CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Vaststelling “Staat van wijzigingen” (0086492905)

Raadsvergadering 30 september 2024, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Gorredijk Geert van der Zwaagstrjitte / Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte” (B)24.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32/302

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in bijgaane tabel weergegeven. Tabel: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 ìg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek en conclusie In dit plan wordt de realisatie van 40 woningen toegestaan. De conclusie is dan ook dat deze planontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c kan het project zonder nader onderzoek doorgang vinden.

De voorgestane ontwikkeling wordt niet belemmerd door het aspect luchtkwaliteit.

4.10 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een planologische bescherming nodig hebben.

33/302

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Dit bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Groen De bestemming 'Groen' maakt het gebruik van gronden voor ruimtelijk en/of functioneel structurerende groenvoorzieningen mogelijk. In relatie tot het doel zijn groenvoorzieningen, wegen en paden en speelvoorzieningen toegestaan. Daarbij gaat het dus om zowel lagere groenvoorzieningen (grasvelden) als opgaande vormen (bomen / bosjes). Naast de groenvoorzieningen zijn ook veelvoorkomende bijbehorende functies toegestaan zoals waterlopen en waterpartijen. Ondergeschikt zijn binnen de bestemming onder meer in- en uitritten , parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan. Door dit soort functies bij recht toe te staan, ontstaat flexibiliteit en uitwisselbaarheid in het plan. Er zal ruimte moeten worden gevonden voor een tweetal netstations van Liander. Een netstation van 3x15 meter is vergunningvrij (art. 2 lid 18 bijlage II Besluit omgevingsrecht) en hoeft niet in het bestemmingsplan te worden geregeld . Gebouwen zijn in deze bestemming niet toegestaan. In de hele bestemming is het wel mogelijk om erf- en terreinafscheidingen met een maximale bouwhoogte van 2,00 meter te bouwen. Daarnaast zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijn, mogelijk tot een maximale hoogte van 3,00 meter.

Hieronder vallen onder meer kleinschalige bouwwerken als palen en masten. Verkeer-Verblijf De woonstraten, fietspaden en troittoirs alsmede de 'parkeerkoffers' zijn onder de bestemming 'Verkeer -

34/302

Verblijf' gebracht. Behalve woonstraten zijn voet- en rijwielpaden, bermen en beplanting en parkeervoorzieningen toegestaan. Dit geldt ook voor groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en speelvoorzieningen. Gebouwen zijn in deze bestemming niet toegestaan. In de hele bestemming is het wel mogelijk om erf- en terreinafscheidingen met een maximale bouwhoogte van 2,00 meter te bouwen. Daarnaast zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk tot een maximale hoogte van 5,00 meter. Hieronder vallen onder meer kleinschalige bouwwerken als palen en masten. Een netstation van 3x15 meter is vergunningvrij (art. 2 lid 18 bijlage II Besluit omgevingsrecht) en hoeft niet in het bestemmingsplan te worden geregeld . Wonen Gebruiksmogelijkheden De bestemming 'Wonen' maakt het gebruik van gronden voor een woonhuizen (eengezinswoningen) en de daarbij horende bebouwing mogelijk. Alle functies die bij de functie wonen horen, worden in deze bestemming mogelijk gemaakt. Allereerst gaat het om eengezins woonhuizen, deze vormen de hoofdfunctie, met de daarbij horen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Een combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep is mogelijk. Ondergeschikt zijn onder andere woonstraten, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen mogelijk.

Hierdoor is uitwisseling tussen functies mogelijk, wat de nodige flexibiliteit biedt. Enkele functies zijn uitgesloten. Het gaat onder meer om de bewoning van vrijstaande bijgebouwen. Verder is het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel en bedrijvigheid strijdig. Het gaat daarbij om functies die afwijken van hetgeen mogelijk is onder de regeling voor een aan-huis-verbonden beroep. Een aan-huis-verbonden beroep is alleen bij recht toegestaan wanneer voldaan wordt aan oppervlaktevereisten. Deze regeling is opgenomen in de specifieke gebruiksregels. Bouwmogelijkheden Binnen de bestemming zijn de volgende bouwwerken mogelijk gemaakt: 1) hoofdgebouwen, 2) aan en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en 3) overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Algemeen geldt voor bouwwerken een regel voor de maximaal te bebouwen oppervlakte. Deze regel bepaalt dat de gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken, maximaal 50% van het bouwperceel mag zijn. Het bouwperceel is in dit geval niet gelijk aan het bouwvlak (zie ook begrippen). Dit met uitzondering van die gevallen waarbij de totale oppervlakte van alle bouwwerken dit percentage overschrijdt. Deze algemene bouwregel biedt een richtlijn binnen de globale regeling, maar biedt ook flexibiliteit in de locatie en afmetingen van bouwwerken.

Voor de hoofdgebouwen geldt dat het in deze bestemming om woonhuizen gaat, omdat deze in ruimtelijke en functioneel opzicht de hoofdgebouwen op het perceel zijn. Deze moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding is het maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen weergegeven. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' zal de goothoogte van een hoofdgebouw ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding aangegeven goothoogte bedragen. De maximum bouwhoogte en de minimale dakhelling is eveneens met een aanduiding op de verbeelding weergegeven. Voor de hoofdgebouwen is geen maximale bouwdiepte aangegeven. Wel is een afstand tot de zijdelingse en achtererfgrens opgenomen, waar

35/302

het hoofdgebouw minimaal vanaf gebouwd moet worden. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is een specifieke regeling opgenomen. Deze bouwwerken horen nadrukkelijk bij het hoofdgebouw maar zijn daaraan ruimtelijk (aan- en uitbouwen en bijgebouwen) en functioneel (bijgebouwen) ondergeschikt. De ruimtelijke ondergeschiktheid komt tot in beginsel tot uitdrukking in de maatvoering ten opzichte van het hoofdgebouw (oppervlakte en/of hoogte). Ook de positionering (achter het hoofdgebouw, of naast het hoofdgebouw maar naar achteren gerooid) of het materiaalgebruik kan de ruimtelijke ondergeschiktheid bepalen. Het gaat er vooral om dat het ruimtelijk en dus visueel waarneembaar is dat er sprake is van bebouwing dat niet tot het (oorspronkelijke) hoofdgebouw behoort, maar wel deel uitmaakt van de bebouwing bij dat hoofdgebouw. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is een maximale gezamenlijke oppervlakte opgenomen, uitgedrukt in vierkante meters (maximaal 100 m²) en in een percentage van het bouwperceel (50%). Met dit laatste wordt het volbouwen van kleine (achter)erven voorkomen. Voor de goothoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen is een specifieke regeling opgenomen. Daarbij is gerefereerd aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.

