Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan “Luxwoude – grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie” met bijlagen
Tekst van het document
5.1
Landschap
5.1.1
Bestaande situatie
Landschapstype Het plangebied (zie afbeelding 8) ligt in het veenweidegebied (onderdeel van het laagveengebied). Kernkwaliteiten van dit gebied zijn Grootschalige open ruimten begrensd door bebouwings- en beplantingslinten langs wegen en vaarten. Nadrukkelijke aanwezigheid van lineaire structuren van wegdorpen, vaarten en dijken. Opstrekkende strokenverkaveling haaks op ontginningsassen, vaak in een waaiervormig patroon. Incidentele groene verdichtingen door moerasgebieden, boselementen en verlande petgaten. Verspreide bebouwing langs wegen en vaarten. Aanwezigheid van overwegend open graslanden, grazige natuurgebieden en petgaten. Opvallende aanwezigheid van hoogteverschillen in maaiveld en waterniveaus.
Afbeelding 8. Plangebied Het plangebied (bosbeplanting) betreft een groene verdichting in een open landschap. De bosbeplanting sluit aan op de lintbebouwing van de Hegedyk. Dit lint vormt een duidelijke begrenzing van de open ruimte. Bestaande bosbeplanting
31
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
In de '70 en eerste helft van de '80 er jaren is in het gebied een ruilverkaveling uitgevoerd, met als belangrijkste doelen verbetering van de ontsluiting van de percelen en waterbeheersing ten behoeve van agrarisch gebruik. In deze periode heeft het landschap zijn definitieve huidige indeling gekregen. Bij deze ruilverkaveling was tevens de beplanting een belangrijk onderdeel. Van meet af aan was duidelijk dat de houtwallen, zoals in de omgeving van Gersloot en Langezwaag, zoveel mogelijk behouden dienden te blijven. Daarnaast zijn op diverse plaatsen nieuwe bosjes aangelegd, waaronder het bosje in het plangebied. Als gevolg van deze ingrepen betreft het projectgebied een overwegend open, agrarisch landschap met verspreid daarbinnen een aantal bossingels en kleine bossen. Veelal betreft dit bossen van zo'n 40 a 50 jaar oud. In de huidige toestand bestaat het bos gebied uit een vochtig bos, waarvan in verschillende deelgebieden verschillende boomsoorten de boventoon voeren (waaronder eik, gewone es, en zwarte els) . In het midden van het plangebied is een gedeelte aanwezig waar veel bomen dood zijn gegaan. Het gebied is voedselrijk en wordt omringd door voedselrijke sloten. Aan de noordwestkant van het plan-gebied is een waterpartij aanwezig die deels een rietbegroeiing heeft. Ten westen van het plangebied is de A7 gelegen.
De directe omgeving bestaat uit intensief beheerd grasland. Aan de zuidkant van het plangebied loopt de Hegedyk.
5.1.2
Landschappelijke inpassing
Het beeld van de voorgenomen landschappelijke inpassing is opgenomen in Bijlage 1 en Bijlage 2. Hierna zijn de onderbouwing voor de inpassing (waaronder de vormgeving van de bebouwing en beplantingen) opgenomen. Uitgangspunten De waterwinlocatie wordt ingepast in een bestaand bosgebiedje ten noorden van de Hegedyk. Dit bosgebiedje is een plaatselijke groene verdichting in een verder open veenweidegebied. Het programma wordt ingepast binnen de contouren van het bestaande bosgebiedje, waardoor de mate van openheid in essentie niet wordt aangetast. De plaatselijke verdichting in het landschap blijft gelijk in formaat. Wel verandert het karakter van het gebied en de directe omgeving door de noodzakelijke hoogte van de bebouwing. De bebouwing zal deels hoger zijn dan de bomen en daarom zichtbaar zijn vanuit de omgeving. In het programma is functioneel gezien een tweedeling herkenbaar in gebieden met waterwinputten en een productiegebied. Ruimtelijk gezien kent het plangebied een driedeling, met een gebied met drie waterwinputten aan de noordzijde, het productiegebied in het midden en een gebied met 9 waterwinputten in het zuidelijk deel van het plangebied. PRODUCTIEGEBIED Het productiegebied ligt zo ver mogelijk van de bestaande woningen om overlast voor de omgeving te voorkomen.
Ook ligt het gebied op grote afstand van de snelweg, om daarmee te voorkomen dat deze het beeld gaat bepalen. Contouren van de gasleiding en de A7 begrenzen de mogelijkheden aan de noordwest en westzijde van het terrein. Het productiegebied moet ruimte bieden aan circa 8.000 m2 bebouwing, circa 1.750 m2 (deels ondergrondse) bassins en circa 8.000 m2 spoelvijvers. Circa 5.000 m2 bebouwing zal maximaal 12 meter hoog zijn en circa 3.000 m2 zal maximaal 20 meter hoog zijn. Het productiegebied heeft een compacte hoofdopzet om het bosje zoveel mogelijk in stand te houden. Het productiegebied wordt binnen beplanting ingepast. Aan de noord-, west en zuidzijde begrenst bestaand en nieuw bos het productiegebied. Aan de oostzijde begrenst een beplantingsstrook van 15 meter breed het productiegebied. Een groot deel van de functies zal hierdoor (op termijn niet zichtbaar zijn vanuit het open landschap en de A7. In de beginfase zal de bebouwing vanuit oostelijk richting goed zichtbaar zijn. Daarnaast zullen de hogere bouwdelen vanuit de ruimere omgeving, waaronder de A7, zichtbaar zijn. De vormgeving van de bebouwing is dan ook een belangrijk deel van de landschappelijke inpassing.
32
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
WATERWINPUTTEN Voor zover de bescherming van de bronnen en de borging van een veilig drinkwaterproces dit toelaat zal ruimte geboden aan (extensief) recreatief medegebruik van het puttenveld. Het zal daarbij vooral gaan om het zuidelijk deel van het plangebied. Het noordelijk deel zal niet toegankelijk zijn vanaf de openbare weg. In het zuidelijk gebied worden 9 putten aangebracht in een rechthoekig patroon. De putten zijn toegankelijk via een maaipad vanaf de centrale hoofdontsluiting. De gebieden met waterwinputten zullen overwegend het karakter van een bos hebben. De putten vormen kleine open ruimten binnen het bos. TOEGANKELIJKHEID Het productiegebied moet afsluitbaar zijn en zal alleen toegankelijk zijn voor medewerkers van Vitens. De begrenzing van het gebied wordt zoveel mogelijk met natuurlijke middelen vormgeven (zoals water en beplanting), zodat hekwerken zo weinig mogelijk noodzakelijk zijn, en/of niet zichtbaar zijn.
