B02 Bijlage 1 Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031
Tekst van het document
Geraadpleegde websites Actuele Hoogtebestand Nederland: www.ahn.nl Digitale kaarten: www.rare-atlases.com Georeferencer Universiteit Utrecht: Compare maps (oldmapsonline.org) Website RCE: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-enkaarten/overzicht/nationale-onderzoeksagenda-archeologie Krantendatabase Delpher: www.delpher.nl Archeologisch onderzoeksbureau RAAP: www.raap.nl Beeldbank Toonbeeld Fotografie: ToonBeeldBank - de beeldbank van ToonBeeld fotografie & vormgeving Website Noordelijk Archeologisch Depot: www.nad.nl Website Geheugen van Drenthe: : geheugenvandrenthe.nl Website Fries Museum: www.friesmuseum.nl Website database PAN: www.portable-antiquities.nl Kaartenkabinet Tresoar: www.tresoar.nl
86
Bijlagen Bijlage 1. Beleidsadviezen in Opsterland voor de periode steentijd-bronstijd 1. Toelichting op de beleidsadvieskaart steentijd-bronstijd Uitzonderingen en afwijkende onderzoeksregimes In een eerder stadium is een deel van de waardevolle vindplaatsen uit de periode steentijd – bronstijd als behoudenswaardig op de Archeologische Monumentenkaart geplaatst. Deze AMK-terreinen zijn opnieuw opgevoerd en hebben als advies: Streven naar behoud A-50 m² (bij ingrepen groter dan 50 m²). Drie soorten terreinen vragen om ander beleid. Het gaat om: vuursteennederzettingen uit het laat- of jong-paleolithicum; permanente nederzettingen van boeren uit de periode neolithicum-bronstijd; pingoruïnes. Hiermee (en buiten de AMK-terreinen) gaat het in Opsterland om de volgende zones en terreinen en de volgende daarbij behorende adviezen: Zones waarbinnen kans is op waardevolle sporen van mesolithische kampementen en tijdelijke kampementen uit het neolithicum en de bronstijd De beleidsadviezen zijn gebaseerd op inhoudelijke kennis over waar de jager-verzamelaars in de steentijd het liefst vertoefden, de lengte van de periode waarin deze gebieden voor hen bewoonbaar waren en de verwachte gaafheid van de verschillende bodems.
Het belangrijkste uitgangspunt is gaafheid van de bodem en daarmee de gaafheid van de potentiële nederzettingsresten en niet zozeer de aanwezigheid en spreiding van al bekende vindplaatsen. Het feit dat aan het oppervlak vondsten zijn aangetroffen geeft aan dat er sprake is geweest van dusdanige bodembewerking dat de vondsten naar het oppervlak zijn gebracht. Er is dan hoogstwaarschijnlijk geen sprake meer van een intacte vondstlocatie. Ze gelden echter wel als indicator voor een verhoogde kans op het aantreffen van intacte steentijdlocaties in de directe omgeving. Om die reden zijn ze op de bronnenkaart geplaatst en dient bij het opstellen van archeologisch onderzoek altijd de bronnenkaart geraadpleegd te worden. In samenhang met de informatie uit onder meer de bodemkaarten, het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) en eerder archeologisch onderzoek geven ze een indicatie waar eventuele intacte vuursteenvindplaatsen verwacht mogen worden. Het doel van dit beleid is het in situ bewaren van waardevolle vuursteenvindplaatsen. Indien behoud in situ niet mogelijk is, dient de informatie ex situ bewaard te worden. Onder een waardevolle vuursteenvindplaats wordt verstaan: een oorspronkelijke strooiing van door de mens bewerkte vuurstenen.
Als uitgangspunt bij het bepalen van de kans hierop geldt in de meeste gevallen de aanwezigheid van een intacte podzolbodem (ten minste een gave Bhorizont). In beekdalen hangt de afwezigheid van een podzolbodem niet altijd samen met een verstoring: het kan ook zijn dat als gevolg van de natte omstandigheden zich hier nooit een podzolbodem heeft gevormd. Mocht op basis van het eerste booronderzoek in een beekdal blijken dat er een redelijke kans is op waardevolle vindplaatsen, bijvoorbeeld op basis van reliëf, dan dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Daarnaast kunnen de in beekdalen eventueel nog aanwezige veenlagen allerlei archeologische sporen hebben bewaard. Op plaatsen waar veenlagen nog aanwezig kunnen zijn moet booronderzoek 87
uitwijzen of de verwachte veenrestanten inderdaad nog aanwezig zijn en in redelijke staat verkeren. De aanwezigheid van een gaaf veenrestant kan aanleiding zijn tot nader onderzoek. Om het bewaren van gave vindplaatsen te kunnen bereiken dient in een aantal stappen onderzoek te worden uitgevoerd. De eerste stap is het door middel van gutsboringen te bepalen of sprake is van een intacte bodemopbouw (in gebieden waar een podzol is gevormd: twee naastgelegen boringen bevatten minstens een B-horizont en in gebieden waarin van nature geen podzol is gevormd, maar de bodem wel intact is en het verloop van het reliëf een verhoogde kans op het aantreffen van steentijdresten biedt). Indien er sprake is van een intacte bodemopbouw vindt aanvullend booronderzoek plaats en wordt het grid verdicht naar 20 boringen per hectare waarbij de eerdere boringen zonder een intacte bodemopbouw de grens van het onderzoeksgebied vormen. De gutsboringen binnen het verdichte grid met een intacte bodemopbouw worden nageboord met een megaboor met als doel archeologische indicatoren op te boren opdat een beeld gevormd kan worden van de aard en datering van de eventueel aanwezige archeologische resten. Indien sprake blijkt te zijn van een waardevolle vindplaats dient deze bij voorkeur in situ bewaard te blijven.