Hetzelfde geldt voor de toegestane dakhelling, wanneer een aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping wordt voorzien van een kap. Daardoor kan een dergelijk bouwwerk op een passende manier gebouwd worden aan het bestaande hoofdgebouw. Om te voorkomen dat er extra woningen op het erf worden gebouwd is een verbodsbepaling opgenomen dat vrijstaande bijgebouwen niet mogen worden gebruikt als (zelfstandige) woning. Tot slot zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk. Daarbij gaat het bij deze bestemming om erf- en terreinafscheidingen en overige. De regeling voor erf- en terreinafscheidingen is afgestemd op de mogelijkheden die gelden voor vergunningvrij bouwen van het Besluit omgevingsrecht. Dit betekent dat ze achter de naar de weg gekeerde gevel 2,00 meter hoog mogen zijn. Op andere plaatsen is de hoogte maximaal 1,00 meter. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 5,00 meter hoog worden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om vlaggenmasten. Deze bouwwerken zijn dusdanig kleinschalig in omvang dat een dergelijke hoogte te verantwoorden is. Flexibiliteitsbepalingen In deze bestemming zijn regels opgenomen die het mogelijk maken - met een omgevingsvergunning - af te wijken van de bouw- en (specifieke) gebruiksregels. Afwijken kan alleen wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de afwijkingsregels.

Voorbeelden van mogelijke afwijkingen van de bouwregels zijn een lagere maximale dakhelling (bijvoorbeeld plat dak) of dat de dakhelling van hoofdgebouwen mag worden vergroot tot ten hoogste 80°. Een voorbeeld van een mogelijke afwijking van de gebruiksregels is het gebruik van een vrijstaand bijgebouw als woning voor maximaal één huishouden, waarbij aangetoond is dat er sprake is van zorgbehoefte die tijdelijk van aard is. Hierdoor is het mogelijk om, door toepassing van een relatief korte planologische procedure, ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen op de gronden of in de gebouwen in deze bestemming.

36/302

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatietraject Door Elkien zijn een tweetal informatiebijeenkomsten gehouden voor huurders en omwonenden. In het 'participtieverslag traject sloop en nieuwbouw' is een beknopte weergave van die middagen/ avonden opgenomen. Daarnaast zijn huurders en omwonenden geinformeerd middels nieuwbrieven en een informatiebrochure. Het participatieverslag inclusief bijlagen is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. Zienswijze Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen procedure. Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode wordt aan eenieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Beroep Het bestemmingsplan wordt vervolgens vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Tegen dit besluit is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De kosten voor de uitvoering van dit plan worden gedragen door Stichting Elkien. De kosten voor ingrepen in de openbare ruimte en de voorgestelde wijziging van het stratenpatroon worden door de gemeente gedragen. In de begroting is hier rekening mee gehouden. Hiermee is de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten op derden. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. In de Wro is opgenomen dat voor bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, in verband met het kostenverhaal van de gemeente, in beginsel een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk.

Dit valt onder de bouwplannen zoals bedoelt in

37/302

het Bro. Vrijwel alle gronden zijn eigendom van Stichting Elkien. De afspraken tussen gemeente en Stichting Elkien worden vastgelegd in een zogenaamde anterieure overeenkomst, dat wil zeggen een overeenkomst gesloten voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan. Het vaststellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig.

38/302

BIJLAGEN TOELICHTING

40/302

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk projectnummer

230871

TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Versie rapportage Auteur Controle en vrijgave Paraaf vrijgave

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk 230871 1.0 ing. M. H. van Eerde ing. M. van den Broek

Datum OPDRACHTGEVER Naam Contactpersoon Adres UITGEVOERD DOOR Monsterneming grond

7 september 2023

Monsterneming grondwater

SIKB protocol 2002

Elkien W. Donker Postbus 836, 8440 AV HEERENVEEN SIKB protocol 2001

W.B. Aasman N.K. Bonkes (in opleiding) W.B. Aasman N.K. Bonkes (in opleiding)

UITGEVOERD DOOR info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl Kantoor Hoogeveen Elbe 2 7908 HB Hoogeveen

Kantoor Groningen Friesestraatweg 213 A-D 9743 AD Groningen

Kantoor Almere Landdrostdreef 124 1314 SK Almere

0528 373 982

0596 633 355

036 82 00 397

Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties en sloopbegeleiding. Eco Reest Bodem BV is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van (water)bodemonderzoek en -saneringen. Dit onderzoek en advies is tot stand gekomen onafhankelijk van de belangen van de opdrachtgever en derden. DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd ter plaatse van Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is, de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken en het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt. © 2023 Eco Reest Bodem BV.

Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Wijze van citeren: Eco Reest Bodem 2023 Gorredijk_230871_Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk_VO We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Pagina 2

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

INHOUD 1.

INLEIDING.................................................................................................................... 4

1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.4

Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 4 Kwaliteitsborging algemeen .......................................................................................................... 4 Kwaliteitsborging onderzoek ......................................................................................................... 4 Normen onderzoeksstrategie ........................................................................................................... 5 Veldwerkzaamheden ........................................................................................................................ 5 Laboratoriumwerkzaamheden ......................................................................................................... 5 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 6

2.

VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017)............................................................................. 7

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek ............................................................................... 7 Stap 1; aanleiding vooronderzoek ................................................................................................. 7 Stap 2; onderzoeksvragen ............................................................................................................. 7 Samenvatting vooronderzoek ....................................................................................................... 8 Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek ........................................................................ 9 Afwijkingen vooronderzoek .......................................................................................................... 9 Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategie (NEN5740)........................................................... 9

3.

VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................ 11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuizen) ................................. 11 Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater) ............................................................ 11 Bodemopbouw ............................................................................................................................ 12 Zintuiglijke waarnemingen .......................................................................................................... 12 Afwijkingen protocollen .............................................................................................................. 13 Afwijkingen strategie(ën) ............................................................................................................ 13

4.

ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING ....................................................................... 14

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Analysemonsters ......................................................................................................................... 14 Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden ................................................................................. 15 Toetsing analyseresultaten.......................................................................................................... 15 Milieuhygiënische kwaliteit grond............................................................................................... 16 Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ..................................................................................... 18

5.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................... 19

5.1 5.2

Samenvatting .............................................................................................................................. 19 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 20

BIJLAGEN 1.1 Regionale ligging 1.2 Situatieschets onderzoekslocatie met boorpunten 2 Resultaten vooronderzoek 3 Boorprofielen 4 Analyseresultaten 5 Toetsingswaarden 6 Analysemethoden

Pagina 3

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

1. INLEIDING Door Eco Reest Bodem BV is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding en de doelstelling van het onderzoek, en de wijze van kwaliteitsborging van de verschillende onderzoekstappen.

1.1

Aanleiding en doelstelling

Aanleiding tot het verkennend bodemonderzoek is de geplande sloop van 36 woningen en nieuwbouw van 40 woningen ter plaatse van het onderzoeksterrein. Doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin en openbare ruimte). Het doel van het onderzoek is tevens het verifiëren van de bodemkwaliteit ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s bij de uit te voeren werkzaamheden.

1.2

Kwaliteitsborging algemeen

Eco Reest Bodem BV streeft naar een zo hoog mogelijk kwaliteit van onderzoek te leveren: Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties en sloopbegeleiding. Eco Reest Bodem BV is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van (water)bodemonderzoek en -saneringen.

Naast kwaliteit is onafhankelijkheid van groot belang om onze opdrachtgever van dienst te zijn met het beste advies voor zijn vraagstuk. Wij merken dan ook op dat er geen functionele relatie bestaat tussen opdrachtgever en Eco Reest Bodem BV, hetgeen betekent dat het advies van Eco Reest Bodem onafhankelijk is van de belangen van de opdrachtgever en derden. Conform de eisen uit onze ethische code houdt Eco Reest Bodem alle gegevens geheim, waarvan wij kennisnemen als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden, behoudens in geval van wettelijke verplichtingen.

1.3

Kwaliteitsborging onderzoek

De bodemonderzoeksstrategie is opgesteld conform de geldende NEN normen en protocollen. De veldwerkzaamheden en laboratorium werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de actuele beoordelingsrichtlijn en accreditatieschema. In de volgende paragrafen worden de normen en beoordelingsrichtlijnen toegelicht.

Pagina 4

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

1.3.1 Normen onderzoeksstrategie

In tabel 1.1 zijn de kwaliteitsnormen opgenomen, die zijn toegepast voor de bepaling van de bodemonderzoeksstrategieën. Tabel 1.1 Toegepaste onderzoeksnormen

Aspect onderzoek Strategie voor uitvoeren van milieu hygiënisch vooronderzoek Strategie voor uitvoeren van verkennend (chemisch) onderzoek

Toegepaste norm NEN 5725:2017 NEN 5740:2009 + A1:2016

Eventuele afwijkingen op de normen, die tijdens de uitvoering naar voren zijn gekomen, zijn beschreven in respectievelijk § 2.6 “Afwijkingen vooronderzoek” en § 3.6 “Afwijkingen strategie(ën)”.

1.3.2 Veldwerkzaamheden

Het onderzoek heeft plaatsgevonden onder procescertificaat op grond van de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Eco Reest Bodem BV Zuidwolde is gecertificeerd en erkend door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het certificaatnummer is K96988 en de certificerende instelling is KIWA te Rijswijk. Het veldwerk heeft plaats gevonden conform SIKB protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen” en SIKB protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters”. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door gecertificeerde en erkende veldmedewerkers, zoals weergegeven in het titelblad. Eventuele afwijkingen op de normen en protocollen, die tijdens de uitvoering naar voren zijn gekomen zijn weergegeven in § 3.5 “Afwijkingen protocollen”. De bedrijf- en persoonserkenningen en het certificaatnummer zijn te verifiëren op de volgende website: https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu/

1.3.3 Laboratoriumwerkzaamheden

De chemische analyses zijn uitgevoerd conform de AS 3000 “Laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I en W. Eurofins Analytico B.V. is een NEN-EN-ISO/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium, met certificaatnummer L010. Het certificaat is bijgevoegd in bijlage 6. De monsterconservering is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “Conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. Eventuele afwijkingen op de normen, die tijdens de uitvoering van de analyses naar voren zijn gekomen, zijn beschreven in § 4.2 “Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden”.

Pagina 5

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de basisinformatie weergegeven van het onderzoeksgebied en wordt een samenvatting van de relevante informatie uit het vooronderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 zijn de veldwerkzaamheden en waarnemingen tijdens het onderzoek beschreven, gevolgd door de toetsing van de analyseresultaten in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 tenslotte is een samenvatting opgenomen en zijn de conclusies en aanbevelingen weergegeven.

Pagina 6

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

2. VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017) Het vooronderzoek is de basis voor werkzaamheden die een uitspraak vereisen over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie zelf, alsmede eventuele beïnvloeding(en) vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd, zoals hierna weergegeven.

2.1

Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek

Het vooronderzoek is onderverdeeld in twee stappen. In stap 1 wordt de aanleiding voor het vooronderzoek bepaald. De mogelijke aanleidingen (A t/m G) zijn weergegeven in bijlage 2. Voor de in bijlage 2 weergegeven mogelijke aanleidingen zijn in de NEN 5725:2017 diverse onderzoeksvragen geformuleerd. In stap 2 van het vooronderzoek moet antwoord verkregen worden op een deze onderzoeksvragen. Indien naar deskundigheid van de onderzoeker alle (verplichte) onderzoeksaspecten zijn behandeld en de onderzoeksvragen (zie bijlage 2) in voldoende mate zijn beantwoord, is het vooronderzoek afgerond en worden conclusies getrokken en een hypothese opgesteld.

