Bijlage 8 Toezeggingen
Tekst van het document
Bijlage 8 Toezeggingen wethouder Hijlkema n.a.v. van vragen tijden themaraad d.d. 12 april 2021 -
De gestelde vragen te beantwoorden over de relatie geurbeleid en “de rood voor rood regeling”; Na te gaan hoe andere gemeenten zijn omgegaan om tot een goede onderbouwing te komen; Uit te zoeken hoe bestaande rechten blijven gelden bij het treffen van voorzieningen.
“Rood voor rood regeling” gemeente Ooststellingwerf De meeste provincies en gemeenten hebben een ruimte voor ruimte regeling. De voorwaarden kunnen per gemeente verschillen. Er zijn echter wel belangrijke criteria die je vaak ziet terugkomen: Het moet gaan om ontsierende bebouwing. De agrarische bestemming en de rechten om vee te houden komen te vervallen. Er geldt een minimaal oppervlakte dat gesloopt moet worden. In Ooststellingwerf moet bijv. minimaal 1000 m2 gesloopt worden. Zie artikel 49, lid 3 Algemene wijzigingsregels van het Bestemmingsplan Buitengebied 2016. Vaak kan er gesaldeerd worden, dat wil zeggen dat sloopmeters van verschillende locaties samengevoegd kunnen worden. Uiteindelijk moet het landschap er mooier van worden, dus er worden eisen gesteld aan het plan. Sommige provincies kennen een fonds of coördinatieregeling waarbij bijzondere regelingen gelden. De nieuw te bouwen woning met gebouwd worden op de locatie van de gesloopte schuren. Rood voor rood regeling en de Wgv Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is voor woningen die in kader van Rood voor Rood op het bouwblok wordt gerealiseerd een minimale afstand van 50 meter voldoende als de woning buiten de bebouwde kom wordt gerealiseerd en 100 meter voor woningen die binnen of aansluitend aan de bebouwde kom worden gerealiseerd.
In de overige situaties moet voldaan worden aan de geurnormen zoals die in de Wet geurhinder en veehouderij worden aangegeven. Voor een nietreconstructiegebied gelden strengere normen dan voor het reconstructiegebied. Conclusie De Wet geurhinder en veehouderij is van toepassing. In situaties waarbij de nieuwe woning gebouwd wordt op het bouwblok is geen beoordeling van de geurnorm noodzakelijk. Er zijn dan minimaal aan te houden afstanden van toepassing. De afstandsmeting dient plaats te vinden tot de rand van het bouwblok van de omliggende veehouderijbedrijven.
Goede onderbouwing geurverordening Er is onderzoek gedaan naar een juiste beargumentering om tot een goed en juridisch houdbaar besluit te komen. Deze zal bij de besluitvorming in de raad het raadvoorstel worden opgenomen.
Bestaande rechten bij het treffen van voorzieningen Artikel 3, lid 3 en 4 van de Wet geurhinder en veehouderij zegt het volgende hierover:
Bij overbelaste situaties is uitbreiding mogelijk onder voorwaarden. Lid 3 geeft het Stand-still principe aan en lid 4 geeft de 50/50 regeling aan. (Stand-still) De Wgv kent geen 'saneringsverplichting' - veehouders met bestaande overbelaste situaties hoefden deze niet direct na inwerkingtreding van de Wgv actief ongedaan te maken (aldus de Memorie van Toelichting). Met dat uitgangspunt is het begrijpelijk, dat het verlenen van een omgevingsvergunning milieu mag, als de aanvraag niet ‘geurrelevant' is. Dat wil zeggen: als verlening van de omgevingsvergunning milieu niet leidt tot toename van de geurbelasting en niet tot een toename van het aantal dieren. Ook al is de geurbelasting in odour units te hoog. Dit kan bijvoorbeeld spelen als de aanvraag niet ziet op het wijzigen van het aantal dieren en het stalsysteem, maar het zou ook kunnen spelen bij wijziging van een stalsysteem (lagere geurbelasting). Eén van de twee voorwaarden is dat het aantal dieren 'van een of meer diercategorieën' niet toeneemt. Dat betekent dat uitbreiden in dieren met geuremissiefactoren niet mogelijk is, tenzij de veehouder de 50/50-regeling toepast. Uitbreiden in dieren zonder geuremissiefactoren kan wel mogelijk zijn omdat u dit apart moet beoordelen.
50/50-regeling Voorwaarde van de 50/50-regeling is dat de veehouder een geurbelasting reducerende maatregel toepast, zodat de geurbelasting vermindert. De overbelaste situatie blijft bestaan, alleen in mindere mate. Deze zogenoemde 50/50-regeling komt op het volgende neer: u bepaalt op grond van het aantal vergunde dieren het effect van de te treffen geurbelasting reducerende maatregel. Maximaal de helft van dit effect mag de veehouder gebruiken voor uitbreiding van het vee bestand, de andere helft komt ten goede aan het geurgevoelig object (vermindering geurbelasting). Als de veehouder bij de aanvraag om omgevingsvergunning niet de hele toegestane uitbreiding benut, houdt niet in dat hij de rest van deze uitbreiding op een later tijdstip kan gebruiken. Als hij daarna een aanvraag indient, moet deze weer voldoen aan de eisen van de Wgv.