Bijlage 2 Woonzorganalyse Zuidoost Fryslân
Tekst van het document
Woonzorganalyse Regio Zuidoost Friesland
Regio Zuidoost Friesland 18 februari 2025 Definitief
DATUM
18 februari 2025
TITEL
Woonzorganalyse
OPDRACHTGEVER
Regio Zuidoost Friesland
AUTEUR(S)
Fenne Laarakkers Ronald Camstra Wouter de Vries
PROJECTNUMMER
074.105
STATUS
Definitief
Tivolilaan 205 6824 BV Arnhem Postbus 1174 6801 BD Arnhem www.companen.nl info@companen.nl 026 351 25 32
2
KvK-nummer: 09035291 BTW-nummer: NL001826517B01
Inhoud 1 1.1
Inleiding Demografie
4 4
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Ouderen Woonwensen en woonvormen Vitaliteitstredenmodel Vraaganalyse Aanbodinventarisatie ouderen De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Geschikt woningaanbod
5 5 6 7 11 12 14
3 3.1 3.2
Mensen met een lichamelijke beperking Woonwensen Vraaganalyse
17 17 17
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Mensen met een verstandelijke beperking Doelgroep en context Woonwensen Woonvraag van mensen met een verstandelijke beperking Aanbodanalyse VG De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod
18 18 18 18 19 20
5 5.1 5.2 5.3
Aandachtsgroepen Vraaganalyse Woningaanbod urgenten De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod
21 21 21 22
Bijlage 1: Woonstijlen
23
Bijlage 2: De Doorzonscan
33
3
Dubbele vergrijzing en huishoudensverdunning
1 Inleiding
De bevolking in Zuidoost Friesland vergrijst sterk. In Zuidoost Friesland is 23% van de mensen ouder dan 65 jaar, ten opzichte van 20% in Nederland. Tot 2040 blijft de regio verder vergrijzen. In 2040 zal 30% van de inwoners 65 jaar of ouder zijn. We zien ook een stijging in het aandeel 65+ huishoudens. Dit stijgt tussen 2023 en 2040 van 34% naar 42%. Vooral in de kleinere dorpen is het aantal ouderen de afgelopen tien jaar al flink toegenomen. Naast de toename van het aantal 65plussers, stijgt ook de gemiddelde leeftijd van deze groep. Er is daarmee sprake van dubbele vergrijzing. Om een inschatting te maken van de toekomstige woonbehoefte van ouderen maken we gebruik van de provinciale prognoses uit 2023. Naast de dubbele vergrijzing zien we ook een trend van huishoudensverdunning. Ouderen wonen steeds vaker alleen, wat betekent dat er extra woningen nodig zijn om al deze huishoudens te kunnen huisvesten.
1.1 Demografie Uitgangspunten prognoses De bevolkings- en huishoudensprognose vormen de basis van de analyses over de toekomstige woningbehoefte. Welke prognose wordt gebruikt heeft dus invloed op de verdere doorrekening. In dit onderzoek maken we gebruik van de provinciaal vastgestelde prognose uit 2023. Figuur 1.1: Regio Zuidoost Friesland. Bevolkingsontwikkeling, historisch en prognose. 195.228 196.000 194.000
192.343
Figuur 1.2: Regio Zuidoost Friesland. Verwachte ontwikkeling bevolking en huishoudens 65 jaar en ouder.
192.000 189.682
70000
190.000
58189
188.000
60000
186.000
50000 44329
184.000
40000
182.000
2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040
30000
Historisch
51328 38864
33887
29241
20000
Prognose 10000
Bron: Provinciale prognose 2023.
Bevolking 65+ Bron: Provinciale prognose 2023.
4
Huishoudens 65+
2040
2039
2038
2037
2036
2035
2034
2033
2032
2031
2030
2029
2028
2027
2026
2025
Volgens de provinciale prognose van 2023 blijft de bevolking van Zuidoost Friesland stijgen tot aan 2038. Daarna is een lichte daling te zien. In totaal wordt er tussen 2023 en 2040 een stijging van 5.546 inwoners verwacht.
2024
2023
0
Woning • Ouderen geven aan dat zij graag willen wonen in een levensloopgeschikte woning die voldoet aan de volgende uitgangspunten: de woning moet gelijkvloers zijn, zonder drempels, met één of twee slaapkamers en een verhoogd toilet. • Voor ouderen zonder zorgvraag of met een lichte zorgvraag is geclusterd wonen een aantrekkelijke woonvorm vanwege de mogelijkheid van sociaal contact. Bij geclusterd wonen is het belangrijkste dat het ontwerp uitnodigt tot onderling contact en betrokkenheid. Dat kan bijvoorbeeld in een appartementencomplex met een gezamenlijk atrium en ontmoetingsruimte.
2 Ouderen De leeftijd waarop mensen zich ‘oud’ voelen verschilt van persoon tot persoon. In dit onderzoek betrekken wij de groep 65-plussers in de analyses, aansluitend bij de definitie die het Rijk hanteert. In de gebruikte methodiek wordt wel een onderscheid gemaakt naar leeftijdsgroepen binnen die totale groep, op basis van de zorg- en ondersteuningsbehoefte per leeftijdsgroep en de woonbehoefte die daarmee samenhangt.
2.1 Woonwensen en woonvormen
Woonomgeving • Vanwege een afnemende mobiliteit is het voor veel ouderen prettig om dicht bij voorzieningen te wonen. De belangrijkste voorzieningen zijn daarbij de huisarts, ontmoetingsplekken, supermarkt en apotheek.
De woonvraag onder ouderen valt uiteen in de groep die een beroep doet op regulier wonen, een groep die woont in (kleinschalig) geclusterd wonen en een groep die woont in een zorggeschikte woning en waar intensieve zorg geboden wordt. Op basis van literatuuronderzoek en gesprekken met ouderen die we elders in het land hebben gehouden, geven we hieronder een beschrijving van de belangrijkste woonwensen van (toekomstige) ouderen.
Woonvormen voor ouderen Wij maken in dit rapport een onderscheid tussen ‘reguliere woning’, ‘nultredenwoning’, ‘geclusterd wonen’ en ‘zorggeschikte woningen’. • Reguliere woningen zijn ‘gewone’, niet-geclusterde woningen. Het gaat hierbij zowel om gezinswoningen als om appartementen of studio’s waar ook mensen zonder zorgvraag kunnen wonen. • Nultredenwoningen zijn woningen die geschikt zijn voor ouderen of andere zorgvragers met een (lichte) lichamelijke beperking. De woning is zowel intern als extern toegankelijk. Dat houdt in dat je de woning kunt bereiken zonder trap te lopen (extern toegankelijk) en dat keuken, badkamer, toilet en minimaal 1 slaapkamer zonder trappen te bereiken zijn (intern toegankelijk). • Bij geclusterd wonen gaat het om woningen die deel uitmaken van een complex of groep van minimaal 12 woningen die speciaal bestemd zijn voor ouderen. De woningen zijn levensloopgeschikt (ze voldoen aan dezelfde kenmerken als nultredenwoningen). De inrichting van het complex is bij voorkeur
Verhuisgeneigdheid • De verhuisgeneigdheid onder ouderen is over het algemeen laag, vooral onder ouderen met een koopwoning. Met bijvoorbeeld woningaanpassingen (bijvoorbeeld een traplift), ondersteuning uit het eigen netwerk en de scootmobiel is langer thuis wonen goed mogelijk, mits ouderen hier zelf tijdig op anticiperen. Als veel ouderen hun woning willen aanpassen en hiervoor een beroep doen op Wmo, dan kan dit tot hoge kosten leiden voor de gemeente. • De eigen gezondheid en de gezondheid van de partner is een belangrijke reden om wel of niet te verhuizen. • Een veel genoemde reden om niet te willen verhuizen, is de angst voor hogere woonlasten na een verhuizing.
5
dementievriendelijk en gericht op sociaal contact en gemeenschapsgevoel. Er is een ontmoetingsruimte inpandig of op maximaal 100 meter afstand. • Zorggeschikte woningen zijn zelfstandige woningen in een geclusterde woonvorm die zo ingericht zijn dat hier goed verpleegzorg geleverd kan worden. Zorggeschikte woningen gelden als alternatief voor traditionele verpleeghuisplekken. Ze zijn rolstoel- of rollatorgeschikt, met voldoende ruimte bij de entree, in de toiletruimte en in de badkamer. Ze kunnen onderdeel zijn van een complex waar alle bewoners gebruik maken van Wlzzorg (bijvoorbeeld traditionele verpleeghuisplekken of een kleine woonvorm voor mensen met dementie), maar ook van een geclusterde woonvorm waar ook mensen zonder Wlz-indicatie wonen.