Pas als dat niet mogelijk is gebleken zal de vindplaats middels een opgraving ex situ veiliggesteld kunnen worden. Tenzij anders staat aangegeven worden boringen en proefputten tot minstens 25 cm in de Chorizont van het dekzand doorgezet. Bij boringen met een edelmanboor kunnen de boringen ook in tandem (naast elkaar) worden uitgevoerd zolang het opgeboorde oppervlak overeenkomstig is met dat van de megaboor. Bij proefputten en megaboringen wordt het opgehaalde dekzand gezeefd over een 3mm zeef. Onderzoekvormen bij vuursteenvindplaatsen Er wordt inzake de vuursteenvindplaatsen een onderscheid gemaakt in de volgende onderzoekvormen die nodig zijn bij plannen of ingrepen met een bepaalde minimale omvang:
Karterend onderzoek A-500 m² (bij ingrepen groter dan 500 m²) Karterend onderzoek A-1000 m² (bij ingrepen groter dan 1000 m²) Karterend onderzoek A-2500 m² (bij ingrepen groter dan 2500 m²) Karterend onderzoek A-5000 m² (bij ingrepen groter dan 5000 m²) QuickScan A-5000 m² (bij ingrepen groter dan 5000 m²) Geen onderzoek noodzakelijk A
Zones De onderzoekvormen zijn van toepassing op verschillende zones, deze zijn als volgt: Karterend onderzoek A-500 m² (bij ingrepen groter dan 500 m²) Dekzandkop of dekzandhoogte in of nabij een beekdal. Karterend onderzoek A-1000 m² (bij ingrepen groter dan 1000 m²) Dekzandkop (dagzomend) in gebied met podzolgronden met moerig of venig dek. Dekzandkop (veelal niet dagzomend) in gebied met veengronden zonder onderliggende podzolbodems. Karterend onderzoek A-2500 m² (bij ingrepen groter dan 2500 m²) Overgangsgebied van beekdal naar hoger gelegen pleistocene bodems. 88
Dekzandhoogte (dagzomend) in gebied met podzolgronden met moerig of venig dek. Dekzandhoogte (veelal niet dagzomend) in gebied met veengronden zonder onderliggende podzolbodems. Beekdal met veen. Beekdal zonder veen. Oud beekdal met veen. Oud beekdal zonder veen. Karterend onderzoek A-5000 m² (bij ingrepen groter dan 5000 m²) Zone waarbinnen de top van de pleistocene bodem ligt tussen 1,2 m beneden maaiveld en 2 m minus NAP. Zone waarbinnen de top van de pleistocene bodem ligt tussen 2 m en 3 m beneden NAP. Zone waarbinnen de top van de pleistocene bodem ligt tussen 3 m en 4 m beneden NAP. QuickScan A-5000 m² (bij ingrepen groter dan 5000 m²) Dekzandhoogte op enige afstand buiten een beekdal. Kleine dekzandkop in gebied met veengronden of moerig dek. Dagzomend pleistocene gronden met een podzolbodem die naar verwachting grotendeels verstoord is. Dagzomend pleistocene gronden met een naar verwachting grotendeels verstoorde podzolbodem en die vanwege hun hoge ligging lang bewoonbaar zijn gebleven. Moerige podzolgronden en veengronden met onderliggende podzolbodem. Veengronden zonder onderliggende podzolbodem. Geen onderzoek (meer) noodzakelijk A Grotendeels dagzomende pleistocene gronden, relatief ver van water gelegen en met relatief weinig (micro)reliëf. Zones waarbinnen de top van de pleistocene bodem dieper ligt dan 4 meter beneden NAP.
Het advies Geen onderzoek (meer) noodzakelijk A wordt ook gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat (waardevolle) archeologische resten niet (meer) te verwachten zijn, of wanneer zulks redelijkerwijs aangenomen kan worden (zie bronnenkaart). Uitvoering van de onderzoekadviezen Bij elk van de onderzoekadviezen hoort de volgende aanpak van uitvoering: Karterend onderzoek A-500 m² (bij ingrepen groter dan 500 m²): 1. 6 gutsboringen per hectare (minimum van 6 per plan). 2. Daar waar sprake is van een intacte bodemopbouw wordt het grid uitgebreid tot 20 gutsboringen per hectare. 3. De gutsboringen uit het verdichte grid met een intacte bodemopbouw worden nageboord met een megaboor. 4. Voor nadere inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bronnenkaart Steentijd-Bronstijd.
89
Karterend onderzoek A-1000 m² (bij ingrepen groter dan 1000 m²): 1. 6 gutsboringen per hectare (minimum van 6 per plan). 2. Daar waar sprake is van een intacte bodemopbouw wordt het grid uitgebreid tot 20 gutsboringen per hectare. 3. De gutsboringen uit het verdichte grid met een intacte bodemopbouw worden nageboord met een megaboor. 4. Voor nadere inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bronnenkaart Steentijd-Bronstijd. Karterend onderzoek A-2500 m² (bij ingrepen groter dan 2500 m²): 1. 6 boringen per hectare, met een minimum van 6 boringen per plan. 2. Daar waar sprake is van een intacte bodemopbouw: door naar aanpak van karterend onderzoek A-500 m². 3. Voor nadere inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bronnenkaart Steentijd-Bronstijd. Karterend onderzoek A-5000 m² (bij ingrepen groter dan 5000 m²): 1. 3 boringen per hectare, met een minimum van 3 boringen per plan. 2. Daar waar sprake is van een intacte bodemopbouw: door naar aanpak van karterend onderzoek A-500 m². 3. Voor nadere inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bronnenkaart Steentijd-Bronstijd. Quickscan A-5000 m² (bij ingrepen groter dan 5000 m²): 1. 3 boringen per hectare, met een minimum van 3 boringen per plan. 2. Daar waar sprake is van een intacte bodemopbouw: door naar aanpak van karterend onderzoek A-500 m². 3.
