Bijlage 5 Reactie op zienswijzen gemeenten-0086203475.pdf
Tekst van het document
Overzicht van de ingediende zienswijzen van zeven veenweidegemeenten De volgende zeven gemeenten hebben zienswijzen ingediend: Heerenveen (Hveen), De Fryske Marren (DFM), Sudwest-Fryslan (SWF), Opsterland (Op), Smallingerland (Sm), Weststellingwerf (Westst) en Leeuwarden (Lwd). Onderstaand een overzicht van de ingebrachte standpunten en de door het ambtelijk ‘schrijfteam’ voorlopig geformuleerde reactie: Indieners allen
allen
allen
allen
Standpunt PROCES De gemeenten vinden het belangrijk dat er gewerkt blijft worden aan een breed draagvlak. Als gemeenten pleiten we voor een zorgvuldige belangenafweging en betrokkenheid van alle stakeholders. Dat betekent onzes inziens dat niet alleen de landbouw-, natuur- en milieuorganisaties aan tafel moeten zitten, maar dater ook actief afstemming moet worden gezocht met woningeigenaren en recreatieondernemers.
VISIE EN AMBITIE Zet in op een bredere (integrale) gebiedstransitie. Wanneer we de grote opgaven zoals klimaatadaptatie, energietransitie en biodiversiteit voor ogen hebben, dan denken we dat er op de lange termijn meer verandering nodig is in het gebied. Onder meer als onderdeel van de transitie naar een meer natuurinclusieve en circulaire landbouw. Onze blik moet daarbij niet alleen gericht zijn op 2030, maar zeker ook op langere termijn (2050), waarbij de gevolgen van klimaatverandering sterker zichtbaar worden en we een sterke CO2-reductie als doel hebben. Met een verdere planhorizon voor ogen, zullen daardoor ook andere maatregelen voor de hand liggen, zoals verdergaande vernatting van deelgebieden. We kunnen niet alleen investeren in “vasthouden van het bestaande”, maar moeten juist ook kijken naar nieuwe functies en nieuwe economische dragers voor het gebied.
Reactie/antwoord Wij onderschrijven het belang van breed draagvlak. Samen en van onderop staat in de integrale gebiedsaanpak centraal, met de belanghebbenden en betrokkenen wordt gezocht naar oplossingen. In H.5 is aangegeven dat daarvoor een belangrijke rol is weggelegd voorgebiedscommissies met een brede samenstelling. Naast boeren, overheden, natuurorganisaties en ondernemers ook nadrukkelijk een gelijkwaardige rol voor de ‘gewone’ inwoners van het gebied. Om de belangen van woningeigenaren een stem te geven wordt bovendien een ‘Funderingstafel’ opgezet. Dit is in het programma toegevoegd aan H.7.
De stip op de horizon die in het programma wordt geschetst geeft dedoorkijk naar een gebiedstransitie. Dit programma zien we als een eerste stap in die transitie. Ook andere beleidsvelden vragen om veranderingen in het gebied. In de integrale gebiedsaanpak komen deze opgaven bij elkaar en moeten leiden tot een duurzaam toekomstperspectief. De ambitie van het programma richt zich op 2050. Bij het nemen van maatregelen houden we dus rekening met dit lange termijnperspectief. Maar de weg daar naar toe leggen we nog niet volledig vast. We kiezenvoor een adaptieve aanpak waarbinnen ruimte is voor aanpassingen op basis van ervaringen, nieuwe inzichten en technieken. Bij de ijkmomenten in 2022 en 2026 beoordelen we of er verdergaande maatregelen nodig zijn. In programmalijn 4, Integrale gebiedsaanpak, is aangegeven dat in het streven naar een duurzaam toekomstperspectief voor het veenweidegebied, naast landbouw als economische drager, wordt onderzocht welke andere economische dragers in het gebied versterkt en ontwikkeld kunnen worden. We zien dit als een belangrijk onderdeelvan de gebiedsaanpak en zien daarbij ook een belangrijke rol voor de gemeenten. Om hier ook in de samenvatting recht aan te doen wordt deze zinsnede daar ook nog opgenomen.
1
Lwd
Het is van belang dat de overheid een duidelijk plan heeft voor deze toekomst. Zodat bedrijven met voldoende zekerheid plannen kunnen maken voor de transitie van hun bedrijfsvoering en het gebied economisch niet “op slot” gaat.
