CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van Uitgangspunten Luxwoude - Hegedyk 48 .pdf

Raadsvergadering 13 september 2021, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Starten bestemmingsplanprocedure Luxwoude - Hegedyk 48 (B)20.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

g(fladder)iep (Ulmus laevis)

Het perceel wordt een klein beetje opgehoogd, zodat het op dezelfde hoogte komt te liggen als het buurperceel. Het achterste deel van het perceel blijft open en wordt als een (speel)weide ingericht. Door het openhouden van de overgang tussen de dijk en het perceel blijft het contrast tussen de hoge dijk en de lage polder waarneembaar.

-

grauwe abeel (Populus x canescens)

-

wilg (Salix alba)

-

eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna

Soorten die toegepast kunnen worden zijn: boomsoorten

Struweel De inrit blijft op dezelfde plek als nu, en wordt ook niet breder. Hierdoor wordt de laanbeplanting van eiken niet aangetast. Bij de entree wordt een fraaie, grote boom geplant (bijvoorbeeld een iep). De rooilijn van de woning komt in lijn met of iets achter de woning van de buren, op nummer 50. De schuur komt achter de woning te staan, in lijn met de bijgebouwen van Hegedyk nr. 50. Beplanting Aan de randen west- en oostzijde van het perceel wordt erfbeplanting aangebracht. De erfbeplanting bestaat deels uit een transparante boomlaag, en deels uit dichte begroeiing met naast bomen ook struweel. Om beschutting te bieden tegen de wind en het zicht op het perceel vanaf de Hegedyk te filteren.

-

rode kornoelje(Cornus sanguinea)

-

hondsrooes (Rosa canina)

-

meidoorn Crataegus laevigata)

-

sleedoorn (Prunus spinosa)

-

gelderse roos (Viburnum opulus)

-

wilde kardinaalsmuts ( Euonymus europaeus)

Plantvakken 4 plantvakken met struweel; elk ca 10 meter lang en circa 3 meter breed. Minimaal 3 rijen beplanting, onderlinge afstand 1,25 - 1.5 m, in driehoeksverband. Soorten als hierboven genoemd.

16/21

Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied 2015, paragraaf 2.1 landschap

gezet hebben de vorm van het huidige Opsterland bepaald en vormen het uitgangspunt voor de cultuurhistorische verkenning van het gebied. De gemeente Opsterland heeft door de verschillend gevormde natuurlandschappen nu meerdere cultuurlandschappen binnen haar grenzen.

Landschap De beschrijving van het landschap is ontleend aan het Cultuurhistorisch Onderzoek. Daarin wordt de ontstaansgeschiedenis van het landschap beschreven en wordt het landschap geanalyseerd en wordt een waardestelling gedaan. ontstaansgeschiedenis In de voorlaatste ijstijd (Saalien tussen 370.000 en 130.000 jaar geleden) lag Fryslân onder een ijslaag die vanuit Scandinavië naar het zuiden geschoven was. Deze ijslaag bracht klei, zand en stenen mee (keileem) en vormde o.a. het Fries-Drents Plateau, waarvan de uitlopers zich tot in de Zuidelijke Wouden uitstrekken. In de laatste ijstijd (Weichselien 115.000-10.000 jaar geleden) bereikte het ijs Fryslân niet meer, maar de bodem was wel permanent bevroren en de vegetatie verdween. In de warmere periode tussen de ijstijden smolt de ijskap waardoor er een stroom van smeltwater op gang kwam en die het zacht glooiende gebied aantastte door erosie. Deze smeltwaterstromen schuurden brede dalen uit, de voorlopers van de huidige beekdalen in het oosten van Fryslân en duidelijk zichtbaar op de hoogtekaart. Met het stijgen van de temperatuur verdween de ijskap en steeg de zeespiegel. Dit zorgde landinwaarts voor een stagnatie in de waterafvoer en er begonnen zich veenmoerassen te vormen op het keileem en dekzand. Het veen breidde zich uit en vulde uiteindelijk ook de beekdalen en bedekte de hogere zandgronden.

Er was sprake van regelmatige bewoning aan het eind van de laatste ijstijd, zo’n 13.000 jaar geleden, maar door het oprukkende veen werd het gebied te nat en te geïsoleerd en lijkt in de loop van de bronstijd (2000-800 v.Chr.) de aanwezigheid van bewoning te verdwijnen. Het duurde voor het huidige Opsterland tot vermoedelijk de late 10e eeuw voordat er via de veenriviertjes weer bewoners arriveerden. Het natuurlandschap werd een cultuurlandschap. De ontwikkelingen en met name de ontginningen die toen in gang zijn

17/21

Gebiedsindeling cultuurlandschappen van de gemeente Opsterland De ontwikkeling van de verschillende landschappen heeft het hoogtepunt in verschillende tijdsvakken van de middeleeuwen tot nu beleefd. • Het beekdal- en dekzandrug-cultuurlandschap is ontstaan vanuit de rivierontginningen in de middeleeuwen. • De hoogveenontginningen vonden plaats in de 16e tot 18e eeuw

•

De veenpolders kennen hun ontstaan in de 19e en 20e eeuw, na de grootschalige laagveenontginningen in het Lage Midden met rampzalige overstromingen. • De jonge veen- en heideontginningen waren vooral een resultaat van ontginnings- en werkverschaffingsprojecten in de 20e eeuw. Al deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan de verschijningsvorm van het huidige cultuurlandschap. In de topografische kaart 2012 (figuur 2) zijn deze verschillende gebieden aangegeven en deze worden hierna behandeld. De cultuurhistorische ontwikkelingen zijn leidend voor de gebiedsindeling en de benaming van de cultuurlandschappen van de gemeente. De gebiedsindeling wijkt op onderdelen af van het landschapsbeleidsplan. Ook de benaming is iets anders. De unieke combinatie van natuurlijk landschap en zijn gebruik en bewoning heeft de diverse cultuurlandschappen gevormd en deze vormen de basis voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit.