Afbeelding 9. Hoge en lage delen vormen een duidelijk samenhangend geheel (Bron: Architectenweb.nl)
Afbeelding 10. Hoge en lagen delenvormen een duidelijk samenhangend geheel. Links Weidelco (bron: LC.nl) en rechts Duco Ventilation (bron: Architectura.be)
33
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Afbeelding 11. Voorbeelden bouwen in hout (Bron: Aquatreat (rechts) en Brink Climate System (links)) De uiteindelijke bouwvorm en vormgeving moet nog worden bepaald. De gebouwen worden in lijn met het hoge ambitieniveau van andere nieuwe gebouwen van Vitens gebouwd (zie afbeelding 12). Een nader te kiezen architectenbureau zal de bebouwing vormgeven. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met input vanuit de omgeving (inspraak).
Afbeelding 12. Voorbeelden landschappelijke inpassing van Vitens productielocaties Beplanting Voor de beplanting in het gebied wordt in het navolgende het gewenst beeld beschreven. De exacte invulling van de het puttenveld (bosgebied) en het productiegebied (beplantingsstroken) wordt door Vitens in overleg met een groen- en bosexpert bepaald. Ook zal een beheerplan worden opgesteld, gericht op behoud van het gewenste beeld. - Inrichting puttenveld Ter plaatse van het puttenveld wordt de bestaande bosbeplanting (boom-, struik- en kruidlagen) zoveel mogelijk gehandhaafd. Waar nodig worden bomen en struiken gekapt dan wel aangevuld. Het sortiment beplanting wordt afgestemd op het bestaande sortiment (zie sortiment beplanting). - Inrichting productiegebied In het productiegebied, met daarin onder andere de spoelwaterbezinkvijver en de bebouwing, wordt een groot deel van de bosbeplanting gekapt. Om het beeld van een groene verdichting in het open landschap te behouden, worden aan de west, noord- en zuidzijde stevige boselementen gehandhaafd. Langs de oostrand
34
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
wordt een brede beplantingsstrook gehandhaafd en/of aangelegd. De beplantingsstrook heeft een minimale breedte van 15 meter. De bosstroken en de beplantingsstrook hebben een opbouw in een boomen een struweellaag. De struweellaag is onderverdeeld in mantel en zoom (buitenrand). Er wordt een gevarieerd beplantingsbeeld nagestreefd. Op hoofdlijnen wordt het volgende beeld voor de beplantingsstroken nagestreefd. De bomen zijn overwegend van de 1e orde grootte en worden in de beplantingsstrook minimaal aangeplant in 2 rijen, in een driehoeksverband van 5 meter tussen de rijen en een plantafstand 5 meter in de rij. Bij bredere stroken wordt het aantal bomenrijen evenredig vergroot. Per beplantingsstrook minimaal vier boomsoorten toepassen. De struiken en heesters in de struweellaag worden geplant in minimaal 3 rijen langs de randen in een driehoeksverband van 1,5 meter tussen de rijen en een plantafstand van 1,5 meter in de rij. Bij bredere stroken wordt het aantal rijen evenredig vergroot. Per beplantingsstrook minimaal 6 struikensoorten toepassen.
- Sortiment beplanting Passende boomsoorten voor de bomenlaag zijn in ieder geval: Gewone es (Fraxinus excelsior), eindgrootte 20-25 meter Schietwilg (Salix alba), eindgrootte 15-25 meter Zachte berk (Betula pubecens), eindgrootte 15-20 meter Zomereik (Quercus robur), eindgrootte 20-30 meter Zwarte els (Alnus glutinosa), eindgrootte 10-15 meter Passende struiken en heesters voor de mantel zijn in ieder geval: Gele kornoelje (Cornus mas) Gewone vlier (Sambucus nigra) Grauwe wilg (Salix cinerea) Hazelaar (Corylus avellana) Katwilg (Salix viminalis) Krenteboompje (Amelanchier) Rode kornoelje Cornus sanguinea Veldesdoorn (Acer campestre) Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) Passende struiken en heesters voor de zoom zijn in ieder geval: Kardinaalsmuts (Euonymus alatus) Sierkwee (Chaenomeles cathayensis) Sleedoorn (Prunus spinosa) Vuilboom (Rhamnus frangula) Wilde mispel (Mespilus germanica) Wegedoorn (Rhamnus cathartica) Wilde bosrank (Clematis vitalba) Wintergroene kamperfoelie (Lonicera henryi) Ander boom-, struik- en heestersoorten zijn mogelijk, mits inheems en passend op de ondergrond. Bomen zijn overwegend van 1e orde grootte en hebben een eindgrootte van minimaal 15 meter. Waterlopen De sloot aan de oostzijde van het huidige toegangspad in het gebied is in de huidige situatie een belangrijke waterloop voor het waterschap.
Het is voor Vitens niet wenselijk dat een dergelijk waterloop door het gebied loopt in verband met het door het waterschap uit te voeren onderhoud. In de landschappelijk
35
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
inpassing wordt er daarom van uitgegaan dat het tracé wordt verplaatst/omgelegd naar de sloot langs de oostelijke rand van het plangebied. In het productiegebied wordt deze sloot deels gedempt. Compensatie vindt plaats door nieuw water/nieuwe sloten aan te brengen langs de noord- en zuidkant van het productiegebied. Wanneer nodig wordt de sloot langs de oostrand verbreed. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Hegedyk. Het bestaande pad wordt hiervoor opgewaardeerd tot een volwaardige ontsluiting die geschikt is voor vrachtauto's. Wandelroutes Het zuidelijke puttenveld wordt in principe vrij toegankelijk. Natuurlijk vormgegeven wandelpaden ontsluiten het gebied. De paden zullen niet worden verhard. In de padenstructuur worden de be-staande landschappelijke kwaliteiten benut. Rechte paden worden afgewisseld met slingerende paden en de ervaring van beslotenheid wordt afgewisseld met vergezichten. Ook wordt een verbinding met de naastgelegen waterpartij nagestreefd.
5.2
Erfgoed
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Onderzoek Voor het onderdeel archeologie en cultuurhistorische waarden heeft onderzoeksbureau BAAC een bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4 Rapport Archeologie en Cultuurhistorie). Het onderzoek heeft zich gericht op een groter gebied dan het winningsgebied. Uit dit bureauonderzoek blijkt dat in en rondom het plangebied een middelhoge verwachting wordt toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum. Vanwege de afgraving en oxidatie van het veen geldt voor de bronstijd-late middeleeuwen een lage verwachting. Voor de bewoningslinten en dijken geldt een hoge verwachting voor de late middeleeuwen -nieuwe tijd.
