit die door de Europese Unie zijn gesteld. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet worden aangetoond dat bij de uitvoering van dat plan: de wettelijke grenswaarden voor de genoemde stoffen niet worden overschreden, dan wel bij een beperkte toename van de concentratie van één of meer van de genoemde stoffen door een met het project samenhangende maatregel/effect de luchtkwaliteit per saldo verbetert, dan wel het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -8-
In het “Besluit niet in betekenende mate” is vastgelegd dat wanneer een ontwikkeling niet meer bijdraagt dan 3% aan de grenswaarde, deze niet getoetst hoeft te worden aan de wettelijke grenswaarden. Voor bepaalde landbouw inrichtingen wordt op voorhand al aangenomen dat zij niet in betekenende mate zullen bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze zijn opgenomen in een ministeriële regeling (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)). Deze regeling is echter niet van toepassing op veehouderijbedrijven. Aan paarden is echter geen emissiefactor toegekend voor fijn stof zodat wordt voldaan aan de daarvoor gestelde grenswaarden. De toename van verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige verkeersbewegingen is verwaarloosbaar zodat ook ten gevolge van gemotoriseerd verkeer de grenswaarden ingevolge de Wet Luchtkwaliteit niet worden overschreden. 4.4
Licht
De nieuwe bebouwing heeft een relatief beperkt oppervlak aan gevelopeningen. Wel zal in de avondperiode gebruik worden gemaakt van de rijhal die in de donkere jaarperiode zal worden verlicht. Lichtuitstraling kan niet plaatsvinden anders dan bij openstaande deuren en mogelijk door het toe te passen windbreekgaas. De lichtuitstraling is echter daardoor beperkt. Om die reden bestaat er geen risico op lichthinder. 4.5
Ecologie
Diverse dier- en plantensoorten worden op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Niet alleen de soorten zelf, maar ook hun holen, nesten, e.d. zijn beschermd. Voor een groot aantal soorten geldt een zorgplicht. Dit houdt in dat voldoende zorg in acht moet worden genomen voor alle in het wild levende dieren en planten (inclusief hun leefomgeving). Concreet betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep rekening moet worden gehouden met alle ter plaatse aanwezige dieren en planten en moet worden voorkomen dat deze worden gedood, verwond of gestoord. Voor alle grondgebonden zoogdieren en amfibieën in het plangebied geldt de zorgplicht. Door middel van ecologisch onderzoek is de impact van het initiatief op ecologische belangen in beeld gebracht (zie bijgevoegd ecologisch onderzoek van Mulder Ecologie, Groningen d.d. 9 april 2021). Hier wordt o.a. ingegaan op de mogelijke effecten op Natura 2000 gebieden, de Natuur Netwerk gebieden Nederland en soortenbescherming. Na gereedkoming van de ecologische rapportage zijn de plannen ten gevolge van het overleg over de landschappelijke inpassing echter aangepast maar dit heeft geen gevolgen voor de conclusies/aanbevelingen in het ecologisch onderzoek.
Het navolgende wordt in het genoemde ecologisch onderzoek geconcludeerd: Gezien de beperkte duur, omvang en uitstraling van de voorgenomen activiteiten in de realisatiefase en de geringe wijziging van de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige wordt het optreden van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten; Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie Fryslân kent geen externe werking voor het NNN. Ook ligt het plangebied niet in, noch in de nabijheid van, andere via de Verordening Romte beschermde (natuur)gebieden. Het plangebied is beperkt geschikt als broedgebied voor enkele algemene soorten broedvogels. Voor deze soorten geldt, dat er geen overtreding van de Wet natuurbescherming aan de orde is in het geval de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gedefinieerd. In de praktijk wordt hiervoor over het algemeen globaal de periode maart tot en met juli aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van de werkzaamheden.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -9-
De erfbeplanting kan deel uitmaken van het foerageergebied van vleermuizen met eventuele verblijfplaatsen in het plangebied. Omdat er slechts zeer beperkt groen aanwezig is op het erf, kan de kap van één van de aanwezige bomen de functionaliteit van deze verblijfplaatsen (mee)bepalen. Op voorwaarde dat de te kappen boom wordt gecompenseerd door meer erfbeplanting, kan worden uitgesloten dat de functionaliteit van vleermuisverblijven in het geding komt. Het optreden van negatieve effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna anders dan broedvogels wordt uitgesloten. Wel geldt voor alle soorten, in het bijzonder de in het plangebied te verwachten soorten amfibieën en zoogdieren met een provinciale vrijstelling, de algemene zorgplicht (bijlage II). Deze schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Verstoring van beschermde plant- en diersoorten wordt dan ook niet verwacht. De te kappen bomen worden gecompenseerd door nieuw te planten bomen. Tenslotte zal daar waar mogelijk worden getracht in de bouw en inrichting van het erf rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren (natuurinclusief bouwen). 4.6
Archeologie/Cultuurhistorie
Archeologie Aan het plangebied is naast de bestemming “Wonen-Woonboerderij” en “agrarisch” geen bescherming toegekend voor wat betreft de aantasting van archeologische waarden. Op grond van het provinciaal archeologisch beleid (FAMKE) wordt voor de periode Steentijd-Bronstijd geadviseerd een karterend onderzoek uit te voeren bij ingrepen van meer dan 2500 m2. Voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen is geen onderzoek nodig. De gezamenlijke oppervlakte van de te bouwen paardenstal, de overkapte longeercirkel, de mestsilo en de rijhal bedraagt 2213 m2. De ingreep is daarmee beperkt en overschrijdt de maatvoering van 2500 m2 niet. In reactie op de provinciale vooroverlegreactie d.d. 15 november 2022 is echter alsnog archeologische onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in een rapportage van Laagland Archeologie te Almelo. Het navolgende advies is daarin opgenomen: Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Voorts is initiatiefnemer bekend met het feit dat er op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht voor toevalvondsten bestaat. Cultuurhistorie Ten behoeve van het initiatief is een erfinrichtingsplan opgesteld waarbij rekening is gehouden met de cultuurhistorische aspecten.
Kortheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar het bijgevoegde Nije Pleatsoverleg d.d. 13 september 2022 en het daarop gebaseerde landschappelijk inpassingsplan (oktober 2022) welke als bijlagen zijn bijgevoegd. Sloten en houtwallen hoeven ten behoeve van de bouw van de overkapte rijhal met stallen, overkapte longeercirkel, mestsilo niet en kapschuur te worden verwijderd. Cultuurhistorische aspecten worden met onderhavig initiatief dan ook niet in onevenredige mate aangetast. 4.7 Landschappelijke inpassing Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing is op grond van de resultaten van de Nije Pleatsmethode (zie bijgaand verslag van 13 september jl.) een landschapsinpassingsplan (oktober 2022) ontwikkeld waarin tevens wordt ingegaan op de cultuurhistorie ter plaatse. De harde belijning van de gebouwen wordt daarin verzacht door een omranding van het perceel met knotwilgen. Voorts blijft de bestaande beplanting op het perceel voor het grootste deel gehandhaafd. Ten behoeve van de watercompensatie wordt op het erf een vijver gegraven en wordt de westelijke gelegen sloot verbreed. Kortheidshalve wordt op deze plaats verwezen naar bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan. De uitvoering en instandhouding van deze
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -10-
landschappelijke inpassing zal worden gewaarborgd door middel van een voorwaarde te verbinden aan de te verlenen omgevingsvergunning. 4.8
Externe veiligheid
Op grond van het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) moet afstand worden aangehouden tussen risicovolle en risicogevoelige functies. Risicovolle functies betreffen hoofdzakelijk bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, welke veiligheidsrisico’s opleveren voor hun directe omgeving. De paardenhouderij is geen inrichting in de zin van het Bevi. Met dit project wordt evenmin de realisering van (beperkt)kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Om die reden zijn er geen aspecten aan de orde die de externe veiligheid betreffen. Ook niet voor wat betreft het transport van gevaarlijke stoffen over weg en per rail (Besluit transport externe veiligheid) en via buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen). Conclusie De ontwikkelingen binnen het projectgebied leveren geen risico’s op met betrekking tot externe veiligheid. 4.9
Water
Vanwege het belang van het water in de ruimtelijke ordening, moet bij nieuwe ruimtelijke plannen worden aangegeven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De verplichting hiertoe vloeit voort uit het bepaalde hieromtrent in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Waterschappen moeten daarom in een vroeg stadium betrokken worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Op 29 maart 2022 is een digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage). Daaruit blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Dit betekent dat voor het extra te verharden (bebouwen oppervlak) 10% in wateroppervlakte moet worden gecompenseerd. Deze compensatie wordt gevonden door de westelijke sloot van het betreffende perceel over een lengte van 104 meter te verbreden en een vijver op het perceel te graven. Mede gelet op het nadere wateradvies d.d. 5 december 2022 van Wetterskip Fryslan zullen indien noodzakelijk maatregelen worden getroffen om erfafspoeling in oppervlaktewater te voorkomen. Ter berging en afvoering van het hemelwater zal de nieuwe bebouwing zoveel mogelijk worden aangesloten op het nieuw te graven oppervlaktewater. 4.10
Bodem
Er zijn geen bodemkwaliteitsgegevens bij de gemeente bekend betreffende de locatie van de voorgestelde paardenhouderij. Ook uit bodemloket van Rijkswaterstaat blijkt dat de bodem ter plaatse van de paardenhouderij niet voor beperkingen zorgt. Bij de bouw van de paardenstal, overdekte longeercirkel en mestsilo komt dan ook niet of nauwelijks grond vrij. Toch zal eventuele vrijkomende grond op het eigen erf worden verwerkt. Gelet hierop en het feit dat de locatie in het buitengebied is gelegen, behoeft deze grond dan ook niet op PFAS te worden onderzocht. WMR te Rinsumageest heeft echter ter plaatse ene bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn weergegeven in een rapportage d.d. 1 april 2021. Deze rapportage is bijgevoegd. De conclusie luidt: Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de gemeten gehalten en concentraties kan de gestelde onderzoekshypothese, een onverdachte locatie, aangenomen worden. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -11-