2.2

Stap 1; aanleiding vooronderzoek

De eerste stap in het vooronderzoek is het vaststellen van de aanleiding voor vooronderzoek (zie ook bijlage 2). In het onderhavige geval is aanleiding A geselecteerd, die onderstaand is weergegeven. - A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek volgens 6.2.1

2.3

Stap 2; onderzoeksvragen

Uit de geselecteerde aanleiding (A) voor het vooronderzoek volgt een aantal onderzoeksvragen die zijn weergegeven in bijlage 2. Op basis van het totaal aan informatie uit het vooronderzoek moeten de onderzoeksvragen worden beantwoord, waarna een hypothese voor bodemonderzoek wordt opgesteld. In tabel 2.1 zijn de onderzoeksaspecten weergegeven, waarover bij het vooronderzoek informatie moet worden verzameld. Tabel 2.1 Onderzoeksaspecten en te verzamelen informatie

Onderzoeksaspecten

Locatiegegevens Bodemopbouw en geohydrologie

Eigendomssituatie Hoogteligging Bodemopbouw

Aanleidingen tot vooronderzoek A B C D E 0 0     

F

G

Pagina 7

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Onderzoeksaspecten

Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval

Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig Huidig Toekomst Asbestverdacht?

Aanleidingen tot vooronderzoek     

 

    

0 

 

 

 

 

0  

 

  0 

  

Terreinverkenning  Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel

De verzamelde informatie, zoals benoemd in tabel 2.1 is weergegeven in bijlage 2. In § 2.4 (samenvatting vooronderzoek) is een beschrijving van de te onderzoeken (delen van de) locatie weergegeven met antwoorden op de in bijlage 2 weergegeven onderzoeksvragen.

2.4

Samenvatting vooronderzoek

Na het raadplegen van de verschillende bronnen zijn er voldoende gegevens bekend om antwoord te geven op de geformuleerde onderzoeksvragen (bijlage 2). De onderzoekslocatie ligt aan de Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk. Het betreft de percelen kadastraal bekend als Gemeente Gorredijk, sectie C, nummers 1538, 1580,1581, 1604, 1606, 1607 (gedeeltelijk), 2521 (gedeeltelijk), 3165 (gedeeltelijk), 3166 (gedeeltelijk), 3167 (gedeeltelijk) en 4779. De totale oppervlakte bedraagt circa 13.950 m2. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1.1. De te onderzoeken locatie is weergegeven in bijlage 1.2. Uit historisch kaartmateriaal tot 1953 blijkt dat het gebied in agrarisch gebruik was. Tot dat moment bevonden zich in het gebied diverse sloten. Vervolgens is op kaartmateriaal vanaf 1955 en 1962 het huidige stratenpatroon en de huidige woonbebouwing zichtbaar. Sindsdien zijn op het kaartmateriaal geen belangrijke wijzigingen zichtbaar in de bebouwing en het gebruik van het gebied. Er zijn geen gegevens bekend over de kwaliteit van de voormalige waterbodems en/of de aard en kwaliteit van het gebruikte dempingsmateriaal. Op de bodemkwaliteitskaart (Nota bodembeheer 2021 OWO) is aan zowel de boven- als ondergrond van de locatie de kwaliteitsklasse “wonen” toegekend.

De bodem van de locatie bestaat tot minimaal circa 2,0 m-mv uit fijn zand. De stroming van het grondwater is ter plaatse globaal westelijk gericht. Ter plaatse is op basis van het vooronderzoek geen sprake van bodemvreemde lagen. Pagina 8

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Ter plaatse van Geert van der Zwaagstrjitte 27 en omgeving heeft volgens de informatie van bodemloket tussen 1962 en 1975 fabricage van regenkleding plaatsgevonden. Als locatie waar de activiteit heeft plaatsgevonden, is de gehele huizenrij aangegeven. Nadere informatie is bij de FUMO en de gemeente Opsterland niet bekend. Gezien het feit dat ter plaatse sinds 1955 woonbebouwing aanwezig is, kan worden aangenomen dat er geen sprake is geweest van grootschalige activiteiten. Op de locatie is niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. Er is geen informatie voorhanden die de aanwezigheid van asbest in de bodem doet vermoeden. Tijdens de terreininspectie zijn geen verdachte locaties waargenomen. De locatie is deels bebouwd en de tuinen zijn deels verhard met tegels en klinkers. Op het maaiveld zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen en tevens zijn er geen kenmerken van de voormalige watergangen waargenomen. Verder zijn ter plaatse van enkele met asbestverdachte golfplaten bedekte schuurtjes geen onverharde druppelzones aangetroffen. Voor de uitgebreide weergave van het vooronderzoek verwijzen wij naar bijlage 2.1.

2.5

Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek

2.6

Afwijkingen vooronderzoek

2.7

Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategie (NEN5740)

Het vooronderzoek beschouwen wij als volledig in relatie tot het doel van het onderzoek, aangezien er voldoende relevante gegevens aanwezig zijn en er in afdoende mate antwoord kan worden gegeven op de onderzoeksvragen.

Er zijn bij de uitvoering van het vooronderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725:2017 naar voren gekomen.

Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is ter plaatse van (delen van) de in het vooronderzoek beschouwde locatie bodemonderzoek noodzakelijk. In tabel 2.2 is per te onderzoeken terrein(deel) de onderzoeksstrategie weergegeven. Tabel 2.2 Onderzoekshypothese(n) per terrein(deel)

Deellocatie en omvang A: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 13-23 (100 m1) B: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 31-37 (60 m1) C: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 12-18 (60 m1) D: Demping Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-8 (30 m1) E: Overig terrein - tuinen (12.000 m2) F: Overig terrein - trottoir/ weg (1.500 m2)

Stof + diepte van voorkomen Grond Grondwater Zware metalen, PAK

Oorzaak/motivatie Mogelijk verontreinigd dempingsmateriaal

Onderzoeksstrategie NEN5740, § 5.3

Zware metalen, PAK

-

Mogelijk verontreinigd dempingsmateriaal

NEN5740, § 5.3

Zware metalen, PAK

-

Mogelijk verontreinigd dempingsmateriaal

NEN5740, § 5.3

Zware metalen, PAK

-

Mogelijk verontreinigd dempingsmateriaal

NEN5740, § 5.3

- (onverdacht)