Als gevolg van de afgraving van het veen en het gebruik als agrarisch gebied, waarbij de grondwaterstand kunstmatig wordt gereguleerd, zullen aanwezige archeologische vindplaatsen in het plangebied naar verwachting al (deels) zijn gedegradeerd. Het is echter niet duidelijk hoeveel verlaging van de grondwaterstand als verstoring kan worden beschouwd en waar de archeologische waarden exact aanwezig zijn. Nader onderzoek en veiligstelling van de archeologische waarden (behoud ex situ) is gezien de omvang van het gebied en de overige beperkingen (de aanwezigheid van woningen, wegen e.d.) niet mogelijk. Derhalve wordt geadviseerd om dijken en bewoningslinten zoveel mogelijk te ontzien door de maximale onttrekking hierbuiten te laten plaatsvinden. De cultuurhistorische waarden in het gebied bestaan uit de aanwezige oude dijken, wegen en paden, de bewoningslinten en de opstrekkende verkaveling met voor turfwinning verbrede sloten (wijken). Verlaging van de grondwaterstand zou op lange termijn als gevolg kunnen hebben dat door verdere oxidatie en degradatie van veenresten (die nog deels aanwezig is bij de dijken en bewoningslinten) hoogteverschillen tussen de afgegraven gronden en veenresten verdwijnen. Uit cultuurhistorisch oogpunt wordt daarom geadviseerd om de bewoningslinten zoveel mogelijk te ontzien.
36
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Aanpak In overleg met de Provincie Fryslân is bepaald hoe verder dient te worden omgegaan met de (potentiële) schade als gevolg van de grondwateronttrekking. De onderstaande aanpak, die bestaat uit de volgende stappen, is overeengekomen met de provincie: 1.
2.
3.
4.
Volgens de Archeologische kaart steentijd-bronstijd van de Provincie Fryslân (FAMKE) kunnen zich in het grootste deel van het plangebied archeologische lagen uit de steentijd bevinden die zijn afgedekt door een veen- of kleidek, waardoor eventuele archeologische resten goed van kwaliteit zullen zijn. In de periode 2020 - 2021 wordt in opdracht van Vitens boorwerk in het beïnvloedingsgebied (gebied waar verlagingen van de freatische grondwaterstand van >5 cm worden verwacht als gevolg van de voorgenomen grondwaterwinning) uitgevoerd met een dichtheid van circa 1 boring per hectare. Dit boorwerk heeft als doel om de nulsituatie in gebied in kaart te brengen ten aanzien van bodemopbouw en grondwaterstanden. Per boorpunt wordt onder andere informatie verzameld over bodemcode, grondwaterstanden, landgebruik en horizontbeschrijving. Dit onderzoek kan ook worden gebruikt om binnen het beïnvloedingsgebied meer inzicht te krijgen in de verbreiding, dikte en diepteligging t.o.v. NAP van het veen en om vast te stellen of er bodemvorming in de dekzandgrond heeft plaatsgevonden; Ten behoeve van de vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet wordt in opdracht van Vitens een MER opgesteld.
In het MER zullen de freatische grondwaterstandsverlagingen als gevolg van de grondwaterwinning in beeld worden gebracht; Door de combinatie van onderzoeksresultaten van punt 1 en 2 ontstaat inzicht in of er aandachtsgebieden zijn waar mogelijk archeologisch vervolgonderzoek zich op moet richten als gevolg van versnelde oxidatie van het veen en zo ja waar deze gelegen zijn; Als de bovenstaande onderzoeksresultaten bekend zijn zal vervolgoverleg plaatsvinden over de verdere aanpak.
Conclusie De actiepunten 1. en 2. zijn uitgevoerd. Uit het boorwerk van Aequator blijkt dat alle landbouwgronden binnen het invloedsgebied van de winning waarop het boorwerk is uitgevoerd, zijn geroerd. Verstoring van archeologische waarden als gevolg van de waterwinning kunnen hier dan ook niet meer verwacht worden. Op het voorgenomen wingebied zelf heeft Aequator geen boorwerk uitgevoerd. Uit archeologisch vervolgonderzoek op het voorgenomen wingebied en/of vervolgoverleg moet duidelijk worden of er ten aanzien van het aspect 'erfgoed' belemmeringen te verwachten zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan. Met het oog op de bescherming van de archeologische waarden is een bestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.
5.3
Ecologie
In 2018 heeft Altenburg & Wymenga een ecologisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de plannen voor de winningslocatie. De Bosgroep heeft een meer actueel natuuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek gaat specifiek over de winlocatie. In de navolgende tekst volgt een conclusie ten aanzien van de soortbescherming en gebiedsbescherming. De rapportage is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Natuurtoets SOORTBESCHERMING Het plangebied bestaat uit een relatief jong bosgebied dat in de tachtiger jaren van de vorige eeuw is aangelegd op voormalige landbouwgronden. De bomen zijn merendeels nog jong en in het verleden dicht opeen geplant. De ondergroei bestaat uit algemeen voorkomende plantensoorten. Door het plangebied lopen enkele brede en diepe sloten; in de watergang langs de oostgrens komt mogelijk de grote modderkruiper voor. Omdat het onderhoud en mogelijk inrichting van deze watergang aangepast wordt, zal, indien de grote modderkruiper hier voorkomt, een negatief effect op deze soort optreden. Bij het veldbezoek is deze soort niet aangetroffen in deze watergang. Onderzocht moet worden of de grote modderkruiper daadwerkelijk niet voorkomt. Daarvoor is gericht onderzoek naar deze soort noodzakelijk. Het bosgebied en de struwelen (ter plaatse van de gekapte essen-opstanden) zijn rijk aan broedvogels.
37
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Broedende vogels mogen niet verstoord worden. Door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen kan dit worden voorkomen. In het plangebied zijn enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen (buizerd en ransuil). Verspreid in het bosgebied zijn enkele potentiële horsten voor deze soorten aanwezig. De bomen met horsten in het populierenvak aan de noordwestzijde zullen worden gekapt; de overige bomen met horsten zullen behouden blijven. Op dit moment zijn geen van deze horsten in gebruik als broedlocatie van de buizerd; het is echter niet uit te sluiten dat in de toekomst buizerd of ransuil één van de horsten in gebruik zal nemen om te broeden. Indien dat gebeurt zal een ontheffing aangevraagd moeten worden voor het verwijderen van een jaarrond beschermd nest. Het plangebied is onderdeel van het foerageergebied van enkele soorten vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis). Deze foerageren voornamelijk rondom de waterplas aan de noordwestzijde en in het populierenbos. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal een deel van het foerageergebied (populierenbos) verdwijnen. De aan te leggen slibvijver zal een nieuw aantrekkelijk foerageergebied vormen. Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen worden daarom niet verwacht. Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger zijn gebouwbewonende soorten.
De boomholtes in het bosgebied hebben geen specifieke functies voor deze soorten. Er is daarom geen sprake van een aantasting van verblijfplaatsen van deze soorten. Rosse vleermuis is een boombewonende soort; de waargenomen boomholtes zijn in potentie een vaste rust- en verblijfplaats. Nader onderzoek is nodig om hier uitsluitsel over te krijgen. Indien een vaste verblijfplaats van deze soort aanwezig is in één van de te kappen bomen, dan moet hiervoor een ontheffing worden aangevraagd. In het gebied zijn een kleine dassenburcht (4 pijpen) en een losse vluchtpijp aangetroffen. Hierbij zijn geen recente gebruiksporen aangetroffen. De burcht en vluchtpijp worden door de voorgenomen terreininrichting niet aangetast. Het plangebied is ook bij de nieuwe inrichting geschikt als leefgebied voor dassen. Enkel zal tijdens de bouwfase enige verstoring op kunnen treden. Door tijdens de bouwfase hier rekening mee te houden (alleen overdag werken, voldoende afstand houden tot de burcht en werkzaamheden in de directe omgeving van de burcht uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van de das) kan dit voorkomen worden. Verstoring van de das is dan minimaal en negatieve effecten kunnen daarmee voorkomen worden.