Met het ontwerp-veenweideprogramma willen we richting geven aaneen duurzaam toekomstperspectief voor het gebied. Het is geen planwaarin panklare oplossingen geboden worden. We beseffen dat dit leidt tot onzekerheden. We hebben daarom een aantal waarborgen ingebouwd waarmee we deze onzekerheden (deels) kunnen wegnemen.
allen
In het proces van de Regionale Energiestrategie (RES) zijn duurzame energie en energieproductie ook besproken. Uiteraard moeten deze nieuwe energiedragers goed worden ingepast in het landschap. Meer planologische (experimenteer)ruimte in het Provinciaal beleid is dan ook noodzakelijk.
Op Motie 4i
Wil graag inzichtelijk hebben welke scenario’s bij de MKBA betrokken zijn en vragen om in te zetten op de hoogst haalbare uitkomst van de MKBA en vraagt om argumentatie bij besluitvorming die afwijkt van de hoogste haalbare uitkomst van de MKBA.
We geven in het veenweideprogramma aan dat binnen de Regionale Energiestrategie onderzocht wordt door provincie, gemeenten en landbouw op welke wijze duurzame energiewinning in het veenweidegebied een nieuwe economische drager kan worden. De provinciale planologische kaders voor duurzame energie zijn voor dit veenweideprogramma een gegeven. Met het voorliggende programma zetten we in onze optiek in op het hoogst haalbare. De resultaten van de MKBA hebben ten grondslag gelegen aan dit programma. Voor verdere informatie verwijzen wij u naar de MKBA en de besluitvorming die daarover heeft plaatsgevonden (vergadering Provinciale staten 22-01-2020).
Op Motie 4a
DOELEN Indiener stelt voor om de moerige gronden te schrappen uit het programma, met uitzondering van de diepe polders die bij kunnen dragen aan tegengaan van verdroging zandgronden en verzilting. Argumenten voor het schrappen zijn het feit dat de moerige gronden nauwelijks bijdraagt aan de CO2-uitstoot en dat er vanwege drinkwaterwinning verlaging van het grondwaterpeil plaatsvindt.
In het programma is alleen voor de veengebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm aangegeven dat we de komende jaren via maatwerk zoveel mogelijk willen komen tot een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm onder maaiveld. Voor de rest van de veengebieden, de kleigronden met veen in de ondergrond, en de gebieden met een veenpakket dunner dan 80 cm, wordt in 2026 een besluit genomen over de in deze gebieden te nemen maatregelen. Hierbij betrekken we de nieuwste inzichten en onderzoeksresultaten m.b.t. CO2 reductie, bodemdaling, grondwaterstromen en grondwaterbeheer. Kosteneffectiviteit is hierbijook een belangrijk criterium. De tekst hebben we hierop aangevuld. Een van de doelen van het programma is het dat het watersysteemwaterrobuust en klimaatbestendig wordt ingericht. Mocht het niet effectief zijn om in deze gebieden maatregelen te nemen voor CO2 reductie, dan is het nog steeds nodig om ook in deze gebieden te zorgen dat we in de toekomst voldoende zoet water beschikbaar hebben en extremere neerslagperioden aan kunnen.
2
Westst
allen
Lwd
Hveen
De keuze voor maatwerk in dit specifieke veengebied mag in de toekomst niet leiden tot afrekening op onhaalbare gemeenschappelijke doelen en/of resultaten.
STRATEGIE EN AANPAK We zien het voordeel van werken met een fasering en met ijkmomenten. We zien de voordelen van het inbouwen van meerdere ijkmomenten binnen de aanpak 2021-2030. Afstemming, nieuwe inzichten op basis van onderzoek, beschikbare middelen en draagvlak zullen het te realiseren tempo mede bepalen Indiener pleit voor een snellere aanpak; er moet niet gewacht worden tot na 2026 met de gebieden met dun veen en moerige gronden. Deze gronden stoten ook veel CO2 uit en zouden daarom vanaf het begin moeten worden betrokken bij de maatregelen. Dit is noodzakelijk voor het kunnen halen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en het voorkomen schade aan funderingen en kunstwerken. Daarbij komt tevens dat de keuze tot het ongecontroleerd laten oxideren van dit veen niet past bij de nationale inspanningen om organisch stofgehalte van bodems juist te vergroten
INSTRUMENTEN Wij zouden graag zien dat ruimte voor nieuwe economische dragers een expliciete doelstelling in het veenweideprogramma wordt en dat er gestreefd wordt om op korte termijn een duidelijke uitkoopregeling voor veehouders beschikbaar te stellen;
We kiezen voor maatwerk omdat er verschillen in gebieden zijn en omdat ruimte willen bieden voor gebiedsspecifieke oplossingen. Maatregelen moeten haalbaar, betaalbaar en realiseerbaar zijn. We houden bij het maatwerk hier rekening mee. Op basis van ervaringen en resultaten passen we zo nodig onze beleidsinzet aan.