Figuur 4: fragment kaart Bodemloket
4.11
Wet Natuurbescherming
Om de natuur in Europa als geheel te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie samen aan een Europees netwerk van natuurgebieden, het Natura 2000-netwerk. De aanwijzing van Nederlandse natuurgebieden die deel uitmaken van dit netwerk is inmiddels in gang gezet. Natura 2000gebieden in Nederland worden beschermd door de Wet Natuurbescherming. Om schade aan natuurwaarden binnen Natura 2000-gebieden te voorkomen bepaalt de Wet Natuurbescherming dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren, of die een verstorend effect kunnen hebben op de aanwezige soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Op grond van het aantal te houden paarden en verkeersbewegingen is een Aeriusberekening uitgevoerd waaruit bleek dat dat er significante effecten zijn te verwachten op het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied te weten de Wijnjeterper Schar. Initiatiefnemer heeft gelet daarop gebruik gemaakt van de mogelijkheid extern te salderen voor wat betreft stikstofdepositie door rechten van derden aan te kopen. Uit de daarna uitgevoerde Aeriusberekening blijkt dat daarmee de in potentie negatieve significante effecten op het betreffende Natura 200 gebied wordt geneutraliseerd. Op basis hiervan is een aanvraag om vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming bij Gedeputeerde Staten van Fryslân ingediend.
De gevraagde vergunning is op 31 maart 2023 (onherroepelijk) verleend (zie bijlage) waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. De opmerkingen van de provincie in de vooroverlegreactie d.d. 15 november 2022 hieromtrent zijn verwerkt waarbij de aantallen te houden dieren in de onderbouwing in overeenstemming zijn gebracht met de verleende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming en voor de berekening van de stikstofdepositie gebruik is gemaakt van de meest recente Aerius-rekenmethodiek. 4.12
Verkeer en geluid
De vestiging van de paardenhouderij mag niet leiden tot ontwrichting van het verkeerssysteem. De verwachting is dat er als gevolg van de realisering van de paardenhouderij geen overmatige toename in de verkeersbewegingen ter plaatse zullen zijn en niet zal leiden tot onveilige verkeerssituaties. De eigen machines
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -12-
en het materieel worden in de gewenste situatie inpandig gestald (kapschuur) en niet meer op het buitenterrein, wat de akoestische situatie ter plekke zelfs zal verbeteren. De enige potentiële geluidbron van het projectgebied is het verkeer op het terrein. De omvang van deze verkeersbewegingen neemt echter niet overmatig toe waardoor er geen geluidhinder valt te verwachten. 4.13
Kabels en leidingen
Binnen het plangebied of in de buurt hiervan zijn geen kabels en leidingen aanwezig waar rekening mee gehouden dient te worden.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -13-
5.
Uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Tijdens de voorbereiding van de aangevraagde omgevingsvergunning en daarmee samenhangende afwijking van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied gemeente Opsterland (vastgesteld 30 juni 2014) en de correctieve en partiële herziening daarvan, vastgesteld 8 oktober 2018 zal via overleg met overige overheidsinstanties, zoals de provinsje Fryslân en de ter inzagelegging van een ontwerp besluit tot vergunningverlening worden onderzocht of maatschappelijk draagvlak voor het onderhavige initiatief bestaat. De initiatiefnemer heeft zijn plan tevens voorgelegd aan de naaste buren. Nadien zijn de plannen echter gewijzigd. De naaste buren hebben vervolgens aangegeven zich niet te kunnen vinden in die plannen waarop nader overleg met hen is gepleegd. Helaas heeft dit niet tot overeenstemming geleid. Een verslag van het nadien gehouden overleg tussen initiatiefnemer, buren en gemeente is bijgevoegd waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. Voorts is gevolg gegeven aan het advies vooroverleg Provinsje Fryslan d.d. 15 november 2022 (zie bijlage) en is de voorliggende ruimtelijke onderbouwing hierop aangepast.