- (onverdacht)

- (onverdacht)

NEN5740, § 5.1

- (onverdacht)

- (onverdacht)

- (onverdacht)

NEN5740, § 5.1

Pagina 9

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Op basis van de paragraaf “Beschrijving locatie” is het onderzoek met betrekking tot de gedempte watergangen (deellocaties A, B, C en D) uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009- A1:2016, § 5.3. De betreffende delen van het onderzoeksterrein zijn beschouwd als verdachte deellocaties met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. Mogelijk is voor het dempen van de watergang gebruik gemaakt van verontreinigd materiaal (grond en/of anderszins). Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is het onderzoek ter plaatse van het overige terrein (deellocaties E en F) uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009, § 5.1. De overige delen van het onderzoeksterrein zijn beschouwd als onverdachte locaties. Het onderzoek ter plaatse van het trottoir en de weg is uitgevoerd met het oog op geplande graafwerkzaamheden door nutsbedrijven. Vanwege de maximale ontgravingsdiepte van circa 1,0 m-mv is onderzoek van de kwaliteit van het grondwater hier achterwege gelaten.

Pagina 10

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

3. VELDWERKZAAMHEDEN In dit hoofdstuk is de uitvoering van de veldwerkzaamheden beschreven, met eventuele afwijkingen op de veldwerkzaamheden en/of onderzoeksstrategie.

3.1

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuizen)

De uitvoering van het veldwerk heeft plaatsgevonden op 20 en 27 juli 2023 en het grondwater is bemonsterd op 27 juli 2023. Deellocaties A, B, C en D: Gedempte watergangen Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 12 boringen (3 per demping) tot circa 2,0 m-mv (nrs. 25 t/m 36). De ligging van de voormalige watergangen is bepaald met behulp van historische topografische kaarten van www.topotijdreis.nl. In het veld werden aan het maaiveld geen kenmerken waargenomen die wijzen op de aanwezigheid van voormalige watergangen, zoals sliblagen in de ondergrond. Vanwege de zintuiglijke waarneming van verontreinigingskenmerken (zie tabel 3.2) is één van de boringen (nr. 27) doorgezet tot 2,5 m-mv en afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek (filterstelling 1,5 tot 2,5 m-mv, grondwaterstand circa 1,0 m-mv). Deellocatie E: Overig terrein - tuinen Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 17 boringen tot 0,5 m-mv (nrs. 1 t/m 17) en 7 boringen tot circa 2,0 m-mv (nrs. 18 t/m 24). De boringen 20 en 22, verspreid over het terrein gesitueerd, zijn vervolgens doorgezet tot 2,5 respectievelijk 3,0 m-mv en afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek (grondwaterstand circa 1,0 respectievelijk 1,5 m-mv). Deellocatie F: Overig terrein – trottoir/weg Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 11 boringen tot 1,0 m-mv (nrs.

37 t/m 47). Van het opgeboorde materiaal zijn per 50 cm, of per afwijkende bodemlaag representatieve monsters genomen, die zijn beschreven qua textuur, geur en kleur. In bijlage 1.2 is een situatieschets van het terrein opgenomen met daarop aangegeven de ligging van de monsterpunten. In bijlage 3.1 zijn de boorprofielen weergegeven.

3.2

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater)

Op basis van de NEN 5744 zijn bij de monstername van grondwater de volgende metingen uitgevoerd:  Geleidingsvermogen (EGV of Ec); bij monstername mag dit maximaal 10 % afwijken van de voorlaatste meting;  Indien het geleidingsvermogen (zie bovenstaand) constant is, is een NTU-waarde (troebelheid) van 0 tot 10 gewenst. Indien hier niet aan wordt voldaan moet bij de beoordeling van de analyseresultaten worden bekeken of dit van invloed is;  De zuurgraad (pH) wordt eveneens beoordeeld, de NEN5744 heeft hier echter geen normen of eisen aan verbonden. In tabel 3.1 zijn de resultaten van de bij de monstername in het veld uitgevoerde grondwatermetingen weergegeven. Op basis van grondwatermetingen blijkt het geleidingsvermogen voldoende constant te zijn om over te gaan tot bemonstering. Het grondwater uit peilbuis 27 is echter beschouwd als troebel, bij de beoordeling van de analyses dient te worden vastgesteld of dit van invloed is geweest op het resultaat. Pagina 11

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

3.3

Bodemopbouw

De bodemopbouw van de locatie is samengevat in tabel 3.2. Tabel 3.2 Bodemopbouw onderzoekslocatie

Diepte (m-mv)

Omschrijving

0,00 0,50 1,00 3,00

Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak tot matig humeus Veen, sterk zandig (NB: deze veenlaag ontbreekt op diverse plaatsen) Zand, matig fijn, zwak siltig Diepst verkende bodemlaag

- 0,50 - 1,00 - 3,00

Het grondwaterniveau is tijdens de monstername van het grondwater vastgesteld op een diepte van 0,70 m-mv.

3.4

Zintuiglijke waarnemingen

Het terrein en het opgeboorde materiaal zijn in het veld zintuiglijk beoordeeld op bijzonderheden, zoals weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3 Zintuiglijke waarnemingen onderzoekslocatie

A: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 13-23

27

Einddiepte boring (m-mv) 2,50

B: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 31-37 C: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 12-18 D: Demping Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-8 E: Overig terrein - tuinen

28 t/m 30

2,00

0,50 – 1,00 1,00 – 2,00 2,00 – 2,50 0,00 – 0,50

31 t/m 33

2,00

0,00 – 0,50

Sporen baksteen

34 t/m 36

2,00

0,00 – 0,50

Sporen baksteen

1 14 22 39 42 44

0,50 0,50 2,00 1,00 1,00 1,00

0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,30 – 1,00 0,00 – 1,00 0,00 – 0,50

Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen Resten baksteen Resten baksteen Resten baksteen

Meetpunt

F: Overig terrein - trottoir/ weg

* Sporen/resten: Zwak:

< 1% 1-5 %

Diepte (m-mv)

Zintuiglijke waarneming* Sterke olie-waterreactie Matige olie-waterreactie Zwakke olie-waterreactie Sporen baksteen

Matig: 5-15 % Sterk: 15-50%

Op basis van tabel 3.3 blijkt dat in de bovengrond van diverse boringen, verspreid over het gebied, sporen of resten baksteen zijn waargenomen. Daarnaast zijn in de grond van boring 27 zintuiglijk verontreinigingskenmerken waargenomen die wijzen op een verontreiniging met olieproduct. Verder zijn er geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is speciaal gelet op asbestverdachte materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Tevens is er gelet op het voorkomen van invasieve exotische planten. Hiervan zijn geen kenmerken waargenomen. De zichtbaarheid van deze planten is echter afhankelijk van het groeiseizoen. Aan deze visuele beoordelingen kunnen geen rechten worden ontleend.