In het veenweideprogramma hebben we twee ijkomenten ingebouwd (2022 en 2026). Op basis van voortgang, kennis en middelen maken wedan besluiten. De twee ijkmomenten zijn niet noodzakelijkerwijs de enige. Als er zich belangrijke ontwikkelingen voordoen, of het nu kansen of bedreigingen zijn, zullen we ook op die momenten onzeaanpak tegen het licht houden en indien nodig bijstellen. We zijn ons bewust van de urgentie. Daarom richten we onze inzet allereerst op de gebieden met dik veen (> 80 cm), waar de meeste winst te halen is. Op basis van ervaringen in dit gebied en van aanvullend onderzoek en monitoring, bepalen we in 2026 onze inzet voor de overige gebieden. Wanneer in deze gebieden eerder kansrijke initiatieven van onderop of vanuit andere programma’s komen, gericht op het beperken van de bodemdaling en de CO2 uitstoot, dan zullen wijdeze indien mogelijk vanuit dit programma ondersteunen. Onze doelen voor CO2-reductie in 2050 blijven echter overeind. Ditbetekent dat we in 2026 e.v. zo nodig met maatregelen moeten bijschakelen en met betrokkenen de inzet moeten intensiveren. Nieuwe technieken en inzichten kunnen tegen die tijd haalbaar, realiseerbaar en betaalbaar zijn.
De ontwikkeling van nieuwe economische dragers (waarvoor voldoende ruimte bestaat) is een middel (geen doel op zich) voor duurzaam gebiedsperspectief. In programmalijn 4, Integrale gebiedsaanpak, is aangegeven dat in het streven naar een duurzaam toekomstperspectief voor het veenweidegebied, naast landbouw als economische drager, wordt onderzocht welke andere economische dragers in het gebied versterkt en ontwikkeld kunnen worden. We ziendit als een belangrijk onderdeel van de gebiedsaanpak. Om hier ook in de samenvatting recht aan te doen wordt deze zinsnede daar ook nog opgenomen. Voor het aankopen voor agrarische gronden ter ondersteuning vanherverkaveling of t.b.v. bedrijfsverplaatsing zijn voor de ontwikkelgebieden zogenaamde Aankoop strategie plannen (ASP)vastgesteld. Ook voor andere gebieden kunnen ASP’s worden opgesteld
3
Hveen, DFM, SWF, Op, Sm, Lwd
In hoofdstuk 9 benoemen dat een deel van de beschikbare middelen specifiek kan worden ingezet voor het stimuleren voor deze aanvullende economische dragers.
Het stimuleren van nieuwe economische dragers draagt bij aan een duurzaam toekomstperspectief voor het gebied. We zullen dit zeker ondersteunen en bevorderen, o.a. in het spoor van de RES, klimaatadaptatie en biodiversiteit, de Omgevingsagenda Noord Nederland en het Nationaal Groeifonds. In het programma is in H. 9.2een passage toegevoegd over het benutten en inzetten van middelen uit andere programma’s.
Op Motie 4f
Dringt aan om in samenwerking met boerenorganisaties, agrarische accountsbureaus, agrarische makelaars en banken de hoogte van afwaardering van de agrarische gronden te onderzoeken, met inzet van brede deskundigheid. Verzoekt om te onderzoeken of de WILG werkbare en praktische instrumenten zijn opgenomen om voor verschillende opgaven in het gebied ruimte te creëren.
Wij onderschrijven deze aanbeveling. We hebben dit punt van brede deskundigheid aan de tekst toegevoegd.