Voor nadere inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bronnenkaart Steentijd-Bronstijd. Geen onderzoek (meer) nodig A Hierbij hoeft er geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het advies Geen onderzoek (meer) nodig A wordt ook gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat (waardevolle) archeologische resten niet (meer) te verwachten zijn, of wanneer zulks redelijkerwijs aangenomen kan worden (zie bronnenkaart). Vindplaatsen uit het laat- of jong-paleolithicum In vergelijking met hun mesolithische opvolgers zijn vindplaatsen van jagers-verzamelaars uit de laatste fasen van het paleolithicum minder gemakkelijk te traceren, te voorspellen en te waarderen. Dit heeft er onder meer mee te maken dat zij onder een pakket dekzand kunnen liggen. Daarom is een voorspellend model niet één-op-één te baseren op huidig reliëf en hoeft de aanwezigheid van een vindplaats uit deze groep zich niet te verraden door oppervlaktevondsten of vondsten uit de top van de bodem. Om dezelfde reden zegt de staat van een podzolprofiel weinig over de gaafheid van dieper gelegen vindplaatsen uit het laatof jong-paleolithicum. Daarom vraagt hun bescherming om een specifieke aanpak. Voor bekende vindplaatsen geldt het advies: Streven naar behoud A-0 m² (geen vrijstelling)
90
Wanneer een ingreep onvermijdelijk wordt geacht dient nader onderzoek te geschieden met de volgende stappen: 1. Bureauonderzoek met als doel de coördinaten van de vindplaats te controleren, de vondstomstandigheden te achterhalen en te bepalen hoe zinvol verder onderzoek is of kan zijn. Indien nader onderzoek op grond van dit onderzoek zinvol wordt geacht volgen de volgende stappen: 2. Binnen het gebied van de geplande ingreep worden gutsboringen uitgevoerd in een 20 x 20 m grid om daarmee de bodemopbouw in kaart te brengen ter voorbereiding op het proefputtenonderzoek. 3. Op de locatie van de gutsboringen worden (binnen de terreindelen waar de bodem niet verstoord is) proefputten van 1 x 1 m aangelegd in een 20 x 20 m vierkant grid. 4. In overleg met bevoegd gezag verdichten grid, dan wel opgraven. 5. Voor aanvullende inhoudelijke informatie wordt verwezen naar de bronnenkaart steentijd-bronstijd. Zone met kans op waardevolle sporen van permanente nederzettingen van boeren uit de periode neolithicum-bronstijd In een hoger gelegen deelgebied is er kans op waardevolle sporen van permanente nederzettingen van boeren uit de periode neolithicum-bronstijd. Dit gebied wordt aangegeven met een attentieraster en overlapt andere adviezen.
Onderzoeksadvies: Aandacht voor eerste boeren Wanneer volgens de overlapte adviezen onderzoek nodig is dient tevens aandacht besteed te worden aan de mogelijke aanwezigheid van resten van permanente nederzettingen van boeren uit de periode neolithicum-bronstijd. Pingoruïnes Op de beleidsadvieskaart wordt een onderscheid gemaakt tussen mogelijke pingoruïnes, (mogelijk waardevolle) pingoruïnes en waardevolle pingoruïnes. Er bestaan twee onderzoekadviezen voor pingoruïnes. Het betreft: Streven naar behoud A-50 m² (pingoruïnes bij ingrepen groter dan 50 m²) Waarderend onderzoek A-500 m² (bij ingrepen groter dan 500 m²) De eerste categorie betreft waardevolle, behoudswaardige pingoruïnes, en de tweede betreft mogelijke pingoruïnes en mogelijk waardevolle pingoruïnes. Waardevolle, behoudenswaardige pingoruiïnes Streven naar behoud A-50 m² (pingoruïnes bij ingrepen groter dan 50 m²) Dit advies geldt voor pingoruïnes waar waarderend onderzoek al heeft uitgewezen dat de veenvulling in de pingoruïne behoudenswaardig is. De pingoruïne dient allereerst te worden gedateerd (indien dit nog niet is gebeurd; zie hiervoor de bronnenkaart) en indien de ouderdom daar aanleiding toe geeft dient paleobotanisch onderzoek te worden uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in de landschapsontwikkeling van de directe omgeving van de pingoruïne (en de menselijke invloed daarop).