Mocht in de oostelijke watergang de grote modderkruiper voorkomen, dan zal een ontheffing moeten worden aangevraagd voor negatieve effecten als gevolg van ingrepen aan deze watergang en een sterke afname van de kwelinvloed (als gevolg van grondwaterstandsverlaging). Kwelinvloeden hangen nauw samen met de verspreiding van deze soort. Verder zijn uitsluitend soorten aangetroffen in het plangebied waarvoor een algemene vrijstelling geldt van uit de Wet Natuurbescherming. Ontheffingsaanvraag Uit bovenstaande overzicht blijkt dat voor de realisatie van de waterwinning op deze locatie mogelijk een ontheffing voor buizerd, ransuil en de grote modderkruiper aangevraagd zal moeten worden, indien deze tijdens de onderzoeksfase ten behoeve van de onderbouwing van de Omgevingsvergunningaanvraag voor blijken te komen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten zal in dat geval wordt getoetst aan drie criteria: aantoonbaar openbaar belang van het voornemen; mogelijke alternatieven (zowel m.b.t. locatie, inrichting of uitvoering); duurzame instandhouding van de populatie. Drinkwatervoorziening past binnen de reden van openbaar belang. Voor de locatiekeuze is vanuit een breed maatschappelijk veld een keuze voor het plangebied gemaakt, waarbij ook effecten op andere functies en natuurwaarden binnen het zoekgebied zijn meegewogen.
Voor buizerd en ransuil geldt dat als gevolg van de voorgenomen plannen twee potentiële horsten worden verwijderd; drie potentiële horsten blijven behouden. Dit betekent dat voor deze soorten nestgelegenheid aanwezig blijft binnen het plangebied. Voor deze soorten is de verwachting dat een ontheffingsaanvraag succesvol zal worden
38
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
doorlopen. De verspreiding van de grote modderkruiper is slecht in beeld. Voor deze soort is de aanbeveling om de verspreiding in een groter gebied rondom de planlocatie in beeld te brengen. Meer inzicht hierin geeft een beter beeld van de eventuele impact van de voorgenomen plannen op populatieniveau. Een ontheffingsaanvraag kan daarmee beter onderbouwd worden. GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuur Netwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Vitens heeft hydrologisch onderzoek laten uitvoeren om te bepalen of het onttrekken van grondwater voor de pompproef negatieve effecten veroorzaakt op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit niet het geval is. Door uitvoering van de geplande werkzaamheden zal daarom geen conflict ontstaan met de wet- en regelgeving omtrent gebiedsbescherming. Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Mogelijk is stikstofdepositie wel relevant.
Om hierover duidelijkheid te verkrijgen is een stikstofdepositieberekenig uitgevoerd door Sweco. De bijbehorende notitie is als Bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting. Uit het ten behoeve van het MER uitgevoerde onderzoek is gebleken dat tijdens de bouwfase van de productielocatie een tijdelijke geringe toename van de stikstofdepositie plaatsvindt van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar in het Natura 2000-gebied 'Van Oordt's Mersken'. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de Provincie Fryslân als bevoegd gezag. De provincie heeft het volgende geconcludeerd: uit de rapportage en het beheerplan Drents-Friese Wold & Leggelderveld blijkt dat de reductie van de drinkwaterwinning Terwisscha een beheermaatregel is om (verdere) verdroging en negatieve effecten op de aanwezige habitattypen te voorkomen, en het mogelijk uitbreiden van bestaande habitattypen. Dit betekent dat het voorgenomen project is uitgezonderd van beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de voorgenomen projecten inzake de bouw van productielocatie Luxwoude voor het winnen en zuiveren van water en de aanleg van een transportleiding Luxwoude-Terwisscha is geen Wet natuurbeschermingsvergunning noodzakelijk.
De provincie heeft een en ander in een brief vastgelegd (zie ook bijlage 7 bij deze toelichting). Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is aangemerkt als Natuur buiten de EHS (NNN). Voor de huidige en toekomstige situatie (ambitie) is het beheertype N16.04 vochtig bos met productie van toepassing. Dit beheertype omvat diverse bostypen die met elkaar gemeen hebben dat ze op productieve locaties zijn gelegen. Een belangrijk onderdeel van het bosbeheer voor N16.04 vormt het oogsten van hout. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zal de oppervlakte van beheertype N16.04 afnemen. Er zal volgens de huidige inzichten ruim 4 ha bos permanent verdwijnen. Deze oppervlakte is exclusief de percelen die gekapt zijn vanwege de essentaksterfte. Deze kunnen gecompenseerd worden door de betreffende percelen weer in te planten met bos. Het bosareaal dat verdwijnt zal elders moeten worden gecompenseerd. Vanwege de leeftijd van de bosvakken, tussen de 25 en 100 jaar, zal het te compenseren oppervlakte een factor tweemaal zo groot moeten zijn. De voorgenomen ontwikkeling biedt naast bedreigingen tevens kansen om de ecologische waarden van het plangebied verder te verhogen. Voor haar waterwingebieden streeft Vitens naar behoud, dan wel ontwikkeling van hoge ecologische waarden. Daarvoor wordt een ecologisch beheerplan opgesteld waarin
39
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
de natuurdoelen en gewenst beheer voor een periode van telkens 10 jaar worden beschreven. Voor bossen wordt een beheer gevoerd waarbij zowel economische (houtproductie) en natuurwaarden beiden meegewogen worden. Conclusie Op basis van de uitgevoerde natuurtoets zijn de natuurwaarden in het kader van het bestemmingsplan voldoende in beeld gebracht. Voor de nader te bepalen uit te voeren werkzaamheden en de realisatie van de waterwinning op deze locatie zal mogelijk een ontheffing voor buizerd, ransuil en de grote modderkruiper aangevraagd moeten worden. Uit de natuurtoets blijkt dat een ontheffingsaanvraag succesvol doorlopen kan worden. In de regels van dit plan zijn in 4.3.2 onder 1c voorwaarden gesteld waarin is bepaald dat het noodzakelijk natuuronderzoek moet zijn afgerond waaruit blijkt dat geen ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is dan wel dat een noodzakelijk geachte ontheffing of vergunning op grond van die wet is verkregen. Voor de toename van de stikstofdepositie tijdens de bouwfase van de productielocatie Luxwoude die op basis van dit bestemmingsplan kan worden gerealiseerd, heeft provincie Fryslân bepaald dat geen Wet natuurbeschermingsvergunning noodzakelijk is. Het aspect ecologie staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.
