RV+RB verordeningen ozb en forensen 2026
Tekst van het document
Raadsvoorstel Commissievergadering Titel
: P&C : Verordeningen onroerendezaakbelasting 2026 en forensenbelasting 2026 Portefeuillehouder/Teamleider : Jan van Weperen/Froukje de Wit Extern zaak ID (zaakcode) :
Datum collegevergadering 18 november 2025
Voorgesteld besluit De volgende verordeningen, inclusief de tarieven, vast te stellen: 1. Onroerendezaakbelasting 2026 2. Forensenbelasting 2026
Openbaar Ja, passief via openbaar verslag
Inleiding De verordeningen dienen op basis van artikel 147 Gemeentewet te worden vastgesteld door de raad. Eventuele wetswijzigingen en de wijziging in tarieven kunnen na vaststelling door de raad worden ingevoerd. Onroerendezaakbelasting De onroerendezaakbelasting (ozb) wordt geheven van eigenaren en gebruikers van niet-woningen en de eigenaren van woningen. De grondslag voor elk nieuw belastingjaar is gebaseerd op de waardevaststelling die één jaar ligt voor het kalenderjaar waarvoor die waarde zal worden gebruikt (voor 2026 waardepeildatum 1 januari 2025). De systematiek is als volgt: het berekende tarief volgt uit de ozb-opbrengst te delen door de totale WOZwaarden. Het voorstel is om de volgende definitieve tarieven 2026 vast te stellen: Voorgesteld tarief 2026 Huidig tarief 2025 Eigenarenbelasting woningen 0,0691% 0,0748% Eigenarenbelasting niet-woningen 0,1009% 0,0988% Gebruikersbelasting niet-woning 0,0865% 0,0843% Het tarief bij de ozb eigenaren woningen gaat met 7,7% omlaag. De ozb-opbrengst is verhoogd met de index (voor 2026 2,6%) en areaalverandering. De WOZ-waarden zijn met gemiddeld 11,5% gestegen. De WOZwaarden zijn harder gestegen dan de opbrengst, hierdoor daalt het tarief. Bij de niet-woningen stijgt het tarief voor de eigenaren met 2,2%. De stijging van de WOZ-waarden voor de eigenaren is gemiddeld 0,45%.
Ook hier is de opbrengst aangepast met de indexatie (2,6%). Door de hogere stijging van de opbrengst t.o.v de stijging van WOZ-waarden stijgen de tarieven. Voor de gebruikers niet-woningen stijgt het tarief met 2,6%. Ook hier is de opbrengst aangepast met de index. De WOZwaarden zijn gelijk gebleven. Door de gelijkblijvende WOZ-waarden en de stijging van de opbrengst stijgt het tarief.
In onderstaande tabel is de ontwikkeling van de tarieven en de WOZ-waarden vanaf de laatste tien jaar weergegeven: Tarief Jaar WOZ-waarden Woningen 0,1177% 100 2016 1.858.750.000 0,1145% 97 2017 1.907.073.000 0,1084% 92 2018 2.028.935.000 0,1003% 85 2019 2.195.627.000 0,0977% 83 2020 2.376.994.000 77 2021 2.635.102.000 0,0901% 0,0812% 69 2022 2.983.677.560 0,0800% 68 2023 3.113.832.955 0,0741% 63 2024 3.474.071.750 0,0748% 64 2025 3.550.269.000 0,0691% 59 2026 3.959.488.000
100 103 109 118 128 142 161 168 187 191 213
Eigendom niet woningen
0,0768% 0,0891% 0,0822% 0,0769% 0,0793% 0,0799% 0,0845% 0,0902% 0,0951% 0,0988% 0,1009%
100 116 107 100 103 104 110 117 124 129 131
2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026
462.136.000 404.208.000 427.206.000 457.035.000 465.494.300 472.507.000 458.934.001 443.842.001 437.606.001 435.606.000 437.605.000
100 87 92 99 101 102 99 96 95 94 95
Gebruik niet woningen
0,0678% 0,0781% 0,0710% 0,0693% 0,0717% 0,0708% 0,0696% 0,0745% 0,0793% 0,0843% 0,0865%
100 115 105 102 106 104 103 110 117 124 128
2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026
343.560.000 303.561.000 322.535.000 331.176.001 337.695.302 350.957.000 367.367.001 355.951.001 348.873.001 340.344.000 340.344.000
100 88 94 96 98 102 107 104 102 99 99
Bij de woningen zien we een meer dan verdubbeling van de WOZ-waarden en een verlaging van het tarief van ruim 40%. Bij de niet-woningen (beide voor eigendom en gebruiker) valt op dat de WOZ-waarden over tien jaar nauwelijks zijn veranderd. Het tarief bij de niet-woningen is gestegen met gemiddeld 30% voor beide categorieën als gevolg van de indexatie. Hieronder de aantal objecten niet-woningen: 2022 Incourant 176 Courante niet-woningen (CNW) 745 Agrarisch 351 Totaal 1.272