2.2 Vitaliteitstredenmodel Het vitaliteitstredenmodel van Companen geeft nader inzicht in de woonbehoefte van ouderen, op basis van de zorgvraag van betrokkenen. Het model bevat vier treden. In de eerste trede zitten de meest vitale ouderen, die niet of nauwelijks gebruik maken van zorg; in de vierde treden vallen ouderen met een zware zorgvraag. In het model worden ouderen (65-plus) ingedeeld op basis van de ‘zwaarste’ zorgvorm die zij het afgelopen jaar ontvingen. Als voorbeeld: ouderen die zowel huishoudelijke hulp vanuit de Wmo krijgen als wijkverpleging vanuit de Zvw, tellen we mee in vitaliteitstrede 3. Figuur 2.1: Vitaliteitstredenmodel.
Toelichting Vitaliteitstredenmodel De meest vitale ouderen zitten in vitaliteitstrede 1. Zij hebben geen zorgindicatie, maar maken hooguit gebruik van eerstelijns huisartsenzorg of zorg van de specialist (vanwege een acute zorgvraag, chronische ziekte of specialistische geestelijke gezondheidszorg). Als ouderen gebruik maken van Wmo-ondersteuning, dan vallen ze in vitaliteitstrede 2. Het gaat hier ook om relatief vitale ouderen. De ondersteuning die zij krijgen bestaat uit hulpmiddelen, voorzieningen, huishoudelijke hulp of andere ondersteuning waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. In vitaliteitstrede 3 vallen ouderen die wijkverpleging ontvangen vanuit de Zvw. Een deel van deze mensen ontvangt ook ondersteuning vanuit de Wmo. In vitaliteitstrede 4 vallen ouderen die een Wlz-indicatie hebben. Ouderen met een Wlz-indicatie kunnen terecht in een verpleeghuis, maar zij kiezen er tegenwoordig vaker voor om zelfstandig te blijven wonen met intensieve zorg (vanuit een Volledig Pakket Thuis). Op die manier kunnen zij zo lang mogelijk zelf regie houden over hun woon(zorg)situatie.
De indeling in treden geeft inzicht in de zorgvraag en vitaliteit van ouderen, en is daarmee een goede voorspeller van de woonvraag. Uit woonwensenonderzoeken blijkt dat ouderen naarmate ze minder vitaal worden, vaker een voorkeur hebben voor een geclusterd woonconcept voor ouderen. Dit is ook terug te zien in het feitelijk woongedrag van ouderen. Dat betekent niet dat in geclusterde woonvormen alleen ouderen met een (zware) zorgvraag wonen: er zijn ook ouderen die al voordat ze een zorgvraag ontwikkelen graag willen verhuizen naar 6
geclusterd wonen: niet vanwege hun actuele zorgvraag, maar uit voorzorg of vanwege een behoefte aan sociaal contact in een geclusterd woonconcept waar intensieve zorg geboden wordt (zoals een verpleeghuis); ook voor deze groep geldt echter dat een deel nog in een reguliere woning woont. De volgende figuur laat zien wat de huidige verdeling is van ouderen in de regio Zuidoost Friesland naar de verschillende vitaliteitstreden. Ook laat het de ontwikkeling zien van hoeveel mensen in de komende jaren zullen vallen in de verschillende vitaliteitstreden, uitgaande van het huidige zorggebruik per leeftijdscategorie en de demografische prognose.
2.3 Vraaganalyse De informatie over de verdeling van ouderen naar de verschillende vitaliteitstreden combineren we met informatie over de feitelijke woonsituatie en woonwensen per vitaliteitstrede (WoON2021). • Van de ouderen zonder zorgindicatie (vitaliteitstrede 1), een wmo-indicatie (vitaliteitstrede 2) of zvw-indicatie (vitaliteitstrede 3) weten we op basis van CBS-microdata hoe zij feitelijk wonen in de gemeente: in een reguliere woning of geclusterde woning. Naast de feitelijke woonsituatie nemen we woonwensen van ouderen mee, omdat er vaak een onvervulde wens is om geclusterd te wonen (bijvoorbeeld omdat het aanbod er niet is). We nemen de feitelijke woonsituatie voor 90% mee, de wens slechts voor 10%, omdat we weten dat ouderen weinig verhuisgeneigd zijn om hun woonwens te laten vervullen en omdat de wens niet altijd realistisch is. • Voor de ouderen met een Wlz-indicatie (vitaliteitstrede 4) is hun woonsituatie niet uit CBS-microdata te halen. Daarom doen we aannames op basis van informatie wat wij hebben gehoord tijdens de werksessie voor het toetsen van aannames en ervaringen elders in het land. • Uitgangspunt voor de berekening van de behoefte aan nultredenwoningen is het aantal ouderen met ADL-beperkingen (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen, zoals traplopen of uit bed komen).
We gaan ervan uit dat al deze mensen behoefte hebben aan een ‘geschikte woning’: dat kan een reguliere nultredenwoning zijn, maar ook een geclusterde woning of een zorggeschikte woning. Om een inschatting te maken van de toekomstige omvang van de groep ouderen met ADL-beperkingen, doen we de aanname dat de groei van deze groep gelijke tred houdt met de groei van het aantal ouderen in vitaliteitstrede 2, 3 en 4. Een deel van de ouderen met ADL-beperkingen woont in een geclusterde of zorggeschikte woning. Van de totale vraag naar geschikte woningen trekken we daarom de vraag naar geclusterde en zorggeschikte woningen af. Wat overblijft, beschouwen we als een vraag naar reguliere nultredenwoningen.
Figuur 2.2: Regio Zuidoost Friesland. Prognose vitaliteit ouderen, naar vitaliteitstrede (personen).
1.370 850 7.070 1.880
1.390 900 7.380 2.080
33.170
34.490
2023
2025
1.710 1.270 9.100
1.820 1.480
3.140
3.630
37.970
40.930
42.040
2030
2035
2040
1.540 1.080 8.290 2.610
Vitaliteitstrede 1
Vitaliteitstrede 2
Vitaliteitstrede 4 - SOM
Vitaliteitstrede 4 - PG
9.720
Vitaliteitstrede 3
Bron: Woonzorgweter Companen, Provinciale prognose regio Zuidoost Friesland (2023), CBS-Microdata, 2024.
7
In de demografische doorrekening maken we een doorrekening van de vraag naar reguliere, zorggeschikte, geclusterde en nultredenwoningen waarbij wij de huidige situatie demografisch doorrekenen. In deze prognose is geen rekening gehouden met mogelijke nieuwe wijzigingen in beleid of met verschuivende voorkeuren van senioren: het is een ‘beleidsvrije’ en ‘trendneutrale’ prognose. We noemen dit de basisprognose. Tabel 2.1 toont het resultaat. We zien een flinke extra behoefte aan woonvormen voor ouderen: tot 2040 is er behoefte aan bijna 10.000 extra woningen voor ouderen. Een groot deel daarvan betreft reguliere woningen. Vaak is dit de woning waar mensen al jaren wonen en waarin zij ook zullen blijven als ze ouder worden. We zien de toenemende behoefte aan reguliere woningen daarom niet als uitbreidingsopgave (tenzij binnen de huidige woningvoorraad het aantal nultredenwoningen onvoldoende is). Doordat er steeds meer ‘oudere ouderen’ in de regio wonen, zal onder de totale groep 65-plussers de behoefte aan geclusterd wonen en zorggeschikt wonen in verhouding meer gaan toenemen dan de behoefte aan regulier wonen.
• Het aanbod aan intramurale woonzorgcentra zal nauwelijks tot niet toenemen. Steeds meer mensen met een Wlz-indicatie zullen daarom buiten een verpleeghuis wonen. • We verwachten dat ouderen met een psychogeriatrische zorgvraag relatief vaker een beroep zullen doen op een woonzorgcentrum dan ouderen met een somatische zorgvraag. • We verwachten dat mensen in vitaliteitstrede 1 tot en met 3 vaker zullen verhuizen naar een geclusterde woonvorm, uit voorzorg of vanwege behoefte aan sociaal contact of comfort. Per gemeente is bepaald hoe sterk deze trends en ontwikkelingen zijn. Dit heeft geleid tot een trendprognose waarbij we een aanname maken wat de woonvraag per vitaliteitstrede zal zijn in 2040. Deze aannames zijn terug te lezen in de lokale rapportages. We noemen dit de trendprognose. In de trendprognose beweegt de vraag naar bepaalde woonvormen in elk van de vitaliteitstreden geleidelijk aan van de huidige verdeling naar de trendverdeling. Dat resulteert in de verwachte ontwikkeling aan woonvormen voor ouderen in onderstaande tabel.
Tabel 2.1: Regio Zuidoost Friesland. Verwachte ontwikkeling behoefte woonvormen voor ouderen, basisprognose. 2023 2030 2040 Regulier wonen 22.730 26.230 29.810 Waarvan nultreden 2.810 3.200 4.050 Geclusterd wonen 4.920 5.760 6.660 Verpleeghuis/ 1.590 1.910 2.400 zorggeschikte woning Totaal 29.240 33.900 38.870 Bron: Woonzorgweter Companen.