91
Nu bekende en vermoede pingoruïnes Waarderend onderzoek A-500 m² (bij ingrepen groter dan 500 m²) Deze aanduiding wordt op de steentijdkaart gegeven aan de nu bekende en vermoede pingoruïnes. Bij ingrepen van meer dan 500m² dienen deze vermoede pingoruïnes te worden onderzocht door middel van een waarderend booronderzoek. Hierbij dient de aandacht uit te gaan naar de vraag of het inderdaad een pingoruïne betreft, of de pingoruïne intacte veenlagen bevat en of deze intacte veenlagen de botanische neerslag uit de overgangsperiode mesolithicum-neolithicum en het neolithicum kunnen bevatten. Dit waarderend booronderzoek, dat dient te bestaan uit een boorraai over de (vermoedelijke) pingoruïne, dient inzicht te geven in de behoudenswaardigheid van eventueel aangetroffen botanische resten, zulks ondersteund door resultaten van 14C-onderzoek aan de bovenste intacte niet-veraarde veenlaag. Op basis van de resultaten en aanbevelingen van het uitgevoerde onderzoek kunnen dan eventueel maatregelen genomen worden om de pingoruïne te behouden of om de botanische informatie uit het neolithicum nader te laten onderzoeken. Archeologie van de beekdalen De archeologie van de beekdalen vraagt speciale aandacht, zoals in de Toelichting op de archeologische bronnenkaart wordt uiteengezet. Daarin en op de bronnenkaart zijn de diverse betreffende zones te onderscheiden.
De begrenzing van deze inhoudelijke zones is op de beleidsadvieskaart niet als zodanig te onderscheiden. Een uitzondering hierop is het meest westelijke deel van het beekdal van de Boorne/het Koningsdiep dat is aangegeven met een attentieraster dat andere adviezen overlapt. Onderzoeksadvies Aandacht voor beekdal: Wanneer volgens de overlapte adviezen onderzoek nodig is, dient binnen het gebied met deze aanduiding ook specifiek aandacht besteed te worden aan de mogelijk aanwezigheid van beekdalfenomenen (zie Toelichting op de bronnenkaart). Terreinen met een waardevolle vindplaats uit de periode steentijd-bronstijd Vindplaatsen uit de steentijd-bronstijd waarvan vastgesteld is dat deze waardevol zijn, zijn opgevoerd als terrein met waardevolle vindplaats. De terreinen kunnen al eerder als AMKterreinen bekend zijn geweest of door nieuw onderzoek in beeld zijn gekomen. De ondergrens van plannen of ingrepen waarboven nader onderzoek nodig is (of kan zijn) is 50 m2. Voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum en voor pingoruïnes geldt een ander advies (zie hierboven). 2. Toelichting op de bronnenkaart voor de periode steentijd-bronstijd De adviezen op de Archeologische beleidsadvieskaart steentijd-bronstijd zijn afgestemd op de bekende of verwachte waarden binnen terreinen en zones. De adviezen zijn daarmee gebaseerd op inhoudelijke gegevens.
Daarnaast is er bij het formuleren van de adviezen rekening gehouden met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten al verstoord zijn. In deze toelichting wordt nader ingegaan op de inhoudelijke gegevens zoals die op de Archeologische bronnenkaart steentijd-bronstijd staan. Toegelicht wordt hoe de verschillende eenheden zijn bepaald en begrensd.
92
Uitgangspunten en bronnen voor het bepalen en begrenzen van de inhoudelijke eenheden De hoofdindeling van de bronnenkaart steentijd-bronstijd is gebaseerd op onze kennis van de jagers-verzamelaars uit het mesolithicum (middensteentijd). Aan iedere landschappelijke eenheid is een bepaalde archeologische verwachting gekoppeld, die nauw samenhangt met de perceptie van de mens van de landschappelijke kenmerken. De indeling is allereerst gebaseerd op de mate van aantrekkelijkheid voor bewoning van verschillende delen van het landschap. Daarbij is het uitgangspunt dat jagers-verzamelaars het liefst relatief hooggelegen en reliëfrijke plaatsen in het landschap uitkozen voor het opslaan van hun kampementen (zie par. 1). Vaak kozen zij plaatsen die in de buurt van water gelegen waren (bijvoorbeeld een beekdal met stromend water of een meer). Een tweede factor die bepalend is voor het begrenzen van de inhoudelijke eenheden is de duur van bewoonbaarheid van de afzonderlijke landschappelijke zones. Veel aantrekkelijke bewoningsplaatsen in de relatief lagergelegen delen van het landschap zijn al in de loop van het mesolithicum overdekt geraakt met veen en waren daardoor al vroeg niet meer goed bewoonbaar.
Een uitzondering hierop vormen de gebieden waar veel plaatselijk reliëf is, bijvoorbeeld de reliëfrijke zone die op veel plekken de overgang vormt van het beekdal naar een relatief hoger gelegen pleistocene bodem. Het relatief hoogst gelegen pleistocene gebied, dat pas later met veen bedekt raakte, kon het langst bewoond worden. De kans op het aantreffen van een vindplaats uit het laat- of jongpaleolithcum is niet één-opéén te bepalen aan de hand van huidig pleistoceen reliëf. Daarom zijn op de kaart geen verwachtingszones voor deze periode opgenomen. Gezien de zeldzaamheid van vindplaatsen uit het laat- of jongpaleolithicum zijn de in Opsterland bekende vindplaatsen uit deze tijd afzonderlijk en als zodanig op de kaart gezet. Sinds het begin van het neolithicum woonden ook boeren in het gebied van het huidige Opsterland. De kans op het aantreffen van resten van hun permanente nederzettingen is het grootst in de hooggelegen delen van Opsterland. Gezien de huidige stand van het onderzoek is ervoor gekozen het meest kansrijke gebied aan te geven. Voor tijdelijke kampen uit de periode neolithicum-bronstijd gelden dezelfde verwachtingszones als voor hun mesolithische voorgangers. Deze verwachtingszones zullen voor het neolithicum wel kleiner zijn omdat ze in de loop van de tijd verder overdekt raakten met veen.