Een archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd, de uitvoering van landschappelijke inpassing zal worden gewaarborgd door een op te leggen voorwaarde aan de te verlenen omgevingsvergunning, onderhavige ruimtelijke onderbouwing is thans afgestemd op de verleende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming en tevens zijn de berekeningen uitgevoerd overeenkomstig de meest actuele versie van de Aerius-rekenmethodiek. Tenslotte zal met de bouw en terreininrichting zoveel mogelijk rekening worden gehouden met maatregelen die ene positief ecologisch effect sorteren (natuurinclusief bouwen). Tenslotte is op 5 december 2022 een vooroverlegreactie ontvangen van it Wetterskip Fryslân. Deze overleg reactie is als bijlage bijgevoegd. It Wetterskip Fryslân attendeert daarin op het belang van het voorkomen van erfafspoeling en constateert dat de toename van de verharding in het projectgebied in voldoende mate wordt gecompenseerd door middel van nieuw te graven oppervlaktewater. De regenwaterafvoer zal hierop zoveel mogelijk worden aangesloten (zie ook paragraaf 4.9). 5.2
Economische uitvoerbaarheid
De gemeente is niet in financiële zin betrokken bij de realisering van de nieuwe paardenhouderij. In verband met mogelijk optredende planschade zijn tussen gemeente en initiatiefnemer nadere afspraken gemaakt en is een planschadeovereenkomst getekend. Met het voorgaande is de economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan gegarandeerd.
Ruimtelijke onderbouwing paardenhouderij Bûtewei 3 te Ureterp Projectnummer: AJS/56 Drogeham, juli 2023 -14-
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Landschappelijke inpassing nieuwbouw Butewei 3, Ureterp
Spoelstra omgevingsadviseur
all rights reserved
Aan de Butewei bij Ureterp ligt een erf waar eigenaren een uitbreiding op willen doen.Gedacht wordt aan een loods voor een rijbak en stallen. Deze landschappelijke inpassing geeft de maatregelen die genomen worden om de toevoegingen dusdanig uit te voeren dat de ruimtelijke kwaliteit gespaard wordt en zo mogelijk verbeterd. De Butewei ligt in een gevarieerd landschap met een grote mate van kwaliteit. Het zijn de zogenaamde woudontginningen. Deze veenontgining is één van de drie landschapstypen van de gemeente Opsterland Karakteristiek is de afwisseling van de besloten landschappen op hoger gelegen zandgronden en de vergezichten van het veenweidegebied in het westen van de gemeente. De basis voor dit afwisselende landschap ligt in de ijstijd. De ijstijden brachten vanuit Scandinavië zand en stenen mee en vormde een keileemplateau. Na de ijstijden schuurden smeltwaterstromen brede dalen uit. Zo ontstond het kenmerkende landschap van Zuidoost Fryslân met zijn beekdalen en zandruggen. Een van die dalen was de voorloper van het huidige Koningsdiep. Later vormden zich veenmoerassen op het keileem en dekzand, Dit hoogveen breidde zich uit en vulde uiteindelijk ook de beekdalen met laagveen. In de middeleeuwen werd dit veen gewonnen als brandstof.
Zo vormden zich de woudontginningen.Het landschap wordt gekenmerkt door een opstrekkende verkaveling vanuit de beek op de zandruggen van de uitlopers van het Drents plateau. De boerderij zelf stamt uit 1911 en is vermeld als karakteristiek object (Objectid: 5275 Mipcode Fr-Ops-239). Op zich geeft dit de boerderij en het erf geen status, maar het geeft wel aan dat het een hoogwaardige ruimtelijk ensemble betreft. Huidige eigenaren houden het erf op orde wat bijdraagt aan de ensemblewaarde. Het erf is vrij liggend in het verder redelijk grootschalige landschap. De singelstructuur en beplanting is in overeenstemming met de verkavelingsrichting.
Bonnekaart
1925
1962
1970
2011
Luchtfoto 2022
Als we kijken naar de jonge geschiedenis van dit erf en haar omgeving valt op dat er weinig veranderingen zijn sinds het begin van de 20e eeuw.Op de Bonnekaart is het gehele gebied aangegeven als onontgonnen gronden, maar in 1925 is het gehele gebeid verkaveld en in cultuur gebracht. Het erf is dan al bebouwd. Door de verschillende decennia zien we toevoeging op het erf die later weer veranderen. De verkaveling zelf blijft redelijk intact. Wel zien we aan de voorzijde van de landerijen dat er dwarsslootjes gegraven worden die in latere tijden weer verdwijnen.Opvallend is de laanbeplanting direct ten oosten van het erf aan de Butewei. Deze is kennelijk al aanwezig vanaf het in cultuur nemen van de gronden. Bij zomerdag ontneemt deze beplanting in belangrijke mate het zicht op het erf, komende vanuit het oosten. Vanaf de Butewei verdicht het landschap zich naar het zuiden waar het stroomgebied van de Koningsdiep (of Boarn of Grutdjip) zich bevindt. Hierdoor is het doorzicht beperkt, wat maar goed is ook omdat hoogspanningsmasten hier anders teveel het beeld zouden bepalen.