Tabel 2.2: Regio Zuidoost Friesland. Verwachte ontwikkeling behoefte woonvormen voor ouderen, trendscenario. 2023 2030 2040 Regulier wonen 22.730 25.490 27.770 Waarvan nultreden 2.810 3.200 4.050 Geclusterd wonen 4.920 6.760 9.490 Woonzorgcentrum/ 1.590 1.650 1.610 zorggeschikte woning Totaal 29.240 33.900 38.870 Bron: Woonzorgweter Companen.
De basisvariant gaat alleen uit van demografische ontwikkelingen. Er zijn echter trends en ontwikkelingen van invloed op de toekomstige vraag naar wonen voor ouderen:
In de trendprognose neemt de behoefte aan nultredenwoningen feitelijk af, omdat meer ouderen verhuizen naar een geclusterde woonvorm. Maar aangezien nultredenwoningen in de praktijk vaak worden bewoond door huishoudens jonger dan 65 jaar die geen mobiliteitsbeperking hebben, is het verstandig om uit te gaan 8
van de behoefte die volgt uit de basisprognose. Deze is daarom ook zo opgenomen in tabel 2.2.
Wij maken een inschatting van de keuze die mensen gaan maken op het moment dat zij verhuizen naar een geclusterde woonvorm voor ouderen. Dit leidt tot een ‘woonmix’ per woonstijl. In de woonmix maken wij primair het onderscheid tussen de voorkeur voor appartementen (afkorting app: weinig onderhoud, overzichtelijk en gezamenlijke voorzieningen) en grondgebonden woningen (afkorting ggb: groter woonoppervlak, buitenruimte en meer zelfstandigheid). Secundair geven we aan welke woonconcepten goed passen bij de waarden en de financiële positie van de woonstijlen.
Vraag naar woonconcepten binnen geclusterd wonen De woonwensen van ouderen zijn divers. De woonvorm ‘geclusterd wonen’ is een verzamelnaam voor diverse woningtypes en woonconcepten die beschutting, comfort en ontmoeting bieden. Verschillende groepen ouderen zoeken daarbij verschillende typen geclusterde woonvormen. Welke keuzes groepen ouderen hierin maken is onder meer afhankelijk van hun woonwensen, die wij classificeren als zogeheten ‘woonstijlen’. We onderscheiden 12 ‘woonstijlgroepen’ (zie bijlage 1) onder (toekomstige) ouderen, die die verschillen qua woonvoorkeuren. De indeling in woonstijlen is gebaseerd op analyses van woongedrag en woonwensen van ouderen, zoals die naar voren komen in CBS-microdata, het WoON en sociologisch onderzoek naar generaties en waardepatronen. Deze inzichten zijn gekoppeld aan achtergrondkenmerken van ouderen, zoals het inkomen, leeftijd, huishoudenssamenstelling, stedelijkheid, opleiding en vermogen. De generatie waartoe iemand behoort, is (mede) bepalend voor de waardeoriëntatie, de sociaaleconomische status voor de financiële mogelijkheden die men heeft.
De ideale woonmix van de totale groep ouderen zal van jaar op jaar veranderen, omdat generaties elkaar opvolgen en de verhouding tussen de woonstijlen dus ook verandert.
Tabel 2.3: Indeling van woonstijlen naar generatie (geboortejaar) en financiële positie
Stille Generatie (tot 1940) Protestgeneratie (1940-1955) Generatie X (1955-1970) Pragmatische generatie (1970 - 1985)
Lagere sociaaleconomische status Kwetsbare Ouderen Traditionele buurtbewoners Actieve buurtbewoners Laag
Middel sociaaleconomische status Oudere comfortzoekers Vitale comfortzoekers Moderne hofjesbewoners Middel
Hoge sociaaleconomische status Welgestelde cultuurminnaars Welgestelde levensgenieters Ondernemende levensgenieters Hoog
Bron: CBS-microdata, WoON2018 en bewerking Companen.
9
Figuur 2.3: Regio Zuidoost Friesland. Behoefte woonconcepten binnen geclusterd wonen (10-tal). 100% 90%
0 6.020
2.480
4.290
4.180 5.890
80% 70%
680 1.140 1.290
Op basis van de woonwensen per woonstijl en de prognose van woonstijlen is het mogelijk om een prognose op te stellen van gewenste woningtypes en woonconcepten binnen het geclusterd wonen. Figuur 2.4 geeft weer hoe de behoefte aan diverse woonconcepten binnen het geclusterd wonen zich door de tijd naar verwachting zal ontwikkelen. De relatieve behoefte aan traditionele vormen van geclusterd wonen, zoals seniorencomplexen en seniorenflats, zal met de komst van nieuwe generaties, geleidelijk gaan afnemen. Met name de behoefte aan hofjeswonen zal toenemen.
690 1.160 1.330 5.230
7.230 4.720
5.940
8.780 5.800
60%
5.400
8.200 Figuur 2.4: Regio Zuidoost Friesland. Gewenste verdeling binnen geclusterd wonen, naar woonconcept.
50% 40%
9.110
5.330 8.880
30% 20% 10%
4.550 4.470
2.200 1.780
1.860 1.510
4.160
3.500
2023
2025
0% Pragmatische Generatie 1970 - 1985 Generatie X 1955 - 1970 Protestgeneratie 1940 - 1955 Stille Generatie
8.130
9.920
3.280 3.220
970 800 1.860
6.790
4.880 380 320 750 100 90 200 2030 2035 2040 Pragmatische gen. - Hoog Pragmatische gen. - Midden Pragmatische gen. - Laag Ondernemende levensgenieters Moderne hofjesbewoners Actieve buurtbewoners Welgestelde levensgenieters Vitale comfortzoekers Traditionele buurtbewoners Welgestelde cultuurminnaars Oudere comfortzoekers Kwetsbare ouderen
2023
8%
31%
5%
19%
12%
10%
16%
2025
8%
30%
5%
19%
12%
11%
15%
2030
8%
28%
6%
18%
14%
13%
14%
2035
7%
26%
6%
18%
15%
14%
13%
2040
7%
26%
6%
17%
16%
15%
13%
0%
20% 40% 60% 80% 100% Levensloopbestendige woningen (ggb) Seniorencomplex Luxe levensloopbestendige appartementen Serviceflat Hofjeswonen (ggb) Hofjeswonen (app) Aanleunwoning (app) Bron: Woonzorgweter, huishoudensprognose regio Zuidoost Friesland en CBS-Microdata.
Bron: Woonzorgweter Companen.
10
de regio Zuidoost Friesland. Uitgangspunt van de berekening is de veronderstelling dat de meeste ouderen het liefst in de eigen kern willen blijven wonen als zij verhuizen naar een geclusterde woonvorm of zorggeschikte woning. Er zijn ‘foto’s per dorp’ gemaakt waarin de behoefteprognose naar geclusterd en zorggeschikt wonen per kern wordt weergegeven 1. Deze ‘foto’s per dorp’ zijn onderdeel van de lokale rapportages die per gemeente zijn gemaakt.
Uitsplitsing marktsegmenten Op basis van het WoON21 en CBS-Microdata is achterhaald waar de 65-plussers nu wonen en hoe zij graag willen wonen. Dat maakt het mogelijk om de prognose voor geclusterd wonen voor ouderen verder uit te splitsen naar marktsegmenten. Ongeveer 35% van het geclusterd wonen voor ouderen valt binnen de sociale huur, 10% binnen de vrije sector huur en 55% binnen de koopsector. Richting de toekomst zien we dat deze verhouding ongeveer gelijk blijft.
2.4 Aanbodinventarisatie ouderen
Tabel 2.4: Regio Zuidoost Friesland. Behoefteprognose geclusterd wonen, uitgesplitst naar marktsegmenten, basisprognose (huishoudens, 10-tal). 2023 2030 2040 Sociale huur 1.780 2.030 2.330 Vrije sector huur 530 630 710 Koop 2.610 3.100 3.640 Totaal 4.920 5.760 6.660 Bron: Woonzorgweter, WoON2021, Provinciale prognose (2023) en CBS-Microdata.
Onderstaande tabel toont het aanbod aan woonvormen voor ouderen zoals dat uit een inventarisatie onder zorgaanbieders en corporaties naar voren is gekomen. Het aanbod in de vrije sector huur en koopsector komt voornamelijk vanuit CBSMicrodata; mogelijk hebben we daarom niet al het aanbod in deze sectoren compleet in beeld. Tabel 2.6: Regio Zuidoost Friesland. Aanbod geclusterde woningen voor ouderen (situatie 2024). Woonzorgcentrum/ Geclusterd Geclusterd Geclusterd zorggeschikt sociale particuliere koop huur huur Heerenveen 608 1821 420 130 Ooststellingwerf 379 1073 4 25 Opsterland 260 714 29 65 Smallingerland 545 1630 290 290 Weststellingwerf 276 826 65 90 Totaal 2.068 6.064 808 600 Bron: Aanbodinventarisatie Companen en CBS-Microdata.
