B12 Bijlage 2 Bestuurlijk advies aanvraag WEN
Tekst van het document
Bijlage:
Bestuurlijk advies aanvraag groengasinstallatie Tolleane 3A te Wijnjewoude
Inleiding Deze bijlage is onderdeel van het bestuurlijk advies dat het college van burgemeester en wethouders op basis van art. 16.15 Omgevingswet jo. Art. 4.20 lid 1 Omgevingsbesluit uitbrengt op de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van een groengasinstallatie (mono mestvergisting en opwaardering naar groen gas) op de locatie Tolleane 3A te Wijnjewoude. De provincie Fryslân is het bevoegd gezag voor deze (meervoudige) aanvraag omgevingsvergunning.
Reikwijdte en opzet De meervoudige aanvraag omgevingsvergunning voorziet (o.a.) in een: milieubelastende activiteit (mba) Bouwactiviteit (technisch) Omgevingsplanactiviteit (ruimtelijk bouwen) (buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit (afwijken regels omgevingsplan) Het college van burgemeester en wethouders heeft het adviesrecht ex art. 16.15 Omgevingswet toegespitst op de onderdelen ‘Omgevingsplanactiviteit (ruimtelijk bouwen)’ en de ‘(buitenplanse) Omgevingsplanactiviteit (afwijken regels omgevingsplan)’. Het bestuurlijk advies is voor beide activiteiten thematisch uitgewerkt.
Bestuurlijk advies 1. Omgevingsplanactiviteit (ruimtelijk bouwen)
1.1 Welstand Met het oog op een beoordeling aan de redelijke eisen van welstand (omgevingskwaliteit) is de aanvraag met ondersteunende stukken op 18 juni 2025 voorgelegd aan de ‘Adviescommissie Omgevingskwaliteit Gemeente Opsterland’. In bijlage 1, behorend bij dit bestuurlijk advies, zijn de welstandnotulen toegevoegd. Op basis van de ingediende gegevens concludeert de commissie dat het plan onder voorbehoud bijdraagt aan het bereiken en/of in stand houden van goede omgevingskwaliteit. Het plan past onder voorbehoud binnen het door de gemeenteraad vastgestelde beleid. Het plan wordt in grote lijnen als voorstelbaar gezien op deze locatie. Daarbij geeft de commissie mee voor alle onderdelen te kiezen voor een neutrale kleurstelling. De kritiek betreft het plan op zichzelf en in relatie tot de omgeving en is op het volgende gericht. De landschappelijke inpassing. - Het landschapsplan is nog niet in voldoende mate uitgewerkt. Hierdoor is nog onvoldoende duidelijk of de voorgestelde omzoming met groen genoeg maat heeft om de gewenste beschutting te bieden. Daarbij geeft de commissie mee om in de uitwerking voor streekeigen beplanting te kiezen. De commissie stelt voor de kritiek te ondervangen door het landschapsplan verder uit te werken (met maatvoering). Om de impact van de bebouwing te reduceren is een rustige heldere ordening aan te bevelen.
Voor een heldere rustige ordening is een herschikking van de bebouwing wenselijk zodat onder andere de silo’s in een duidelijke ritmiek worden geplaatst en de overige elementen een samenhangende ordening verkrijgen, waarbij de zichtbaarheid 1
vanaf de Tolleane (door het hekwerk) de meeste focus behoeft. Daarbij valt ook aan te bevelen het aandeel verharding te reduceren tot het hoogstnoodzakelijke. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om het verkregen welstandsadvies door te zetten naar initiatiefnemer, met het verzoek de gemaakte opmerkingen/kritiekpunten te verwerken in het plan c.q. de stukken. Geadviseerd wordt om het aangevulde/aangepaste plan opnieuw voor advisering aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Gemeente Opsterland’ voor te leggen.
2. Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (afwijken regels omgevingsplan)
2.1 Beschrijving bestaande situatie In de BOPA-motivering wordt geadviseerd om bij de beschrijving van de bestaande situatie nadrukkelijk in te gaan op de ruimtelijke karakteristiek van het gebied (relatie met landschappelijke inpassing punt 2.4) en de geschiedenis van deze locatie (de ontwikkeling van de RWZI en het functionele hergebruik van het terrein). Ook ingaan op het bestaande bos dat deels op het perceel staat. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering een volledige en duidelijke beschrijving van de bestaande situatie op te (laten) nemen (ruimtelijke context, karakteristiek en geschiedenis).
2.2 Planbeschrijving In de BOPA-motivering ontbreekt een duidelijke en volledige beschrijving van het voorliggende initiatief. Van belang is dat gedetailleerd de werking, impact, aard en omvang met het voorliggende initiatief wordt besproken, en inzichtelijk wordt gemaakt. Het gaat daarbij niet enkel om de beoogde ontwikkeling van de groengasinstallatie ter plaatse van het plangebied, maar ook een duidelijke beschouwing van de bredere context waarin het initiatief zijn (duurzame) rol heeft en effect heeft op (agrarische) bedrijfsvoering. Wat is exact de betekenis van het voorliggende initiatief voor deelnemende agrarische bedrijven? Het opnemen van meer informatie en beeldmateriaal in de BOPA-motivering wordt gewaardeerd. Daarnaast ontbreekt een duidelijke en volledige beschrijving van alle samenhangende activiteiten van WEN om Wijnjewoude energieneutraal te kunnen maken. Wat was het oorspronkelijke plan van aanpak en welke stappen zijn tot nu toe gezet? Zo ontbreekt ook de samenhang met het al gerealiseerde en naastgelegen zonnepark. Met de zonnetafel die in het verleden is gehouden voor het zonnepark zijn er ideeën op tafel gekomen met betrekking tot de ontwikkeling van een samenhangende duurzame energielocatie ter plaatse.
Het is nu alleen vanuit het huidige initiatief van de mestvergistingsinstallatie beschreven zonder dat het grote geheel en de samenhang daarmee is beschreven. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering een volledige en duidelijke beschrijving op te (laten) nemen van het initiatief, in enge zin (plangebied) maar ook in brede zin (inzet vanuit de context van WEN, en deelname agrarische bedrijven). In het bijzonder aandacht besteden aan de samenhang met het naastliggende zonnepark.
2
2.3 Beleidstoets 2.3.1
Europees niveau
2.3.1.1 Klimaatakkoord van Parijs Op Europees niveau wordt niet apart het Klimaatakkoord van Parijs aangestipt. Het initiatief past binnen de doelstellingen van dit Klimaatakkoord. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan het Klimaatakkoord van Parijs te besteden. 2.3.1.2 Nitraatrichtlijn (derogatienormen) Op Europees niveau wordt niet de Nitraatrichtlijn besproken. De richtlijn stelt een maximum aan de hoeveelheid stikstof die landbouwers op hun grond mogen verspreiden. Voor Nederland betreft dit 170 kg stikstof per hectare. Aan Nederland is (tijdelijk) toestemming verleend om naar boven toe af te wijken (derogatie) met de norm van 170 kg N/hectare. Per gebied is een norm vastgesteld tot een maximum van 230 kg N/hectare. Vanaf 2026 vervalt deze derogatienorm en geldt voor heel Nederland de Europees bepaalde norm van 170 kg N/hectare. Het initiatief sluit aan op deze ontwikkeling. Door stikstof te strippen uit de vergiste mest ontvangt de veehouder digestaat met een lager stikstofgehalte. Door het van digestaat met een lager stikstofgehalte aan het grasland toe te dienen kan het nadeel van het vervallen derogatie voor een belangrijk deel worden opgevangen. De manier van opslag en uitrijden van mest wijzigt niet ten opzichte van nu.
Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan de Nitraatrichtlijn en het vervallen van de derogatie, en hoe dit zich verhoudt tot de onderhavige ontwikkeling van de groengasinstallatie, met gestript digestaat. 2.3.1.3 Milieuactieprogramma (MAP) Op Europees niveau wordt niet apart het Milieuactieprogramma (als uitvloeisel van klimaat- en milieudoelstellingen Green Deal) aangestipt. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan het Milieuactieprogramma te besteden. 2.3.1.4 Kaderrichtlijn Water Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering bij de behandeling van de Kaderrichtlijn Water nader aan te geven of, en zo ja, welke effecten het initiatief heeft op de waterkwaliteit. 2.3.1.5 Natuurherstelwet De Natuurherstelwet, officieel de Europese Natuurherstelverordening, is een EU-wet die tot doel heeft de biodiversiteit en ecosystemen te herstellen. De wet verplicht lidstaten om maatregelen te nemen om aangetaste ecosystemen te herstellen en verdere achteruitgang te voorkomen.
3
Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering de Natuurherstelwet te behandelen, en aan te geven hoe het voorliggende initiatief zich hiertoe verhoudt. 2.3.2
Rijksniveau
2.3.2.1 Klimaatakkoord (Nationaal, 28 juni 2019) Op Nationaal niveau wordt niet apart het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 aangestipt. Het initiatief past binnen de doelstellingen van dit Klimaatakkoord. Meer concreet geven wij de volgende zaken mee: Relevant is een verwijzing naar C Afspraken in sectoren, C1 Gebouwde omgeving, C1.11 Meer duurzame warmte, met in het bijzonder de volgende passages: - a) Inzet van warmtesector en groen gassector op CO2-reductie in 2030 o Duurzame gassen d. De groen gassector heeft als ambitie om 70 PJ aan groen gas (3,6 Mton CO2-reductie) te realiseren in 2030, waarvan een substantieel deel kan worden ingezet voor de gebouwde omgeving (direct invoeden in gasnet, hybride warmtepomp of via warmtenet). e. De groen gassector streeft naar 1 tot 2 Mton additionele CO2-reductie in 2030 door CCS en CCU (negatieve emissies). f. De groen gassector streeft ernaar om in 2030 uit te komen op een kostenniveau van 100-150 euro per vermeden ton CO2. Middelen daartoe zijn daling van productiekosten, het combineren van groen gasproductie met CO2-opslag of hergebruik (CCS en CCU) en verdere verbetering van de opbrengsten door meervoudige verwaarding. - b) SDE+ en andere stimuleringsinstrumenten o Duurzame gassen d. Als onderdeel van de uitwerking van de verbrede SDE+ wordt onderzocht hoe groen gas via de SDE+ kan worden gestimuleerd.
De Rijksoverheid en de sector onderzoeken gezamenlijk of op termijn andere of aanvullende beleidsinstrumenten nodig zijn. - d) Ontwikkelings- & innovatieagenda o Duurzame gassen d. De Rijksoverheid zal in 2019 samen met de sector met een routekaart groen gas komen om innovatie, productie en gebruik van groen gas te bevorderen. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan het Klimaatakkkoord (Rijk) te besteden. 2.3.2.2 Kamerbrief routekaart Groen Gas (DGKE-WO / 20088513 In de kamerbrief routekaart Groen Gas (DGKE-WO / 20088513) is de noodzaak voor groengas beschreven. Ook een uitwerking van de SDE++. Concreet geven wij de volgende passage mee: De minister schrijft: ‘Gasvormige energiedragers hebben gezien hun unieke karakteristieken een onvervangbare rol in de verduurzamingsopgave van de Nederlandse samenleving en zullen in alle sectoren van belang blijven. Om de toekomstige gasbehoefte duurzaam in te kunnen vullen, is de ontwikkeling van CO2-vrije gassen als alternatief voor aardgas essentieel. Op dit moment is de productie van CO2-vrije gassen, zoals groen gas verkregen uit de vergisting of vergassing van biogene reststromen, echter nog beperkt. Een opschaling van de groengasproductie, binnen de kaders voor de duurzame inzet van 4
biogene reststromen en circulariteit, acht ik wenselijk en gezien de verduurzamingsopgave van het gassysteem noodzakelijk.’ Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan de kamerbrief routekaart Groen Gas (DGKE-WO / 20088513) te besteden, en op basis daarvan het belang van groensgasproductie aan te geven. 2.3.2.3 SDE++ In de BOPA-motivering wordt op Nationaal niveau niet apart de SDE++ aangestipt. Over de afgelopen jaren heeft de SDE+ een positieve bijdrage geleverd aan het kosteneffectief ontsluiten van een deel van de groen gas potentie. Over tijd zijn de SDE+categorieën voor groengasproductie meermaals aangepast en geoptimaliseerd om zo aan te sluiten bij de veranderende stand van de sector. Zo zijn er speciale categorieën geopend voor mestvergisting en slibvergisting om de ontsluiting van deze energetisch laagwaardigere stromen te stimuleren. Met de verbreding van de SDE+ naar de SDE++ zijn eveneens verbeteringen doorgevoerd ten aanzien van de stimulering van groengasproductie, in het bijzonder in de categorieën voor monomestvergisting. Op de korte termijn zal de SDE++ het primaire instrument zijn en blijven voor het stimuleren van groengasproductie. Wel zal ik blijven bezien of er optimalisatieslagen te maken zijn waardoor de opengestelde groengascategorieën nog beter aansluiten bij het opschalingsstreven uit het Klimaatakkoord.
RVO heeft naar aanleiding van het project van WEN in Wijnjewoude de categorieën voor subsidie voor productie van duurzame gassen aangepast. Nu is er ook de categorie ‘energiehub', hier kan ook WEN SDE++ aanvragen. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan de SDE++ te besteden. 2.3.2.4 Toets Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Het bevoegd gezag past de Ladder toe bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De gemeente beschouwt het voorliggende initiatief als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering het voorliggende initiatief te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 2.3.3
Provinciaal niveau
2.3.3.1 Provinciale omgevingsverordening In de BOPA-motivering wordt een expliciete toets aan de (instructie)regels van de provinciale omgevingsverordening gemist. Vergeet -naast de meer inhoudelijk relevante artikelen- daarbij ook niet de algemene principes uit het eerste hoofdstuk van de verordening. Gemeentelijk advies: Geadviseerd wordt om in de BOPA-motivering een expliciete toets aan de provinciale verordening op te nemen. 5
2.3.3.2 Friese Energievisie, vastgesteld november 2024: In de BOPA-motivering wordt een expliciete bespreking van de Friese Energievisie gemist. Realisatie van mestvergister past binnen provinciaal energiebeleid. Relevant is een verwijzing naar het hoofdstuk ‘3. Alle duurzame energiebronnen- en dragers zijn nodig. Naast kleinschalige is ook grootschalige productie nodig’, met in het bijzonder de volgende passage: ‘Biogas Groengasproductie via vergisting en vergassing kan al op korte termijn een wezenlijke bijdrage leveren aan een toekomstbestendig energiesysteem en draagt tevens bij aan andere urgente maatschappelijke opgaven als de reductie van emissies in de landbouw en de ontwikkeling van een circulair grondstoffensysteem. Echter, momenteel spelen er diverse knelpunten rond met name covergisting, zoals zorgen over geur-, geluid- en verkeersoverlast, aangetroffen vervuilende stoffen in restproducten en niet in de laatste plaats de beperkingen in vergunningverlening vanwege de stikstofproblematiek. Ook ontstaat er bij meer groengasinvoeders congestie op het gasnet. In Fryslân is er een hoge potentie voor groengas op basis van mono-mestvergisting. Op dit moment wordt er niet meer dan slechts 5% van de hoeveelheid beschikbare (koeien)mest gebruikt voor mestvergisting/productie van groengas.