Pagina 12

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

De zintuiglijk waargenomen bijmengingen met sporen baksteen zijn conform bijlage A4 van de NEN5725:2017 beoordeeld als homogeen, en derhalve aan te merken als niet asbestverdacht.

3.5

Afwijkingen protocollen

3.6

Afwijkingen strategie(ën)

Er zijn bij de uitvoering van het onderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de geldende SIKB protocollen 2001 en 2002 naar voren gekomen.

Er zijn bij de uitvoering van het onderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de NEN 5740:2009/A1: 2016 naar voren gekomen.

Pagina 13

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

4. ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING Na bemonstering van grond en grondwater zijn de monsters gekoeld opgeslagen, en ter analyse aangeboden aan het laboratorium. Alle geanalyseerde monsters zijn in het laboratorium voorbehandeld conform de eisen, opgesteld in het AS 3000 (Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek).

4.1

Analysemonsters

In tabel 4.1 en 4.2 zijn de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters weergegeven. Tabel 4.1 Analysemonsters grond

Deellocatie

Grondmonster

A: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 13-23 B: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 31-37 C: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 12-18 D: Demping Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-8 E: Overig terrein - tuinen

Mp. 27

MMdempingB: Mp. 28 t/m 30 MMdempingC: Mp. 31 t/m 33 MMdempingD: Mp. 34 t/m 36 MM1bg: Mp. 1, 14 en 22 MM2bg: Mp. 2 t/m 8 en 18 t/m 20 MM3bg: Mp. 10 t/m 13, 15 t/m 17, 21, 23 en 24 MM4og: Mp. 18 t/m 20 en 22 MM5og: Mp. 21, 23 en 24 F: Overige terrein - trottoir/ MM6bg: Mp. weg 37, 38 en 40 t/m 47

Diepte (m-mv) 0,70 – 0,90

Motivatie

Analyse

Sterke olie-waterreactie (mogelijk dempingsmateriaal) Sporen baksteen (mogelijk dempingsmateriaal) Sporen baksteen (mogelijk dempingsmateriaal) Sporen baksteen (mogelijk dempingsmateriaal) Bovengrond (sporen baksteen) Bovengrond (geen bijmengingen; noord)

Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem

0,00 – 0,50

Bovengrond (geen bijmengingen; zuid)

Standaardpakket bodem

1,00 – 1,50

Ondergrond (geen bijmengingen; noord)

Standaardpakket bodem

1,00 – 1,50

Ondergrond (geen bijmengingen; zuid) Tracé nutsleidingen in trottoir en weg

Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem

0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50 0,00 – 0,50

0,00 – 1,00

Tabel 4.2 Analysemonsters grondwater

Deellocatie A: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 13-23 D: Overig terrein

Grondwater- Filterstelling monster (m-mv) Pb. 27 1,50 – 2,50 Pb. 20

2,00 – 3,00

Pb. 21

1,50 – 2,50

Motivatie

Analyse

Grondwater (zintuiglijk waargenomen olie/waterreacties) Grondwater (geen bijzonderheden) Grondwater (geen bijzonderheden)

Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater

Pagina 14

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Het analysepakket “standaardpakket bodem” genoemd in tabel 4.1 bestaat uit de paramaters droge stof, lutum en organische stof, zware metalen (barium, cadmium, kwik, kobalt, koper, molybdeen, nikkel, lood en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie GC (C10-C40). Het analysepakket “standaardpakket water” genoemd in tabel 4.2 bestaat uit de paramaters zware metalen (barium, cadmium, kwik, kobalt, koper, molybdeen, nikkel, lood en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN), vluchtige organische chloorhoudende oplosmiddelen (VoCl) en minerale olie GC (C10-C40). De zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EGV) zijn in het veld bepaald bij monsterneming.

4.2

Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden

4.3

Toetsing analyseresultaten

Er zijn geen afwijkingen naar voren gekomen bij de uitvoering van de laboratoriumwerkzaamheden ten opzichte van de AS 3000 en/of analysemethoden van de individuele parameters.

De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa), waarbij de toetsmodules T12 en T13 zijn gehanteerd. Bij de interpretatie van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van de toetsingstabel uit de Circulaire bodemsanering 2013. Hierin zijn voor de meeste gangbare parameters verwaarloosbare risiconiveaus (achtergrondwaarden, en voor grondwater streefwaarden) en maximaal toelaatbare risiconiveaus (interventiewaarden) weergegeven. Deze verwaarloosbare en maximaal toelaatbare risiconiveaus (Achtergrond- of Streefwaarden, respectievelijk Interventiewaarden) zijn berekend met behulp van onder meer (eco)toxicologische gegevens, en hebben betrekking op de vastgestelde Nederlandse Standaardbodem, met een organische stofgehalte van 10% en een lutumgehalte van 25 %. De toetsing van gehalten aan onder andere PAK, minerale olie en zware metalen in grond is afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten, die meestal afwijken van de gehalten in de vastgestelde Standaardbodem. Bij de BoToVa-toetsing wordt daarom, per stof, het gemeten gehalte omgerekend naar een gestandaardiseerd gehalte. Deze gestandaardiseerde gehalten worden vervolgens getoetst aan de standaard toetsingswaarden, die in bijlage 5 zijn weergegeven.