Tabel 2.5: Regio Zuidoost Friesland. Behoefteprognose geclusterd wonen, uitgesplitst naar marktsegmenten, trendprognose (huishoudens, 10-tal). 2023 2030 2040 Sociale huur 1.780 2.370 3.280 Vrije sector huur 530 700 960 Koop 2.610 3.670 5.250 Totaal 4.920 6.760 9.490 Bron: Woonzorgweter, WoON2021, Provinciale prognose (2023) en CBS-Microdata.
Uitsplitsing naar kernen De behoefteprognose is ook op een lager schaalniveau doorgerekend. Hierin is rekening gehouden met een wisselende bevolkingsopbouw binnen de kernen in 1
In veel kernen is het bevolkingsaantal – en daarmee het aantal ouderen – te laag om een betrouwbare behoefteprognose aan woonvormen voor ouderen op te stellen op kernniveau. Daarom zijn kernen samengevoegd in clusters.
11
Tabel 2.7: Regio Zuidoost Friesland. Vraag-aanbodbalans geclusterde en zorggeschikte woonvormen voor ouderen, basisprognose (2023-2040; huishoudens). 2023 2030 2040 Regulier nultreden 0 -390 -1.240 Geclusterd wonen +2.550 +1.710 +790 Woonzorgcentrum/ +480 +160 -330 zorggeschikt Totaal +3.030 +1.480 -780
De plekken in verpleeghuizen worden bewoond door mensen met somatische of psychogeriatrische klachten. Een groot deel van deze plekken zijn wisselend inzetbaar. Dit betekent dat de plekken zowel door mensen met somatische als psychogeriatrische problematiek ingezet kunnen worden. Zorgaanbieders zijn daarnaast in het bezit van bijna 200 geclusterde woningen. Omdat niet bekend is in welk segment deze woningen vallen en of deze woningen meegenomen zijn in de CBS-Microdata hebben we deze woningen niet meegenomen in bovenstaande tabel.
Bron: Woonzorgweter, provinciale prognose regio Zuidoost Friesland (2023), aanbodinventarisatie, CIZ zorggegevens en CBS-Microdata.
2.5 De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Tabel 2.8: Regio Zuidoost Friesland. Vraag-aanbodbalans geclusterde en zorggeschikte woonvormen voor ouderen, trendprognose (2023-2040; huishoudens). 2023 2030 2040 Regulier nultreden 0 -390 -1.240 Geclusterd wonen +2.550 +710 -1.820 Woonzorgcentrum/ +480 +420 +460 zorggeschikt Totaal +3.030 +740 -2.600
In onderstaande tabellen is te zien wat de balans is van vraag en aanbod in de basisprognose en de trendprognose, uitgaande van het huidige aanbod en de verschillende vraagprognoses. Negatieve getallen duiden op tekorten, positieve getallen op een overschot. Voor nultredenwoningen kijken we naar het verschil tussen de huidige en toekomstige behoefte, omdat het aanbod aan geschikte woningen dat bewoond wordt door ouderen een momentopname betreft. De meeste nultredenwoningen zijn gewone woningen, die niet speciaal gelabeld zijn voor ouderen. Dit betekent dat een groot deel van deze woningen wordt bewoond door huishoudens jonger dan 65 jaar. Als een huishouden jonger dan 65 jaar zo’n woning verlaat, kan deze woning niet specifiek worden toegewezen aan een seniorenhuishouden. Of andersom: als een seniorenhuishouden een nultredenwoning verlaat, kan het nieuwe huishoudens jonger dan 65 jaar zijn.
Bron: Woonzorgweter, provinciale prognose regio Zuidoost Friesland (2023), aanbodinventarisatie, CIZ zorggegevens en CBS-Microdata. Een vergelijking van de vraagprognoses met het huidige aanbod aan woonvormen voor ouderen, laat zien dat het huidige woningaanbod voor ouderen waarschijnlijk niet voldoende is om aan de toekomstige vraag te voldoen. • Het huidige aanbod aan zorggeschikte woningen lijkt niet helemaal in balans met de vraag naar zorggeschikte woningen. Er lijkt zelfs in de huidige situatie een ‘theoretisch overschot’ te zijn. Dit betekent overigens niet direct dat er een overschot aan plekken in woonzorgcentra is. Het aanbod sluit namelijk niet overal goed aan op de vraag (zorgzwaarte). Er ligt daar een transformatieopgave van het vastgoed. Daarnaast zijn er ook mensen die in woonzorgcentra wonen zonder Wlz-indicatie (bijvoorbeeld omdat zij zijn
12
meeverhuisd met hun partner die inmiddels overleden is). Dit is niet meegenomen in de prognose, waardoor het getal hoger uitkomt. • In de basisprognose zou het huidige aanbod aan geclusterde woonvormen voldoende moeten zijn om de toekomstige vraag op te vangen. Wel zien we een tekort voor het aantal woonzorgcentrum/zorggeschikte plekken. Aangezien er geen uitbreiding van woonzorgcentra zal zijn richting de toekomst moet dit tekort opgevangen worden in het zorggeschikte woningen. In de trendprognose zien we een ander beeld. We zien daar richting 2040 een tekort ontstaan van 1.820 geclusterde woningen. • Kijkend naar het verschil tussen de huidige en toekomstige behoefte aan nultredenwoningen, ontstaat er richting 2040 een extra behoefte aan 1.240 reguliere nultredenwoningen.
gebied is men juist meer op koop gericht. Ook economische ontwikkelingen zijn bepalend, zoals ten aanzien van hypotheekrente, grondstof-, bouw- en kavelkosten. Bij een ongunstige koopmarkt zal men eerder geneigd zijn om te huren, terwijl mensen in een gunstige koopmarkt juist eerder zullen kiezen voor kopen. Daarmee zijn de vraag naar particuliere huur en koop deels voor elkaar inwisselbaar, en zal de ontwikkelaar per ontwikkelproject op basis van de actuele, lokale marktinformatie bepalen in welk segment hij de woningen zal ontwikkelen. Tabel 2.9: Regio Zuidoost Friesland. Vraag-aanbodbalans, geclusterde woonvormen voor ouderen naar marktsegment, basisprognose (huishoudens, 10-tal). 2023 2030 2040 Sociale huur +4.280 +4.030 +3.730 Vrije sector huur +280 +180 +100 Koop -2.010 -2.500 -3.040 Totaal +2.550 +1.710 +790 Bron: Woonzorgweter, provinciale prognose regio Zuidoost Friesland (2023), aanbodinventarisatie, CIZ-zorggegevens en CBS-Microdata.
Kijken we naar de marktsegmentatie van de geclusterde woonvormen van ouderen, dan valt het volgende op: • Er zit ontspanning in het aanbod geclusterd wonen voor ouderen in de sociale huur. Zowel in het basisprognose als in de trendprognose zijn er tot 2040 voldoende geclusterde woningen. Kwalitatief ligt hier nog wel een opgave. Niet alle als geclusterd gelabelde woningen hebben bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte op loopafstand beschikbaar. • Er lijkt een tekort te gaan ontstaan aan aanbod van geclusterd wonen in de particuliere huursector. In het basisscenario houden we nog rekening met een overschot van bijna 100 woningen. In de trendprognose zien we tegen 2040 echter een tekort ontstaan van 140 woningen. • In de koopsector zien we op dit moment al een groot tekort aan geclusterde woonvormen. Dit tekort loopt in de basisprognose op tot 3.040 in 2040 en in de trendprognose tot 4.530. • De opgave van geclusterd wonen in de particuliere huur of koop is sterk afhankelijk van de doelgroep en de economische ontwikkelingen. Bij de doelgroep hangt het vaak af van de kooplustigheid van de groep ouderen. Die verschilt sterk per culturele achtergrond en per geografische oriëntatie. In grotere steden is de vraag naar particuliere huur vaak groter en in het landelijk
Tabel 2.10: Regio Zuidoost Friesland. Vraag-aanbodbalans, geclusterde woonvormen voor ouderen naar marktsegment, trendprognose (huishoudens, 10-tal). 2023 2030 2040 Sociale huur +4.280 +3.680 +2.850 Vrije sector huur +280 +110 -140 Koop -2.010 -3.080 -4.530 Totaal +2.550 +710 -1.820 Bron: Woonzorgweter, provinciale prognose regio Zuidoost Friesland (2023), aanbodinventarisatie, CIZ-zorggegevens en CBS-Microdata.
13
Figuur 2.5: Regio Zuidoost Friesland. Aanbod 'geschikte' woningen volgens de 'doorzonscan' (2024).