Cultuurhistorische structuren (figuur 3) Cultuurhistorische ontwikkelingen die de hele gemeente betreffen zijn vooral te vinden in infrastructurele structuren voor bescherming en mobiliteit: (tol)wegen, voet- en kerkenpaden, (trek) vaarten en jaagpaden, opvaarten, sloten, dijken en spoor- en tramwegen. De ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente is grotendeels bepaald door een samenspel van het aanwezige landschap en het gebruik van dit landschap door de bewoners, waardoor voor elk type cultuurlandschap een eigen ontwikkeling is gerealiseerd en een specifieke cultuurhistorische ontwikkeling is aan te geven. Het landschap bepaalde de ontwikkeling van de samenleving tot in de 19e eeuw de industriële revolutie haar intree deed en de samenleving het landschap ging bepalen. Dit is vooral te zien in de infrastructuur van sporen en wegen die dwars over welke andere ontwikkeling of structuur uitgerold werd. De economische vooruitgang was hierbij het uitgangspunt. Tot het midden van de 19e eeuw waren er maar weinig of geen verharde wegen in Opsterland. De belangrijkste verbindingen liepen van west naar oost, over de zandruggen. Er was een tolweg van Frieschepalen via Lippenhuizen en Gorredijk naar Heerenveen en Lemmer.

De noord-zuid verbindingen waren voornamelijk over het water; er liep een tolweg van Beetsterzwaag naar Lippenhuizen Deze oude structuren van tolwegen, kerkenpaden, jaagpaden en opvaarten raken ondergeschikt na de industriële groei. De tramwegen vormen een tussenvorm. Ze zijn een vorm van modernisering, van het moderne mobiele tijdperk, maar ze volgen nog wel de bestaande doorgaande routes. In 1882 kwam de stoomtramlijn Heerenveen-Gorredijk tot stand. Deze werd in 1884 doorgetrokken naar Drachten. In 1911 werd de lijn Gorredijk- Oosterwolde aangelegd. Voor de waardebepaling zijn deze oorspronkelijke oude wegen, trambanen, voet- en kerkenpaden, dijken, vaarten en wijken van groot belang (zie bijlage 5). Uitgangspunt is de handhaving en waar mogelijk het herstel van de oorspronkelijke structuren. Aardkundige reliëfstructuur De gemeente Opsterland heeft door haar ligging aan de uitlopers van het Fries-Drents Plateau een verscheidenheid aan landschappen en aardkundige ontwikkelingen binnen haar grondgebied, ontstaan in de voorlaatste ijstijd. Deze ontwikkeling heeft ook een

18/21

variatie aan reliëf voortgebracht. Dit reliëf is de weerslag van de ontstaansgeschiedenis en de bruikbaarheid van de ondergrond en verklaart de ontstaansgeschiedenis van de cultuurlandschappen. Ook de dobben en pingoruïnes vormen een onderdeel vanuit dezelfde tijdsontwikkeling. De hoogtekaart laat zien dat er sprake is van duidelijke hoogteverschillen, niet alleen tussen het veengebied en het plateau, maar hierbinnen ook tussen de beekdalen en de zandruggen. Een combinatie van de hoogtekaart, de aangegeven aardkundig waardevolle gebieden (CHK2), hoogtelijnen en verschillen op de topografische kaart en visuele waarneming heeft reliëfbeeld opgeleverd (figuur 4). De aangegeven grens is een relevante grens voor het gebied dat bescherming verdient, het is niet een absolute grens van het al dan niet aanwezige reliëf. Het gebied geeft met name aan waar de kwetsbaarheid van het reliëf in het landschap het grootst is en de meeste aandacht behoeft. Het beekdal en de zandruggen zijn belangrijk en kwetsbaar; zo ook de zandkop bij Olterterp. Het voormalige dal van de Drait in het noordoosten van de gemeente is ook een historische en kwetsbare structuur. Het reliëf is een belangrijke ruimtelijke structuur die, omdat er binnen Fryslân de verschillen in het reliëf vaak zeer beperkt en subtiel zijn, zeer kwetsbaar is en bescherming nodig heeft.

In het gebied dat op de kaart aangegeven wordt is het reliëf met het blote oog waar te nemen en vormt hierdoor een belangrijke waarde. Het reliëf in het gebied waar veel pingoruïnes aangetroffen worden, het oosten van de gemeente, is subtieler, maar belangrijk. Naast reliëf van de nog aanwezige pingoranden (die veelal verdwenen zijn) zijn de pingoruïnes ook informatiebronnen van vroegere klimatologische omstandigheden en de invloed van de mens in het gebied.

De veenpolders Het gebied van de veenpolders ligt in het westen van de gemeente en maakt onderdeel uit van het zogenoemde ‘Lage Midden”. Het gebied ligt tussen de hoge kleigronden langs de kust (het terpen gebied met haar kwelderwallen) en het hoger gelegen achterland aan de oost-zuidoost zijde (de zandruggen als uitlopers van het Fries-Drents plateau) en bevat de benedenloop van de veenrivier de Boorne / Alddjip. Tijdens de opwarming en zeespiegelstijging vond veenvorming plaats. In de vroege middeleeu-

19/21

wen was er al sprake van bodemdaling door ontginningen. Het gebied is blijkens diverse archeologische onderzoeken al in de 11e eeuw vanuit de veenrivier Boorne / Alddjip en het zijriviertje de Wispel / Olde Ee ontgonnen. De waterhuishouding in dit gebied werd door de lage ligging problematisch. Bovendien was er de dreiging van waterstuwing vanuit de Zuiderzee. Er werden al vroeg dijken aangelegd, getuige de Leppedijk (11e eeuw), de Hemdijken (13e eeuw) en de Slachtedijk tussen Akkrum en Joure (11e eeuw?). Na de grootschalige hoogveenontginningen werden kansen gezien in dit laagveengebied en begonnen hier de grootschalige ontveningen. Anders dan bij het hoogveen leidde het hier, in het Lage Midden, tot een ‘verdronken land’ met watersnoodrampen voor de bevolking. In de 19e eeuw werd uiteindelijk ingegrepen door de regering die het instellen en oprichten van veendistricten en veenpolders eiste. Deze grootschalige inpolderingen en ontginningen bepalen het cultuurlandschap van dit gebied, maar hierbij moet niet worden vergeten dat onder de huidige veenpolders een middeleeuwse ontwikkeling schuilt. De verkavelingrichting laat dit zien, maar ook de archeologische informatie uit het gebied en het verdwenen gehucht De Ryp.