5.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is erop gericht om te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Met het oog op het in kaart brengen van het externeveiligheidsrisico hebben FUMO en Brandweer Fryslân onderzoek verricht. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Daaruit blijkt het volgende. Twee hogedrukgastransportleidingen Ten westen van het plangebied ligt een gastransportleiding van de Gasunie en ten noorden van het plangebied ligt een gastransportleiding van Vermilion. De plaatsgebonden risicocontour van de leiding van Vermilion ligt deels over het plangebied; de contour van de Gasunie ligt buiten het plangebied. Transportleidingen en risicocontouren zijn op de onderstaande afbeelding 12 weergegeven.
40
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Afbeelding 13. Buisleidingen (rood gestippeld), belemmeringenstrook (zwart gestreept), invloedsgebied 100% letaal (blauwe onderbroken lijn) en 1% letaalgebied (blauwe lijn) Vervoer van gevaarlijke stoffen via omliggende weggen Over de nabijgelegen A7 kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd, die bij een calamiteit een risico kunnen vormen voor deze productielocatie. De wegvakken van de A7 hebben geen veiligheidszone. Bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg geldt dat zich binnen de contour van de veiligheidszone geen kwetsbare objecten mogen bevinden. De risicocontouren van de A7 liggen op het wegvlak zelf en leggen hiermee geen planologische beperkingen op aan de omgeving. Ook is de A7 geen Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Wel dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van de weg aandacht te worden geschonken aan het groepsrisico. Over overige wegen vindt een dusdanig laag aantal transporten met gevaarlijke stoffen plaats dat geen planologische beperkingen op de omgeving worden gelegd. In Opsterland zijn geen aangewezen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg vastgesteld. In principe is het mogelijk om gevaarlijke stoffen door heel Opsterland te transporteren. In de praktijk blijkt dit iets genuanceerder te liggen.
Als basisregel geldt dat transporteurs met gevaarlijke stoffen de bebouwde kom zoveel mogelijk moeten mijden op grond van artikel 11 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Vanaf de A7 is het mogelijk om de bebouwde kom te vermijden om bij de productielocatie te komen. Vervoer van stoffen van en naar het plangebied In de exploitatiefase zullen per week 2 á 3 vrachtauto's (ADR-transport) naar het plangebied rijden voor de aanvoer van de volgende stoffen: Zuurstof, samengeperst (klasse 2, UN 1072) Kooldioxide (klasse 2, UN 1013) IJzerchloride 40% (klasse 8, UN 2582) Natriumhydroxide 5-51% (klasse 8, UN 1824) Voor het vervoer van deze stoffen gelden verschillende voorschriften: vóór aanvang van het transport, zoals verpakken, etiketteren en het opmaken van documenten voorschriften voor de belading van het voertuig, zoals stuwage en samenlading voorschriften voor het voertuig, zoals oranje borden en persoonlijke beschermingsmiddelen voorschriften voor onderweg, zoals het gebruik van blusmiddelen en tunnel- en routebepalingen. De voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zorgen ervoor dat producten met gevaarlijke
41
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
stoffen goed zijn verpakt en dus niet vrij kunnen komen. Ze moeten door goed materieel worden vervoerd, duidelijk herkenbaar zijn en worden behandeld door speciaal opgeleid personeel. Uitgangspunt voor het toepassen van de voorschriften is de stoffenlijst in het ADR, waar alle gevaarlijke stoffen zijn opgenomen met het stofidentificatienummer, ook wel UN-nummer genoemd. Er zijn heel veel stoffen die door hun specifieke eigenschappen tot de groep van gevaarlijke stoffen behoren. Afhankelijk van de specifieke eigenschappen zijn deze ingedeeld in gevarenklassen. Voor het goederenvervoer is het van belang dat gevaarlijke stoffen worden ingedeeld in bepaalde groepen. Geen van de stoffen die naar het terrein worden vervoerd of van het terrein worden afgevoerd (reststoffen) vormen een dusdanig risico dat deze volgens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen routeplichtig zijn. Met ADR-transport worden de gevaarlijke stoffen vervoerd. Het vervoer van dit soort stoffen is een aparte tak van sport binnen de transportwereld. Er gelden wetgeving en specifieke richtlijnen zodat het transport zo veilig mogelijk verloopt. Groepsrisico Zoals hiervoor onder het kopje 'Vervoer van gevaarlijke stoffen via omliggende weggen' is aangegeven, moet de gemeente zich uitspreken over de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. FUMO heeft onderzoek gedaan naar het groepsrisico.
Uit dit onderzoek (zie bijlage 8 en 14 bij deze toelichting) blijkt dat er geen sprake is van een groepsrisico en dat als gevolg van het plan ook geen sprake is van een toename van het groepsrisico. Op grond daarvan hoeft de gemeente zich ook niet uit te spreken over de aanvaardbaarheid van de toename. Overstromingen Er mag geen kans op overstromingen zijn. Kijkend naar de overstromingsrisico's op basis van het Vitens-rapport uit 2010, ligt de beoogde locatie buiten de gevarenzone (geen overstromingsdiepte). Conclusie Het plangebied met daarin het te realiseren bedrijfsgebouw, waarvan het bouwvlak in het voorontwerpbestemmingsplan aan de noordzijde van het plangebied was geprojecteert, ligt deels binnen de PR10-6 van een hogedrukaardgastransportleiding van Vermilion aan de noordoostzijde. In artikel 11 lid 2 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen is vastgelegd dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, rekening wordt gehouden met een richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het bedrijfsgebouw een beperkt kwetsbaar object betreft, houdt dit in dat in het voorontwerpbestemmingsplan niet is voldaan aan de richtwaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar.
Slechts met gewichtige redenen kan van deze richtwaarde worden afgeweken. Gewichtige redenen om van deze richtwaarde af te wijken zijn niet aanwezig. Op grond daarvan is het productiegebouw naar het zuiden verplaatst, zodat het buiten de risicocontour komt te liggen, maar gezien de vitale functie ook buiten het invloedsgebied van de hogedrukaardgasleiding en buiten de 200 m-zone van de basisnetroute. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de overige adviezen die zijn aangegeven in de brief van 22 juni 2022 van Brandweer Fryslân (zie bijlage 14 bij deze toelichting). Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de A7. Het plan leidt niet tot een verhoogd risico voor omwonenden als gevolg van de aanvoer van chemicaliën en de afvoer van reststoffen naar en van het terrein. Er is geen sprake van een overstromingsgevaar waarmee rekening gehouden moet worden. Met de aanpassing van de locatie van het bedrijfsgebouw is ervoor gezorgd dat het plan niet wordt belemmerd door externeveiligheidsaspecten.