2.6 Geschikt woningaanbod In onze analyse van de geschiktheid van de woningvoorraad zijn wij uitgegaan van de volgende meetgraad voor ‘geschiktheid’: alle primaire voorzieningen (slaapkamer, woonkamer, toilet, badkamer en keuken) liggen gelijkvloers of zijn zonder traplopen bereikbaar. De woning is geschikt voor bewoners met geringe beperkingen bij het lopen, die eventueel een wandelstok of kruk(ken) gebruiken. Alle appartementen of (galerij)flats gelden als ‘geschikt’, zolang deze over een lift beschikken. In de analyse wordt geen rekening gehouden met de ‘buitenkant’ van de woningen. Als woningen geschikt zijn, moeten die ook extern toegankelijk zijn. Dit betekent geen opstapjes en drempels naar de voordeur en bij appartementen moeten de deuren van gemeenschappelijke ruimten elektrisch bediend kunnen worden.
Gemeente Heerenveen
23%
31%
46%
Gemeente Ooststellingwerf
23%
25%
51%
Gemeente Opsterland
18%
40%
Gemeente Smallingerland
24%
Gemeente Weststellingwerf
20%
Regio Zuidoost Friesland
22% 0%
Geschikte woning
42%
38%
38%
29%
20%
51%
33% 40%
Potentieel geschikte woning
45% 60%
80%
100%
Niet-geschikte woning
Bron: WOZ-registratie gemeenten regio Zuidoost Friesland, bewerkt door Companen (2024).
Eengezinswoningen zien wij als ‘potentieel geschikt’ als zij voldoen aan één van deze kenmerken: • eengezinswoning gebouwd na 1998; • inhoud bij koopwoning is groter dan 250 m3 en gebouwd na 1965; • inhoud bij huurwoning is groter dan 300 m3 en gebouwd na 1980; • geschakelde woning.
We hebben de geschiktheid geanalyseerd van in totaal ongeveer 83.600 woningen, die opgenomen zijn als zelfstandige woningen in de WOZ-registratie van de gemeenten. Volgens deze analyse is iets meer dan 1 op de 5 woningen (22%, 18.436 woningen) geschikt voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Meer dan een derde van de woningen (33%, 27.949 woningen) is geschikt te maken. Ongeveer de helft van de woningen (45%, 37.209 woningen) is niet geschikt voor mensen met een mobiliteitsbeperking.
Een verdere toelichting op de werkwijze is terug te vinden in bijlage 2.
Uitsplitsing naar leeftijdsklasse Niet iedere geschikte woning wordt bewoond door een oudere. Van de geschikte woningvoorraad wordt meer dan de helft (53%) bewoond door een huishouden onder de 65 jaar. Deze woningen zijn dus niet beschikbaar voor ouderen.
14
Figuur 2.6: Regio Zuidoost Friesland. Geschiktheid woningvoorraad volgens 'doorzonscan', naar leeftijd bewoner (2024).
Tot 50 jaar
18%
34%
48%
50-64 jaar
16%
38%
47%
65-74 jaar
22%
75-84 jaar
35%
33%
85+ 0% Geschikte woning
43% 30%
49% 20%
37% 20%
40%
Figuur 2.7: Regio Zuidoost Friesland. Aandeel 65+ in geschikte woning per gemeente.
60%
Potentieel geschikte woning
Gemeente Heerenveen
30%
28%
42%
Gemeente Ooststellingwerf
32%
25%
43%
Gemeente Opsterland
25%
37%
38%
Gemeente Smallingerland
31%
Gemeente Weststellingwerf
29%
27%
44%
Regio Zuidoost Friesland
30%
31%
39%
0%
31% 80%
Geschikt
100%
20%
Potentieel geschikt
35%
40%
33%
60%
80%
100%
Niet-geschikte woning
Bron: WOZ- en BRP-registratie gemeenten regio Zuidoost Friesland, bewerkt door Companen (2024).
Niet-geschikte woning
Bron: WOZ-registratie gemeenten regio Zuidoost Friesland, bewerkt door Companen (2024).
Uitsplitsing naar eigendomssituatie De geschiktheid is onevenredig verdeeld naar de eigendomssituatie: • Corporatiewoningen zijn het vaakst niet geschikt voor mensen met een mobiliteitsbeperking (51% van de voorraad). Het aandeel geschikte woningen is echter ook vrij hoog (32%). Slechts 17% van de woningen is met een kleine ingreep geschikt te maken. • In de particuliere huursector is het aandeel niet geschikt te maken woningen het kleinst (39%). Het aandeel geschikte woningen is juist het grootst (41%). Nog 21% is geschikt te maken met een kleine ingreep. • De grootste kansen liggen in de koopsector. Het aandeel geschikte woningen is hier het laagst (15%), terwijl maar liefst 43% met een kleine ingreep geschikt te maken is.
De uitsplitsing van de woningvoorraad in Zuidoost Friesland naar leeftijdsgroepen laat het volgende zien: naarmate de leeftijd oploopt wonen mensen vaker in een geschikte woning. Van de 85-plussers woont bijna de helft (49%) in een geschikte woning. Daarentegen woont nog meer dan 1 op de drie (31%) 85-plussers in een niet-geschikte woning. Hier ligt de opgave om doorstroming naar een geschikte woning te bevorderen. Tussen de gemeenten zijn wat verschillen te zien als we kijken naar de woonsituatie van 65-plussers. In de gemeente Opsterland is het percentage 65plussers dat in een geschikte woning woont het laagst (25%). In de gemeente Ooststellingwerf is dit percentage het hoogst (32%). De andere gemeenten zitten hier tussenin.
15
Figuur 2.8: Regio Zuidoost Friesland. Geschiktheid woningvoorraad naar eigendom volgens 'doorzonscan' (2024).
Sociale huur
32%
Vrije sector huur
17%
41%
Koop
15% 0%
Geschikte woning
51%
21%
39%
43% 20%
40%
43% 60%
Potentieel geschikte woning
80%
100%
Niet-geschikte woning
Bron: WOZ-registratie gemeenten regio Zuidoost Friesland, bewerkt door Companen (2024).
Uitsplitsing naar kernen De ‘foto’s per dorp’ laten de geschiktheid van de woningvoorraad per kern zien en het aandeel 65-plussers dat woont in een geschikte, potentieel geschikte of nietgeschikte woning. Deze zijn onderdeel van de rapportages die voor elke gemeente zijn gemaakt.
16
De vraag vanuit de groep mensen met een lichamelijke beperking kan worden opgevangen door middel van woonvormen die speciaal bedoeld zijn voor deze groep. Wanneer we naar het aanbod aan plekken voor mensen met een lichamelijke beperking kijken, hebben we alleen in de gemeente Smallingerland aanbod in beeld voor de LG-doelgroep. Wooncentrum De Leidijk en Zuiderstee Het Zuid hebben gezamenlijk 34 plekken. Volgens het aanbod dat wij in beeld hebben zou er dus een tekort aan LG-plekken zijn. Het zou goed kunnen dat de mensen met een Wlz-indicatie vanwege een lichamelijke beperking in een reguliere aangepaste woning wonen.
3 Mensen met een lichamelijke beperking In dit hoofdstuk brengen we de langdurige zorgvragers met een lichamelijke beperking met een Wlz-indicatie in beeld.
3.1 Woonwensen Mensen met een (al dan niet aangeboren) lichamelijke beperking hebben behoefte aan een goed toegankelijke woning. De mate waarin een woning aangepast moet zijn is afhankelijk van de aard en zwaarte van de beperking. Als het gaat om woningaanpassingen, dan is het niet belangrijk of een woning grondgebonden is, zo lang er maar een lift en elektrische toegangsdeuren aanwezig zijn. Wel moet de woning het liefst gelijkvloers zijn en genoeg ruimte bieden in de badkamer voor diverse hulpmiddelen. De woonomgeving moet toegankelijk zijn en de woning moet gelegen zijn in de buurt van voorzieningen zoals een huisarts, winkels en ontmoetingsplekken. Ook parkeergelegenheid in de directe omgeving is belangrijk, bij voorkeur voor de deur. Mensen met een lichamelijke beperking doen naast beroep op woningaanpassingen ook beroep op (ambulante) zorg. De intensiteit van deze zorg is afhankelijk van de aard en zwaarte van de beperking.
3.2 Vraaganalyse Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een Wlz-indicatie vanwege een lichamelijke beperking is gebruik gemaakt van de CIZ-databank. In januari 2024 (peildatum 1 januari 2024) hadden 155 mensen in de regio Zuidoost Friesland een Wlz-indicatie voor LG. Op basis van de demografische ontwikkeling verwachten we dat de omvang van deze groep stabiel blijft de komende jaren.