Aanzicht erf vanaf oost
Vooraanzicht ‘Eigen Hiem’
Landschapskaart en kenmerken
De gemeente Opsterland heeft een Omgevingsvisie vastgesteld waarin zij haar ambities voor ruimtelijke kwaliteit beschrijft. De Butewei is in die visie onderdeel van de lintbebouwing in een verder open landschap. Tegelijkertijd is deze structuur ook een recreatieve route rond het Koningsdiep. Initiatiefnemers willen de uitbreiding doen omwille van de opfok van Friese paarden. Het bedrijf voegt zich dus uitstekend in het landschappelijke beeld en vormt een rustpunt om paarden te bekijken. Het vormt dus een welkome aanvulling. De rijhal wordt geplaatst achter het bestaande erf. Keuze voor een rijhal komt voort uit een tweetal overwegingen; mogelijkheid voor aanbrengen PV-panelen (en daarmee karakteristieke bouwwerken vrijhouden hiervan) en voorkomen van lichthinder die gepaard gaat met een buitenbak. De stallen en loncheerinrichting worden geplaats op het achtereind van het bestaande erf. Deze vallen dus binnen de huidige erfcontour die goed is beplant. Voor butewei 3 de landschappelijke inpassing van de twee kleinere elementen hoeft weinig te gebeuren. De rijhal is door maatvoering en positie een nieuw en dus vreemd element. De plaatsing geschiedt na een Nije Pleats sessie achter op het erf en wordt het erf opgedeeld in drie delen: een woonerf, een overgang en een werkerf. Rond het nieuwe werkerf wordt een singel aangebracht middels winterstek wilgen.
Op termijn kunnen de wilgen geknot worden waardoor de ecologische waarde (vleermuizen) belangrijk vergroot wordt. Door de aan te brengen beplanting zal het achterste, nieuw aan te brengen gedeelte zich voegen aan het voorliggende erf. Hieronder is schematisch de erfcontour van oost- en westzijde verbeeld.
Bp
Pa
Ah aanzicht vanaf oostzijde
Tv Tv
Fe aanzicht vanaf westzijde
Sa
Bp
Sa(k)
Bp Sa
Sa
Sa
Sa(k)
Sa
Sa(k)
Bp Fe
Es Fraxinus excelsior
Tv
Leilinde Tilia vulgaris (lei)
Pa
Kers Prunus avium te kappen bestaande beplanting
Bp
Ruwe berk Betulus pendula
Sa Sa
Sa Sa
Ah
Sa
Sa(k) Sa(k)
Schietwilg Salix alba
Sa
Paardekastanje Aesculus hippocastanum
Sa(k)
Sa Sa Sa
Sa(k)
Nieuwe aanplant
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k)
Sa(k) Sa(k) Sa(k)
Impressie nieuw situatie aanzicht erf vanaf oost
100m
Sa(k) Sa(k)
Sa(k) Sa(k)
CONCEPT LANDSCHAPPELIJKE INPASSING BUTEWEI 3 versie oktober 2022 status: definitief na Nije Pleats sessie opdrachtgever: Spoelstra omgevingsadviseur Lytse Wei 20 9289 LB Drogeham telefoon: 0512 36 99 00 fax: 0512 36 99 01 info@spoelstra-advies.nl auteur: Ir. M.J. Oosterhagen. Landschapsarchitect BNT 3.021101.001 projectnummer OLA0042021 Dit rapport is vervaardigd op verzoek en in eigendom van opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van adviseurs, opdrachtgever en auteur. Auteur is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede schade welke voortvloeit uit de toepassing van deze productie. Opdrachtgever vrijwaart auteur voor aanspraken van derden in verband met toepassing van deze productie.
Spoelstra omgevingsadviseur
BIJLAGE 1 : BEHEER EN ONDERHOUD KNOTWILGEN WINTERSTEK Het maken van een winterstek is een makkelijke manier om wilgen of populieren te vermeerderen en te planten. Tijdens de rustperiode van bomen (dec-feb) wordt een tak van drie meter afgesneden van een gezonde populier of wilg. Deze tak wordt voorbereid en op de beoogde plek ongeveer een meter in de grond gestoken.
takken afknippen
Zorg voor een redelijk vochtige standplaats, niet te nat maar ook niet te droog.