42
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
5.5
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader De Wet bodembeheer bepaalt dat de milieutechnische bodemkwaliteit niet mag worden aangetast en dat, voor zover er al sprake is van enige aantasting, deze geen gevaar mag vormen voor de volksgezondheid. Daarom moet voorafgaand aan de realisatie van een plan of project worden bepaald of de milieutechnische kwaliteit van de bodem voldoende is. Wanneer dat niet of onvoldoende het geval is, moet de bodem worden gesaneerd vooruitlopend op de realisatie van het plan of project. Meestal wordt daarom milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van bodemonderzoeken worden gearchiveerd in het Bodemloket. Toetsing Bodemloket Het Bodemloket laat voor het grootste gedeelte van het terrein geen gegevens zien over de milieukundige bodemkwaliteit of voortgang van bodemonderzoek. Om er zeker van te kunnen zijn dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanherziening. Verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek Door Antea Group is in september 2021 een verkennend bodem-, asbest- en waterbodemonderzoek uitgevoerd op het terrein nabij Hegedyk 14 te Luxwoude. In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 en NEN 5720 de milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Het asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897.
De onderzoeksrapportage is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) van de landpercelen en de kwaliteit van de waterbodem van twee watergangen een belemmering oplevert voor de voorgenomen grondtransactie en bestemmingswijziging. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen volgens het rapport geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen grondtransactie en bestemmingswijziging van de locatie als waterwingebied. De uiteindelijke beslissing hiertoe is aan het bevoegd gezag. Conclusie Bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Waterparagraaf
Watertoets Bij ruimtelijke plannen moet worden beoordeeld of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Door middel van een watertoets wordt het planvoornemen in een vroegtijdig stadium ter beoordeling aan het waterschap voorgelegd. Voorliggend projectgebied valt binnen het beheergebied van Wetterskip Fryslân. Op 30 november 2021 is het Wetterkip Fryslân geïnformeerd over het voorliggende bestemmingsplan via een digitale watertoets. Hiermee is bepaald dat het plan invloed heeft op de waterhuishouding en een normale procedure moet worden gevolgd (Bijlage 10). Dit betekent dat verder overleg met Wetterskip Fryslân noodzakelijk is. Wetterskip Fryslân verstrekt voor de normale procedure standaard een wateradvies. Wanneer noodzakelijk geacht stuurt Wetterskip Fryslân een aanvullend advies per email. Deze paragraaf wordt, indien nodig, met het wateradvies aangevuld. Er is een watervergunning nodig voor het dempen en verleggen van de waterschapssloot.
43
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro wijst Wetterskip Fryslân op drie punten die van belang worden geacht bij de verdere planvorming:
Afbeelding 14. Fragment uit de Leggerkaart van Wetterskip Fryslân 1.
De hoofdwatergang (de kobaltblauwe ononderbroken lijn in afbeelding 13) in het plangebied is van belang voor de aan-, af-, en doorvoer van water. Deze functie moet in het plan worden gegarandeerd. Hoofdwatergangen kennen een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden voor de bereikbaarheid, het onderhoud en het beheer. Het Wetterskip wijst erop dat voor werkzaamheden aan/in de watergang en in de beschermingszone een watervergunning nodig is op grond van de Waterwet. Vitens heeft op dit punt met het Wetterskip Fryslân afgesproken dat de hoofdwatergang in oostelijke richting langs de grens van het waterwingebied zal worden verplaatst. Aan de westzijde van de watergang (de zijde van de waterwinning) zal een strook van 5 m worden vrijgehouden van bebouwing en beplantingen ten behoeve van het onderhoud van de hoofdwatergang. In dit bestemmingsplan heeft deze watergang de bestemming 'Agrarisch' gekregen. Het aansluitende deel van de verplaatste watergang ligt ook binnen deze bestemming.
2.
De schouwwatergang (roze stippellijn) is belangrijk voor de aan-, af-, en doorvoer van water in het gebied. De aanliggende eigenaar van een schouwwater is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van deze watergangen. Vitens heeft met het Wetterskip Fryslân afgesproken dat Vitens de beheerder wordt van de schouwsloot voor zover die straks deel uitmaakt van het door Vitens te verwerven gebied en het beheer van de schouwloot voor haar rekening neemt.
3.
Het verhard oppervlakte neemt toe; de tekst die opgenomen is in het wateradvies kan opgenomen worden in de plannen. Als toevoeging zien we graag een berekening terug van het te compenseren
44
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
verhard oppervlakte. Een exacte oppervlakte van het te bebouwen gebied is nog niet precies vast te stellen omdat een definitief inrichtingsplan nog niet gereed is. De opzet van dit plan hangt sterk samen met de toe te passen zuiveringstechniek. Het lijkt erop dat palletbed- of onthardingsreactoren zullen worden toegepast, zoals in par. 2.3.2 is vermeld. Met het oog op deze zuiveringstechniek is het bouwvlak vergroot. Op grond van dit bestemmingsplan mag ten hoogste 8.000 m2 van het bouwvlak worden gebruikt voor het realiseren van gebouwen. Als deze toegelaten oppervlakte voor 100% zou worden benut en de toegangsweg (met een breedte van 4 m en een lengte van ca 800 m) zou zijn verhard, dan levert dit een bebouwd en verhard oppervlak op van ca11.200 m2. Op grond daarvan zou een oppervlakte van ca 1.120 m2 (10% van de oppervlakte) als watercompensatie moeten worden gerealiseerd. Deze compensatie vindt voor een deel plaats door het realiseren van een bergingsvijver van ca 7.500 m2. De realisatie van de bergingsvijver is ruim voldoende om te voldoen aan de Keur-verplichtingen om ten minste 10% van het verharde en bebouwde oppervlakte in de vorm van nieuw oppervlaktewater te compenseren. Hydrologie Om de hydrologische effecten van waterwinning Luxwoude op de grondwatersituatie in beeld te brengen is een uitgebreide hydrologische modelstudie uitgevoerd (Sweco, 2021).
In deze modelstudie zijn de effecten van waterwinning Luxwoude in beeld gebracht voor de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand), GVG (gemiddelde voorjaars grondwaterstand) en GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand). Als gevolg van de waterwinning in Luxwoude treedt een verlaging op van de freatische grondwaterpeilen en neemt de hoeveel kwelwater af die naar het gebied toestroomt. Deze veranderingen zijn het grootst nabij de winlocatie, en nemen af met toenemende afstand van het wingebied. Conclusie Met Wetterskip Fryslân is afstemming gezocht over de waterschapsbelangen. Binnen het plangebied worden compenserende maatregelen genomen ten aanzien van toevoeging van verharding. Geacht wordt dat met het overleg met Wetterskip Fryslân, de aanvraag watervergunning en het nemen van benodigde (compenserende) maatregelen het aspect water geen belemmering vormt ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het plan.