17
een verstandelijke beperking zijn over het algemeen aangewezen op een sociale huurwoning. Soms huren zij deze van een zorgorganisatie, soms bij een woningcorporatie. Hierbij is betaalbaarheid het belangrijkste criterium bij de keuze van een woning. Voor de groep die woont bij een zorgaanbieder geldt dat de meesten de voorkeur geven aan een wooneenheid met eigen sanitair; of een eigen kookgelegenheid gewenst is, hangt af van de mate van zelfstandigheid.
4 Mensen met een verstandelijke beperking De groep mensen met een (licht) verstandelijke beperking is erg divers. Er is daarom behoefte aan diversiteit van woonvormen. De een heeft behoefte aan verpleging en verzorging, de ander aan huishoudelijke hulp of begeleiding bij gedragsproblematiek. Veel van deze mensen woont in een instelling, maar ook een klein deel woont zelfstandig in de wijk met ambulante begeleiding.
Fysieke woonomgeving In de fysieke woonomgeving is nabijheid en bereikbaarheid van voorzieningen en openbaar vervoer gewenst. Mensen met een verstandelijke beperking zijn gevoeliger voor de leefbaarheid van een buurt en voelen zich in het algemeen eerder onveilig. Een gevoel van veiligheid op straat is daarom belangrijk. Daarom zijn drukke buurten over het algemeen minder geschikte woonlocaties voor mensen met een verstandelijke beperking. Zo’n omgeving zorgt voor te veel prikkels.
4.1 Doelgroep en context In de afgelopen jaren is de toegang tot de Wlz voor mensen met een verstandelijke beperking iets beperkter geworden. Er worden geen nieuwe indicaties meer afgegeven voor langdurige zorg aan mensen met een lichte zorgvraag (VG 1 en 2). Deze mensen zijn voor ondersteuning tegenwoordig aangewezen op de Wmo. Mensen met een bestaande VG1- of VG2-indicatie die al in een instelling wonen, mogen hier wel blijven. Ondanks de beperking van de toegang tot de Wlz, zien wij een landelijke trend waarin er steeds meer mensen een indicatie voor VG hebben. Ook in de regio Zuidoost Friesland is deze trend te zien. Deze groei gaat sneller dan de algehele bevolkingsgroei; het gaat dus om een stijgend aandeel. Deels wordt deze groei verklaard doordat de doelgroep met een verstandelijke beperking ouder wordt dan voorheen; daarnaast wordt vaak gewezen naar de steeds ingewikkelder samenleving.
Zorg en ondersteuning Mensen met een (licht) verstandelijke beperking hebben vaak behoefte aan begeleiding en structuur. Voor de mensen die zelfstandig wonen is het belangrijk dat de hulp (bij het huishouden, financiën of structuur in het dagelijks leven) op afroep aanwezig is. Mede omdat contact met familie niet altijd vanzelfsprekend is bij deze groep.
4.3 Woonvraag van mensen met een verstandelijke beperking
4.2 Woonwensen
Om een inschatting te maken van de omvang van de groep met een Wlz-indicatie vanwege een verstandelijke beperking, is gebruik gemaakt van de CIZ-databank. Op dit moment telt Zuidoost Friesland 2.200 mensen met een Wlz-indicatie VG. Daarnaast zijn er mensen met een (licht) verstandelijke beperking die
Soort woning Een groot deel van de mensen met een (licht) verstandelijke beperking woont in een zorginstelling. Een deel woont zelfstandig. Zelfstandig wonende mensen met 18
Figuur 4.1: Regio Zuidoost Friesland. Basisprognose VG (2023-2040).
ondersteuning ontvangen vanuit de Wmo. Het grootste deel van deze groep woont zelfstandig in een reguliere woning of bij de ouders.
2.500
Wij richten ons hier op de groep met een Wlz-indicatie. In combinatie met de bevolkingsprognose is een inschatting opgesteld van de omvang van de groep mensen met een Wlz-indicatie vanwege een verstandelijke beperking voor de periode tot en met 2040. Hierbij hebben wij rekening gehouden met een stijging van het zorggebruik van 2% per jaar, vanwege het ouder worden van de doelgroep – een landelijke trend die zichtbaar is.
2.000
150
150
150
150
120
2.050
2.090
2.140
2.140
2.150
2023
2025
2030
2035
2040
1.500 1.000 500
Figuur 4.1 toont de verwachte omvang van de groep mensen met een verstandelijke beperking met een Wlz-indicatie, waarbij de woonvraag is uitgesplitst naar twee woonvormen: geclusterd wonen en gespikkeld wonen. Deze berekening is gebaseerd op een demografische doorrekening van de huidige situatie.
0 Geclusterd wonen
Gespikkeld wonen
Bron: Woonzorgweter Companen.
Woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking • Geclusterd wonen is een woonvorm waarbij de bewoner een eigen appartement of studio heeft met voorzieningen, maar ook met een ontmoetingsruimte in of bij het pand. Betreft zowel groepswonen als het wonen in geclusterde appartementen, waarbij begeleiding 24-uur aanwezig kan zijn of 24-uur oproepbaar is. • Gespikkeld wonen is het wonen in een reguliere, niet-geclusterde woning in de nabijheid van een woonvorm waarvandaan zorg en begeleiding geboden kan worden.
4.4 Aanbodanalyse VG Aan zorgaanbieders in de regio Zuidoost Friesland die zich richten op zorg voor mensen met een verstandelijke beperking is gevraagd hoeveel woonzorgplekken zij hebben voor de doelgroep. In onderstaande tabel is het geïnventariseerde aanbod opgenomen.
19
Tabel 4.1: Regio Zuidoost Friesland. Aanbod woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking (2024).
Geclusterd wonen Heerenveen Ooststellingwerf Opsterland Smallingerland Weststellingwerf
Tabel 4.2: Vraag-aanbodbalans woonvormen mensen met een verstandelijke beperking, basisscenario (10-tal).
Gespikkeld wonen 188 103 338 437 92
Totaal 1.158 Bron: Aanbodinventarisatie zorgaanbieders regio Zuidoost Friesland.
2023
2030
2040
0 0 11 0 30
Geclusterd wonen Wlz Gespikkeld wonen Wlz Totaal
41
Bron: Woonzorgweter Companen, provinciale prognose regio Zuidoost Friesland (2023), aanbodinventarisatie zorgaanbieders, CIZ-zorggegevens en CBS-Microdata.
4.5 De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Het aantal Wlz-indicaties voor mensen met een verstandelijke beperking ligt hoger dan het aantal plekken dat zorgaanbieders voor deze doelgroep hebben: • Er is in de huidige situatie een tekort van zo’n 930 plekken in geclusterd wonen. Dit tekort neemt toe richting 2040. Het tekort zal dan ongeveer 1.030 plekken zijn. • Het aanbod gespikkeld wonen is beperkt. Er is in de huidige situatie een tekort van ongeveer 110 plekken. Dit tekort zal door demografische ontwikkelingen langzaam afnemen richting 2040 tot een tekort van zo’n 80 plekken. Een deel van de mensen met een verstandelijke beperking en een Wlz-indicatie blijft thuis bij ouders of zelfstandig wonen. Zij ontvangen dan ambulante begeleiding en gaan naar een dagbesteding. Om hoeveel mensen dit gaat is niet bekend. Het is daarom lastig te zeggen of het tekort dat hierboven beschreven wordt ook echt een tekort is of dat deze mensen geen behoefte hebben aan een plek in een woonlocatie voor mensen met een verstandelijke beperking.
20
-890
-980
-990
-110
-110
-80
-1.000
-1.090
-1.070
5 Aandachtsgroepen
Tabel 5.1: Indicatie van het potentiële aantal urgentiebeschikkingen per categorie voor regio Zuidoost Friesland.
Aandachtsgroep
In dit hoofdstuk kijken we naar de vraag naar zelfstandige woonruimte voor aandachtsgroepen. Dit zijn bijvoorbeeld cliënten uit jeugdzorg, beschermd wonen of de maatschappelijke opvang. De meeste mensen in deze instellingen zullen na verloop van tijd weer uitstromen. Op dat moment hebben zij behoefte aan passende woonruimte en wellicht ambulante begeleiding.
Mantelzorgers Medisch urgenten Dakloze personen/ MO Vrouwenopvang BW Jeugdzorg Detentie en forensische zorg Sekswerkers Herstructureringsurgenten Statushouders Totaal
5.1 Vraaganalyse In het wetsvoorstel van de ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ (Wvrv) staat een verplichting voor alle gemeenten om een urgentieverordening op te stellen. De Friese gemeenten zijn bezig om vooruitlopend op het in werking treden van deze wet al een Friese urgentieverordening op te stellen. De eerste voornemens hiertoe geven een overzicht van het potentieel aantal urgentiebeschikkingen per jaar per gemeente. In de tabel hieronder is voor de regio Zuidoost Friesland aangegeven met hoeveel urgenties we rekening moeten houden. In totaal zijn dat voor de regio zo’n 520 urgentiebeschikkingen per jaar.