Fryslân kent nu een mestoverschot (circa 366 kton per jaar, bron NEC 2021 en het Kennisdocument) dat voor een groot deel wordt ‘geëxporteerd’ naar buiten de provincie. Dit betekent dat óók met een mogelijke afname op termijn van de veestapel, het aantrekkelijk is al op korte termijn de groengasproductie op basis van mono-mestvergisting in Fryslân te verhogen.’ Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering expliciet aandacht aan de Friese Energievisie te besteden. 2.3.4 Waterschapsniveau In de BOPA-motivering ontbreekt een beschouwing van het beleid van het Wetterskip Fryslân. Gemeentelijk advies: Geadviseerd wordt om deze beleidstoets aan het waterschapsbeleid in de BOPAmotivering op te nemen. 2.3.5
Gemeentelijk niveau
2.3.5.1 Omgevingsvisie Opsterland, 3 juli 2023 In de BOPA-motivering ontbreekt een toetsing aan de (meest recente) Omgevingsvisie Opsterland, vastgesteld op 3 juli 2023. Wij wijzen daarbij op de in de omgevingsvisie gestelde vijf opgaven (in het bijzonder op ‘Opgave 3 – Bevorderen energietransitie’ en ‘Opgave 4 – Naar landbouw met toekomst’) en de vier leidende principes. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering het voorliggende initiatief te toetsen en motiveren aan de hand van de Omgevingsvisie Opsterland, 3 juli 2023 2.3.5.2 Omgevingsplan Opsterland (tijdelijk) In de BOPA-motivering is een onvolledige toetsing aan het (tijdelijk) omgevingsplan Opsterland uitgevoerd. Naast het feit dat de voorgenomen groengasinstallatie niet als 6
een toelaatbare vorm van duurzame energiewinning wordt beschouwd en daarmee in strijd is met het omgevingsplan, is er tevens een strijdigheid op het punt van de bouwregels over de maximaal toelaatbare bouwhoogte. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering het voorliggende initiatief volledig te toetsen aan het (tijdelijk) Omgevingsplan Opsterland, en in dat kader alle strijdigheden te bespreken waarvoor met de voorliggende aanvraag wordt gevraagd buitenplans af te wijken. 2.3.5.3 Welstandsnota Opsterland In de BOPA-motivering ontbreekt een bespreking van het geldend gemeentelijk welstandsbeleid. Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering om het geldend welstandskader uit de Welstandsnota Opsterland, 2009 te bespreken. 2.3.5.4 Gemeentelijk Uitvoeringsprogramma Energietransitie 2019 In de BOPA-motivering ontbreekt een bespreking van het Gemeentelijk Uitvoeringsprogramma Energietransitie 2019. Het initiatief past binnen het uitvoeringsprogramma Energietransitie. Hierin worden de plannen van WEN genoemd om energie op te wekken met mestvergisting: ‘De energiecoöperatie WEN heeft een voorbeeldfunctie in onze gemeente en provincie. In maart 2019 hebben WEN, LTO, Gasunie, provincie Fryslân en onze gemeente een intentieverklaring ondertekend. Doelstelling is om de ambitie van WEN om in 2025 energieneutraal te zijn te helpen realiseren.
De ervaring die bij WEN wordt opgedaan is bruikbaar voor de andere dorpen in onze gemeente en daarbuiten. Een belangrijk deelproject dat door WEN is opgepakt betreft onderzoek naar de mogelijkheid om de mest van de boeren rondom Wijnjewoude centraal te vergisten en groen gas te produceren. Dit wil WEN doen op de locatie bij Klein Groningen Dit project is een pilot in Nederland en vraagt veel onderzoek en inspanning. Door het experimentele karakter is sprake van hoge investeringskosten.’ Gemeentelijk advies: Wij adviseren om in de BOPA-motivering om het voorliggende initiatief te toetsen aan het Gemeentelijk Uitvoeringsprogramma Energietransitie 2019
2.4 Landschappelijke inpassing In de BOPA-motivering wordt een expliciete verantwoording op het gebied van landschappelijke inpassing gemist. Als voorstel voor de landschappelijke inpassing is nadien een afzonderlijk document opgesteld en voorgelegd. Hierop geeft de gemeente het volgende advies, wat aansluit op het advies vanuit de adviescommissie Omgevingskwaliteit Gemeente Opsterland (punt 1.1): -
-
Algemeen In de basis is de geschetste groene inpassing goed. Inpassing gaat echter ook over de ordening en de vormgeving van bebouwing. Er ontbreekt in het ontwerp aandacht voor de ordening van de bouwwerken en de kleurstelling ervan. Ook is de plaatsing en kleurstelling van de hekwerken niet duidelijk. Landschappelijke inpassing 7
-
-
Voorliggend plan heeft een sterk industrieel karakter en is daarmee een functie die je niet wilt zien in het landschap. Het plan vraagt dan ook om een stevige landschappelijke inpassing. Het aanwezige groen is niet voldoende om deze functie in te passen. Dit wordt erkend in het plan. Een stevige, dichte bomen- en struikenrand vormt de basis van de inpassing. Dat is goed, maar deze kan nog sterker, vooral aan de landschapszijde. In het huidige voorstel zit er aan de landschapszijde een gat in de beplanting wat niet gewenst is. Aan deze zijde is stevige robuuste beplanting gewenst. Elzen zijn te mager op deze plek. Elzen zijn gesitueerd aan de achterzijde van de mono mestvergister en dienen een meer landschappelijke inpassing vanwege het aangrenzende agrarisch perceel. Hier is steviger beplanting gewenst. Biodiversiteit De geschetste variatie in soorten draagt bij aan de biodiversiteit. Kiezen voor streekeigen soorten De Douglasspar is geen passende landschappelijke soort. Graag kiezen voor streekeigen passende soorten. Ordening van gebouwen De ordening van de gebouwen heeft weinig samenhang; dit vraagt om een nadere studie waarmee meer rust en eenheid wordt gebracht. Hagen kunnen ook een deel van de techniek uit het zicht nemen. Hoogte bouwwerken De hoogte van de bebouwing is mogelijk, omdat deze ongeveer gelijk valt met de hoogte van de bestaande bomen.
Met de toevoeging van nieuwe bomen kan hier ook rekening mee worden gehouden (vooral ook aan de landschapszijde). Kleurstelling silo’s De gekozen lichte kleurstelling maakt dat de silo’s opvallen in het winterbeeld. Graag nadenken over een meer landschappelijke kleurstelling. Hekwerken Waar staat het hek? Deze moet niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte of het landschap. Hekwerken moeten ondergeschikt zijn in beeld en in kleur niet opvallen. Maatvaste uitgewerkte principeprofielen Graag alle randen (in profiel) maatvast en op schaal uitwerken, zodat duidelijk is dat een realistische inpassing is weergegeven. Wederom in het bijzonder aandacht voor het hekwerk (zichtbaarheid vanaf openbare weg en landschap), de (breedte van de) sloten en de uitvoering van de oevers en onderhoudsstroken.
Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering -al dan niet met een afzonderlijke bijlage- een goede passende verantwoording van het voorliggende initiatief op het gebied van landschappelijke inpassing op te (laten) nemen, en bovenstaande adviezen/opmerkingen omtrent landschappelijke inpassing door te zetten naar initiatiefnemer, met het verzoek de gemaakte opmerkingen/kritiekpunten te verwerken in het plan c.q. de stukken.