De benedenloop van de Boarn / Alddjip is onderdeel geworden van de veenpolders, maar heeft de karakteristieken van het open en lege beekdal met ontginning loodrecht op de beek behouden. Op de Schotanus kaart (1718) is het gebied grotendeels in gebruik als hooylanden en fennen (slecht weiland). Er is inmiddels ‘vergraven onland’ ten oosten van de ‘Wydde Wispel’ en ten zuiden van Luxwoude. Het gebied zelf was toen nog minder interessant dan het hoogveengebied achter Gorredijk. Hoogveen werd al in de 16e eeuw grootschalig vergraven, waarbij afvoer over water een belangrijk onderdeel vormde. Hiertoe was al vóór 1619 een kanaal gegraven van Oldeboorn naar Gorredijck, ‘it Nieuwe Diept’ via de Wydde Wispel’. Er moest hierbij een Hooyweg (een hoger liggende weg waarlangs ‘s zomers het hooi van de drassige landen gehaald kon worden) doorgraven worden, de Luxter Hooyweg. Hier werd een zet geplaatst, waarop zomers planken gelegd konden worden om de hooiwagens te laten oversteken. Een zet werd hier een ‘tinie’of ‘tynje’ genoemd. Hier is het latere Tynje ontstaan. Er werd in de 17e eeuw al wel laagveen vergraven, maar het was een moeizaam proces omdat het veen onder de waterspiegel lag en met dijkjes en watermolens drooggelegd moest worden.

In 1751 nam de laagveenvergraving een hoge vlucht nadat Gieterse verveners vanuit Overijssel de baggerbeugel introduceerden en de klyn (veenspecie) direct uit

het water gebaggerd kon worden en op de hagen ( stroken veen tussen de petgaten) gedeponeerd kon worden om tot turf te drogen. Dit werd dan weer verzameld op hoopsteden, opgehoogde opslagplaatsen waar soms een turfschuur op verscheen. Bij het vervenen werd ook regelmatig op een ‘huisstede’ gestoten en vergraven. Die plaatsen waren ‘sa hurd as glês’. Deze huissteden waren in feite kleine woonterpen, overblijfselen van de bewoning uit de middeleeuwen. Maar dit grootschalige ontvenen leidde tot het ontstaan van uitgestrekte waterplassen die zich door de werking van de wind verder uitbreidden en zelfs dorpen in de omgeving bedreigden. Na jarenlange protesten kwam Willem I in 1822 met een Koninklijk Besluit waarbij verveners eerst een polderdijk met een molen moesten aanleggen, vervolgens mochten vervenen en tenslotte het uitgeveende land weer droog moesten maken. Na 1822 zijn veenpolders opgericht als waterstaatkundige organisaties die de vervening organiseren en beheren. De veenderijen worden opgedeeld in veendistricten: een klein deel van het 5e en het grootste deel van het 6e en het 7e veendistrict liggen in Opsterland. Er is voor het 4e en 5e district een veenpolder opgericht en ook voor de combinatie van het 6e en 7e district.

Het deel van het 5e district ten westen van Langezwaag is waarschijnlijk voor de waterbeheersing tot het 5e veendistrict bepaald, want dit gebied was al vrijwel geheel ontveend met uitgebreide wijken stelsel. De verkaveling in de polders is zeer goed zichtbaar; ook lijkt het op de Eekhoff kaart een grote waterplas, de verkavelingsstructuur zoals die al in de middeleeuwen gevormd is, is duidelijk zichtbaar op de kadastrale kaart van 1832. Er was al een begin gemaakt met het beschermen van de binnenlanden, o.a. door de aanleg van de Nieuwe Leppedijk in 1831. De oude Leppedijk dateert van rond de 11e eeuw en had als rivierdijk de taak Oostergo te beschermen. Het traject is ten noorden en oosten van Warniahuizen voor de nieuwe functie nog verlegd en vormt de huidige grens tussen Opsterland en Smallingerland. Het inpolderen van de veenpolder ‘6e en 7e veendistrict’ startte in 1848 met het graven van de Nieuwe Vaart en het aanleggen van een polderdijk. Deze vaart begint bij de Ulesprong, de Teijenssluis, een sluis in het Nieuwe Diep en vormt de verbinding tussen de Boorne / Alddjip en Gorredijk. Hij loopt ten zuiden van en evenwijdig aan de Boorne / Alddjip door het westoost gesitueerde beekdal, maakt ter hoogte van het oude kerkhof van Ter Wispel een knik naar het zuidoosten en sluit uiteindelijk aan op het Klisserak / de

20/21

Kromten bij Gorredijk. De eerste droogmaking van de veenpolder ‘6e en 7e veendistrict’ lag onder Langezwaag en Luxwoude. Er werden twee achtkantige molens gebouwd, negen wijken gegraven en een schutsluis aangelegd. Ook bij latere droogleggingen voor deze polder werden windmolens ingezet, maar deze hadden niet voldoende capaciteit om de gewenste waterstand te handhaven en in 1876 werd een stoomgemaal gebouwd aan de buitenringvaart. De molens bleven wel in bedrijf om water uit de polders te malen en vanuit de polderboezem naar de provinciale boezem. Er werden veel wijken gegraven, zowel voor de waterafvoer als ook voor de doorvaart. De drooglegging in het noordwestelijke deel van de polder startte rond 1881. In 1899 werd het laatste deel, de Warren, ontgonnen. Het stoomgemaal werd tussen 1884 en 1905 vergroot en gemoderniseerd en bleek voldoende vermogen te hebben zodat de windmolens buiten bedrijf gesteld konden worden (1911). In de jaren ’50 werd de waterhuishouding gereorganiseerd. De Wispel en Klidzeregt werden drooggelegd, sluizen afgebroken en wegen aangelegd (o.a. van Langezwaag naar Oude Dijk onder Terwispel). De waterschappen werden geconcentreerd in het waterschap De Polder van het 6e en 7e veendistrict en deze ging op in het in 1966 opgerichte waterschap Boarnferd20.