Indicatie jaarlijks urgentiebeschikkingen 15 20 Max. 135 10 20 65 70 10 40 170-255 520
potentiële
Bron: Uitgangspuntennotitie Friese urgentieverordening.
5.2 Woningaanbod urgenten Mutaties in de sociale huur Aandachtsgroepen doen een beroep op vrijkomende sociale huurwoningen. Over het algemeen zijn zij aangewezen op de goedkope of betaalbare voorraad. Het is daarom relevant om te kijken hoeveel betaalbare woningen er op jaarbasis beschikbaar komen (muteren) in de gemeente. Onderstaande tabel laat zien hoeveel sociale huurwoningen zijn vrijgekomen in 2022. In de regio Zuidoost Friesland kwamen er in 2022 1.955 corporatiewoningen vrij.
21
Tabel 5.2: Regio Zuidoost Friesland. Corporatiebezit, jaarlijks aantal mutaties en mutatiegraad naar huurprijsklassen, (5-tal).
Totaal aantal woningen 23.800
Mutatiegraad 2022 8,2%
Aantal mutaties 1.955
Bron: Lokale Monitor Wonen.
5.3 De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod We vergelijken het aantal vrijkomende corporatiewoningen met het potentieel aantal urgentiebeschikkingen dat is opgenomen in het voorlopig concept voor de urgentieverordening. Bij een gelijkblijvend aantal vrijkomende corporatiewoningen per jaar, betekent dit dat zo’n 27% van de vrijkomende woningen nodig zijn voor het opvangen van aandachtsgroepen (inclusief statushouders).
22
Bijlage 1: Woonstijlen
23
Kwetsbare ouderen Kwetsbare ouderen behoren tot de ‘stille generatie’ (1925 – 1940). Deze groep ouderen heeft een leeftijd van 80 jaar of ouder. De groep heeft een lagere inkomenspositie en een beperkt vermogen. Zij zijn doorgaans lager opgeleid. Het merendeel van de kwetsbare ouderen woont in een corporatiewoning.
Waardeoriëntatie & betrokkenheid Kwetsbare ouderen hebben een traditionele waardeoriëntatie, die voornamelijk gevormd is door de waarden en normen die men ‘vanuit huis’ mee kreeg. Kwetsbare ouderen komen voort uit een plichtsgetrouwe generatie, waarin een zuinig en bescheiden leven voorop staat. Voor deze groep staat de gemeenschap in het middelpunt in plaats van het individu.
Kwetsbare ouderen hebben een gemiddeld aantal verzekeringen. Kwetsbare ouderen hebben vaak geen auto en steunen bekende goede doelen, omdat dit zo ‘hoort’.
Verhuiswens, woonsituatie en woonwensen
Kwetsbare ouderen zijn trouw aan collectieve organisaties zoals ouderenbonden, vakbonden en goede doelen. Echter ondernemen ze geen politieke of maatschappelijke actie. Moderne communicatiemiddelen worden door kwetsbare ouderen niet of nauwelijks gebruikt.
Van deze groep geeft 85% aan beslist niet te willen verhuizen binnen de komende 2 jaar (WoON2018). Van de overige 15%, geeft 70% aan misschien en 17% beslist te willen verhuizen, 9% zou wel willen verhuizen maar niets kan vinden en 4% heeft al een andere woning gevonden.
Vrije tijd & consumptie
Kwetsbare ouderen wonen relatief vaak in een gelijkvloerse woning, die al is aangepast voor een eventuele handicap. Daarnaast wonen kwetsbare ouderen vaak in seniorenwoningen, binnen een complex of als aanleunwoning.
Vanwege de hoge leeftijd, beperkte financiële middelen en traditionele oriëntatie, ondernemen kwetsbare ouderen relatief weinig activiteiten. Deze groep onderneemt met name traditionele hobby’s, zoals lezen, puzzelen, breien, verzamelen en tuinieren.
Veel kwetsbare ouderen geven aan dat gezondheid een reden vormt om te verhuizen. De gewenste woningen bij verhuizing zijn met name appartementen. De groep heeft hierbij over het algemeen ook een sterke voorkeur om samen te wonen, mede om meer sociaal contact te kunnen leggen. De nabijheid van supermarkten en OV is belangrijk voor de groep kwetsbare ouderen.
Kwetsbare ouderen lezen vooral regionale kranten en omroepbladen. Nederland 1, 2 en 3 en RTL-zenders zijn favoriet op de TV. Het aankopen van producten via het internet doet de groep nauwelijks.
24
doneert jaarlijks een bescheiden bedrag voor fondsen zoals KWF Kankerbestrijding, Nederlandse Hartstichting en Zonnebloem. Sommige oudere comfortzoekers hebben één tweedehands auto van het merk Suzuki, Peugeot of Volkswagen.
Oudere comfortzoekers Oudere comfortzoekers behoren tot de ‘stille generatie’ (1925 – 1940). Deze groep ouderen is 80-plus en beschikt over een midden inkomenspositie en een modaal vermogen. Zij zijn doorgaans lager of midden opgeleid. Net zoals de groep kwetsbare ouderen woont het merendeel van de oudere comfortzoekers in een corporatiewoning.
Verhuiswens, woonsituatie en woonwensen Van deze groep geeft 80% aan beslist niet te willen verhuizen binnen de komende 2 jaar. Van de overige 20%, geeft 71% aan misschien en 10% beslist te willen verhuizen, 15% zou wel willen verhuizen maar niets kan vinden en 3% heeft al een andere woning gevonden.
Waardeoriëntatie & betrokkenheid Oudere comfortzoekers hebben een traditionele waardeoriëntatie, die voornamelijk gevormd is door de waarden en normen die men ‘vanuit huis’ mee kreeg. Oudere comfortzoekers komen voort uit een plichtsgetrouwe generatie, waarin een zuinig en bescheiden leven voorop staat. Voor deze groep staat de gemeenschap in het middelpunt in plaats van het individu. Oudere comfortzoekers hebben relatief veel vertrouwen in de overheid, banken en de zorg. Moderne communicatiemiddelen worden door oudere comfortzoekers niet of nauwelijks gebruikt.
Oudere comfortzoekers wonen overwegend binnen een complex, in de vorm van woonzorgcentrum, bejaardentehuis of serviceflat. De woningen binnen deze complexen zijn vaak gelijkvloers. Gezondheid vormt ook voor deze groep de grootste reden tot eventuele verhuizing. Oudere comfortzoekers spreken vaker een wens uit om samen te wonen met andere huishoudens, bijvoorbeeld in appartementencomplexen. Bij de keuze voor een woonplek is ook voor deze groep de nabijheid van supermarkten en OV belangrijk.
Vrije tijd & consumptie Vanwege de hoge leeftijd en traditionele oriëntatie, ondernemen oudere comfortzoekers relatief weinig activiteiten. Deze groep gaat soms naar een restaurant en houdt zich bezig met kruiswoordpuzzels, lezen, puzzelen, bordspellen en tuinieren. Oudere comfortzoekers lezen graag regionale kranten en maken gebruik van omroepbladen zoals Troskompas en KRO Magazine. Daarnaast leest deze groep graag bladen zoals Libelle, Privé en Plus magazine. Publieke televisiezenders, RTLzenders en Veronica worden veel bekeken door oudere comfortzoekers. De radio staat vaak afgestemd op een regionale radiozender. Oudere comfortzoekers hebben weinig interesse in financiële producten. Verzekeringen worden vaak afgesloten bij de grote banken. Deze groep ouderen 25
Welgestelde cultuurminnaars Welgestelde cultuurminnaars vallen onder de ‘stille generatie’ (1925 – 1940). Deze groep ouderen is op hoge leeftijd (80-plus) en beschikt over een hoge inkomenspositie en een hoog vermogen. Zij zijn doorgaans hoger opgeleid. De welgestelde cultuurminnaars wonen voornamelijk in koopwoningen.
Waardeoriëntatie & betrokkenheid Welgestelde cultuurminnaars hebben een traditionele waardeoriëntatie, die voornamelijk gevormd is door de waarden en normen die men ‘vanuit huis’ mee kreeg. Oudere comfortzoekers komen voort uit een plichtsgetrouwe generatie, waarin een zuinig en bescheiden leven voorop staat. Voor deze groep staat de gemeenschap in het middelpunt in plaats van het individu. Deze groep is vooral betrokken bij goede doelen of politiek. Ze steunen vaker dan gemiddeld initiatieven/projecten van anderen door middel van donaties. Welgestelde cultuurminnaars hebben vertrouwen in de overheid en andere instituties.
Vrije tijd & consumptie Welgestelde cultuurminnaars bezoeken graag opera’s, klassieke concerten en musea. Deze groep is geïnteresseerd in het verzamelen van antiek. Ze gaan nog regelmatig uit eten. Verder houdt deze groep zich bezig met bridgen, golfen, lezen, kaartspellen en schaken.