Op Motie 4d
Op Motie 4e
Westst
IT NIJE BUORKJEN Verzoekt om inzet van bredere deskundigheid en samenwerking met boerenorganisaties, agrarische accountants, afzet- en zuivelindustrie en banken om de te ontwikkelen verdienmodellen te toetsen op houdbaarheid, duurzaamheid en rentabiliteit om de gewenste vitale landbouwsector te kunnen bevorderen. Indieners stellen voor om het Project “Klei in veen” als oplossing te zien. Hierbij ontstaan door toevoegen van klei een stabiele klei-humus complex. (Afname CO2 uitstoot)
In H. 6 zijn een aantal instrumenten beschreven die ingezet kunnen worden om de gebiedsprocessen te ondersteunen. Ruilverkaveling is een van deze instrumenten. Hiervoor kan de provincie (bevoegd gezag)de WILG (Wet inrichting landelijk gebied) benutten. Deze wet maakt herverkaveling mogelijk. Hiermee kan de verkaveling van een gebied opnieuw worden ingedeeld, zodat er mogelijkheden ontstaan voor een betere inrichting en gebruik van een gebied. De wet biedt o.a. de mogelijkheid tot een verplichtende herverkaveling. In het veenweidegebied zal de provincie terughoudend omgaan met het verplichtende deel van de WILG. We kunnen ons echter situaties voorstellen waarin we dit, om een bepaalde ontwikkeling mogelijk te maken, als uiterste middel inzetten. Dit zal gebeuren op basis van een zorgvuldige afweging tussen algemene belangen en individuele belangen, met de bijbehorende waarborgen. Inzet van de grondbank isook mogelijk. In H 6.2 Flankerend beleid, onder Grond als instrument hebben we dit explicieter aangegeven.
We onderschrijven deze ketenbenadering. Meerdere partijen spelen een rol in de transitie naar een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw in het veenweidegebied. Onder het thema Verdiencapaciteit landbouw in H. 7 nemen we hier een concreet actiepunt over op. Recentelijk zijn er proeven ‘klei in veen’ gestart, met als doel de veenoxidatie (en CO2 uitstoot) te beperken. Door deze verbinding wordt de afbraak van de organische stof afgeremd. De klei IN veen methode zou een bijdrage kunnen leveren aan de CO2-doelstelling. Inhet ontwerpprogramma wordt deze proef genoemd onder he thema Bodem en grondgebruik. Dit thema is nu uitgewerkt in een aparte programmalijn bodem en grondgebruik
4
allen
LEEFOMGEVING, NATUUR, BIODIVERSITEIT Nieuwe, nattere veenweidelandschappen zijn aantrekkelijk voor nieuwe concepten op het gebied van recreatie en toerisme. Tevens kunnen zij bijdragen aan versterking van de biodiversiteit en het verbinden van de natuurgebieden met landbouwgronden tot een ecologisch samenhangend veenlandschap. Wij pleiten ervoor om dit onderwerp explicieter op te nemen in het veenweideprogramma.
allen
Met de druk op de woningmarkt in de steden en het “inburgeren” van thuiswerken, zou landelijk wonen een nieuwe impuls kunnen krijgen. Een rustige setting en een hoge landschapskwaliteit worden dan woonwensen die voor meer mensen bereikbaar worden. Zeker wanneer een snellere treinverbinding met de Randstad realiteit wordt.
Lwd
Los van de technisch-inhoudelijke aanpak vragen we ook expliciet aandacht voor de sociale effecten van het veenweideprogramma en de transitie die hier mee samenhangt. Langdurige onzekerheid en/of een onduidelijk toekomstperspectief zal een negatief effect hebben op het welzijn van de bewoners en op de leefbaarheid in het gebied. We onderschrijven de aandacht voor eigenaren van woningen met funderingsproblemen. Zij worden rechtstreeks en indringend geconfronteerd met de problemen van de veenbodemdaling.
allen
Hveen, DFM, Op, Sm, Westst, Lwd SWF
In het veenweideprogramma geven we aan dat we het karakteristieke veenweidelandschap zoveel mogelijk willen behouden. Op sommige plekken lukt dat niet meer en komen nieuwe veenlandschappen met nieuwe kwaliteiten tot ontwikkeling ten behoeve van klimaatadaptatie, natuurontwikkeling en nieuwe economische dragers zoals recreatie.
Het veenweideprogramma richt zich niet primair op het huisvestingbeleid. Een goede ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan eenaantrekkelijk woongebied en is een trekker voor de gastvrijheidseconomie. In de gebiedsaanpak gaan we het principe ‘omgevingskwaliteit als ontwerpbasis’ toepassen. Het programma biedt wel de ruimte voor landelijk wonen als economische drager in het veenweidegebied; het ruimtelijk kaderhiervoor staat in ruimtelijke plannen van gemeenten en provincie. We zijn ons bewust van de sociale aspecten die samenhangen met de beoogde veranderingen. Dit blijkt ook uit een deel van de zienswijzen die zijn ingediend. Aandacht voor leefbaarheid en welzijn hebben we als aandachtspunt toegevoegd aan het programma.