De veenpolder ‘De Groote Veenpolder in Opsterland en Smallingerland’ werd in 1868 ingesteld, maar de vervening was al in 1863 op gang gekomen. Nijbeets, een nieuwe nederzetting, is heel snel hierna ontstaan als huisvesting voor de veenarbeiders. De polder en Nij Beets liepen door winterse stormen regelmatig onder water en vaak braken de plaatselijke dijkjes door, waardoor er regelmatig grote verliezen aan turf waren. Uiteindelijk moest het tot een watersnood (1892) komen waarbij Tijnje zwaar getroffen werd voor er stevige polderdijken aangelegd werden. De polder werd vanaf 1910 drooggemalen en ontgonnen. Er werd in het zuidelijke deel begonnen met de Oostpolder. Hiervoor is het dieselgemaal aan het Polderhoofdkanaal, ‘De Veenhoop’, gebouwd. In 1918 werd het stoomgemaal ‘de Boorne’ gebouwd waar de westelijke polderdijk De Boorn afdamde om de Zuidoost-, de Zuidwest- en de Westpolder te bemalen. Omdat de capaciteit niet voldoende was werd besloten aan de zuidelijke polderdijk bij het polderhoofdkanaal een elektrisch aangedreven gemaal te plaatsen, het ‘Zuidergemaal’, gereed in 1925. De drooglegging voor de noordelijke deelpolders zoals de Boornbergumerpolder werd gerealiseerd door het ‘Noordergemaal’ (1926).

Er was gedurende de ontvening in de 19e eeuw die op menskracht steunde, veel sociale onrust over de uit te betalen lonen. Er werd veel gestaakt (‘bollejagen’) om de juiste lonen per roede voor het turfmaken, het bakwerk en het bokwerk te verdienen. Waren de lonen in het midden van de 19e eeuw voldoende om redelijk van te leven, na de landbouwcrisis van 1870 kwam er de klad in, mede door de opkomst van de steenkool. Bovendien werd eind 19e eeuw de baggelmachine geïntroduceerd, waardoor veel arbeiders overbodig werden. Een groot deel van de arbeiders ging naar Duitsland, maar ook daar kwam begin 20e eeuw een terugloop. Er kwam nog een opleving in de werkgelegenheid in de polders rond 1914 omdat de overheid voor de oorlog veel turf opeiste. Met de vrede kwam ook de definitieve neergang van de veenderij en steeg de werkeloosheid dramatisch. Inmiddels werd ook arbeid, zowel particulier als vanuit de overheid, ingezet voor het ontginnen en landbouwrijp maken van landbouwgebieden. Maar dit ging met horten en stoten. Veel gronden werden gereed gemaakt voor veeteelt. Het bevorderde de zuivelindustrie en er werden zuivelfabrieken gebouwd o.a. in Terwispel, waar na de ontginning van de polder veel weiland beschikbaar kwam. Er werden diverse werkverschaffingsprojecten uitgevoerd.

21/21

59

Bijlage 2

Geluidsonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20201658

MEMO Van

:

M. Lamkadmi

Project

:

Hegedyk 48 te Luxwoude

Opdrachtgever :

mw. H. Drenth-de Boer

Datum

:

16-12-2020

Aan

:

--

CC

:

--

Betreft

:

akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Inleiding In de bebouwde kom van Luxwoude aan het bebouwingslint van de Hegedyk en direct ten oosten van het perceel Hegedyk 50, staat een oude vervallen schuur. De schuur inclusief gronden worden nu nog gebruikt als dierenverblijf. De initiatiefnemer is voornemens om het perceel in te gaan richtten als woonperceel en om hier een vrijstaande woning te gaan bouwen. De ontwikkeling ligt binnen de geluidzone (Wet geluidhinder) van de Lúkster Heawei en de Hegedyk. Volgens de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek nodig indien nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt binnen de zones van gezoneerde wegen. Ten behoeve van het bestemmingsplan is daarom voorliggend akoestisch onderzoek opgesteld.

20201658

blz. 1

Planbeschrijving De beoogde woonkavel heeft een oppervlakte van circa 3.275 m2. Op dit kavel wordt een vrijstaande woning met één bouwlaag en kap gebouwd op de rooilijn van de woning aan de Hegedyk 50. De woning heeft een oppervlakte van circa 114 m². Achter de woning wordt een bijgebouw/garage gebouwd met een oppervlakte van circa 80 m².

Figuur 1:

20201658

Overzicht plangebied

blz. 2

Toetsingskader Wet Geluidhinder Wettelijke zones langs wegen Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 1 weergegeven. Tabel 1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh aantal rijstroken breedte van de geluidzone [m] buitenstedelijk gebied stedelijk gebied 5 of meer 600 350 3 of 4 400 350 1 of 2 250 200 De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: -

-

stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;

Dosismaat Lden De berekende geluidsniveaus wordt beoordeeld op basis van de Europese dosismaat Lden (Lday-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Aftrek op basis van artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden gelden inclusief de standaard aftrek op basis van artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: • 4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG 2012 57 dB bedraagt; • 3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG2012 56 dB bedraagt; • 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting. De toegestane aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is op alle genoemde geluidbelastingen toegepast, tenzij anders vermeld.

Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige

20201658

blz. 3

bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Bestemmingen met een stedelijke ligging, maar binnen de geluidzone van een autosnelweg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied. Voor het plangebied geldt dat dit binnen de zone van de Lúkster Heawei en de Hegedyk is gelegen en dat er sprake is van een binnenstedelijke situatie. De maximale grenswaarde bedraagt Lden = 63 dB. De toetsing dient uitsluitend te worden uitgevoerd voor de nieuw te realiseren woning.

Uitvoering berekeningen Op basis van de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012) is een overdrachtsmodel opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie 2020.2 van dgmr-software. Een overzicht van het akoestisch rekenmodel is gegeven in figuur 2. Omdat objectgegevens en (de ligging van) bodemgebieden zijn ontleend aan PDOK-gegevens zijn deze vanwege de omvang niet in de bijlagen opgenomen.