De belangrijkste bronnen die zijn gebruikt voor het bepalen en begrenzen van deze inhoudelijke eenheden in de gemeente Opsterland zijn het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN1, AHN2, AHN3 en AHN4), de Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000, de gedetailleerde bodemkaarten die zijn gemaakt in het kader van de ruilverkavelingen in de jaren ’70 en de actuele kennis over archeologische vindplaatsen in de gemeente. Daarnaast is ter aanvulling gebruik gemaakt van de geomorfologische kaart, van recente en oudere luchtfoto’s en van topografische kaarten. 1. Verwachtingszones bepaald en begrensd aan de hand van pleistoceen reliëf. De pleistocene bodem, waarop de mensen uit de steentijd-bronstijd leefden, bestaat uit keileem met daarop veelal dekzand. Keileem is een samengeperste mix van klei, leem, zand, grind en grotere keien. Deze materialen zijn in de ijstijden meegevoerd door gletsjers. De keileemgronden vertonen vaak veel reliëf, veroorzaakt door de bewegingen van het ijspakket. Op het keileem is in het kale landschap van de laatste ijstijd dekzand afgezet. Op sommige plekken zette zich meer dekzand af dan op andere, wat heeft geresulteerd in het ontstaan van dekzandkoppen en dekzandruggen. Op het dekzandlandschap heeft zich in het 93
grootste deel van Fryslân gedurende het Holoceen veen gevormd. In het noorden en westen van de provincie, waar de pleistocene gronden lager liggen dan in het zuidoosten, heeft zich bovendien een dik pakket klei afgezet. In het zuidoosten van de provincie, waar de gemeente Opsterland zich bevindt, ligt de pleistocene bodem relatief hoog. Sommige dekzandkoppen en -ruggen in dit deel van de provincie liggen zelfs zo hoog, dat zich hierop niet of nauwelijks veen heeft gevormd. Op deze plaatsen is de pleistocene bodem dagzomend, wat inhoudt dat het direct aan het oppervlak ligt. Op andere plekken heeft zich in het verleden wel veen gevormd, maar is dat veen inmiddels door oxidatie als gevolg van menselijk ingrijpen alweer (grotendeels) vergaan. Ook op die plekken is sprake van dagzomend pleistoceen. Tot slot zijn er koppen of ruggen waarop volgens de gedetailleerde bodemkaart (gemaakt in het kader van de ruilverkavelingen in de jaren ’70), nog een dunne laag veen of moerige laag aanwezig is, maar waarvan het mogelijk is dat deze laag inmiddels ook al is geoxideerd. Hoewel alleen archeologisch, dan wel fysisch geografisch onderzoek kan bevestigen of er op deze plekken nog veen aanwezig is, zijn ook deze kwetsbare koppen en ruggen beschouwd als dagzomend pleistoceen.
De bronnenkaart toont in het meest westelijke deel van de gemeente, waarbinnen de pleistocene bodems relatief diep liggen, geen eenheden die aan de hand van reliëf zijn herkend en begrensd. De reden daarvoor is dat van het plaatselijk micro-reliëf momenteel nog te weinig bekend is om de bronnenkaart voor dit gebied op deze wijze op brede schaal te verfijnen: de beschikbare bodemkaarten tonen er geen pleistoceen reliëf en de
94
hoogteverschillen op het AHN zijn zonder nader onderzoek niet met voldoende zekerheid te identificeren als van pleistocene oorsprong (zie par. 4). Aan de hand van het pleistocene reliëf worden de volgende verwachtingszones onderscheiden: 1 2 3 4 5 6 7 8
Dekzandkop of dekzandhoogte in of nabij een beekdal. Overgangsgebied van beekdal naar hoger gelegen pleistocene bodems. Dekzandhoogte op enige afstand buiten het beekdal. Dekzandhoogte (dagzomend) in gebied met podzolgronden met moerig of venig dek Dekzandkop (dagzomend) in gebied met podzolgronden met moerig of venig dek. Dekzandhoogte (veelal niet dagzomend) in gebied met veengronden zonder podzolbodems. Dekzandkop (veelal niet dagzomend) in gebied met veengronden zonder podzolbodems. Kleine dekzandkop in gebied met veengronden of moerig dek.
Op bovenstaande kaart is weergegeven waar deze zones zich bevinden. Op elke zone volgt een nadere toelichting. 1. Dekzandkop of dekzandhoogte in of nabij een beekdal Deze eenheid omvat alle hoger gelegen delen in of nabij een beekdal. Deze hoogten en koppen waren vanwege hun nabijheid tot het beekdal naar verwachting aantrekkelijk voor bewoning door jager-verzamelaars en de duur van de bewoonbaarheid van deze hoger gelegen delen in het beekdal was relatief lang. 2. Overgangsgebied van beekdal naar hoger gelegen pleistocene bodems Deze eenheid omvat het overgangsgebied van een lagergelegen beekdal naar de hoger gelegen pleistocene bodems. Vanwege de nabijheid van het beekdal was het waarschijnlijk een aantrekkelijke plek voor jager-verzamelaars om te verblijven. Omdat de zone als geheel relatief hooggelegen is, is deze waarschijnlijk lange tijd bewoonbaar geweest. 3. Dekzandhoogte op enige afstand buiten een beekdal Deze eenheid omvat de hoger gelegen delen in het pleistocene gebied buiten het beekdal. Deze hoogten zijn naar verwachting geschikte bewoningsplaatsen geweest voor jagerverzamelaars, maar bevinden zich op enige afstand van het beekdal en waren daardoor mogelijk iets minder aantrekkelijk. De duur van de bewoonbaarheid van deze hooggelegen bodems is naar verwachting relatief lang. 4.