2023 178 814 350 1.342
2024 181 820 348 1.349
2025 181 811 345 1.337
2026 185 810 344 1.339
Bij de niet-woningen is het areaal de laatste jaren redelijk constant blijkt uit een analyse van de laatste vijf jaar. In 2023 was er een behoorlijke stijging bij de CNW. Dit was een gevolg van een groot aantal nieuwgebouwde bedrijvenunits in Appelscha en Oosterwolde. Gezien dat het areaal niet-woningen de laatste tijd nauwelijks is veranderd en door de aangezwengelde discussie door de heer Leistra van de CU over hoe om te gaan met areaalvermindering hebben wij bij de berekening van het tarief 2026 voor de niet-woningen geen areaaluitbreiding meegenomen. Wij stellen u voor de aantallen te blijven monitoren en zodra er sprake zal zijn van een significante areaalvermindering met een voorstel te komen hoe dit te verwerken. Incourante objecten zijn bijvoorbeeld kerken, gemeentehuis, scholen, sportaccommodaties, zendmasten en trafo’s. En courante niet-woningen zijn kantoren, winkels, bedrijfsruimten. En agrarische objecten zijn onroerende zaken die (deels) worden gebruikt voor agrarische doeleinden, zoals landbouw, veeteelt, tuinbouw of glastuinbouw. Hoe de diverse objecten worden gewaardeerd is opgenomen in de bijlage. Hieruit blijkt ook dat er heel veel factoren een rol spelen om te komen tot een waardering. Forensenbelasting De opbrengst is geïndexeerd (voor 2026 met 2,6%).
Dit leidt tot navolgende tarieven voor 2026 (tussen haakjes de tarieven van 2025 vermeld): caravans/chalets (vaste standplaats) € 140,00 (€ 136,45) woningen op campings waarvan de grond niet in eigendom is € 209,95 (€ 204,65) woningen met een WOZ-waarde van: tot en met € 214.000,00 € 340,35 (€ 331,75) van € 214.001,00 tot en met € 315.000,00 € 457,90 (€ 446,30) van € 315.001,00 tot en met € 525.000,00 € 578,70 (€ 564,05) van € 525.001,00 of meer € 694,25 (€ 676,70) Ten opzichte van de verordening 2025 is de aanpassing in de tarieven de enige wijziging. Toeristenbelasting In de raadsvergadering van 27 juni 2023 is besloten de tarieven, voor de periode 2024-2026, vast te stellen op € 1,65 en € 1,20 per persoon per nacht. Hiermee wordt aangesloten aan het advies van het Recreatieschap Drenthe. Ook is op 27 juni 2023 besloten dat de leeftijd voor vrijstelling van heffing van toeristenbelasting is verhoogd naar een leeftijd tot en met twaalf jaar met ingang van 2024. De verordening hoeft dus niet te worden aangepast. Andere verordeningen De legesverordening, verordeningen afvalstoffenheffing en rioolheffing worden via een apart raadsvoorstel aan u voorgelegd
Kanttekeningen n.v.t.
Financiële toelichting De opbrengsten zijn verwerkt in begroting 2026. De structurele minder opbrengst bij de niet-woningen is dan € 5.500 door niet meer uit te gaan van areaalvermeerdering. Dit wordt dan meegenomen bij de voorjaarsrapportage 2026.
Sustainable Development Goals (SDG’s) In principe levert de vaststelling van de verordeningen geen directe bijdrage aan de SDG’s. De te genereren opbrengst is reeds verwerkt in de begroting als algemeen dekkingsmiddel. En levert hiermee dekking voor alle uitgaven opgenomen in de begroting. En deze uitgaven leveren een bijdrage aan alle SDG’s.
Inwonersparticipatie n.v.t.
Publicatie voor bekendmaking Op 16 december 2025 heeft de gemeenteraad van Ooststellingwerf de volgende verordeningen vastgesteld: de onroerendezaakbelasting 2026 en de forensenbelasting 2026. De verordeningen liggen ter inzage vanaf heden tot en met 16 januari 2026 bij de centrale balie van het gemeentehuis in Oosterwolde.