De getoetste analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn weergegeven in de tabellen in de navolgende paragrafen. Onder de tabellen wordt de interpretatie van de toets-uitslag besproken. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De betekenis van de toetsingswaarden en de wijze van weergave staan vermeld in tabel 4.3. Tabel 4.3 Betekenis van de toetsingswaarden

Concentratieniveau

Betekenis

≤ AW-waarde of S-waarde (of < detectiegrens) > AW-waarde of S-waarde

Geen verhoging t.o.v. achtergrondwaarde of streefwaarde gemeten Lichte verhoging gemeten

> I-waarde

Sterke verhoging gemeten

Verhoogde rapportagegrens (meetwaarde is vermenigvuldigd met factor 0,7)

Weergave tabellen

Weergave bijlage 5 * *** (v) Pagina 15

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Tabel 4.2 is de legenda voor de interpretatie van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters, zoals weergegeven in tabellen 4.4 (grond) en 4.6 (grondwater). De monsters van de bovengrond zijn aanvullend geanalyseerd op PFAS. Toetsing van deze analyseresultaten vindt plaats conform de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa), waarbij de toetsmodule “HK PFAS 13-dec-2021 Grond Bagger op landbodem” is gehanteerd. Bij de interpretatie van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van de toetsingsregels uit het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie 13 december 2021). Hierin zijn voor PFAS de relevante toetsingswaarden voor hergebruik van grond weergegeven. Opgemerkt wordt dat het uitgevoerde onderzoek naar PFAS indicatief van aard is.

4.4

Milieuhygiënische kwaliteit grond

In tabel 4.4 zijn de geanalyseerde grondmonsters met toetsing conform tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.4 Geanalyseerde grondmonsters met toetsing

Deellocatie

Grondmonster

A: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 1323 B: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 3137 C: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 1218 D: Demping Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-8 E: Overig terrein

Mp. 27

Diepte (m-mv) 0,70 – 0,90

Stof en toetsing Wbb Minerale olie

Indicatieve toetsing Rbk Niet toepasbaar

Sterke oliewaterreactie Kwik en PAK (mogelijk dempingsmateriaal) Sporen baksteen Koper, kwik, Industrie (mogelijk lood, zink en PAK dempingsmateriaal)

MMdempingB: Mp. 28 t/m 30

0,00 – 0,50

MMdempingC: Mp. 31 t/m 33

0,00 – 0,50

Sporen baksteen (mogelijk dempingsmateriaal)

Koper, kwik, lood Industrie en zink

MMdempingD: Mp. 34 t/m 36

0,00 – 0,50

Sporen baksteen (mogelijk dempingsmateriaal)

Koper, kwik, Industrie lood, zink en PAK

MM1bg: Mp. 1, 14 0,00 – 0,50 en 22 MM2bg: Mp. 2 0,00 – 0,50 t/m 8 en 18 t/m 20

F: Overig terrein - trottoir/ weg

Motivatie

MM3bg: Mp. 10 t/m 13, 15 t/m 17, 21, 23 en 24 MM4og: Mp. 18 t/m 20 en 22

0,00 – 0,50

MM5og: Mp. 21, 23 en 24 MM6bg: Mp. 37, 38 en 40 t/m 47

1,00 – 1,50

1,00 – 1,50

0,00 – 1,00

Bovengrond (sporen Cadmium, koper, Industrie baksteen) kwik, lood, zink, PCB en PAK Bovengrond (geen Koper, kwik en Wonen bijmengingen; lood noord) Bovengrond (geen Kwik, lood en Industrie bijmengingen; zuid) PAK Ondergrond (geen bijmengingen; noord) Ondergrond (geen bijmengingen; zuid) Tracé nutsleidingen in trottoir en weg

-

Landbouw/ natuur

-

Landbouw/ natuur Industrie

Zink

Pagina 16

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Uit tabel 4.4 blijkt dat in het zintuiglijk met olieproduct verontreinigde monster van Mp. 27, van de demping ter hoogte van Geert van der Zwaagstrjitte 13-23, het gehalte aan minerale olie verhoogd is aangetoond ten opzichte van de interventiewaarde. De fractieverdeling wijst op de aanwezigheid van dieselolie of huisbrandolie. De oorzaak van de verontreiniging is echter onbekend. Verder werden in dit monster de gehalten aan kwik en PAK verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Verder blijkt dat in de geanalyseerde mengmonsters van de bovengrond van de gehele locatie, zowel ter plaatse van de dempingen (deellocaties B, C en D) als ter plaatse van het overige terrein (deellocaties E en F), de gehalten aan diverse zware metalen, PAK en plaatselijk ook PCB verhoogd zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Het gemeten gehalte aan lood ligt in enkele bovengrondmonsters boven de risicowaarde voor lood in bodem voor moestuinen en plaatsen waar kinderen spelen (zie bijlage 5: Lood in bodem en gezondheid. GGD-GHOR, d.d. 2901-2016). Verder zijn er in de geanalyseerde mengmonsters van de ondergrond van het overige terrein (deellocatie E) geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de achtergrondwaarden en/of detectiegrenzen.

Indicatieve toetsing Rbk Uit een indicatieve toetsing op basis van de Regeling bodemkwaliteit blijkt dat de monsters van de bovengrond indicatief beoordeeld kunnen worden als klasse Wonen of Industrie. De ondergrond kan indicatief beoordeeld worden als klasse Landbouw/natuur. Alleen de sterk verontreinigde demping wordt indicatief beoordeeld als Niet toepasbaar. PFAS In tabel 4.5 zijn de op PFAS geanalyseerde mengmonsters van de bovengrond met toetsing weergegeven. Tabel 4.5 Geanalyseerde grondmonsters met toetsing

Deellocatie E: Overig terrein

Diepte (m-mv) MM1bg: Mp. 1, 14 0,00 – 0,50 en 22 Grondmonster

MM2bg: Mp. 2 0,00 – 0,50 t/m 8 en 18 t/m 20 MM3bg: Mp. 10 0,00 – 0,50 t/m 13, 15 t/m 17, 21, 23 en 24

Motivatie

Stof en toetsing

Bovengrond (sporen baksteen)

 PFAS < maximale waarde Landbouw/natuur  PFAS > toepassingswaarde grondwaterbeschermingsgebieden  PFAS < maximale waarde Wonen  PFAS > toepassingswaarde grondwaterbeschermingsgebieden  PFAS < maximale waarde Wonen  PFAS > toepassingswaarde grondwaterbeschermingsgebieden

Bovengrond (geen bijmengingen; noord) Bovengrond (geen bijmengingen; zuid)

Uit tabel 4.5 blijkt dat het gehalte aan PFAS in de grond met sporen puin voldoet aan de maximale waarde Landbouw/natuur. Het gehalte aan PFAS in de overige mengmonsters van de bovengrond, waarin geen bijmengingen werden waargenomen, voldoet aan de maximale waarde Wonen. In alle monsters overschrijdt het gehalte aan PFAS de toepassingswaarde voor grondwaterbeschermingsgebieden. Gezien de relatief lage aangetoonde gehalten is er geen sprake van invloed van de (mogelijke) fabricage van regenkleding ter plaatse van Geert van der Zwaagstrjitte 27 en omgeving.