5.7
Geluidhinder
Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. Bij het oprichten van geluidsgevoelige objecten, bijvoorbeeld woningen, dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Toetsing Aangezien dit project geen geluidsgevoelig object mogelijk maakt en er bovendien geen sprake is van een bedrijf dat valt onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder, kan een dergelijk onderzoek achterwege blijven. Verder moet worden bezien in hoeverre een project leidt tot extra verkeer waardoor (in combinatie met de aanpassing van de inrichting van wegen) sprake kan zijn van een zogenaamde reconstructie. Daarvan is sprake wanneer een en ander leidt tot een toename van het wegverkeerslawaai van meer dan 2 dB. Omdat het plan leidt tot een zeer geringe verkeerstoename, kan zonder meer worden gesteld dat er geen sprake is van reconstructie. Conclusie Het project is wat betreft het aspect geluidhinder uitvoerbaar.
45
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
5.8
Bedrijven- en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zo veel mogelijk voorkomen. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Er dient te worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens dient te worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen gevoelige functies zoals woningen. Op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
Toetsing Het plangebied ligt in het buitengebied, met in de directe omgeving bos en agrarische percelen. Aan de zuidzijde, langs de Hegedyk, staan woningen. Op grond van de VNG-richtafstandenlijst kan een bedrijf dat zich bezighoudt met drinkwaterwinning en -productie worden omschreven als 'Waterwinning-/ bereiding- bedrijven - bereiding met chloor-bleekloog e. d. en/of straling' (milieucategorie 3.1). De bijbehorende minimale richtafstand is 50 m. Hier geldt dat de woningen langs de Hegedyk buiten de milieuzonering van de nieuwe productielocatie zijn gelegen. Conclusie Het plan is voor wat betreft het aspect bedrijfshinder uitvoerbaar.
5.9
Luchtkwaliteit
Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 of PM10 ) wordt als nibm beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.610 auto's (bij 100% autoverkeer), dan wel 130 vrachtwagens (bij 100% vrachtverkeer) per dag leidt (grenswaarden 2018). Kenniscentrum InfoMil vermeldt op hun website dat als de luchtkwaliteit aan de PM10 -normen voldoet, dit ook geldt voor de PM2,5 -normen. Op grond hiervan is toetsing aan de grenswaarden voor PM2,5 niet nodig, als aan de PM10 normen wordt voldaan. Toetsing De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot 1.610 voertuigbewegingen per dag waardoor het planvoornemen kan worden beschouwd als een nibm-plan. Verdere toetsing aan de Wet milieubeheer in het kader van de luchtkwaliteit is niet nodig. Conclusie Het planvoornemen is voor het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
5.10 Verkeer en parkeren Algemeen
46
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Op het terrein zullen dagelijks enkele medewerkers werkzaam zijn. Daarnaast zullen per week 2-3 vrachtwagens de locatie bezoeken om chemicaliën en grondstoffen aan te voeren en reststoffen af te voeren. Verkeer Tijdelijke ontsluiting: Gedurende de bouwfase wordt er mogelijk een tijdelijke ontsluitingsweg aangelegd. De tijdelijke bouwweg loopt door agrarisch gebied en komt uit bij De Plasse. De route van deze tijdelijke ontsluitingsweg gaat over eigendommen van agrariërs. Zoals eerder in par. 2.3.3 is aangegeven is het mogelijk dat de tijdelijke ontsluiting niet kan worden gerealiseerd en dat ook tijdens de bouwfase van de permantent ontsluitingsroute gebruik moet worden gemaakt. Permanente ontsluiting: De permanente ontsluiting (gebruiks-/beheerfase) vindt plaats via een nog te realiseren permanente toegangsweg vanaf de bestaande weg de Hegedyk (ten zuiden van de toekomstige productielocatie en ten westen van Hegedyk 6, 8 en 10). De verwachte aanvoerroute van grondstoffen (chemicaliën) die nodig zullen zijn bij de productie van drinkwater en de afvoer van vrijkomende reststoffen zal lopen via de A7, afslag 27 Tijnje/Gorredijk, via de N392, Alde Dyk, De Plasse en de Hegedyk en loopt voornamelijk door agrarisch gebied. Alleen het laatste stuk, de Hegedyk, kent meer bebouwing.
Ten aanzien van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan gelden de volgende uitgangspunten: 12 verkeersbewegingen van licht verkeer per week (6 personenauto's van personeelsleden per week); 6 verkeersbewegingen van (middel)zwaar verkeer (3 vrachtauto's). Er worden nadere afspraken gemaakt om de permanente toegangsweg tot het terrein te verbreden, te bestraten en zo nodig te verleggen om overlast voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken en zo een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen voor omwonenden. Met betrekking tot de verkeerssituatie worden met het nemen van de hiervoor genoemde maatregelen en de verwachte verkeersgeneratie geen belemmeringen als gevolg van het plan verwacht. Parkeren Op de locatie zijn doordeweeks hooguit 2-3 personen werkzaam. Het productieproces is voornamelijk geautomatiseerd. Tijdens onderhoudswerkzaamheden kan het voorkomen dat er meer personen aanwezig moeten zijn op de locatie. Daarom worden er voldoende extra parkeerplekken aangelegd. Er is voldoende ruimte voor parkeren nabij de waterwinning- en productiegebouwen op het Vitens-terrein. Conclusie Het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan is beperkt tot personenauto's van enkele medewerkers en maximaal 3 per week vrachtverkeer. Parkeren wordt binnen het plangebied goed ingepast. Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het plan.
5.11 M.e.r.-verantwoording Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER en de bijbehorende m.e.r.-procedure vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit "aanleg van werken voor onttrekken van grondwater (categorie D15.2)". Vitens is niet m.e.r.-plichtig voor de onttrekking (<10M m3 /j). In het kader van een winningsvergunning heeft Vitens vrijwillig gekozen om wel een m.e.r.-procedure te voeren. Daarom is een project-MER opgesteld dat in het kader van de winningsvergunning in procedure is gebracht. De effecten, die de voorgenomen grondwaterwinning met zich meebrengt, zijn op basis van onderzoek zo goed mogelijk in beeld gebracht in het milieueffectrapport (MER). In het MER wordt uitgebreid aandacht besteed aan de veranderingen in de (diepe en ondiepe) grondwaterstand als gevolg van de
47
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
grondwaterwinning. Omdat de grondwaterstandsveranderingen mogelijk effecten met zich mee kunnen brengen voor andere belangen zoals landbouw, natuur, archeologische waarden en bebouwing, zijn al deze aspecten beschreven en beoordeeld in het MER. De uitkomsten van het MER zijn betrokken bij het opstellen van dit bestemmingsplan. Het MER is daarom als bijlage 3 bij dit plan opgenomen.