Figuur 2:

Overzicht akoestisch rekenmodel

De verkeersintensiteit is het aantal motorvoertuigen dat per uur (mvt/uur) passeert. Bij de bepaling van het aantal motorvoertuigen per uur is uitgegaan van de jaargemiddelde weekdagintensiteiten. De verkeersgegevens voor de Hegedyk en de Lúkster Heawei zijn aangeleverd door de gemeente Opsterland. Voor de Hegedyk bevatten deze gegevens, de verkeersintensiteiten uit het jaar 2015 (weekdaggemiddelden). De verkeerintensiteiten van de Lúkster Heawei zijn uit het jaar 2019 (weekdaggemiddelden). Beide intensiteiten zijn met een groeifactor van 1% per jaar naar het planjaar 2031 verhoogd (zie tabel 2).

20201658

blz. 4

Tabel 2: weg

in de berekeningen gehanteerde verkeersintensiteiten intensiteit 2015 intensiteit 2019 mvt/etmaal mvt/etmaal

Intensiteit 2031 mvt/etmaal

703 --

824 691

Hegedyk Lúkster Heawei

-613

De motorvoertuigen worden verdeeld in drie categorieën: lichte voertuigen (personenauto's, bestelbusjes); middelzware voertuigen (middelzware vrachtauto’s en bussen); zware voertuigen (zware vrachtauto's). De Lúkster Heawei en het oostelijke en westelijke gedeelte van de Hegedyk zijn voorzien van een standaard asfaltverharding (in het rekenmodel opgenomen als W0 – Referentiewegdek). Het midden gedeelte van de Hegedyk is voorzien van klinkers (in het rekenmodel opgenomen als W9a – Elementenverharding in keperverband). De rijsnelheden bedragen: Hegedyk (west) Lúkster Heawei (noord) Lúkster Heawei (zuid) Hegedyk (oost)

60 km/uur; 60 km/uur; 30 km/uur; 30 km/uur.

Het volledige overzicht, inclusief voertuigverdelingen, is opgenomen in bijlage 1. Ter plaatse van de nieuwe woning is een aantal rekenpunten ingevoerd (waarneemhoogten van ho = +1,5 m/+4,5 m). Voor de niet als hard ingevoerde bodemvlakken is gerekend met een gemiddelde bodemfactor van Bf = 1,0 (100% absorberend).

20201658

blz. 5

Berekeningsresultaten In figuur 3 en 4 is een overzicht gegeven van de berekende geluidbelasting vanwege de Lúkster Heawei en de Hegedyk. In deze figuren is rekening gehouden met de aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Lúkster Heawei Als gevolg van het wegverkeer op de Lúkster Heawei wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 34 dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh.

Figuur 3:

berekeningsresultaten t.g.v. het wegverkeer op de Lúkster Heawei

Hegedyk Als gevolg van het wegverkeer op de Hegedyk wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 45 dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh.

Figuur 4:

20201658

berekeningsresultaten t.g.v. het wegverkeer op de Hegedyk

blz. 6

Toetsing en conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Hegedyk en de Lúkster Heawei wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. Het plan kan daarmee worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Een hogere waarde is niet aan de orde.

20201658

blz. 7

Bijlagen

Bijlage 1

20201658

Invoergegevens

blz. 8

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

ItemID 9902 9914 9900 9903 9913

Grp.ID 1 1 2 2 2

Datum 13:46, 15 dec 2020 13:46, 15 dec 2020 13:29, 15 dec 2020 13:29, 15 dec 2020 12:09, 15 dec 2020

1e kid -5 -41 -1 -7 -39

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

NrKids 2 2 2 2 2

Naam Lúkster He Lúkster He Hegedyk Hegedyk Hegedyk

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

Omschr. Lúkster Heawei Lúkster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

Vorm Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn Polylijn

X-1 194921,50 194945,95 194992,75 194820,56 194772,53

Y-1 556787,93 556831,06 556746,30 556837,56 556923,97

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

X-n 194945,95 195057,50 194820,56 194772,53 194687,10

Y-n 556831,06 557064,19 556837,56 556923,97 557045,86

H-1 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

H-n 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

M-1 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

M-n 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

ISO_H 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Min.RH 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

Max.RH 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Min.AH 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Max.AH 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

ISO M. 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief

Vormpunten 6 11 10 7 8

Lengte 50,25 259,68 197,91 99,15 149,06

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

Lengte3D 50,25 259,68 197,91 99,15 149,06

Min.lengte 2,36 0,23 9,49 0,64 6,81

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

Max.lengte 16,53 100,97 57,39 40,26 43,73

Type Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling

Cpl False False False False False

Cpl_W 1,5 1,5 1,5 1,5 1,5

Hbron 0,75 0,75 0,75 0,75 0,75

Helling 0 0 0 0 0

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

Wegdek W0 W0 W0 W9a W0

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

Wegdek Referentiewegdek Referentiewegdek Referentiewegdek Elementenverharding in keperverband Referentiewegdek