2.5 MER Het voorliggende initiatief is op basis van de Omgevingswet en Omgevingsbesluit merplichtig. Het onderdeel ‘milieubelastende activiteit’ van de voorliggende aanvraag ziet op een ontwikkeling die op grond van bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangewezen als milieueffectrapportage(mer)-plichtig. Uit overleg- en afstemmingsmomenten met de provincie en de FUMO is begrepen dat voor het voorliggende initiatief een milieueffectrapport is opgesteld welke ter advisering bij de MER-commissie voorligt. Het aanvraagonderdeel ‘Buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ kan alleen worden verleend als sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Bij de beoordeling of met het toestaan van een activiteit sprake is van een ETFAL spelen alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten een rol. Dit maakt 8
dat de milieuaspecten en -effecten die ter beoordeling in de mer-procedure voorliggen, ook relevant zijn voor de benodigde ETFAL-motivering voor de BOPA. In de voorliggende BOPA-motivering wordt in het geheel niet ingegaan op de aan de orde zijnde mer-plicht, het opgestelde milieueffectrapport (en conclusies daarvan), de bijbehorende advisering van de mer-commissie, en de te doorlopen procedure van de mer. De advisering op de mer is op dit moment nog niet positief afgerond. Daarmee is onduidelijk of het mer-advies van de mer-commissie ondersteunend zal zijn aan het voorgenomen initiatief, en daarmee (gelet op milieugevolgen) als grondslag voor de gevraagde omgevingsvergunning voor het voorgenomen initiatief kan dienen. Veel omgevingsaspecten die deel uitmaken van de reikwijdte van ETFAL en de fysieke leefomgeving, en die hierna worden behandeld, hebben een belangrijke samenhang met de mer. De milieueffectrapportage (uitkomsten daarvan) en de beoordeling die de provincie als bevoegd gezag hierop maakt, dient dan ook nadrukkelijk betrokken te worden bij de overwegingen op die afzonderlijke omgevingsaspecten.
Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering in ieder geval expliciet te bespreken: - De mer-plicht die voor het voorliggende initiatief aan de orde is; - Het opgestelde milieueffectrapport; - Het adviestraject van de mer-commissie; - De beoordeling van de provincie als bevoegd gezag van de voorliggende mer; - De juridische procedure ten aanzien van mer;
2.6 Archeologie en cultuurhistorie In de BOPA-motivering ontbreekt een beschouwing van archeologische en cultuurhistorische waarden die op of rondom het plangebied van het voorliggende initiatief aan de Tolleane 3A spelen. Op de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ moet door de provincie als bevoegd gezag een afdoende beoordeling (kunnen) worden gemaakt dat -al dan niet onder voorbehoud van onderzoek en/of voorschriften- met het voorliggende initiatief sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ passende onderbouwing in de BOPA-motivering te laten opnemen.
2.7 Duurzaamheid en klimaat In de BOPA-motivering ontbreekt een aparte volledige paragraaf waarbij het voorliggende initiatief concreet met betrekking tot ‘duurzaamheid’ en ‘klimaat’ wordt besproken en verantwoord. Hiervoor kan (om te veel dubbeling te voorkomen) uiteraard een goede koppeling worden gelegd met het inleidende en planbeschrijvende hoofdstuk, evenals de beleidstoets aan de verschillende duurzaamheids- en klimaatbeleidsstukken op alle overheidsniveaus. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van de aspecten ‘duurzaamheid en klimaat’ een passende onderbouwing in de BOPA-motivering te laten opnemen.
2.8 Geluid Uit de BOPA-motivering en ontvangen stukken lijkt de conclusie getrokken te kunnen worden dat het voorliggende initiatief voldoet aan geldende geluidsnormen. Echter is niet 9
duidelijk op welke wijze de geluidseffecten in het kader van de mer-procedure worden beoordeeld en afgewogen door de provincie als bevoegd gezag. Ook is het de gemeente niet duidelijk welke bredere overweging en beoordeling de provincie als bevoegd gezag maakt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ten aanzien van het aspect geluid(hinder). Daarin speelt ook mee of de provincie aanvullende maatregelen nodig acht of wil laten treffen, om tot een dragende conclusie van ETFAL te kunnen komen. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van het aspect ‘geluid(hinder’ een expliciete overweging en beoordeling te maken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, welke nodig is om de activiteit BOPA te kunnen verlenen, en hierin het milieueffectrapport(traject) te betrekken.
2.9 Geur en luchtkwaliteit Uit de BOPA-motivering en ontvangen stukken lijkt de conclusie getrokken te kunnen worden dat het voorliggende initiatief voldoet aan geldende geurnormen. Echter is niet duidelijk op welke wijze de geurbelasting en effecten op luchtkwaliteit in het kader van de mer-procedure worden beoordeeld en afgewogen door de provincie als bevoegd gezag. Ook is het de gemeente niet duidelijk welke bredere overweging en beoordeling de provincie als bevoegd gezag maakt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ten aanzien van het aspect geur en luchtkwaliteit. Daarin speelt ook mee of de provincie aanvullende maatregelen nodig acht of wil laten treffen, om tot een dragende conclusie van ETFAL te kunnen komen. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van de aspecten ‘geur’ en ‘luchtkwaliteit’ een expliciete overweging en beoordeling te maken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, welke nodig is om de activiteit BOPA te kunnen verlenen, en hierin het milieueffectrapport(traject) te betrekken.
2.10
Externe Veiligheid
De FUMO heeft voor het aspect ‘externe veiligheid’ een BOPA-ETFAL-beoordeling gemaakt, welke aan de gemeente is toegezonden (zie bijlage 2). In het advies is het volgende gesteld: Er zijn geen risicobronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die beperkingen opleveren voor de realisatie van het plan. De ontwikkeling zelf, de realisatie van een monomestvergistingsinstallatie, is een risicobron die bij de beoordeling is betrokken. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan. Voor monomestvergisters geldt een plaatsgebonden risicocontour van 50 meter vanaf het middelpunt van een gaszak. Deze bevindt zich zowel in de vergister als de navergister. Binnen deze contouren zijn alleen op het zuidelijk gelegen perceel met de bestemming ‘Bedrijf-Nutsvoorziening 2’ beperkt kwetsbare gebouwen mogelijk. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de plaatsgebonden risicocontour als standaardwaarde. Afwijken van de standaardwaarde is mogelijk, mits dit goed wordt gemotiveerd en de risico’s worden afgewogen. Uit kadastrale gegevens blijkt dat ook dit perceel in eigendom is van Coöperatie Wijnjewoude Energie Neutraal U.A. is.
Dit houdt in dat de plaatsgebonden risicocontour van 50 meter niet geldt voor toekomstige beperkt kwetsbare gebouwen die een functionele binding hebben met de aangevraagde activiteit, zie artikel 4.866 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
10
Daarnaast kan aan Coöperatie Wijnjewoude Energie Neutraal U.A. worden meegegeven dat bij een eventuele verkoop van het zuidelijke gedeelte van het perceel, het deel waarover de plaatsgebonden risicocontouren zijn gelegen, in eigendom blijft. Omdat bij de realisatie van een mono mestvergister uitsluitend sprake is van plaatsgebonden risicocontouren en niet van aandachtsgebieden is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk, zie artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Verder is in het advies geconcludeerd dat de aangeleverde BOPA-onderbouwing voor het aspect ‘externe veiligheid’ een juist beeld van de risicosituatie geeft. Gemeentelijk advies: De gemeente kan instemmen met het FUMO-advies ETFAL Externe Veiligheid, en adviseert de provincie om dit in te zetten als benodigde BOPA-ETFAL-overweging/beoordeling op het aspect ‘externe veiligheid’. Het is ons overigens uit de stukken niet duidelijk geworden of op de bedrijfslocatie ook sprake is van opslag van chemicaliën ten behoeve van het productieproces (Het strippen van stikstof). Indien dit wel het geval is, dient daaraan ook de nodige aandacht te worden geschonken.
