MadR Bijlage b - Toelichting structurele effecten Meicirculaire
Tekst van het document
Bijlage B mededeling aan de raad “Meicirculaire 2022” 1. Toelichting structurele effecten meicirculaire 2022 2022 2023 bedra gen x € 1.000
2024
2025
2026
49.976 55.276 5.300
49.542 55.774 6.232
49.591 56.696 7.105
49.511 52.140 2.629
Decemberciruclaire 2021 Meicirculaire 2022
51.805 54.830 3.025
Correctie incidentele baten AU
-1.048
Structureel gevolg baten AU
1.977
5.300
6.232
7.105
2.629
Analyse structurele baten a Accres, nominale ontw en verleggen basisjaar1.542 b Herverdeeleffect 0 c Suppletie herverdeeleffect 0 d Plafond BCF 178 e Opschalingskorting 0 f Volkshuisvestingsfonds 0 g Woningbouwimpuls 0 h Leerbaarheidstoets inburgering 0 i Valpreventie bij ouderen 0 j Systeemleren 0 k Eigenbijdrag huishoudelijke hulp 0 l Jeugdzorg 0 m Participatie 121 n Hoeveelheidsverschillen 136
4.790 -708 517 0 584 -219 -146 6 -15 7 0 428 -6 62
6.345 -708 135 0 777 -219 -145 6 -22 7 0 -86 8 134
7.182 -708 0 0 972 -215 -145 6 -22 7 -130 -78 -15 251
3.248 -708 0 0 0 0 0 6 -24 7 -132 -49 -30 311
1.977
5.300
6.232
7.105
2.629
De toelichting van de incidentele baten bij de meicirculaire 2022 staat verderop (punt 2). 1a. Accres, nominale ontwikkeling en verleggen basisjaar Via de normeringsystematiek ‘samen trap op en samen de trap af’ wordt de algemene uitkering van het gemeentefonds geïndexeerd, ook wel het accres genoemd. In de meicirculaire 2022 zijn de accressen vanaf 2022 bijgewerkt. De accressen zijn bijgesteld op basis van de Voorjaarsnota 2022. In de jaren 2022 tot en met 2025 zijn de hogere accressen het gevolg van extra rijksuitgaven voor vennootschapsbelasting (Vpb), koppeling AOW aan stapsgewijze verhoging wettelijk minimumloon (WML), inkomensbelasting Box 3 en defensie-uitgaven. Ook is het accres opwaarts bijgesteld als gevolg van een hogere loon- en prijsontwikkeling dan tot nu toe aangenomen. In de Startnota heeft het kabinet aangegeven dat het accres voor 2026 niet is berekend, maar is vastgezet op een taakstellende plus van € 840 miljoen ten opzichte van de septembercirculaire 2021. Verder zijn in deze Startnota twee belangrijke wijzigingen aangekondigd voor het accres: 1. Het accres wordt tot 2025 grotendeels op basis van bestaande afspraken berekend. En een aantal investeringsfondsen (klimaat, ontsluiten nieuwbouwwoningen en stikstof) worden uitgezonderd op de accresrelevante uitgaven (aru).
Het Rijk is in gesprek met de gemeenteen provinciekoepels over het vastzetten van het volumedeel van het accres voor de periode tot en met 2025.