Dekzandhoogte (dagzomend) in gebied met podzolgronden met moerig of venig dek Deze eenheid omvat de hoger gelegen delen met een oppervlak groter dan 300.000 m 2 in het gebied met moerige podzolgronden en veengronden met podzolbodems. In tegenstelling tot het omliggende landschap is op deze hoger gelegen delen geen veen of moerige laag meer aanwezig en is het pleistocene dekzand dagzomend. Deze hoogten zijn naar verwachting geschikte bewoningsplaatsen geweest voor jager-verzamelaars. Ondanks hun hoogte zijn zij waarschijnlijk relatief kort bewoonbaar geweest, omdat zij toch relatief laag liggen ten opzichte van de hoger gelegen pleistocene gronden verder in het zuidoosten van de provincie.
95
5. Dekzandkop (dagzomend) in gebied met podzolgronden met moerig of venig dek Deze eenheid omvat de hoger gelegen delen met een oppervlak groter dan 10.000 m 2 maar kleiner dan 300.000 m2 het gebied met moerige podzolgronden en veengronden met podzolbodems. De archeologische verwachting is vergelijkbaar met de dekzandhoogten groter dan 300.000 m2 die in hetzelfde gebied liggen. Omdat het kleinere hoogten (hier genoemd koppen) betreft, is de ondergrens van het advies hierop aangepast. 6. Dekzandhoogte (veelal niet dagzomend) in gebied met veengronden zonder onderliggende podzolbodems Deze eenheid omvat de hoger gelegen delen met een oppervlak groter dan 300.000 m 2 in het gebied met veengronden zonder podzolbodem. Hoewel de hoogten herkenbaar zijn op zowel het AHN, laat de gedetailleerde bodemkaart gemaakt in het kader van de ruilverkavelingen uit de jaren ’70 zien dat het pleistocene zand op deze plekken niet dagzomend is. Er is op deze hoogten nog dunne veenlaag of moerige laag aanwezig. De kans is groot dat deze veenlaag of moerige laag in de komende tijd door oxidatie steeds dunner wordt en dat het dekzand op deze hoogten toch aan het oppervlak komt te liggen.
Over eventuele activiteiten van jager-verzamelaars op deze koppen is nog weinig bekend, maar aangezien het wel de hoger gelegen delen binnen het omliggende landschap betreffen, zijn het in potentie aantrekkelijke plaatsen voor bewoning geweest. De conservering van eventuele vindplaatsen is bovendien vanwege de afdekkende veenlaag nu nog goed. De bewoonbaarheid van deze hoogten is relatief kort geweest. 7. Dekzandkop (veelal niet dagzomend) in gebied met veengronden zonder onderliggende podzolbodems Deze eenheid omvat de hoger gelegen delen met een oppervlak groter dan 10.000 m 2 maar kleiner dan 300.000 m2 in een gebied met veengronden zonder onderliggende podzolbodem. De archeologische verwachting is vergelijkbaar met de dekzandhoogten groter dan 300.000 m2 en gelegen in hetzelfde gebied. 8. Kleine dekzandkop in gebied met veengronden of moerig dek Deze eenheid omvat de hoger gelegen delen met een oppervlak kleiner dan 10.000 m 2. De aanwezigheid van zulke gebieden binnen de gemeente Opsterland staat vast, maar de precieze ligging ervan is nog niet bepaald. Dit vergt nader onderzoek. 2.
Beekdalen Beekdalen die zich in de laatste ijstijd hebben ingesleten in de hoger gelegen pleistocene delen van het landschap en momenteel nog herkenbaar zijn op het AHN, krijgen op de FAMKE om verschillende redenen speciale aandacht.9 Zoals hierboven al is aangehaald, is de verwachting dat jager-verzamelaars hun kampen het liefste opsloegen in de buurt van water. De hoger gelegen pleistocene delen (dekzandkoppen en -hoogten) in het beekdal waren daarbij waarschijnlijk de meest aantrekkelijke plekken. Toch bestaat er ook een kans dat de wat lagergelegen delen in het beekdal, tenminste in bepaalde perioden, gebruikt werden door jager-verzamelaars voor het opslaan van 9
Ook in de lager gelegen pleistocene delen van het landschap hebben zich in de laatste ijstijd beekdalen uitgesleten, maar deze gebieden raakten al in een dusdanig vroeg stadium bedekt met veen, waarna ook de zee zich in deze gebieden liet gelden, dat eventuele beekdalen al vroeg onbewoonbaar raakten en bovendien bedekt zijn met een dikke laag veen en / of klei, waardoor zij niet herkenbaar zijn op het AHN.