2.11 Overige milieuaspecten ETFAL - gezondheid, veiligheid, trilling en bodem In bredere zin geeft de Omgevingswet in art. 1.3 aan dat het maatschappelijke doel van de wet o.a. ziet op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit maakt dat in bredere zin een beschouwing van veiligheid en gezondheid in de ETFAL-afweging/beoordeling thuishoort. Ook overige zaken die in de BOPA-motivering aan bod komen, zoals trilling en bodem(kwaliteit) horen thuis onder de reikwijdte van ETFAL en de fysieke leefomgeving. In navolging op het advies voor de aspecten ‘geluid’, ‘geur’ en ‘luchtkwaliteit’, geldt ook voor deze milieu-omgevingsaspecten dat het de gemeente niet duidelijk is welke overweging en beoordeling de provincie als bevoegd gezag maakt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ten aanzien van de aspecten. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van de bredere aspecten ‘gezondheid’ en ‘veiligheid’ een de aspecten ‘trilling’ en ‘bodem(kwaliteit) een expliciete overweging en beoordeling te maken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, welke nodig is om de activiteit BOPA te kunnen verlenen, en hierin het milieueffectrapport(traject) te betrekken.
2.12 Verkeer Uit de BOPA-motivering en achterliggende bijlage volgt dat door het voorliggend initiatief sprake is van verkeersgeneratie. Dit ontstaat door het mesttransport vanuit de deelnemende boeren, en de terug levering van het digestaat. Dit komt uit op 8 verkeersbewegingen per dag. Daarnaast ontstaan er verkeersbewegingen door de afvoer van op de locatie geproduceerde renure (ammoniumsulfaat). Dit resulteert, bij afvoer in 4 weken, een maximumaantal transporten van 7 per week (14 bewegingen) en daarmee maximaal 4 bewegingen per dag. Verder zijn voor het proces van de biogasinstallatie hulpstoffen nodig en wordt periodiek onderhoud uitgevoerd, waarvoor rekening wordt gehouden met maximaal één vrachtwagen per werkdag. Tot slot geldt dat -ondanks remote bediening- maximaal 2 personen op de locatie aanwezig zijn. Het personenvervoer beperkt zich daarom tot maximaal 2 personenauto’s en zo nu en dan een onderhoudsmonteur en een leverancier van onderdelen. 11
Wegenindeling De Tolleane is een erftoegangsweg type 2. Een erftoegangsweg type 2 buiten de bebouwde kom is een weg die vooral bedoeld is voor toegang tot percelen zoals boerderijen, woningen of recreatiegebieden, en niet voor doorgaand. Verblijfsfunctie en toegang tot erven of percelen buiten de bebouwde kom. De snelheid is 60 km per uur en ingericht met gelijkwaardige kruisingen (verkeer van rechts gaat voor), tenzij anders aangegeven. Deze wegfunctie sluit goed aan bij het realiseren en vestigen van een mestvergister. Het omliggende wegennet kan de extra bewegingen van het vrachtverkeer aan. Ongevallen Het kruispunt van de Tolleane met de Weinterp staat niet bekend als een blackspot (een locatie met veel ongevallen). Hier zijn sinds 2014 geen geregistreerde ongevallen meer plaatsgevonden (Bron: Viastat). De gemeente zal de verkeersveiligheid rondom het kruispunt Weinterp/Tolleane blijven monitoren. Bereikbaarheid locatie Tolleane 3A In overleg is getreden met Brandweer Fryslan om de locatie Tolleane 3A voldoende bereikbaar te maken. Zie bijlage 3. Daarvoor heeft de Brandweer getoetst aan de volgende eisen: - In basis moet de weg een breedte hebben van 4,5 meter. - Voor het passeren van twee voertuigen dient de weg een wegbreedte van 6 meter te hebben. - De doorgangshoogte moet minimaal 4,20 meter zijn.
- Er dient rekening gehouden te worden met de draaicirkels van de voertuigen en de hiermee gepaard gaande rijcurve en sleeplijn. - Voor verharding geldt een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. Verkeersrouting Tolleane 3A Als gevolg van de activiteiten wordt een beperkte toename van het verkeer op de Tolleane verwacht. Vanuit de gemeente is in overleg met de initiatiefnemer een rijroute afgesproken, zodat deze niet door de kern van Klein Groningen loopt. De gemeente onderzoekt om deze verkeersrouting te ondersteunen met een verkeersbesluit. Verbreding Tolleane Om de bermen van de Tolleane te sparen en passeren van vrachtverkeer mogelijk te maken (min. 6m), wordt een verkeersmaatregel voorgestel om de Tolleane voor een weglengte van ca. 900m met een breedte van 0,5m aan halfverharding/asfaltgranulaat te verbreden, zodat de Tolleane een totale wegbreedte van 6,1m krijgt en waarbij de weg voldoet aan de eisen m.b.t. totaalgewicht en de asbelasting. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie dat het voorliggende initiatief voor het aspect ‘verkeer’ voldoet aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, onder voorwaarde dat de Tolleane op voorgeschreven wijze wordt verbreed en de routering verloopt volgens de gemaakte afspraken.
2.13 Ecologie In de BOPA-onderbouwing worden de conclusies uit het ecologisch onderzoek verwoord en wordt verwezen naar een bijlage waarin het ecologisch onderzoek is opgenomen. Wij vragen de provincie als bevoegd gezag om -vanuit hun natuurverantwoordelijkheid- door hun vakinhoudelijke team de ecologische bevindingen en conclusies te beoordelen, zowel uit oogpunt van BOPA/ETFAL als meer natuurtechnisch, en de gemeente over dit oordeel in kennis te stellen. 12
Daarbij wordt de provincie gevraagd om hier het advies van de MER-commissie op het onderdeel ‘natuur’ bij te betrekken. Bij dit oordeel vernemen wij graag of de provincie aanvullende maatregelen of voorschriften nodig acht of wil laten treffen, om tot een dragende conclusie op natuurbeoordeling en ETFAL te kunnen komen. Wij merken aanvullend op dat er geen of zeer weinig aandacht is voor het natuurinclusief maken van het plangebied. Zie hiervoor bijvoorbeeld de 40 punten-checklist van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (zie bijlage 4). Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van het aspect ‘ecologie/natuur’ een expliciete overweging en beoordeling te maken in het kader van natuurwetgeving en in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, welke nodig is om de activiteit BOPA te kunnen verlenen, en hierin het milieueffectrapport(traject), waaronder de advisering van de mer-commissie, te betrekken. Daarnaast adviseren we de provincie om voor het voorliggende initiatief (de mogelijkheden voor) natuurinclusief bouwen te stimuleren en in de beoordeling te betrekken.