We zijn het eens met de insteek van het programma dat de woningeigenaar primair verantwoordelijk is voor de bouwkundige staat van de eigen woning. Toch willen we als overheid niet wegkijken van deze problemen en daar waar mogelijk ondersteunen.
We verwachten dat de funderingsproblematiek de komende jaren steeds manifester zal worden. Om de eigenaren van woningen hier meer bij te betrekken is besloten een funderingstafel in het leven te roepen. Eigenaren krijgen een belangrijke plek aan deze tafel. Het doelen de opzet van de tafel worden de komende tijd uitgewerkt. Besluitvorming hierover vindt plaats parallel aan de besluitvorming over dit veenweideprogramma. Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan tijdelijke beleid voor gedupeerden van funderingsschade. In het programma is hierover in H. 7.3 opgenomen dat er in 2022 een besluit wordt genomen over eventuele aanvullende vormen van ondersteuning. Dit besluit bereiden provincie, waterschap en gemeenten samen voor. De nieuw in te stellen funderingstafel wordt hier nauw bij betrokken.
We vinden dat er een primaire verantwoordelijkheid ligt bij de provincie en het waterschap om de regie te nemen en problemen op te lossen. We verwachten een meer actieve sturende rol van deze overheden. We willen als gemeente inwoners ondersteunen door mee te faciliteren dat ze gehoord worden.
Met de voorstellen die nu gedaan zijn in het veenweideprogramma nemen provincie en waterschap de regie. Samen met andere partijen, waaronder de gemeenten, bereiden we voorstellen voor aanvullende vormen van ondersteuning voor.
5
Westst
allen
Op Motie 4h
Hveen, DFM, SWF, Westst, Lwd
allen
allen
We onderkennen dat in de funderingsproblematiek eventueel een specifieke verantwoordelijkheid bij de overheid kan liggen, die in dat geval naar ons oordeel primair betrekking heeft op de provincie en/of het waterschap. Een beter zicht op consequenties is hier gewenst. Op dit moment weten we nog te weinig van de aard en omvang van de problematiek. We onderschrijven daarom het voornemen om funderingsonderzoek te subsidiëren en in 2022 opnieuw te bekijken wat wenselijk en noodzakelijk is. Dringt aan om de verantwoordelijke overheden van de provincie Fryslân ook hun verantwoordelijkheid te nemen voor het historische besluit om de waterpeilen te verlagen, waardoor inwoners schade hebben geleden door paalrot en/of verzakking.
Met de voorstellen die nu gedaan zijn in het veenweideprogramma nemen provincie en waterschap de regie. Samen met andere partijen, waaronder de gemeenten, worden voorstellen voor aanvullende vormen van ondersteuning voorbereid. We zien dit als ondersteuning van de voorgestelde aanpak.
Met de voorstellen die nu gedaan zijn in het veenweideprogramma nemen provincie en waterschap de regie. Samen met andere partijen, waaronder de gemeenten worden voorstellen voor aanvullende vormen van ondersteuning voorbereid.
Naast het voornemen om funderingsonderzoek te subsidiëren, stellen we voor In de pilot Groote Veenpolder wordt al ervaring opgedaan met ondersteuning om in de vorm van pilots al ervaring op te doen met concrete ondersteuning, van bewoners bij funderingsherstel. De ervaring die wehier opdoen nemen we bijvoorbeeld via procesondersteuning of het verstrekken vaneen lening. mee bij het vormgeven van aanvullende maatregelen.
INTEGRALE GEBIEDSAANPAK Wij - de veenweidengemeenten - denken dat een gezamenlijk programma en een gezamenlijke organisatie kunnen bijdragen aan de slagkracht en een minder versnipperde werkwijze in de veenweidegebieden. Gemeentelijke doelstellingen op het gebied van landbouw, natuur, biodiversiteit, landschap, energietransitie, recreatie en toerisme, CO2- en stikstofreductie en bodemdaling kunnen hierdoor integraal onderdeel worden van de ontwikkeling van het veenweidegebied. Onze regio kan hierdoor een sterkere positie innemen om aanspraak te maken op middelen vanuit het Rijk, Europese Fondsen en mogelijke andere partners. PROGRAMMAORGANISATIE Gemeenten geven aan, in het belang van de leefomgeving, de inwoners en ondernemers in deze gebieden, graag samen te willen werken om daarmee zoveel mogelijk invulling te geven aan het principe van één overheid.