Pagina 17

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

4.5

Milieuhygiënische kwaliteit grondwater

In tabel 4.6 zijn de geanalyseerde grondwatermonsters met toetsing conform tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.6 Geanalyseerde grondwatermonsters met toetsing

Deellocatie A: Demping Geert van der Zwaagstrjitte 13-23 D: Overig terrein

Grondwater- Filterstelling monster (m-mv) Pb. 27 1,50 – 2,50 Pb. 20

2,00 – 3,00

Pb. 21

1,50 – 2,50

Motivatie

Stof en toetsing

Grondwater (zintuiglijk waargenomen olie/waterreacties) Grondwater (geen bijzonderheden) Grondwater (geen bijzonderheden)

Barium en minerale olie Barium en zink -

Uit tabel 4.6 blijkt dat in het grondwater uit de zintuiglijk met olieproduct verontreinigde boring 27, van de demping ter hoogte van Geert van der Zwaagstrjitte 13-23, de gehalten aan barium en minerale olie verhoogd zijn aangetoond ten opzichte van de streefwaarden. Voor minerale olie geldt dat het aangetoonde gehalte relatief hoog is en hoger ligt dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde. Op basis van deze resultaten heeft het ter plaatse van boring 27 in de bovengrond aangetoonde gehalte aan minerale olie (zie tabel 4.3) zich tot ruim boven het niveau van de streefwaarde naar het grondwater verspreid. In het grondwater uit peilbuis 20, ter plaatse van het overige terrein, zijn de gehalten aan barium en zink verhoogd aangetoond ten opzichte van de streefwaarde. In het grondwatermonster uit peilbuis 21, eveneens ter plaatse van het overige terrein, zijn geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de streefwaarden en/of detectiegrenzen. De verhoogde gehalten aan barium en zink zijn waarschijnlijk een gevolg van fluctuerende van nature verhoogde achtergrondconcentraties, die vaker voorkomen in de regio.

Pagina 18

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

5. SAMENVATTING EN CONCLUSIES De doelstelling van het bodemonderzoek is bereikt. In dit hoofdstuk worden de onderzoeksresultaten samengevat en voorts de conclusies en aanbevelingen die daaruit voortvloeien weergegeven.

5.1

Samenvatting

Door Eco Reest Bodem BV is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk. Aanleiding tot het verkennend bodemonderzoek is de geplande sloop van 36 woningen en nieuwbouw van 40 woningen ter plaatse van het onderzoeksterrein. Doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin en openbare ruimte). Het doel van het onderzoek is tevens het verifiëren van de bodemkwaliteit ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s bij de uit te voeren werkzaamheden. Vooronderzoek Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het gebied tot 1953 in gebruik was als agrarisch terrein met diverse sloten. In de huidige situatie is ter plaatse sprake van een woonwijk. Met betrekking tot de onderzoekslocatie is geen informatie beschikbaar die wijst op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Veldwerkzaamheden Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit zand, met veelal een veenlaag tussen 0,5 en 1,0 m-mv. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op 0,70 m-mv. In de bovengrond van diverse boringen, verspreid over het gebied, zijn sporen baksteen waargenomen. Daarnaast zijn in de grond van boring 27 zintuiglijk olie/waterreacties waargenomen. Verder zijn er geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen en bijmengingen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Analyseresultaten Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: Grond In het monster van boring 27, van de demping ter hoogte van Geert van der Zwaagstrjitte 13-23 waar olie-waterreacties werden waargenomen, is het gehalte aan minerale olie verhoogd aangetoond ten opzichte van de interventiewaarde en overschrijden de gehalten aan kwik en PAK de achtergrondwaarden.

Pagina 19

2001-2002

Verkennend bodemonderzoek Geert van der Zwaagstrjitte 8-26 en 3-37 en Rindert van Zinderen Bakkerstrjitte 6-20 te Gorredijk (kenmerk: 230871)

Verder zijn in de bovengrond van de gehele locatie, zowel ter plaatse van de dempingen als ter plaatse van het overige terrein, de gehalten aan diverse zware metalen, PAK en plaatselijk ook PCB verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Het gemeten gehalte aan lood ligt in enkele bovengrondmonsters boven de risicowaarde voor lood in bodem voor moestuinen en plaatsen waar kinderen spelen (zie bijlage 5: Lood in bodem en gezondheid. GGDGHOR, d.d. 29-01-2016). In de ondergrond zijn geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de achtergrondwaarden en/of detectiegrenzen. Indicatieve toetsing Rbk Uit een indicatieve toetsing op basis van de Regeling bodemkwaliteit blijkt dat de monsters van de bovengrond indicatief beoordeeld kunnen worden als klasse Wonen of Industrie. De ondergrond kan indicatief beoordeeld worden als klasse Landbouw/natuur. Alleen de sterk verontreinigde demping wordt indicatief beoordeeld als Niet toepasbaar. PFAS Het gehalte aan PFAS in de grond met sporen puin voldoet aan de maximale waarde Landbouw/ natuur. Het gehalte aan PFAS in de overige mengmonsters van de bovengrond, waarin geen bijmengingen werden waargenomen, voldoet aan de maximale waarde Wonen. In alle monsters overschrijdt het gehalte aan PFAS de toepassingswaarde voor grondwaterbeschermingsgebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=c59fae15-0ec5-48ae-9580-ba497aa6708e