2. Vanaf 2026 zal het gemeentefonds niet langer via de normeringssystematiek geïndexeerd worden. Er wordt geen volume-accres meer verstrekt, alleen nog maar een nominaal accres voor de loon- en prijsontwikkeling. De rijksoverheid neemt in de meerjarenraming een loon/prijsontwikkeling op. Ze raamt dus inclusief inflatie, de uitkeringsfactor geldt tegen lopende prijzen. Veel gemeenten, zo ook de gemeente Ooststellingwerf, ramen echter tegen constante prijzen. Vanaf het jaar T+2 wordt het effect van de inflatie uit de uitkeringsfactor gehaald. In een circulaire die in 2022 verschijnt, is T+2 dus 2024. Deze werkwijze houdt de lastenramingen stabiel. Lasten en baten worden op hetzelfde niveau geraamd (appels worden met appels vergeleken). In deze meicirculaire 2022 wordt het uitkeringsjaar 2023 uitgedrukt in lopende prijzen terwijl dat in september/december 2021 eerst nog in constante prijzen was. Dit wordt het verspringen van het basisjaar genoemd. De nominale groei wordt berekend als index op basis van prijs bruto binnenlands product. Uit dit onderdeel wordt de loon- en prijsontwikkeling aan de lastenkant gedekt (zie bij compensatie punt 3a). Bij de ontwikkeling van de uitkeringsbasis hebben we het over de mutaties van de landelijke aantallen zoals inwoners, woonruimten, leerlingen, uitkeringsgerechtigden enz.
Het te verdelen bedrag neemt niet toe als de hoeveelheid toeneemt, dan zal per maatstaf het maatstafgewicht evenredig moeten dalen. Dit is een ingewikkelde methode dus is er gekozen voor een eenvoudiger oplossing. De uitkeringsfactor. 1b. en 1c. Herverdeeleffect en suppletie herverdeeleffect Hoofddoel voor een nieuw verdeelstelsel was om dat eenvoudig en uitlegbaar te maken en dat beter aansluit bij de noodzakelijke kosten die gemeenten maken (dat was vooral nodig in het sociaal domein). De indeling van de clusters is logischer en globaler gemaakt en het aantal maatstaven is gehalveerd. Op 6 april jl. zijn de Tweede Kamer en gemeenten door de fondsbeheerders geïnformeerd over een nieuwe verdeling van de algemene uitkering met ingang van 1 januari 2023. In de meicirculaire 2022 is het nieuwe verdeelmodel van 2019 geactualiseerd naar de stand van 1 januari 2023. Deze actualisatie betreft de volgende onderdelen: 1. De standen van de gebruikte verdeelmaatstaven zijn geactualiseerd. 2. Alle budgetontwikkelingen die in de periode 2020 tot en met 2022 hebben plaatsgevonden zijn volgens de nieuwe verdeling verwerkt, ook de mutaties uit de meicirculaire 2022 die betrekking hebben op het uitkeringsjaar 2022. 3. Een actuelere gemeentelijke indeling (2022). Het ingroeipad, waarmee de gemeenten naar de nieuwe verdeling ingroeien, wordt beperkt tot 3 jaar.
Het maximale positieve of negatieve effect is in 2023 € 7,50 per inwoner en in 2024 en 2025 € 15 per inwoner. Het maximale positieve of negatieve effect in 2025 bedraagt hierdoor € 37,50 per inwoner. Het herverdeeleffect voor Ooststellingwerf is berekend op € 27,79 negatief per inwoner. Dit betekent dat wij in het derde jaar reeds het maximale negatieve effect hebben bereikt. 1d. Plafond BCF Het BCF-plafond bedraagt € 3,6 miljard voor gemeenten in 2022. Als de gezamenlijke declaraties onder het plafond blijven wordt het verschil in het gemeentefonds gestort. Bij overschrijding van het plafond volgt een uitname. Het plafond muteert jaarlijks met het accrespercentage. In de septembercirculaire 2021 is een voorschot voor het jaar 2021 van € 215,959 miljoen verstrekt. In deze circulaire volgt de afrekening voor het jaar 2021 een plus van € 119,49 miljoen. Gemeenten hebben minder gedeclareerd bij het BCF, waardoor de ruimte onder het plafond groter is geworden. De afrekening over 2021 vindt plaats in 2022 als incidentele compensatie. 1e. Opschalingskorting De opschalingskorting wordt door gemeenten als zeer oneerlijk ervaren omdat het principe van herindelen van bovenaf opgelegd is. De opschalingskorting heeft de gemeenten in de jaren 2015 t/m