V(MR(D)) 30 60 30 30 60

V(MR(A)) 30 60 30 30 60

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

V(MR(N)) 30 60 30 30 60

V(MR(P4)) ------

V(LV(D)) 30 60 30 30 60

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

V(LV(A)) 30 60 30 30 60

V(LV(N)) 30 60 30 30 60

V(LV(P4)) ------

V(MV(D)) 30 60 30 30 60

V(MV(A)) 30 60 30 30 60

V(MV(N)) 30 60 30 30 60

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

V(MV(P4)) ------

V(ZV(D)) 30 60 30 30 60

V(ZV(A)) 30 60 30 30 60

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

V(ZV(N)) 30 60 30 30 60

V(ZV(P4)) ------

Crow965 True False True True False

Totaal aantal 691,00 691,00 824,00 824,00 431,00

%Int(D) 6,70 6,70 6,52 6,52 6,52

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

%Int(A) 2,70 2,70 2,41 2,41 2,41

%Int(N) 1,10 1,10 1,51 1,51 1,51

%Int(P4) ------

%MR(D) ------

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

%MR(A) ------

%MR(N) ------

%MR(P4) ------

%LV(D) 89,51 89,51 94,59 94,59 94,59

%LV(A) 89,51 89,51 94,59 94,59 94,59

%LV(N) 89,51 89,51 94,59 94,59 94,59

%LV(P4) ------

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

%MV(D) 5,87 5,87 4,76 4,76 4,76

%MV(A) 5,87 5,87 4,76 4,76 4,76

%MV(N) 5,87 5,87 4,76 4,76 4,76

%MV(P4) ------

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

%ZV(D) 4,60 4,60 0,65 0,65 0,65

%ZV(A) 4,60 4,60 0,65 0,65 0,65

%ZV(N) 4,60 4,60 0,65 0,65 0,65

%ZV(P4) ------

MR(D) ------

MR(A) ------

MR(N) ------

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

MR(P4) ------

LV(D) 41,44 41,44 50,82 50,82 26,58

LV(A) 16,70 16,70 18,78 18,78 9,83

LV(N) 6,80 6,80 11,77 11,77 6,16

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

LV(P4) ------

MV(D) 2,72 2,72 2,56 2,56 1,34

MV(A) 1,10 1,10 0,95 0,95 0,49

MV(N) 0,45 0,45 0,59 0,59 0,31

MV(P4) ------

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

ZV(D) 2,13 2,13 0,35 0,35 0,18

ZV(A) 0,86 0,86 0,13 0,13 0,07

ZV(N) 0,35 0,35 0,08 0,08 0,04

ZV(P4) ------

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

BGE 98,3 102,6 98,2 100,9 100,4

LE (D) 63 74,04 73,16 73,03 80,33 69,16

LE (D) 125 79,17 81,31 77,29 85,01 77,58

LE (D) 250 88,78 87,58 86,65 93,51 83,48

LE (D) 500 88,84 93,13 87,71 91,68 89,30

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

LE (D) 1k 93,36 98,75 93,00 94,96 96,10

LE (D) 2k 90,84 95,21 90,22 88,49 92,55

LE (D) 4k 84,46 88,44 83,62 83,40 85,75

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

LE (D) 8k 79,87 78,74 77,70 78,54 75,45

LE (D) Totaal 97,31 101,58 96,50 99,18 98,71

LE (A) 63 70,09 69,21 68,71 76,01 64,84

LE (A) 125 75,22 77,37 72,97 80,69 73,25

LE (A) 250 84,83 83,64 82,33 89,19 79,16

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

LE (A) 500 84,90 89,18 83,39 87,36 84,98

LE (A) 1k 89,41 94,80 88,68 90,64 91,77

LE (A) 2k 86,89 91,26 85,89 84,17 88,23

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

LE (A) 4k 80,51 84,49 79,30 79,08 81,43

LE (A) 8k 75,92 74,79 73,37 74,22 71,13

LE (A) Totaal 93,36 97,63 92,17 94,86 94,38

LE (N) 63 66,19 65,31 66,67 73,98 62,81

LE (N) 125 71,33 73,47 70,94 78,66 71,22

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

LE (N) 250 80,93 79,74 80,30 87,16 77,13

LE (N) 500 81,00 85,28 81,36 85,33 82,95

LE (N) 1k 85,51 90,91 86,65 88,61 89,74

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

LE (N) 2k 82,99 87,36 83,86 82,14 86,20

LE (N) 4k 76,61 80,59 77,27 77,05 79,39

LE (N) 8k 72,02 70,89 71,34 72,19 69,10

LE (N) Totaal 89,46 93,73 90,14 92,83 92,35

LE (P4) 63 ------

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

LE (P4) 125 ------

LE (P4) 250 ------

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens wegen Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Groep Lukster Heawei Lukster Heawei Hegedyk Hegedyk Hegedyk

LE (P4) 500 ------

LE (P4) 1k ------

LE (P4) 2k ------

LE (P4) 4k ------

LE (P4) 8k ------

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

LE (P4) Totaal ------

16-12-2020 14:52:23

Invoergegevens toetspunten Model: Groep:

Basismodel (hoofdgroep) Lijst van Toetspunten, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Naam Tsp-01 Tsp-02 Tsp-03 Tsp-04

Omschr.

Maaiveld 0,00 0,00 0,00 0,00

Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief

Hoogte A 1,50 1,50 1,50 1,50

Hoogte B 4,50 4,50 4,50 4,50

Hoogte C -----

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

Hoogte D -----

Hoogte E -----

Hoogte F -----

Gevel Ja Ja Ja Ja

16-12-2020 14:53:51

Bijlage 2

20201658

Berekeningsresultaten

blz. 9

Resultaten Hegedyk Rapport: Model: Groep: Groepsreductie: Naam Toetspunt Tsp-01_A Tsp-01_B Tsp-02_A Tsp-02_B Tsp-03_A Tsp-03_B Tsp-04_A Tsp-04_B

Resultatentabel Basismodel LAeq totaalresultaten voor toetspunten Hegedyk Ja

Omschrijving

Hoogte 1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

Lden 44 45 40 41 26

4,50 1,50 4,50

28 38 40

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-12-2020 14:56:58

Resultaten Lúkster Heawei Rapport: Model: Groep: Groepsreductie: Naam Toetspunt Tsp-01_A Tsp-01_B Tsp-02_A Tsp-02_B Tsp-03_A Tsp-03_B Tsp-04_A Tsp-04_B

Resultatentabel Basismodel LAeq totaalresultaten voor toetspunten Lukster Heawei Ja

Omschrijving

Hoogte 1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

Lden 26 26 23 20 32

4,50 1,50 4,50

33 32 34

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-12-2020 14:57:27

93

Bijlage 3

Quickscan ecologie

Rho adviseurs voor leefruimte

20201658

2020 Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Hegedyk 48 te Luxwoude

COLOFON BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 0513-435024 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Hegedyk 48 te Luxwoude Gorredijk, november 2020

In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Rapportage: Mevr. A. Wieringa Foto’s: Bureau FaunaX Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied © Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2020). Quickscan Wet natuurbescherming, Rho Adviseurs, Ontwikkeling Hegedyk 48 te Luxwoude. Rapport 20197, Bureau FaunaX, Gorredijk. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................... 1 1.2

Doel ............................................................................................................................... 1

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Ligging en karakteristiek van het plangebied .............................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1 Flora ...............................................................................................................................5 2.2

2.3

Vogels ............................................................................................................................5 2.2.1

Jaarrond beschermde vogelnesten ................................................................5

2.2.2

Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................7

Zoogdieren ....................................................................................................................7 2.3.1

Vleermuizen ...................................................................................................7

2.3.2

Overige zoogdiersoorten .............................................................................. 8

2.4

Reptielen en amfibieën ................................................................................................ 9

2.5

Vissen ........................................................................................................................... 9

2.6

Ongewervelden ............................................................................................................ 9

2.7

Gebiedsbescherming .................................................................................................... 9 2.7.1

2.8 3.