Kroon snoeien en evt. stam kaal knippen
1 meter in grond plaatsen
Er hoeft in principe geen paal gezet te worden naast de winterstek tenzij het een zeer winderige plek is. De boom wordt sterker zonder boompaal.
Vormsnoei uitvoeren (kruisende takken verwijderen, doorlopende stam bevorderen)
raster
Bij aanplant boom plaatsen in hekwerk (schapengaas o.i.d.) om vraat en schade door bosmaaiers te voorkomen,
of eventueel knotten
repen van bast afschillen of inkepen Na 1 jaar
Na 3-4 jaar
KNOTTEN
Nooit tot op stam knotten! Eerste snede (1) aan onderzijde dan (2)tak van boven afzagen. Bij zeer dikke takken verder van de knot afzagen en vlak afknotten (3) Na 6-7 jaar
2 2 1
3
1
3 jaar na eerste knotting weer geheel knotten en daarna elke 5 jaar.
Na 6-7 jaar
Bijlage 4
Bijlage 5
Bijlage 6
Bijlage 7
Bijlage 8
BÛTEWEI 3 URETERP QUICKSCAN NATUURWETGEVING
3
Mulder Ecologie Van Goghstraat 75 9718 MT Groningen www.mulder-ecologie.nl info@mulder-ecologie.nl
BÛTEWEI 3 URETERP QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Datum
9 april 2021
Rapportkenmerk
2021011
Opdrachtgever
Spoelstra Omgevingsadviseur
Contactpersoon
Mr. A.J. Spoelstra
Auteur
Mevr. S.A. Mulder
INHOUDSOPGAVE 1
2
INLEIDING ................................................................................................................................. 3 1.1
Aanleiding ......................................................................................................................... 3
1.2
Doel ................................................................................................................................... 3
1.3
Plangebied ........................................................................................................................ 3
1.4
Planvoornemen ................................................................................................................ 4
1.5
Methodiek ........................................................................................................................ 4
1.6
Leeswijzer ......................................................................................................................... 5
RESULTATEN EN EFFECTBEPALING ......................................................................................... 6 2.1
Inleiding ............................................................................................................................ 6
2.2
Gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden .......................................... 6
2.2.1
Natura 2000 .............................................................................................................. 6
2.2.2
Houtopstanden ......................................................................................................... 6
2.2.3
Verordening Romte Fryslân ..................................................................................... 7
2.3
3
2.3.1
Afbakening soortgroepen ........................................................................................ 7
2.3.2
Amfibieën .................................................................................................................. 8
2.3.3
Vogels ........................................................................................................................ 8
2.3.4
Zoogdieren .............................................................................................................. 10
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................ 13 3.1
Gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden ........................................ 13
3.1.1
Wet natuurbescheming.......................................................................................... 13
3.1.2
Verordening Romte Fryslân ................................................................................... 13
3.2
Soortenbescherming ...................................................................................................... 13
3.2.1
Algemene broedvogels ........................................................................................... 13
3.2.2
Vleermuizen ............................................................................................................ 13
3.2.3
Overige soorten en zorgplicht................................................................................ 14
3.3 4
Soortbescherming ............................................................................................................ 7
Vrijblijvend advies stimuleren biodiversiteit................................................................. 14
GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................. 15 4.1
Literatuur ........................................................................................................................ 15
4.2
Internet ........................................................................................................................... 15
BIJLAGE I VISUALISATIE PLANVOORNEMEN .............................................................................. 17
BIJLAGE II
FOTOBIJLAGE .......................................................................................................... 19
BIJLAGE III
TOETSINGSKADER ................................................................................................... 23
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens om het bouwvlak van de Bûtewei 3 in Ureterp naar het zuiden te verleggen ten behoeve van de realisatie van diverse voorzieningen voor paarden. De haalbaarheid van dit voornemen moet onder meer worden beoordeeld in relatie tot de natuurwetgeving. Om inzicht te verkrijgen in de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied en te kunnen bepalen of het uitvoeren van het planvoornemen kan leiden tot negatieve effecten op deze waarden, is een ecologische toetsing uitgevoerd. Deze toetsing heeft in eerste instantie bestaan uit een verkennend onderzoek, een quickscan.
1.2 Doel Voorliggende rapportage heeft tot doel om vast te stellen of het planvoornemen strijdig is of kan zijn met de in wet- en regelgeving vastgelegde bescherming van soorten en/of gebieden. In het kader hiervan worden in dit rapport de volgende vragen beantwoord:
Komen in de omgeving van het plangebied beschermde natuurgebieden voor? Kan de realisatie van het planvoornemen leiden tot effecten op nabijgelegen Natura 2000gebieden en/of gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS)? Maakt bomenkap deel uit van het planvoornemen? Vindt er in dat geval kap van beschermde houtopstanden plaats? Maakt het plangebied (mogelijk) deel uit van het leefgebied van beschermde soorten flora en/of fauna? Om welke soorten gaat het en welke functie(s) bekleedt het plangebied voor deze soorten?