2021 cumulatief al € 1,5 miljard gekost en daarnaast € 150 miljoen als gemist accres over de opschalingskorting. De oploop van de opschalingskorting is geschrapt voor de duur van de kabinetsperiode. Het betreft een reeks die oploopt van € 400 miljoen in 2023 naar € 675 miljoen in 2025. Eerder was de oploop van de opschalingskorting al bevroren voor de jaren 2020 tot en met 2022. Dit betekent dat de stand van de opschalingskorting zoals bereikt in 2019 van € 300 miljoen wordt bevroren tot en met 2025. Incidenteel wil zeggen dat de korting in de betreffende jaren (€ 400 miljoen voor 2023; € 135 miljoen voor 2024 en € 140 miljoen voor 2025) wordt teruggeboekt, maar de reeks eindigt wel in een korting van € 975 cumulatief in 2026, zoals voorzien. 1f. Volkshuisvestingsfonds 1g. Woningbouwimpuls In het Coalitieakkoord zijn vanaf 2023 middelen voor woningbouwimpuls (10 x € 100 miljoen) en volkshuisvesting (4 x € 150 miljoen) opgenomen in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK). Gemeenten kunnen daar door middel van een aanvraag een beroep op doen. Ter gedeeltelijke voeding van de SPUK’s is voor de jaren 2023 tot en met 2025 3 * eenmalig € 250 miljoen aan het accres onttrokken. 1h. Leefbaarheidstoets inburgering De leerbaarheidstoets is onderdeel van de brede intake in de Wet inburgering.
De leerbaarheidstoets heeft als doel om inzicht te geven in het niveau van de Nederlandse taal dat een inburgeringsplichtige kan bereiken gedurende de inburgeringstermijn. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets. Concreet betekent dit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het inplannen van de afspraken met de kandidaten voor de afname van de leerbaarheidstoets, het beschikbaar stellen van afnamelocaties en de begeleiding van de afname van de toets. Gemeenten hebben geen rol bij de verwerking of beoordeling van de leerbaarheidstoets. Wij stellen u voor ook deze middelen weer beschikbaar te stellen (zie onderdeel compensatie 3b)P 1i. Valpreventie bij ouderen Het kabinet heeft valpreventie, als kostenbesparende preventiemaatregel, in het Coalitieakkoord opgenomen. Valpreventie draagt bij aan gezond ouder worden en leidt tot netto besparingen in de domeinen Zvw en Wlz. Er dient geïnvesteerd te worden in het opschalen van beweegprogramma’s, het uitvoeren van de multifactoriële interventie en de organisatie van opsporing en screening. De maatregelen die nodig zijn voor implementatie worden komende periode met alle relevante stakeholders, zo ook de gemeenten, uitgewerkt. Dit leidt vanaf 2023 tot een taakstellende besparing in het gemeentefonds: € 10 miljoen in 2023, oplopend naar € 16,667 structureel vanaf 2027.
Wij stellen u voor om deze besparing vanuit het Rijk te verrekenen met het budget WMO (zie onderdeel compensatie 3c) 1j. Systeemleren In de reactie van het kabinet van 15 januari 2021 op het rapport Ongekend onrecht35 van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) is toegelicht dat naast de hersteloperatie voor getroffen ouders en kinderen, ook maatregelen nodig zijn die structureel tot brede verbeteringen in beleid en uitvoering moeten leiden. Onderdeel hiervan is het versterken van de dienstverlening bij alle onderdelen van de overheid, waaronder de gemeenten. Het kabinet heeft besloten voor het versterken van de dienstverlening bij gemeenten en het extra ondersteunen van mensen in kwetsbare posities voor de periode tot en met 2027 € 150 miljoen per jaar beschikbaar te stellen. De bedragen zijn reeds verwerkt in de decembercirculaire 2021 (paragrafen 2.2-3 en 3.2-6). Nu in deze circulaire is in het kader van de versterking van de dienstverlening bij gemeenten sprake van mutaties in de decentralisatie-uitkering Systeemleren. Wij stellen u voor ook deze middelen weer beschikbaar te stellen (zie onderdeel compensatie 3d) 1k. Eigen bijdrage huishoudelijke hulp In het Coalitieakkoord is opgenomen dat dit kabinet werkt aan een aanpassing van de eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp in de Wmo.