Nederland. Ze steunen goede doelen die actief zijn p het gebied van kunst, cultuur, milieu en natuur. Ze doneren meer dan gemiddeld en zo’n 2 tot 10 keer per jaar. Als er een auto voor de deur staat is deze vaak van het merk Mercedes, BMW of Volvo.
Verhuiswens, woonsituatie en woonwensen Van deze groep geeft 81% aan beslist niet te willen verhuizen binnen de komende 2 jaar. Van de overige 19%, geeft 79% aan misschien en 8% beslist te willen verhuizen, 8% zou wel willen verhuizen maar niets kan vinden en 5% heeft al een andere woning gevonden. Welgestelde cultuurminnaars wonen zowel in complexen als op zichzelf. Wanneer deze groep in een complex woont, betreft het vaak een woonzorgcentrum, bejaardentehuis of serviceflat. De woningen zijn hierbij over het algemeen gelijkvloers en onderhoudsvriendelijk. Gezondheid wordt als een van de voornaamste redenen gezien om te verhuizen. De verhuiswens is hierbij hoofdzakelijk gericht op appartementen met daaropvolgend rijtjeshuizen en andere soort woningen. Binnen deze verhuiswens is er een sterke behoefte om samen te wonen. Deze groep vindt het prettig als supermarkten en OV dichtbij huis te vinden zijn.
De welgestelde cultuurminnaars lezen graag de krant. Het Financieel Dagblad, de Volkskrant en trouw worden veel gelezen. Populaire tijdschriften onder deze groep zijn Plus Magazine en Elsevier. De televisie wordt afgestemd op Nederland 1, 2 en 3 waarop ze graag informatieve programma’s kijken. Men luistert voornamelijk naar Classic FM of één van de publieke radiozenders Radio 1, Radio 2 of Radio 4. De Welgestelde cultuurminnaars zijn vaak beleggers en ze beleggen voornamelijk via een bank. Het aantal verzekeringen ligt hoog en worden het liefst bij een bank afgesloten. Deze groep bankiert voornamelijk bij de bekendste banken van 26
Traditionele buurtbewoners Traditionele buurtbewoners vallen onder de ‘protestgeneratie’ (1940 – 1955). Deze groep ouderen is op hogere leeftijd (65 tot 80 jaar) en heeft een lagere inkomenspositie en een beperkt vermogen. Zij zijn doorgaans lager opgeleid. Ondanks de lagere inkomenspositie en een beperkt vermogen woont het merendeel van deze groep ouderen in een koopwoning.
Waardeoriëntatie & betrokkenheid Traditionele buurtbewoners zijn gedreven, idealistisch en zelfbewust. Ze kenmerken zich door een actieve levenshouding met hoge vitaliteit. Traditionele buurtbewoners hebben een zichtbare persoonlijk stijl, varen een eigen koers en trekken zich minder aan van autoriteit. Een bekend motto van deze groep luidt: ‘Wat ik nog kan, doe ik’. Deze groep is bovengemiddeld betrokken bij vereniging en politiek. Ze ondernemen weinig politieke of maatschappelijke actie. Ze ervaren minder omzien naar elkaar en dat is een gemis. Het vertrouwen in banken en zorg is relatief groot. Men voelt zich niet goed vertegenwoordigd en gehoord door met name de landelijke politiek.
Vrije tijd & consumptie Traditionele buurtbewoners wandelen of fietsen met enige regelmaat. Deze ouderen gaan soms nog naar de kerk. Ze ondernemen hobby’s zoals kruiswoordpuzzels, lezen, tuinieren, zelf kleding maken en verzamelen. Traditionele buurtbewoners maken veel gebruik van verschillende media, zoals kranten, omroepbladen, televisie en radio. Regionale kranten en kranten zoals Nederlands Dagblad, Reformatorisch Dagblad en Trouw, zijn populair onder de
groep. De televisie en radio staan voornamelijk afgestemd op de publieke televisieen radiozenders zoals Nederland 1, 2 of 3 en Radio 1, 2, 4 of 5. Het liefst bankieren de traditionele buurtbewoners bij grote banken zoals Rabobank en ING. Ze hebben daar een betaalrekening en spaarrekening afgesloten, maar van andere financiële producten wordt eigenlijk geen gebruik van gemaakt. De meeste traditionele buurtbewoners hebben één kleine auto van merken zoals Opel, Nissan of Toyota. De groep geeft geld aan goede doelen met een humanitair karakter, zoals Kerk in Actie, Unicef en Leger des Heils.
Verhuiswens, woonsituatie en woonwensen Van deze groep geeft 74% aan beslist niet te willen verhuizen binnen de komende 2 jaar. Van de overige 26%, geeft 72% aan misschien en 13% beslist te willen verhuizen, 13% zou wel willen verhuizen maar niets kan vinden en 2% heeft al een andere woning gevonden. Traditionele buurtbewoners wonen over het algemeen vaak gelijkvloers. De woning, waarin zij doorgaans wonen is in algemene zin minder geschikt voor een zorgvraag. Om deze reden zijn aanpassingen (op latere leeftijd) in het huis vaker noodzakelijk. Vanwege het hebben van sociale contacten kiezen traditionele buurtbewoners er vaak voor om in een complex te gaan wonen. De groep kiest er vaker voor om te experimenteren met verschillende vormen van samenleven. Al met al behoren gezondheid, de huidige woning en woonomgeving tot de voornaamste redenen voor traditionele buurtbewoners om te verhuizen. De gewenste woning voor deze groep is een primair appartement of een secundair rijtjeshuis. De wens om samen te wonen of om alleen te wonen is hierbij in evenwicht. De groep vindt de nabijheid van supermarkten en OV erg belangrijk.
27
Vitale comfortzoekers Vitale comfortzoekers behoren tot de ‘protestgeneratie’ (1940 – 1955). Deze groep ouderen valt binnen de leeftijdsklasse 65 tot 80 jaar en heeft een gemiddelde inkomenspositie en een modaal vermogen. Het grootste deel van de groep vitale comfortzoekers woont in een koopwoning.
Waardeoriëntatie & betrokkenheid Vitale comfortzoekers zijn gedreven, idealistisch en zelfbewust. Ze kenmerken zich door een actieve levenshouding met hoge vitaliteit. Vitale comfortzoekers hebben een zichtbare persoonlijk stijl, varen een eigen koers en trekken zich minder aan van autoriteit. Een bekend motto van deze groep luidt: ‘Wat ik nog kan, doe ik’. Vitale comfortzoekers zijn bovengemiddeld betrokken in de samenleving. Zij steken hun energie in het geloof, goede doelen en politiek, maar ondernemen geen politieke of maatschappelijke actie. Een kwart levert een actieve bijdrage aan de eigen leefomgeving waar dat nog lukt. Tegelijkertijd is er een grote groep die juist weinig tot niets onderneemt.
Vrije tijd & consumptie De vitale comfortzoekers doen voornamelijk aan bridgen, fietsen en wandelen. Ook gaan ze graag op vakantie waarbij zowel rondreizen, cruises, natuur-, fiets- en wandelvakanties geliefd zijn. Musicals en restaurants worden af en toe bezocht. Voor overige hobby’s houden zij zich bezig met kruiswoordpuzzels, tuinieren, vrijwilligerswerk en verzamelen.
steunen veel goede doelen en doen dat vaak meerdere keren per jaar. De meeste vitale comfortzoekers hebben één kleine auto van merken zoals Opel, Nissan of Toyota.
Verhuiswens, woonsituatie en woonwensen Van deze groep geeft 73% aan beslist niet te willen verhuizen binnen de komende 2 jaar. Van de overige 27%, geeft 79% aan misschien en 9% beslist te willen verhuizen, 9% zou wel willen verhuizen maar niets kan vinden en 4% heeft al een andere woning gevonden. De woonsituatie van vitale comfortzoekers kenmerkt zich als overwegend op zichzelf. De betreffende personen wonen hierbij vaak in een gelijkvloerse ouderenwoning. De woningen zijn op zichzelf gezien al redelijk geschikt. Wel wordt er vaker gebruik gemaakt van een traplift. Hierbij is er ook vaker een 2e toilet aanwezig en sprake van aanbouw. Binnen deze groep vormt gezondheid wederom een grote reden tot eventueel verhuizen. Anders dan bij de voorgaande groepen wordt hiervoor ook de huidige woning op zichzelf als reden gezien. De verhuiswens is met name gericht op primaire appartementen en secundaire rijtjeshuizen. De wens om samen of alleen te wonen is hierbij in evenwicht. In tegenstelling tot de eerdere twee groepen vinden vitale comfortzoekers het minder belangrijk dat supermarkten en OV in de nabijheid zijn.