2.14 Stikstof Voor het project is een Aerius berekening uitgevoerd voor zowel de sloop- en bouwfase, als ook de gebruiksfase. Conclusie is dat de depositie nergens hoger is dan 0,00 mol/ha/j. Wij vragen de provincie als bevoegd gezag om -vanuit hun natuurverantwoordelijkheiddoor hun vakinhoudelijke team de input, berekening en conclusies te beoordelen, zowel uit oogpunt van BOPA/ETFAL als meer natuurtechnisch, en de gemeente over dit oordeel in kennis te stellen. Daarbij wordt de provincie gevraagd om hier het advies van de MER-commissie op het onderdeel stikstof bij te betrekken. Bij dit oordeel vernemen wij graag of de provincie aanvullende maatregelen of voorschriften nodig acht of wil laten treffen, om tot een dragende conclusie op natuurbeoordeling en ETFAL te kunnen komen. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om ten aanzien van het aspect ‘stikstof’ een expliciete overweging en beoordeling te maken in het kader van natuurwetgeving en in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’, welke nodig is om de activiteit BOPA te kunnen verlenen, en hierin het milieueffectrapport(traject), waaronder de advisering van de mer-commissie, te betrekken.
2.15 Kabels, Leidingen en net(congestie) In de BOPA-motivering wordt een beschrijving van de situatie van kabels, leidingen en aansluiting op het stroom-/gasnet op/nabij de planlocatie gemist. Geadviseerd wordt om dit in beeld te brengen, met bijzondere aandacht voor netcapaciteit en (technische) uitvoerbaarheid. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering een beschrijving van de situatie van kabels, leidingen en aansluiting op het stroom-/gasnet op/nabij de planlocatie op te (laten) nemen, met aandacht voor projectuitvoerbaarheid.
13
2.16 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de BOPA-motivering en/of als aparte bijlage wordt een duidelijke uiteenzetting van de participatie-inzet gemist. Geadviseerd wordt om nauwgezet als chrologisch tijdspad alle participatieve activiteiten in het totale planvoorbereidings- en ontwikkelproces te bespreken. In dat kader duidelijk benoemen met welke insteek en invloedsruimte overleg en afstemming met omgeving en partijen heeft plaatsgevonden, en op welke wijze dit tot aanvulling of aanpassingen van het plan en/of stukken heeft geleid. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering en/of als aparte bijlage een duidelijke uiteenzetting van de participatie-inzet op te (laten) nemen, met inbegrip van de participatieopbrengst en verwerking van die opbrengst.
2.17 Economische uitvoerbaarheid In de BOPA-motivering ontbreekt een verantwoording op het gebied van economische uitvoerbaarheid. In dit hoofdstuk moet enerzijds verantwoord kunnen worden dat de uitvoerbaarheid van het project op zichzelf voldoende aannemelijk is. Geen daarvoor enige inzage in de financiële dekking van het project, en o.a. de relatie met subsidieregelingen. Anderzijds zal met het voorliggende initiatief sprake zijn van wettelijk kostenverhaalsplicht op grond van de Omgevingswet. De aan de orde zijnde kostensoorten dienen verhaald te zijn. Geef hierbij aan hoe dit kostenverhaal is verzekerd. Specifiek met betrekking tot gemeentelijke kosten in relatie tot plankosten (advies en instemming) zal de provincie op grond van art. 13.2 Omgevingswet om een vergoeding worden verzocht. Gemeentelijk advies: Wij adviseren de provincie om in de BOPA-motivering een duidelijke verantwoording met betrekking tot de economische uitvoerbaarheid van het voorliggende initiatief op te (laten) nemen, en ervoor zorg te dragen dat kostenverhaal voldoende is verzekerd. In dat kader wordt de provincie om een vergoeding gevraagd met betrekking tot het gemeentelijk advies- en instemmingsrecht.
2.18 Borging omvang deelname collectief Om de omvang van het voorliggende initiatief (omvang collectief deelname boeren, productieintensiteit groengas en renure) en de daaruit voortvloeiende uitstraling en hinder te borgen, en daarmee de omvang en reikwijdte van het te verlenen BOPAvergunningsonderdeel (aanvaardbaarheid van maximale invulling), brengt de gemeente de provincie in overweging om hiervoor passende voorschriften in de omgevingsvergunning op te nemen. Gemeentelijk advies: Wij brengen in overweging om aan de omgevingsvergunning voorschriften te koppelen die een goede borging geven van de maximaal aanvaardbare omvang van het mestvergistingscollectief en groengas- en renure-productie. Bijlagen: 1. Welstandsadvies d.d. 18 juni 2025 2. FUMO-advies ETFAL-BOPA Externe Veiligheid d.d. 19 juni 2025 3. Brandweeradvies d.d. 11 december 2024 4. 40 punten-checklist Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging
14
Bijlage 1
hûsenhiem
RS IS E U
Adviescommissie Omgevingskwaliteit Opsterland
ALTZ
19 25
ADV
Gemeente Ons nummer Uw nummer Adviesdatum Locatie
100
ONGEVINGSKW
S
SIND
25060326 Z2024-00004515 18-6-2025
Tolleane 3A, 9241WH Wijnjewoude hûs en hiem Voldoet mits
Adviseur Advies
Leeuwarden, 18-6-2025
Geacht college, Met deze brief reageren wij op uw adviesaanvraag.
in
Op basis van de ingediende gegevens concludeert de commissie dat het plan onder voorbehoud bijdraagt aan het bereiken en/of stand houden van goede omgevingskwaliteit. Het plan past onder voorbehoud binnen het door de gemeenteraad vastgestelde beleid.
in
te
Het plan omvat het realiseren van een groengas installatie, dit wordt grote lijnen als voorstelbaar gezien op deze locatie. Daarbij geven we mee voor alle onderdelen kiezen voor een neutrale kleurstelling.
op het volgende gericht.
is
relatie tot de omgeving en
in
De kritiek betreft het plan op zichzelf en
of
is
in
is
De landschappelijke inpassing. - Het landschapsplan nog niet voldoende mate uitgewerkt. Hierdoor nog onvoldoende duidelijk de voorgestelde omzoming met groen genoeg maat heeft om de gewenste beschutting bieden. Daarbij geven we mee om de uitwerking voor streekeigen beplanting kiezen.
te
te
in
te
of
In
te u,
Wij stellen voor de kritiek ondervangen door het landschapsplan verder uit werken (met maatvoering) en nemen daarbij aan dat als gemeente, zelf zorg draagt voor de vervolgtoetsing. geval van twijfel wijziging van het plan op een andere dan de voorgestelde manier wordt het weer voor beoordeling tegemoet gezien.
te
is
te
Om de impact van de bebouwing reduceren een rustige heldere ordening aan bevelen. Voor een heldere rustige ordening een herschikking van de bebouwing wenselijk zodat onder andere de silo's een duidelijke ritmiek worden geplaatst en de overige elementen een samenhangende ordening verkrijgen, waarbij de zichtbaarheid vanaf de Tolleane (door het hekwerk) de meeste focus behoeft.. Daarbij valt ook aan bevelen het aandeel verharding reduceren tot het hoogstnoodzakelijke.
in
is
te
te
Met betrekking tot de kleurstelling wordt een eenduidige niet contrasterende uniforme kleurstelling aanbevolen. Namens de commissie,
ir.