De komende periode wordt deze maatregel met cliënten, gemeenten en het Centraal Administratie Kantoor (CAK) uitgewerkt. De maatregel vraagt een wetswijziging en vergt een aanzienlijke implementatietijd waardoor de beoogde datum van inwerkingtreding op 1 januari 2025 is gesteld. De aanpassing dient vanaf 2025 te leiden tot een
taakstellende besparing van € 95 miljoen. De algemene uitkering wordt vanaf 2025 met dit bedrag verlaagd. Wij stellen u voor om deze besparing vanuit het Rijk te verrekenen met het budget (zie onderdeel compensatie 3e) 1l. Jeugdzorg Het kabinet stelt voor 2023 incidenteel middelen beschikbaar voor de jeugdzorg ter compensatie van de tekorten in de jeugdzorg. Het kabinet gaat de komende tijd met gemeenten en andere relevante partijen verder in gesprek over de Hervormingsagenda Jeugd, die moet bestaan uit een combinatie van een set van kostenbesparende maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder jeugdstelsel wordt gerealiseerd. Bij het afsluiten van de Hervormingsagenda zal het kabinet ook besluiten over de extra middelen voor 2024 en verder die aan gemeenten beschikbaar gesteld worden. Het advies van de Arbitragecommissie c.q. de Commissie van Wijzen vormt het uitgangspunt. Voor de jaren 2023 tot en met 2026 hadden het Rijk, de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) afgesproken dat de gemeenten een post mochten opnemen in de begroting van 75% van de nog te ontvangen middelen. De compensatie 2023 is in de meicirculaire 2022 nu volledig gegeven, dus 100%. Het verschil gepresenteerd in de analyse is dan ook het verschil tussen 100% en 75%.
We gaan ervan uit dat de afspraak dat maximaal 75% mag worden opgenomen van kracht blijft, dit is dan ook verwerkt in de cijfers vanaf het jaar 2024. 1m. Participatie De omvang van de integratie-uitkering Participatie wijzigt als gevolg van de toekenning van de loonen prijsbijstelling 2022. De verdeling van de bedragen per gemeente wijzigt in de eerste plaats door actualisatie van de verdeling van de Wsw-middelen. Deze is gebaseerd op de gerealiseerde omvang van de sociale werkplaatspopulatie (gemeten in standaardeenheden (SE) per betalende gemeente) zoals die bekend is uit het voorgaande jaar en een inschatting van de blijfkansen in de sociale werkplaats. De Wsw-verdeling vanaf 2022 is geactualiseerd met de realisaties van het gemiddeld aantal SE in 2021 en de blijfkansen voor de jaren 2022 en verder. 1n. Hoeveelheidsverschillen De maatstaven zijn geactualiseerd naar de laatst bekende gegevens. Dit leidt dan tot hoeveelheidsverschillen.