1.3 Plangebied Het plangebied wordt gevormd door de Bûtewei 3 in Ureterp in de gemeente Opsterland. De woning is gelegen in het open buitengebied tussen Beetsterzwaag en Ureterp (afb. 1). Op het noordelijke deel van het perceel bevindt zich een woonboerderij. Het voorste deel van de woonboerderij heeft een pannendak, het overige deel een recent rieten dak. Langs de westzijde staat een vrijstaande stenen stal/schuur met pannendak. Ten zuidwesten van de boerderij bevindt zich een gazon met vijver, ten zuiden een grotendeels verhard erf met daarop een kleine sleufsilo en een overkapte materiaalopslag. Weer ten zuiden hiervan bevindt zich een rijbak voor paarden. Langs de oostzijde van het perceel bevindt zich een ondiepe, beperkt waterhoudende sloot (droogvallend in het zomerseizoen). Rondom het perceel staan op enkele locaties een aantal bomen (wilgen). Verdere begroeiing is zo goed als afwezig. Bijlage I geeft een foto-impressie van het plangebied. 3
Afbeelding 1. Ligging van het plangebied in het rode kader. Bron: www.opentopo.nl.
1.4 Planvoornemen Het planvoornemen bestaat uit de volgende activiteiten (bijlage I):
De realisatie van een paardenstal en berging op het erf tussen de woonboerderij en de rijbak. Bij de aanleg wordt vermoedelijk een solitaire wilg langs de perceelgrens gekapt. Plaatsing van een overkapte longeercirkel direct ten zuiden van de tuinvijver. Uitbreiding van de huidige paardenbak in zuidelijke richting (verdubbeling oppervlak). Aanleg van een sleufsilo ten zuiden van de uitgebreide rijbak.
Afgezien van de wilg bij de paardenstal worden er geen bomen gekapt. De werkzaamheden worden overdag uitgevoerd en het plangebied wordt ’s nachts niet verlicht. Er is nog geen concrete planning voor de uitvoering van de werkzaamheden. Deze is mede afhankelijk van de doorlooptijd(en) van de procedure(s).
1.5 Methodiek Deze quickscan heeft bestaan uit een bronnenonderzoek en een eenmalig veldbezoek. Voor het verkrijgen van een actueel overzicht van de uit de omgeving van het plangebied bekende beschermde soorten is op 7 april 2021 de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De NDFF is een zeer uitgebreide natuurdatabank met daarin uitsluitend gevalideerde informatie aangaande het voorkomen en de verspreiding van Nederlandse flora 4
en fauna. Voor deze quickscan is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de NDFF binnen een afstand van ongeveer 5 km van het plangebied over de afgelopen 5 jaar. Het veldbezoek is uitgevoerd op donderdag 18 maart 2021, onder bewolkte omstandigheden (nu en dan lichte regen) bij een matige wind uit het noordwesten en een temperatuur van circa 7°C. Bij dit veldbezoek is het plangebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten in de vorm van onder meer zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek (waaronder pootafdrukken, uitwerpselen en haren), verblijfplaatsen (nesten, holen) en/of bij het ontbreken hiervan de (mogelijke) geschiktheid van het plangebied voor deze soorten op basis van terreinkenmerken en expert judgement.
1.6 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de (mogelijke) effecten van het planvoornemen op beschermde natuurwaarden op de onderzochte locatie besproken. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van de vervolgstappen die in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de voor het onderzoek geraadpleegde bronnen.
5
2 RESULTATEN EN EFFECTBEPALING 2.1 Inleiding Het voornaamste kader waarbinnen de ecologische quickscan is uitgevoerd, vormt de Wet natuurbescherming. Deze wet voorziet in de bescherming van gebieden (uitsluitend Natura 2000), soorten en houtopstanden. De bescherming van andere (natuur)gebieden, waaronder het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur of EHS), loopt via het ruimtelijke ordeningsrecht en is vastgelegd in de provinciale Verordening Romte. Via deze verordening werken de provinciale ruimtelijke belangen door in gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In bijlage II worden beide toetsingskaders nader toegelicht. In onderstaand hoofdstuk worden de voorgenomen activiteiten getoetst aan de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.2 Gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden
2.2.1 Natura 2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Wijnjeterper Schar circa 2 km ten zuiden van het plangebied (afb. 2). Andere nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn De Van Oordt’s Mersken ten westen van Beetsterzwaag (afstand ruim 5 km) en de Bakkeveense Duinen ten oosten van Bakkeveen (afstand circa 9 km). Uitgangspunt ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden is dat een activiteit of ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Deze negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld samenhangen met de depositie van stikstof samenhangend met de voorgenomen activiteiten en/of andere storingsfactoren, waaronder bijvoorbeeld de uitstraling van licht en geluid (zowel tijdens uitvoering van de werkzaamheden als na ingebruikname van de nieuwe situatie) Gezien de tijdelijke aard en de beperkte omvang van de voorgenomen activiteiten in de realisatiefase en de geringe wijziging van de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige, wordt het optreden van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied uitgesloten. Een nader onderzoek is niet nodig.