adviseur omgevingskwaliteit
Johan Willem Frisostraat 1 - 8933 BN Leeuwarden - 058 233 79 30 - husenhiem@husenhiem.nl - www.husenhiem.nl - NL48 BNGH 0285 0223 50 1
Bijlage 2
Advies EV Wijnjewoude Energieneutraal Groengasinstallatie
Grou, 19 juni 2025
Advies EV Wijnjewoude Energieneutraal Groengas installatie gemeente Opsterland
: Martin de Haan / +31 566 75 04 52 / m.dehaan@fumo.nl Datum
: 19 juni 2025
Kenmerk
: 2025-FUMO-0105948
Status
: Definitief
Versie
: 1.1 -2/9-
Inleiding Energie coöperatie WEN, Wijnjewoude Energie Neutraal, heeft als doel om het dorp Wijnjewoude in samenspraak met de bewoners volledig energieneutraal en fossielvrij te maken. De coöperatie heeft hiertoe een aantal pijlers, energiebesparing en energieopwekking, waar zij zich op richt. De voorgenomen activiteit betreft het vergisten van rundveemest van omliggende veehouderijen aan de Tolleane 3a te Wijnjewoude. Middels het thermofiel gisten van enkel rundveemest (monomestvergisting) wordt beoogd biogas te produceren. De mest na vergisting (digestaat) wordt teruggebracht richting de deelnemende veehouderijen. Het opgewekte biogas wordt opgewerkt tot groen gas en toegevoegd in het gastransportstelsel. Het plangebied heeft volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestemmingsplan 'Wijnjewoude/Klein Groningen’, NL.IMRO.0086.17BPKom-0301, vastgesteld op 11-11-2019 de bestemming ‘Bedrijf-Nutsvoorziening 2’. Hoewel WEN van mening is dat de voorgenomen activiteit past onder de definitiebepaling is zekerheidshalve een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd en is een ruimtelijk onderbouwing (projectnummer 002414, versie 1.0 van 2 februari 2025) door Colsen, adviesbureau voor milieutechniek opgesteld. Omdat de provincie het bevoegd gezag is voor de totale aanvraag, heeft de gemeente binnen de procedure een adviesrol en een instemmingsrol.
De gemeente Opsterland heeft de FUMO gevraagd om een advies externe veiligheid en gevraagd het onderdeel externe veiligheid uit de onderbouwing te beoordelen. Eindconclusie Advies EV Er zijn geen risicobronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die beperkingen opleveren voor de realisatie van het plan. De ontwikkeling zelf, de realisatie van een monomestvergistingsinstallatie, is een risicobron die bij de beoordeling is betrokken. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan. Voor monomestvergisters geldt een plaatsgebonden risicocontour van 50 meter vanaf het middelpunt van een gaszak. Deze bevindt zich zowel in de vergister als de navergister. Binnen deze contouren zijn alleen op het zuidelijk gelegen perceel met de bestemming ‘BedrijfNutsvoorziening 2’ beperkt kwetsbare gebouwen mogelijk. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de plaatsgebonden risicocontour als standaardwaarde. Afwijken van de standaardwaarde is mogelijk, mits dit goed wordt gemotiveerd en de risico’s worden afgewogen. Uit kadastrale gegevens blijkt dat ook dit perceel in eigendom is van Coöperatie Wijnjewoude Energie Neutraal U.A. is.
Dit houdt in dat de plaatsgebonden risicocontour van 50 meter niet geldt voor toekomstige beperkt kwetsbare gebouwen die een functionele binding hebben met de aangevraagde activiteit, zie artikel 4.866 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarnaast kan aan Coöperatie Wijnjewoude Energie Neutraal U.A. worden meegegeven dat bij een eventuele verkoop van het -3/9-
zuidelijke gedeelte van het perceel, het deel waarover de plaatsgebonden risicocontouren zijn gelegen, in eigendom blijft. Beoordeling onderbouwing Hoofdstuk ‘5.6 Externe veiligheid’ uit de onderbouwing, opgesteld door Colsen, adviesbureau voor milieutechniek (projectnummer 002414, versie 1.0 van 2 februari 2025) is beoordeeld. Geconcludeerd kan worden dat de aangeleverde onderbouwing externe veiligheid een juist beeld van de risicosituatie geeft. Hieronder zal het advies nader worden toegelicht. Inventarisatie milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s Voor de inventarisatie van aanwezige milieubelastende activiteiten (mba’s) met externe veiligheidsrisico’s in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied, is de Atlas Veiligheid op 17 juni 2025 geraadpleegd, zie figuur 1. De planlocatie is in het vierkant midden dat met een lichtblauwe lijn is omrand.
Figuur 1. Atlas Veiligheid.
De Altas Leefomgeving laat het volgende zien: Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding (N-504-20) van Gasunie. De leiding wordt in figuur 1 aangegeven met een paarse lijn. Het hierbij behorende brandaandachtsgebied van 95 meter is rood gearceerd. Ten oosten van het plangebied aan de Opperbuorren 3 is een vergunning verleend voor de realisatie van een mestvergister. Een mestvergister heeft een veiligheidscontour van 50 meter vanaf het middelpunt van de gaszak. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich aan Klein Groningen een gasontvangststation van (N209) van Liander. De aandachtsgebieden van deze risicobronnen vallen niet over het plangebied en leveren om die reden geen beperkingen op voor de realisatie van het initiatief.
-4/9-
De ontwikkeling zelf, de realisatie van een monomestvergister, is een risicobron die bij de beoordeling moet worden betrokken. Monomestvergister Een monomestvergister is een milieubelastende activiteit met externe veiligheidsrisico’s, zie activiteit A6 van bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In bijlage VII wordt aangegeven dat bij een monomestvergister uitsluitend sprake is van een afstand plaatsgebonden risico en geen afstand aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico (PR) De PR 10-6 per jaar contour geldt als grenswaarde die in acht moet worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. De PR 10-6 per jaar contour geldt als standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De afstand voor het plaatsgebonden risico wordt genoemd in artikel 4.866 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In artikel 4.866 lid 1 wordt aangegeven dat, met het oog op het waarborgen van de veiligheid, de afstand vanaf het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, ten minste 50 m is. In artikel 4.866 lid 3 wordt aangegeven dat indien deze afstand niet mogelijk is, vanwege de geringe omvang van de locatie, de afstand van 50 geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
In figuur 2 zijn de plaatsgebonden risicocontouren van de vergister en navergister gepresenteerd.
Figuur 2. Plaatsgebonden risicocontouren van de (na)vergisters.
In figuur 3 zijn de plaatsgebonden risicocontouren op de bestemmingsplankaart geprojecteerd.
-5/9-
Figuur 3. Plaatsgebonden risicocontouren geprojecteerd op de bestemmingsplankaart.
Uit figuur 3 kan worden opgemaakt dat plaatsgebonden risicocontouren deels buiten het eigen terrein vallen. Deze percelen hebben de bestemming Groen, Agrarisch, Verkeer en Bedrijf-Nutsvoorziening 2. Alleen op het perceel aan de zuidzijde van het plangebied met de bestemming Bedrijf-Nutsvoorziening 2, in figuur 3 in paars weergegeven, mogen beperkt kwetsbare gebouwen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de plaatsgebonden risicocontour als standaardwaarde. Afwijken van de standaardwaarde is mogelijk, mits dit goed wordt gemotiveerd en de risico’s worden afgewogen. Uit kadastrale gegevens blijkt dat ook dit perceel in eigendom is van Coöperatie Wijnjewoude Energie Neutraal U.A. is. Dit houdt in dat de plaatsgebonden risicocontour van 50 meter niet geldt voor toekomstige beperkt kwetsbare gebouwen die een functionele binding hebben met de aangevraagde activiteit, zie artikel 4.866 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarnaast kan aan Coöperatie Wijnjewoude Energie Neutraal U.A. worden meegegeven dat bij een eventuele verkoop van het zuidelijke gedeelte van het perceel, het deel waarover de plaatsgebonden risicocontouren zijn gelegen, in eigendom blijft. Conclusie PR Geconcludeerd kan worden dat het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar geen belemmering vormt voor de realisatie van dit plan.