We ondersteunen deze integrale benadering, opzet en organisatie voorhet veenweidegebied, ook voor het aanspraak maken op (inter)nationale middelen. We beschouwen deze zienswijze van de veenweidegemeenten als een ondersteuning voor het gezamenlijke programma. Zie verder de reacties hierboven m.b.t. integraliteit en de keuzes daarin.
Wij onderschrijven het belang van samenwerken aan het veenweideprogramma. We geven in het programma aan dat we werken met een programma-organisatie waarin gemeenten vertegenwoordigd zijn en er naar bestuurlijke afstemming wordt gezocht. De afspraken over samenwerking tussen de partijen worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
6
allen
Hveen
Westst
Westst
Een gelijkwaardige positie voor gemeenten (en gemeenteraden) is noodzakelijk. Het opstellen van het Veenweideprogramma is primair een verantwoordelijkheid (en onderdeel van de collegeprogramma’s) van de Provincie en het Wetterskip. Beide besturen hebben aan de voorkant richting gegeven aan het programma, door een richtinggevend besluit te nemen naar aanleiding van een MKBA. Deze inbedding ontbreekt (nog) bij de Colleges en de Raden van de veenweidegemeenten. Het onderwerp veenweide is in de meeste collegeprogramma’s niet opgenomen en onze Raden hebben in het voortraject geen inbreng kunnen leveren. Willen we in de toekomst samenwerken als gelijkwaardige partners, dan is hetnoodzakelijk dat vanuit de Raden medezeggenschap ontstaat rond het programma. KOSTEN EN FINANCIERING Voor de financiering van de ambities van het Veenweideprogramma zijn op termijn meer middelen noodzakelijk. Om de voortgang en uitvoering van het programma te kunnen borgen moet de provincie, eventueel samen met het Rijk, tijdig meer geld beschikbaar stellen. Wij vinden dat de kosten van de Veenweideproblematiek niet onevenredig bij een specifieke groep moet worden neergelegd.
OVERIG Evenals de Veenweideproblematiek leidt gaswinning tot bodemdaling. Gaswinning in Veenweidegebied is daarom ongewenst.
We onderschrijven deze oproep van de gemeenten. Hier zijn al de nodige stappen in gezet en er wordt verder gewerkt aan de inbedding bij colleges en raden. Vanuit het principe ‘werken als één overheid’, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, willen we deze samenwerking graag in gelijkwaardigheid voortzetten en verankeren ineen samenwerkingsovereenkomst.
Voor de financiering is inderdaad meer geld nodig. In H. 9 is aangegeven dat we de samenwerking met het Rijk en andere provincies willen intensiveren om afspraken te maken over de financiering van de aanpak van de veenweidegebieden. De veenweideproblematiek is een gemeenschappelijk probleem. De kosten die gemaakt worden om de doelen te kunnen realiseren zullen niet bij een specifieke groep neergelegd worden. In H. 9 is aangegeven hoe we de financiering van het programma de komende jaren willen realiseren.
Het Veenweidenprogramma richt zich uitsluitend op de maaivelddaling veroorzaakt door veenoxidatie. Er is sprake van bodemdaling als gevolg van delfstoffenwinning (gas en zout). Bij advisering over concrete winningen vindt afstemming plaatst tussen de Friese overheden (provincie, Wetterskip en gemeenten). Bij een te verwachten substantiële bodemdaling of een toename van bodemdaling, wordt in ieder geval een negatief advies uitgebracht. Als de gaswinning toch doorgaat en deze gevolgen heeft voor de waterhuishouding in een gebied, wordt een gebiedsplan opgesteld en uitgevoerd om de negatieve effecten op o.a. de waterhuishouding op te vangen, zoals voor het bodemdalingsgebied Harlingen- Franekeradeel en in de omgeving van Anjum. Wanneer in een gebied substantiële bodemdaling door delfstoffenwinning samenvalt met maaivelddaling als gevolg van veenoxidatie, kan dat aanleiding zijn omeen gebiedsproject te starten. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat verleent vergunningen voor gaswinning Insprekers kunnen hun bezwaren tegen gaswinplannen kenbaar maken bij dit ministerie tijdens de daarvoor geldende procedures.
7
Het ministerie organiseert voor ieder winningsplan een voorlichtingsbijeenkomst in de regio.
8