Stikstofgevoeligheid ...................................................................................... 9

Houtopstanden ........................................................................................................... 10

SAMENVATTING EN CONCLUSIES .............................................................................. 11 3.1 Overzicht beschermde soorten ................................................................................... 11 3.2

3.3

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................. 11 3.2.1

Jaarrond beschermde nesten (huismus) ...................................................... 11

3.2.2

Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw).................................................. 11

3.2.3

Algemeen voorkomende broedvogels ......................................................... 12

3.2.4

Vleermuizen (verblijfplaatsen) .................................................................... 12

3.2.5

Overige zoogdieren (waterspitsmuis) ......................................................... 12

3.2.6

Vissen (grote modderkruiper) ..................................................................... 12

3.2.7

Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht ........................... 12

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 13

4. BRONNEN EN LITERATUUR ....................................................................................... 14 BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ....................................................................................15 Wnb Soortbescherming ........................................................................................................ 15 Vogels en verstoring ................................................................................................... 15 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân ....................................................................... 15 Voorwaarden vrijstellingen ........................................................................................ 16 Zorgplicht art 1.11 Wnb................................................................................................ 16

Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................... 17 Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 17 Wnb Houtopstanden ............................................................................................................ 17 NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur ................................................. 17

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Men is voornemens op het perceel aan de Hegedyk 48 te Luxwoude een veestal en bijgebouw te slopen om ervoor in de plaats een woning te realiseren. Met de werkzaamheden zullen sloten gedempt en verlegd worden om een rechthoekig perceel te vormen.

Figuur 1.1. Ligging van het plangebied te Luxwoude (bron: Google Maps).

Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een Quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en EHS/ NNN gebieden) (onderdeel gebiedsbescherming).

1.2

Doel

Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming voor? 2. Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor?

1

3. Wat zijn de mogelijke effecten van de realisatie van de initiatieven en het in gebruik hebben ervan op deze beschermde natuurwaarden? 4. Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? 5. Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkómen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden? Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3

Onderzoeksopzet

Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op donderdag 19 november 2020 en vond plaats onder herfstachtige weersomstandigheden (10°C en wisselvallig weer). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

2

1.4

Ligging en karakteristiek van het plangebied

Het plangebied betreft agrarisch terrein met een veestal en bijgebouw in het dorpscentrum aan de rand van de bebouwde kom van Luxwoude (figuur 1.1). Het terrein wordt aan de noord-, oost- en zuidzijde begrensd door een sloot en ten westen door een woonperceel. Het plangebied is verder omgeven door agrarisch land en woningen van Luxwoude. De veestal is opgebouwd uit enkelsteen muren en heeft een hoog dak met gegolfde dakpannen. Binnen de veestal is de rietbedekking van het dak deels weg en vervangen door een dekzeil tussen de dakpannen en het riet. Het bijgebouw is eveneens opgebouwd uit enkelsteen muren en een vlakker dak met gegolfde dakpannen. Het planvoornemen is de gebouwen op het terrein te slopen om ervoor in de plaats een woning en bijgebouw te realiseren (figuur 1.2). Om meer oppervlakte bij het perceel te betrekken wordt de sloot aan noord en oostzijde gedempt en verlegd zodat deze aansluit op de noordelijke sloot van het naastgelegen perceel waardoor het perceel rechthoekig wordt.

Figuur 1.1. Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps).

3

Figuur 1.2. Schets van het planvoornemen voor Hegedyk 48 te Luxwoude (bron: Rho Adviseurs).

4

2. RESULTATEN QUICKSCAN 2.1

Flora

Het plangebied wordt gekenmerkt door grasland met soorten zoals Engels raaigras, madelief, brede weegbree, paardenbloem, ridderzuring, boterbloem (spp.) en andere voedselrijke soorten (figuur 2.1). Daarnaast wordt het terrein begrensd door enkele bomen en struiken. Het plangebied is vanwege de habitateigenschappen ongeschikt voor beschermde flora en deze zijn ook niet aangetroffen.

Figuur 2.1. Impressie aangetroffen flora binnen het plangebied.

Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.

2.2 2.2.1

Vogels

Jaarrond beschermde vogelnesten

Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. Binnen het plangebied zijn twee boomnesten aangetroffen (figuur 2.2). Het betreft grote nesten in een boom ten zuiden naast de oprit. Deze nesten kunnen mogelijk door roofvogels/uilen gebruikt worden, maar zullen buiten de werkzaamheden vallen. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van roofvogels/uilen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

5

Figuur 2.2. Aangetroffen boomnesten binnen het plangebied.

Naast boomnesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor beschermde gebouw bewonende soorten. De veestal is door zijn hoge dak met gegolfde dakpannen geschikt bevonden voor huismus en gierzwaluw (figuur 2.3). Negatieve effecten van de werkzaamheden voor gebouw bewonende beschermde vogelsoorten zoals huismus en gierzwaluw kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Ook kerkuilen maken graag gebruik van zulke schuren, maar door de afwezigheid van dergelijke sporen binnen in de veestal, kan de aanwezigheid van een kerkuilennest binnen het plangebied worden uitgesloten.  

6

Negatieve effecten van de werkzaamheden binnen het plangebied/ de invloedssfeer van de werkzaamheden op jaarrond beschermde (boom)nesten van roofvogels/uilen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van gebouw bewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.3. Impressie gebouwen behorende tot het plangebied.

2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor (weide)broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De bomen en struiken grenzend aan/binnen het plangebied bieden mogelijkheden voor broedvogels om in te nesten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op algemene broedvogels kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. 

Er kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van (algemenere) vogelsoorten waarvan de nesten tijdens het broedseizoen beschermd zijn.