-6/9-
Verantwoording groepsrisico Omdat bij de realisatie van een monovergister uitsluitend sprake is van plaatsgebonden risicocontouren en niet van aandachtsgebieden is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk, zie artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Beoordeling aspect externe veiligheid uit de onderbouwing Hoofdstuk 5.6 uit de onderbouwing, opgesteld door Colsen, adviesbureau voor milieutechniek (projectnummer 002414, versie 1.0 van 2 februari 2025) is beoordeeld. Voor de beoordeling is de Atlas Veiligheid op 17-06-2025 geraadpleegd om een beeld te krijgen van de ligging van het plangebied ten opzichte van de verschillende risicobronnen die in de omgeving aanwezig zijn. Op basis van de Altas Veiligheid is geconstateerd dat de voor deze ruimtelijke ontwikkeling van belang zijnde risicobronnen in de beschouwing zijn beoordeeld. De inhoud van de uitgevoerde beschouwing geeft een betrouwbaar beeld van de risicosituatie, waarmee voor de ruimtelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden. Zo levert het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar geen belemmering voor de realisatie van het plan. Conclusie onderbouwing Geconcludeerd kan worden dat de aangeleverde onderbouwing externe veiligheid een juist beeld van de risicosituatie geeft.
-7/9-
Algemeen toetsingskader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: - het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen; - het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); - het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving, Basisnet, de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.
Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het basisnet is vastgelegd in onder andere de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Verantwoordingsplicht in In het Bkl is in artikel 5.15 is een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag.
-8/9-
Risicobron Risicobronnen zijn: - milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die zijn genoemd in bijlage 7, 8, 9 en 10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); - risicobronnen die niet in de bijlage van het Bbl zijn vermeld maar waarvoor wel de risico’s moeten worden berekend; - bedrijfsmatige activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen vormen, zoals bijvoorbeeld energieopslagsytemen (EOS). Geldt niet voor EOS’en voor privégebruik.
-9/9-
Bijlage 3
Toetsing 10 Blanco brief - 41023
BRANDWEER Fryslân
Postbus 612 8901 BK LEEUWARDEN T 088 22 99 666 F 088 22 99 661 I www.brandweerfryslan.nl E info@brandweerfryslan.nl
Gemeente Opsterland Mevrouw of de heer J. van der Heide Postbus 10000 9244ZP BEETSTERZWAAG
Datum
Onze referentie
11 december 2024
Behandeld door
UIT/41023 Z/24/00018459
Doorkiesnummer
Uw referentie
-
Bijlagen
Uw brief van 4 december 2024
Pand-ID
Onderwerp Advies omgevingsvergunning 2024 - Tolleane - Wijnjewoude - mestvergister
Geacht college,
te
Op 19 november 2024 heeft Brandweer Fryslân uw voorstel ontvangen voor het bereikbaar maken van de Tolleane 3A Wijnjewoude.
is
In
In
overleg met Gemeente Opsterland gekeken naar de bereikbaarheid. Om het plangebied bereikbaar te maken dient er te worden voldaan aan de onderstaande eisen: basis moet de weg een breedte hebben van 4,5 meter. Voor het passeren van twee voertuigen dient de weg een wegbreedte van 6 meter hebben.
te
te
De doorgangshoogte moet minimaal 4,20 meter zijn. Er dient rekening gehouden worden met de draaicirkels van de voertuigen en de hiermee gepaard gaande rijcurve en sleeplijn. Voor verharding geldt een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton.
In
Op de aangeleverde tekening (d.d. 19-11-2024) wordt inderdaad aangegeven dat de weg wordt verbreed naar c.a. 6,1 meter breedte. de bijbehorende mail (d.d. 19-11-2024) wordt aangegeven dat de verharding voldoet aan bovenstaande eisen m.b.t. totaalgewicht en asbelasting.
in
Wij zien geen reden tot het maken van verdere opmerkingen
relatie tot bereikbaarheid.
in
Mocht u naar aanleiding van dit advies een nadere toelichting willen, dan kunt u hiervoor contact opnemen met de behandelaar. De contactgegevens vindt u bovenaan deze brief. Hoogachtend, namens het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Fryslân, voor deze,
Toetsing 10 Blanco brief - 41023
BRANDWEER Fryslân
Brief: UIT/41023 Z/24/00018459 Pagina 2 van 2
clusterhoofd risicobeheersing en planvorming
in
is
Deze brief
een automatisch proces opgemaakt en geaccordeerd en daarom niet ondertekend.
Bijlage 4
40 punten checklist van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging 1. Alle gebouwen hebben groene daken 2. Ieder appartement heeft een nestkast voor vogels of insecten 3. Ieder appartement heeft ten minste 2 m² ingebouwde bloembakken of groeiplaatsen op het balkon 4. Er zijn voorzieningen voor vleermuizen in en om het gebouw 5. Alle muren zijn waar mogelijk bedekt met (klim)planten 6. De gevels van de gebouwen hebben nestgelegenheid voor zwaluwen of huismussen 7. De biotopen op het terrein zijn ontworpen als natte natuur 8. De biotopen op het terrein zijn ontworpen als droge natuur 9. De biotopen op het terrein zijn ontworpen als semi-natuurlijk 10. Er zijn habitats en overwinteringsplaatsen voor amfibieën 11. Het hele jaar is er voedsel voor vogels beschikbaar 12. Er zijn voorzieningen voor insecten b.v. steenstapel, insectenhotel 13. De ontwikkelaars werken samen met ecologische experts 14. De vegetatie op het terrein heeft in elk seizoen bloeiende planten 15. De vegetatie op het terrein is rijk aan nectar en stuifmeel 16. Er is een rijke variatie aan voedsel (waardplanten) voor rupsen 17. Zorg voor variatie in de beplanting, niet meer dan vijf per soort 18. Alle planten hebben één of andere vorm van huishoudelijk gebruik 19. Er zijn ten minste twee verschillende fruit- en bessenplanten per 100 m² terrein 20.
Het hele terrein wordt gebruikt voor de productie voedsel (groenten, fruit, noten) 21. Alle bomen en struiken op het terrein dragen vruchten 22. Er zijn ten minste 50 regionaal inheemse planten in de tuin 23. Er is een biotoop voor waterinsecten op het terrein 24. Alle niet-verharde oppervlaktes op het terrein hebben een voldoende dikke bodemlaag en kwaliteit om het inrichten van een moestuin mogelijk te maken 25 25. Het terrein heeft een verschillende tuinkamers 26. Het terrein is groen, maar er zijn geen gazons 27. De vegetatie op het terrein heeft een bepaalde kleur of vorm als thema 28. Een deel van het terrein wordt overgelaten aan natuurlijke successie (natuurlijke ontwikkeling zonder menselijke invloed) 29. Afscheidingen worden als haag uitgevoerd met minimaal drie verschillende heesters 30. Afscheidingen worden als takkenril uitgevoerd 31. Het snoeihout blijft op het terrein b.v. in een takkenril 32. Halfverharding is in olivijn uitgevoerd (bindt CO2 ) 33. Alle oppervlakten op het terrein zijn water doorlaatbaar 34. Per 5 m² verharde oppervlakte is er 1 m² vijver 35. Al het hemelwater is van het riool afgekoppeld 36. Alle regenwater van de gebouwen en verharde oppervlaktes heeft een tweede gebruik 37. Grijswater wordt verwerkt op het terrein en hergebruikt 38. Het terrein bestaat voor minstens de helft uit water 39.