Vervolg Planning & communicatie 3 december 2025 behandeling in raadscommissie Planning & Control 16 december 2025 behandeling in raadsvergadering december 2025 bekenmaking in het digitale gemeenteblad 18 december 2025 publiceren in de N.O.S (inclusief huis-aan-huisblad) 18 december 2025 bekenmaking via https://www.officielebekendmakingen.nl 16 december 2025 tot en met 16 januari 2026 ter inzagelegging 1 januari 2026 verordeningen treden in werking Evaluatie n.v.t.
Burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf, , secretaris
Bijlagen Bijlage waarderingsmethoden niet-woningen
Geheime stukken n.v.t.
, burgemeester.
De raad van de gemeente Ooststellingwerf; nr. gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november 2025; gelet op gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; overwegende dat, besluit: vast te stellen de volgende verordening: VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ONROERENDEZAAKBELASTINGEN 2026 Artikel 1
1.
2.
3.
Onder de naam ‘Onroerende-zaakbelastingen’ worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2
1. 2.
Belastbaar feit en belastingplicht
Belastingobject
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende
zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4
1.
Vrijstellingen
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
j.
2.
3.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, fietsstallingen, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen, crematoria en aula’s, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5
1.
2. 3.
Belastingtarieven
Het tarief bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor a. gebruikersbelasting niet-woning 0,0865% b. bij de eigenarenheffing 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0691% 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1009% Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,05. Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet opgelegd.
Artikel 6
Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7
1.
2.
3.
Termijnen van betaling
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, vervallende op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening is vermeld. In afwijking van het eerste lid geldt dat, ingeval het totaalbedrag van de onroerendezaakbelastingen of van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerendezaakbelastingen en andere heffingen meer dan € 75,00 bedraagt deze moet worden betaald in twee termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening is vermeld en de volgende termijn op de laatste dag van de maand drie maanden na de dagtekening. Indien voor de betaling van de verschuldigde belastingen een machtiging voor automatische incasso is afgegeven, dienen voor de in het tweede lid genoemde twee termijnen tien gelijke termijnen te worden gelezen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening is vermeld en de volgende termijnen steeds één maand later.
4.
5.
De machtiging voor automatische incasso zoals genoemd in het derde lid, wordt geacht niet te zijn verleend indien gedurende de looptijd van de automatische incasso twee termijnen worden gestorneerd, ofwel indien de incassomachtiging door de belastingschuldige of de rekeninghouder wordt ingetrokken. De termijnen genoemd in het eerste en tweede lid worden in dat geval direct van toepassing. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8
Kwijtschelding
Bij de invordering van de Onroerende-zaakbelasting kan kwijtschelding worden verleend. Artikel 9
Overgangsrecht
De 'Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2025’, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 10 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2026’. Besloten in de openbare vergadering van 16 december 2025.
, griffier.
, voorzitter.
De raad van de gemeente Ooststellingwerf; nr. gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november 2025; gelet op artikel 223 van de Gemeentewet;
besluit: vast te stellen de
VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN FORENSENBELASTING 2026 Artikel 1 Definitie Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam ‘Forensenbelasting’ wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. 2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Artikel 3 Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft. Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld. 2.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken. 3. In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.
4.
5.
De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast. De belasting bedraagt bij een waarde: tot en met € 214.000,00 € 340,35 van € 214.001,00 tot en met € 315.000,00 € 457,90 van € 315.001,00 tot en met € 525.000,00 € 578,70 van € 525.001,00 of meer € 694,25
6.
In afwijking van het in de vorige leden bepaalde bedraagt de belasting voor: a. caravans of chalets met een vaste standplaats voor meerdere jaren 140,00 b. woningen op campings waarvan de grond niet in eigendom is € 209,95
€
Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijn van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening is vermeld en de tweede een maand later. 2. Indien voor de betaling van de verschuldigde belasting een machtiging voor automatische incasso is afgegeven, dient voor de in het eerste lid genoemde twee termijnen drie gelijke termijnen te worden gelezen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening is vermeld en de volgende termijnen steeds één maand later. 3. De machtiging voor automatische incasso zoals genoemd in het tweede lid, wordt geacht niet te zijn verleend indien gedurende de looptijd van de automatische incasso twee termijnen worden gestorneerd, ofwel indien de incassomachtiging door de belastingschuldige of de rekeninghouder wordt ingetrokken. De termijnen genoemd in het eerste lid worden in dat geval direct van toepassing. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van Forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Overgangsrecht De "Verordening Forensenbelasting 2025", laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10 genoemde datum van ingang van de
heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 10
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening Forensenbelasting 2026". Besloten in de openbare vergadering van 16 december 2025.
, griffier.
, voorzitter.