2.2.2 Houtopstanden In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen zal vermoedelijk één solitaire wilg ter plaatse van de noordoostzijde van de te realiseren paardenstal/berging worden gekapt (§1.4). Bomen en houtopstanden op erven of in tuinen vallen buiten de bepalingen van de Wet natuurbescherming. Er geldt in dit geval dus geen meldingsplicht bij de provincie. Wel is het 6
raadzaam om bij de gemeente te informeren of voor de (eventuele) kap van deze boom een omgevingsvergunning (voorheen kapvergunning) benodigd is.
Afbeelding 2. Ligging van het plangebied (rode kader) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (paars) en NNN-gebieden (EHS). Bron: Natuur Overzichtskaart Provincie Fryslân.
2.2.3 Verordening Romte Fryslân Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wel ligt het plangebied in de directe omgeving van een groot aaneengesloten NNN-gebied in het beekdal van het Koningsdiep (afb.2). De provincie Fryslân kent geen externe werking voor het NNN (zie bijlage II). Daarnaast worden negatieve effecten, zowel tijdelijk als permanent, op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN uitgesloten op grond van de beperkte omvang en uitstraling van de voorgenomen activiteiten. Er is geen sprake van directe dan wel indirecte aantasting van het NNN. Ook ligt het plangebied niet in, noch in de nabijheid van andere via de Verordening Romte beschermde natuurgebieden (zie bijlage III). Een vervolgonderzoek is niet aan de orde.
2.3 Soortbescherming
2.3.1 Afbakening soortgroepen Op grond van de geografische ligging van het plangebied in het noorden van Nederland, de locatie op een erf met zeer beperkt groen, het ontbreken van jaarrond watervoerende 7
watergangen en de bekende (landelijke) verspreiding van beschermde soorten, wordt de aanwezigheid van beschermde soorten van diverse soortgroepen (insecten, kreeftachtigen, planten, reptielen, weekdieren, vissen en zeezoogdieren) op voorhand uitgesloten. De overige soortgroepen worden hieronder nader besproken.
2.3.2 Amfibieën Tabel 1 geeft een overzicht van de beschermde soorten amfibieën die uit de omgeving van het plangebied bekend zijn. Nederlandse soortnaam Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Heikikker Kleine watersalamander Meerkikker Poelkikker
Wetenschappelijke naam Pelophylax klepton esculentus Rana temporaria Bufo Rana arvalis Lissotriton vulgaris Pelophylax ridibundus Pelophylax lessonae
Beschermingsstatus Vrijstelling (art. 3.10) Vrijstelling (art. 3.10) Vrijstelling (art. 3.10) Habitatrichtlijnsoort Vrijstelling (art. 3.10) Vrijstelling (art. 3.10) Habitatrichtlijnsoort
Tabel 1. Waargenomen beschermde soorten amfibieën in de omgeving van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd op 7 april 2021.
Van de nationaal beschermde soorten amfibieën (zie bijlage II voor een toelichting op de in de Wet natuurbescherming onderscheiden beschermingsregimes ) worden in het plangebied en omgeving uitsluitend algemene soorten verwacht. Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een provinciale vrijstelling van de ontheffingsplicht (zie eveneens bijlage II). Wel geldt ook voor deze soorten onverminderd de zorgplicht. Naast de genoemde vrijgestelde soorten komen in de omgeving van het plangebied de via de Habitatrichtlijn beschermde heikikker en poelkikker voor. Bekende waarnemingen van beide soorten beperken zich in hoofdzaak tot vennen en poelen in natuurgebieden langs het Koningsdiep. In de intensief agrarische graslandpercelen aan de Bûtewei ontbreekt geschikt leefgebied voor beide soorten. De aanwezigheid van beschermde soorten amfibieën zonder provinciale vrijstelling wordt uitgesloten. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroep is niet nodig.
2.3.3 Vogels
2.3.3.1 Jaarrond beschermde nesten Tabel 2 geeft een overzicht van de in de omgeving van het plangebied waargenomen vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen van categorie 1 tot en met 4 (zie bijlage II voor een toelichting).
8