2.3 2.3.1

Zoogdieren

Vleermuizen

Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of doorof langs het plangebied essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen lopen. Vleermuizen verblijfplaatsen bevinden zich in gebouwen vaak in of achter gevel- of dakelementen zoals ruimtes onder dakpannen, achter daklijsten, een toegankelijke spouw via scheuren in de muur of stootvoegen. De veestal biedt mogelijkheden tot verblijven door de gegolfde dakpannen. Daarom kan de mogelijkheid van kleinere zomer- of paarverblijfplaatsen binnen het plangebied niet uitgesloten worden. De veestal is echter onvoldoende geïsoleerd/geschikt om te kunnen dienen als kraam- dan wel winterverblijfplaats. Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen (zomer en/of paar) kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

7

Naast verblijfplaatsen worden bomenrijen, watergangen en andere verbindende elementen in de omgeving door vleermuizen gebruikt als vliegroutes tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebieden kunnen echter op voorhand worden uitgesloten, omdat de omgeving voldoende alternatieven biedt.  

Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuis zomer- en/of paarverblijfplaatsen zijn op voorhand niet uit te sluiten. Er kan op voorhand worden uitgesloten dat met de beoogde werkzaamheden essentiële vliegroutes of foerageergebieden verloren zullen gaan.

2.3.2 Overige zoogdiersoorten Het plangebied is naast geschiktheid voor vleermuizen ook beoordeeld op waarden voor overige beschermde zoogdiersoorten. De watergangen binnen het plangebied zijn daarbij geschikt bevonden voor waterspitsmuis, door de vorm van de oevers en watervegetatie (figuur 2.4). De aanwezigheid van waterspitsmuis in de sloten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Voor overige beschermde zoogdiersoorten is het plangebied aan de hand van habitat en verspreidingsgegevens (bron: NDFF) ongeschikt bevonden. Wel is het plangebied op basis van de habitat, alsmede de verspreidingsgegevens, geschikt voor vrijgestelde zoogdieren zoals mol en egel. Voor vrijgestelde soorten geldt zorgplicht.

Figuur 2.4. Impressie watergangen rondom het plangebied.

  

8

Aanwezigheid van waterspitsmuis in de sloten van het plangebied kan op voorhand niet worden uitgesloten. Aanwezigheid van overige beschermde zoogdiersoorten kan op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten zoals egel en mol geldt de zorgplicht.

2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied is op basis van habitat en verspreidingsgegevens (bron: NDFF) ongeschikt bevonden voor reptielen. Ook kan op basis van de verspreidingsgegevens (bron: NDFF) worden uitgesloten dat beschermde amfibieën voorkomen binnen het plangebied. Hierdoor kan op voorhand worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben voor beschermde reptielen en amfibieën. Voor de vrijgestelde soorten amfibieën geldt zorgplicht. 

De aanwezigheid van beschermde reptielen en amfibieën kan op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid worden uitgesloten.

2.5

Vissen

De watergangen grenzend aan het plangebied zijn beoordeeld op waarden voor beschermde zoetwatervissen. De sloten bevatten veel vegetatie en een degelijke modderlaag, waardoor de aanwezigheid van grote modderkruiper in de sloten op voorhand niet kan worden uitgesloten. 

Negatieve effecten van de werkzaamheden op de beschermde grote modderkruiper binnen het plangebied kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.

2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten. 

Door afwezigheid van essentiële voortplantingsvegetatie kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve gevolgen zullen hebben op beschermde ongewervelden.

2.7

Gebiedsbescherming

Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden. 

Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden vastgesteld door de provincie Fryslân. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.

2.7.1

Stikstofgevoeligheid

Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebieden Deelen (4,3 km) en Van Oordt’s Mersken (5,4 km), zie figuur 2.5. Alleen voor Van Oordt’s Mersken zijn habitattypen en -soorten aangewezen zoals zwak gebufferde vennen, vochtige heiden en grote- en kleine modderkruiper. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden (sloop, bouw, sloten dempen en verleggen) komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werkvoertuigen zoals graaf- en sloopmachines.

9

Deze extra stikstofemissie heeft mogelijk een effect op het voorgenoemde gebied welke is aangewezen voor diverse (stikstof)geschikte habitatsoorten. Gezien de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden, kan naar ons inzicht echter worden uitgesloten dat de extra stikstofemissie significant negatieve effecten zal veroorzaken binnen de voorgenoemde gebieden en is geen Aerius-berekening van toepassing. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van een dergelijke berekening benodigd is.

Figuur 2.5. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden en andere beschermde ecologische gebieden (bron: Natuur overzichtskaart, provincie Fryslân).

Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.

2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Het plangebied bevat enkele bomen, maar deze zullen met de werkzaamheden behouden blijven, waardoor er geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. 

10

Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.

3. SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1

Overzicht beschermde soorten

In onderstaand tabel 3.1 worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn dan ook alleen de soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Art. Art. Art. Soortgroep Soort Aanwezigheid Vrijgesteld Advies 3.1 3.5 3.10 Vogels (jaarrond Huismus Mogelijk X Nader onderzoek beschermde nesten) Gierzwaluw Werken buiten Vogels Algemene broedvogels Mogelijk X broedtijd Vleermuizen Diverse soorten Mogelijk X Nader onderzoek (verblijfplaatsen) Zoogdieren Waterspitsmuis Mogelijk X Nader onderzoek Vissen Grote modderkruiper Mogelijk X Nader onderzoek Vogels Algemeen voorkomende Zoogdieren Mogelijk X X Zorgplicht soorten Amfibieën

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen

Het project kan naar onzes inziens doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.

3.2.1

Jaarrond beschermde nesten (huismus)

De veestal behorende tot het plangebied biedt broedmogelijkheden voor huismus en de omgeving biedt daarnaast voldoende rustplekken om het plangebied als geschikt functioneel leefgebied voor de huismus te beoordelen. Huismusverblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en gaan door de sloopwerkzaamheden mogelijk verloren. Wij adviseren nader onderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden door middel van twee ochtendbezoeken (conform datumgrenzen SOVON, 1 april – 15 mei). Wanneer er jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied worden vastgesteld, dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor deze soort. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=71412cb9-b11c-42a7-a554-a6ab8bf4d035