96
kampementen. Gedurende de tijd heeft de meanderende beek zich vaak verlegd en de meest aantrekkelijke bewoningsplaatsen hoeven dus ook niet altijd precies op dezelfde plek te hebben gelegen. Hoe de veenbedekking van het beekdal zich in de loop van de steentijd precies heeft ontwikkeld, is nog niet precies bekend. Het is dus goed mogelijk dat bepaalde delen van het beekdal pas na de steentijd zijn overdekt met veen en gedurende de gehele steentijd aantrekkelijke bewoningsplaatsen bleven. Naast resten van kampementen kunnen in het beekdal ook resten worden verwacht van gebouwde structuren en menselijke activiteiten die verband houden met de aanwezigheid van water. Hierbij kan gedacht worden aan resten van bruggen, steigers en paden, boten en deposities met een rituele bedoeling. Ook kunnen er in beekdalen resten van (slacht)afval worden verwacht. De verwachtingen binnen de beekdalen zijn afhankelijk van meerdere factoren, zoals het tijdstip waarop een dal meet veen gevuld raakte en de beek niet langer een dominant landschappelijk element was. Tevens is de huidige conserveringsgraad van de veenlaag van betekenis. Dit leidt tot een indeling in 4 afzonderlijke zones, te weten: 1. 2. 3. 4.
Beekdal met veen Beekdal zonder veen Oud beekdal met veen Oud beekdal zonder veen
De ruimtelijke begrenzing van de beekdalen in de gemeenten Opsterland. De blauwe arcering tussen Nij Beets en Tijnje toont de landschappelijke zone waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het onderliggende oude beekdal. De blauwe lijn met bufferzone tussen Nij Beets en Tijnje toont de loop van het historische Koningsdiep. Het onderliggende, oudere beekdal is vanaf een punt ten noordwesten van Terwispel niet meer herkenbaar op het AHN.
Op elke categorie volgt hier verdere informatie. In onderstaande afbeelding is schematisch weergegeven waar deze categorieën zich bevinden binnen de gemeente.
97
1. Beekdal met veen In dit relatief laaggelegen deel van het beekdal is ook nu nog een veenlaag aanwezig, die waarschijnlijk al in een vroeg stadium van het Holoceen is gevormd.10 Deze vroege veenbedekking heeft ervoor gezorgd dat de duur van de bewoonbaarheid in dit gebied relatief kort is geweest. Desondanks was het gebied vanwege de nabijheid tot water waarschijnlijk wel aantrekkelijk voor jager-verzamelaars voor het opslaan van kampementen. De verwachting is echter dat zij met name de hoger gelegen delen (dekzandkoppen en dekzandhoogten) opzochten. In deze zone kunnen wel sporen van activiteiten verwacht worden. De nog aanwezige veenlaag heeft een conserverende werking op archeologische resten van organisch materiaal (hout, textiel, leer en in veel gevallen ook botmateriaal). 2. Beekdal zonder veen Het betreft hier de zones binnen een beekdal die in een vroeg stadium van het Holoceen overdekt geraakt zijn met veen, maar waar het veen door oxidatie alweer verdwenen is. Het verdwijnen van het veen is sinds de middeleeuwse ontginningen opgestart maar heeft zich na de negentiende eeuw in snel tempo doorgezet. De vroege veenbedekking heeft ervoor gezorgd dat de duur van de bewoonbaarheid in deze zone relatief kort is geweest, maar iets langer dan in de zone beekdal met veen.
Het gebied was vanwege de nabijheid tot water waarschijnlijk aantrekkelijk voor jager-verzamelaars voor het opslaan van kampementen, maar de verwachting is dat zij met name de hoger gelegen delen (dekzandkoppen en hoogten) opzochten. Ook in dit gebied kunnen sporen van activiteiten verwacht worden, maar de conserverende werking van veen ontbreekt dus. Dit betekent dat in deelgebieden archeologische resten voor zover nog aanwezig bijzonder kwetsbaar geworden kunnen zijn. 3. Oud beekdal met veen Oude beekdalen zijn reeds in de loop van de prehistorie met veen bedekt geraakt. Dit maakt geen verschil voor de verwachtingen aangaande de aanwezigheid van resten uit de oude en middensteentijd. Wel is aannemelijk dat de optelsom van sporen van bouwsels en activiteiten die verband houden met de aanwezigheid van open water geringer is dan in de zones 1 en 2. 4. Oud beekdal zonder veen Het betreft hier specifiek de zones binnen een oud beekdal die in een vroeg stadium van het Holoceen overdekt geraakt zijn met veen, maar waar het veen door oxidatie al weer verdwenen is. Het verdwijnen is sinds de middeleeuwse ontginningen opgestart, maar heeft zich na de negentiende eeuw in snel tempo doorgezet. De vroege veenbedekking heeft ervoor gezorgd dat de duur van de bewoonbaarheid in deze zone relatief kort is geweest, maar iets langer dan in de zone oud beekdal met veen.
Het gebied was vanwege de nabijheid tot water waarschijnlijk aantrekkelijk voor jager-verzamelaars voor het opslaan van kampementen, maar de verwachting is dat zij met name de hoger gelegen delen (dekzandkoppen en -hoogten) opzochten. Ook in dit gebied kunnen sporen van activiteiten verwacht worden. Wel is aannemelijk dat de sporen van activiteiten die verband houden met de aanwezigheid van open water geringer is dan in de zones 1 en 2. Bovendien ontbreekt de conserverende werking van het veen. Dit betekent dat in deelgebieden archeologische resten voor zover nog aanwezig bijzonder kwetsbaar geworden zijn. 10 De aanwezigheid van veen in dit deel van het beekdal is bepaald op grond van de bodemkaart. Ook de
bodemkaarteenheden pZn23 (gooreerdgronden; lemig fijn zand) en pZg21 (beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand) zijn hierbij meegenomen, vanwege de beschermende humusrijke laag die in deze gronden aanwezig is.