48
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Juridisch kader
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de verplichte landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP2012 voorziet in een standaardopbouw van een bestemmingsplan. Bestemmingsplanregels zijn hierdoor altijd als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit twee artikelen: de begrippen en de wijze van meten. Dit houdt in dat belangrijke begrippen worden omschreven en nader wordt toegelicht hoe precies wordt gemeten. Hierdoor wordt verzekerd dat uiteenlopende interpretaties de naleving van de regels niet in de weg staan. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de regels terug te vinden die gelden voor de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorzieningen'. De verbeelding en regels van een bestemmingsplan in samenhang bezien vertellen welke regels waar precies gelden. In de bestemmingsregels zijn bouwregels en specifieke gebruiksregels opgenomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels In aanvulling op de bestemmingsregels geven de algemene regels bepalingen die voor het totale plangebied gelden. In de algemene regels zijn algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels opgenomen en een artikel 'verwezenlijking in de naaste toekomst'. Algemene gebruiksregels geven aan welk gebruik strijdig wordt bevonden.
In de algemene afwijkingsregels is beschreven dat in bepaalde gevallen burgemeester en wethouders af kunnen wijken bij bepaalde regels via een omgevingsvergunning. In de algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen waaruit blijkt dat burgemeester en wethouders in bepaalde gevallen de bestemming van bepaalde gronden kan wijzigen. Artikel 9 wijst de gronden aan waarvan de verwezenlijking in de naaste toekomst gewenst is. De desbetreffende gronden worden ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - verwezenlijking' aangeduid. Door deze regel op te nemen kan, indien de gronden niet minnelijk verworven kunnen worden, een onteigeningsprocedure worden gevoerd. Deze percelen zijn strikt benodigd voor de uitvoering van het plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels De regels van het bestemmingsplan sluiten altijd af met regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel. Het overgangsrecht wordt wettelijk voorgeschreven in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening en bevat daardoor altijd exact dezelfde formulering. De slotregel vertelt hoe een bestemmingsplan mag worden geciteerd.
6.2
Bestemmingsregels
De bestemmingen in het bestemmingsplan zijn op basis van de functies begrensd. Dat betekent dat ieder perceel overeenkomstig de huidige functie een bestemming heeft gekregen. Door middel van planregels zijn regels gesteld die betrekking hebben op het gebruik, het bouwen en/of het inrichten van de betreffende bestemming. Functiegewijs bestemmen betekent niet altijd dat binnen een bestemming slechts één functie is toegestaan. De bescherming van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden wordt binnen alle bestemmingen c.q. functies beoogd. Hiertoe kunnen binnen alle bestemmingen nadere eisen worden gesteld. Bij ontwikkelingen binnen een bestemming wordt getoetst aan deze waarden. Daarnaast kunnen binnen de bestemmingen nadere aanduidingen op de verbeelding verschijnen. Aanduidingen zijn bedoeld om een deel van de betreffende bestemming aan te wijzen waarvoor een specifieke regeling geldt.
49
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Agrarisch Naast de waterwinlocatie wordt een nieuwe hoofdwatergang gerealiseerd. Deze watergang maakt deel uit van de bestemming Agrarisch, die aansluit op de bestemming van het naastgelegen bestemming Buitengebied. Bedrijf - Nutsvoorzieningen De waterwinlocatie is als zodanig geregeld binnen de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorzieningen’. Hierin zijn de regels opgenomen over nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding/ waterdrinkvoorziening zoals installaties ten behoeve van de waterwinning en productie van water. Waarde - Archeologie In verband met de bescherming van de potentieel aanwezige archeologische waarden is het noodzakelijk dat deze door middel van de bestemming 'Waarde - Archeologie' worden beschermd. Deze bestemming bepaalt dat er geen inrichtings- of bouwwerkzaamheden mogen plaatsvinden voordat het noodzakelijke archeologisch onderzoek is uitgevoerd en zo nodig de maatregelen zijn genomen om de eventuele waarden veilig te stellen.
6.3
Bestemmingsplanprocedure
In de Wro en het Bro zijn regelingen opgenomen voor de bestemmingsplanprocedure. In deze procedure zijn de volgende fases onderscheiden. Voorbereidingsprocedure Voor het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan wordt door de gemeente een onderzoek uitgevoerd naar de bestaande situatie, de ruimtelijke ontwikkelingen en naar mogelijke en wenselijke ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt het voorontwerpbestemmingsplan voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro beschikbaar aan de betreffende besturen en diensten. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt de reactie van de gemeente op de op- en aanmerkingen uit overleg- en inspraakreacties opgenomen. Vaststellingsprocedure Het college van burgemeester en wethouders legt het ontwerpbesluit en de belangrijke stukken (ook elektronisch) ter inzage. Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen indienen. Hierna besluit de gemeenteraad binnen twaalf weken na de periode van terinzagelegging over het bestemmingsplan. Wanneer noodzakelijk kan de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd vaststellen. Beroepsprocedure Het vaststellingsbesluit waarin het bestemmingsplan is vastgesteld wordt door de gemeenteraad bekend gemaakt. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd.
Wanneer door de Inspectie leefomgeving en transport (voormalige VROM-inspectie) of Gedeputeerde Staten een zienswijze is ingediend die niet volledig is overgenomen of wanneer het bestemmingsplan door de gemeenteraad gewijzigd is vastgesteld, moet het vaststellingsbesluit zes weken na het besluit bekend worden gemaakt en moet het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Binnen zes weken na het bekendmaken van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wanneer het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en de zienswijze van de Inspectie leefomgeving en transport of Gedeputeerde Staten volledig is overgenomen wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad binnen twee weken na het besluit bekend gemaakt. Ook het vastgestelde bestemmingsplan wordt binnen deze periode ter inzage gelegd.
50
bestemmingsplan Luxwoude - Grondwaterwinning- en drinkwaterproductielocatie
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen. Onderzoeks- en plankosten De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding. Anterieure overeenkomst Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In de anterieure overeenkomst is het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. Conclusie Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is niet noodzakelijk, omdat tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst wordt gesloten. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar kan worden geacht.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Proces waterwinvergunning De vergunningsaanvraag is vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure opgestart. De waterwinvergunning voor de nieuwe waterwinningslocatie is inmiddels door GS verleend. Het proces om te komen tot deze vergunning wordt begeleid door de "Begeleidingscommissie waterwinning Luxwoude". In de Provinciale Milieuverordening/de aanstaande provinciale Omgevingsverordening wordt op basis van de verleende vergunning de zonering van het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied verwerkt. Betrokken agrariërs worden geïnformeerd over de aanvullende regelgeving die geldt binnen grondwaterbeschermingsgebieden en daarmee samenhangede consequenties van de uitbreiding (zie hiervoor ook par. 3.2.2). Informatievoorziening stakeholders en omgeving De begeleidingscommissie speelt een belangrijke rol in het behartigen van de belangen van alle betrokkenen. In de commissie worden onderzoeksresultaten gepresenteerd waaruit moet blijken dat op de locatie een duurzame waterwinning gerealiseerd kan worden. Verder zijn er voor omwonenden en agrariërs in het gebied diverse informatieavonden georganiseerd en informatiebrieven gestuurd. De initiatiefnemer deelt op haar website informatie over het voortgang van het plan (https://www.vitens.nl/over-water/projecten/onderzoek-waterwingebied-friesland). Op deze pagina staat het laatste nieuws.