2. Incidentele baten meicirculaire 2022
a b c
bedra gen x € 1.000
2022
2023
2024
2025
2026
Energietoeslag Gezond in de stad Uitvoeringskosten klimaatakkoord
828 14 206
0 0 0
0 0 0
0 0 0
0 0 0
1.048
0
0
0
0
2a. Energietoeslag Op 15 maart 2022 is het wetsvoorstel eenmalige energietoeslag lage inkomens ingediend bij de Tweede Kamer. Met het wetsvoorstel krijgen gemeenten de bevoegdheid om dit jaar via categoriale bijzondere bijstand een eenmalige tegemoetkoming voor de gestegen energieprijzen toe te kennen aan huishoudens met een laag inkomen. De bedragen van € 800 per huishouden zijn leidend. Minister Schouten heeft aangegeven dat gemeenten gecompenseerd worden als ze tekort komen. Via mededeling aan de raad #1112 bent u geïnformeerd over de uitvoering van de regeling. Het bedrag wordt dan ook aan de lastenkant van de begroting opgenomen (zie compensatie 3f). 2b. Gezond in de Stad (GIDS)
In de septembercirculaire 2021 zijn voor 2022 middelen toegekend in verband met de verlenging van het stimuleringsprogramma Gezond in de Stad (GIDS). In deze circulaire wordt het bedrag verhoogd met € 4,6 miljoen. Het programma geeft de geselecteerde gemeenten extra ruimte om de gezondheid van mensen in een lage sociaaleconomische positie structureel en duurzaam te verbeteren. Voorgesteld wordt om ook dit bij de lasten op te nemen (zie compensatie 3g). 2c. Uitvoeringskosten klimaatakkoord Vanaf 2023 tot en met 2030 krijgen gemeenten meer uitvoeringsmiddelen voor klimaat- en energiebeleid. Om de uitvoering van het bestaande klimaatbeleid in 2022 te kunnen voortzetten, ontvangen gemeenten in 2022 een overbruggingsbudget van € 40 miljoen. Dat is onvoldoende om de reeds in 2022 gewenste versnelling teweeg te brengen. Over de resterende middelen die in het Coalitieakkoord zijn gereserveerd voor de uitvoeringskosten van medeoverheden voor het klimaatakkoord en aanvullend klimaatbeleid vinden nog gesprekken plaats tussen onder andere VNG, IPO en het Rijk. Ook hier stellen wij voor dit weer beschikbaar te stellen (zie compensatie 3h).
3. Voorgestelde compensatie
a b c d e f g h
bedra gen x € 1.000
2022
2023
2024
2025
2026
Loon-/prijsontwikkeling Kaderbrief Leerbaarheidstoets inburgering Valpreventie bij ouderen Systeemleren Eigen bijdrage huishoudelijke hulp Energietoeslag Gezond in de stad Uitvoeringskosten klimaatakkoord
0 0 0 0 0 -828 -14 -206
-1.900 -6 15 -7 0 0 0 0
-1.900 -6 22 -7 0 0 0 0
-1.900 -6 22 -7 130 0 0 0
-1.900 -6 24 -7 132 0 0 0
-1.048
-1.898
-1.891
-1.761
-1.757
Uitgesplitst naar structureel en incidenteel Compensatie structureel 0 Compensatie incidenteel -1.048 -1.048
-1.898 0 -1.898
-1.891 0 -1.891
-1.761 0 -1.761
-1.757 0 -1.757
3a. Loon-/prijsontwikkeling (uitgangspunt kadernota 2023-2026) In de Kaderbrief 2023-2026 staan onder punt 3 de uitgangspunten voor de Programmabegroting 2023-2026. Het uitgangspunt voor de loonontwikkeling (inclusief pensioenpremie) is gezet op 3,4%. Op basis van de loonbegroting 2022 (inclusief OWO-onderdelen) is dan het bedrag waarmee rekening moet worden gehouden € 655.000 structureel. Ook de subsidies en een aantal budgetten bij het Sociaal Domein worden aangepast met de loon- en prijsontwikkeling. Dit schatten we in op totaal € 720.000. Dit kan dan worden verminderd met de te verwachten index bij de belastingen ad € 75.000. Ook is nu hier prijscompensatie meegenomen voor budgetten, die niet automatisch worden geïndexeerd. Hier gaat het dan om budgetten voor onderhoud, energie etc. Dit is berekend op € 600.000. 3b. Leerbaarheidstoets inburgering Zie het gestelde onder 1h.
3c. Valpreventie bij ouderen Zie het gestelde onder 1i. 3d. Systeemleren Zie het gestelde onder 1j. 3e. Eigen bijdrage huishoudelijke hulp Zie het gestelde onder 1k. 3f. Energietoeslag Zie het gestelde onder 2a. 3g. Gezond in de stad Zie het gestelde onder 2b. 3h. Uitvoeringskosten klimaatakkoord Zie het gestelde onder 2c.