98
5. Aandacht voor beekdal Zie de blauwe omlijning op de bovenstaande kaart. Het betreft hier de huidige loop van het Koningsdiep met een buffer. Het Koningsdiep loopt hier door een veenlandschap waarbinnen de veenlaag zo dik is, dat het oudere beekdal niet zichtbaar is op het AHN, zoals verder stroomopwaarts wel het geval is. Het is dan ook niet zinvol hier een specifiek beleidsadvies voor te geven. Daarom is gekozen voor de aanduiding van een zone in de vorm van een raster over de andere adviezen. Bij een onderzoek in een gebied dat valt binnen dit raster wordt gevraagd bijzondere aandacht te besteden aan de mogelijke aanwezigheid van het oudere beekdal. Aan de bekende dekzandkoppen binnen dit raster wordt een hogere verwachting toegekend dan aan dekzandkoppen buiten het raster.
De ruimtelijke begrenzing van de verschillende inhoudelijke basiseenheden in de gemeente Opsterland, buiten de gebieden ingedeeld op basis van pleistoceen reliëf, de beekdalen en de gebieden waar de pleistocene bodem dieper ligt dan 1,2 meter beneden maaiveld.
3. Basiseenheden Buiten de specifiek aan te duiden zones met reliëf (par. 1), de beekdalen (par. 2) en de pleistocene bodems gelegen dieper dan 1,2 m beneden maaiveld (par. 4) zijn voor het grondgebied van Opsterland enkele basiseenheden te onderscheiden, en wel op basis van voornamelijk de bodemkaart, het AHN en aanwezige archeologische informatie. 1. Dagzomend pleistocene gronden met een podzolbodem die naar verwachting grotendeels verstoord is Deze eenheid wordt gevormd door dagzomende pleistocene gronden met een podzolbodem die naar verwachting grotendeels verstoord is. Deze eenheid onderscheidt zich samen met de eenheid 2 van de onder besproken eenheid 3 vanwege de meer nabije ligging van water, de relatief hoge ligging en de aanwezigheid van meer (micro)reliëf. De zones 1 en 2 zijn 99
daarmee aantrekkelijker geweest voor bewoning door jager-verzamelaars dan eenheid 3. Ook kon het gebied waarschijnlijk langer bewoond blijven omdat het pas later overdekt geraakt is met veen, zulks vanwege de hogere ligging en de goede afwatering. 2. Dagzomend pleistocene gronden met een naar verwachting grotendeels verstoorde podzolbodem en die vanwege hun hoge ligging lang bewoonbaar zijn gebleven Omdat verwacht wordt dat het hoogstgelegen deel van de dagzomende pleistocene gronden met podzolbodems het laatst met veen overdekt is geraakt en dus het langst bewoonbaar is geweest, geldt hiervoor een andere verwachting dan voor de aangrenzende iets lager gelegen gebieden met dagzomend pleistoceen besproken onder 1. 3. Grotendeels dagzomend pleistocene gronden, relatief ver van water gelegen en met relatief weinig (micro)reliëf Deze eenheid bestaat uit het gebied met dagzomende dekzandgronden op een pleistocene ondergrond die relatief laag ligt ten opzichte van andere pleistocene bodems met dagzomend dekzand. Het gebied bevat weinig (micro)reliëf en is relatief ver gelegen van water. Om deze redenen is het gebied waarschijnlijk niet erg aantrekkelijk geweest voor jager-verzamelaars. Dit vermoeden wordt bevestigd door het feit dat er weinig archeologische vondsten in dit gebied bekend zijn, terwijl eventuele vondsten toch aan het oppervlak zichtbaar zouden kunnen zijn.
De begrenzing van deze eenheid is mede bepaald aan de hand van het verloop van de 0-NAP-hoogtelijn. Enkele zones met moerig dek die door deze dagzomende dekzandgronden zijn omsloten zijn bij deze eenheid gerekend. 4. Moerige podzolgronden en veengronden met onderliggende podzolbodem Deze eenheid omvat pleistocene gebieden met podzolbodems waarop nog een dunne laag veen aanwezig is, uitgaande van de gedetailleerde bodemkaart die is gemaakt in het kader van de ruilverkavelingen in de jaren ’70. Een deel van dit veen is inmiddels gereduceerd tot een dunne moerige laag. In de pleistocene bodem is (micro)reliëf aanwezig, waarvan de hoogste delen aantrekkelijk waren voor jager-verzamelaars om erop te verblijven. Het gebied is waarschijnlijk voor hen niet lang bewoonbaar geweest, omdat het al vroeg met veen bedekt raakte. De veenlaag of moerige laag heeft echter wel een conserverende werking waardoor eventuele vindplaatsen goed bewaard kunnen zijn gebleven. Bodemkaarteenheden in dit gebied zijn (o.b.v. de gedetailleerde bodemkaart in het kader van de ruilverkavelingen in de jaren ’70): Moerige gronden met duidelijke humuspodzolen: • aWp = moerige podzolgronden met een kleiarme moerige eerdlaag van 15-40 cm. • hWp = moerige podzolgronden met een kleiige moerige eerdlaag van ca 15-40 cm.
• pzWp = moerige podzolgrond met een zanddek met minereale eerdlaag van 10-25 cm • zWp = moerige podzolgrond met een zanddek met eerdlaag van ca 15-40 cm Veengronden met humuspodzol die begint op een diepte van 40-120 cm – mv: • aVp = kleiarme moerige eerdlaag van 10-30 cm • hVp = kleiige moerige eerdlaag van 10-30 cm • zVp = zanddek met eerdlaag van 15-40 cm
100