CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerp-vvgb Brink 4 Oosterwolde21.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Oosterwolde - Brink 4 Ooststellingwerf

DATUM IMRO IDN

15-09-2022 NL.IMRO.0085.20211611-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Omgevingsvergunning C. Tasma

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Bouwe Blinder bv 20211611

AUTEUR STATUS

M. van Putten ontwerp

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging projectgebied

6

1.3

Planologische regeling

6

1.4

Leeswijzer

7

Huidige en toekomstige situatie

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Beschrijving initiatief

10

2.3

Verkeer en parkeren

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

12

3.1

Rijksbeleid

12

3.2

Provinciaal beleid

14

3.3

Gemeentelijk beleid

14

Milieu- en omgevingsaspecten

20

4.1

Milieuzonering

20

4.2

Geluid

21

4.3

Ecologie

22

4.4

Water

23

4.5

Bodem

24

4.6

Archeologie

25

4.7

Cultuurhistorie

26

4.8

Luchtkwaliteit

27

4.9

Externe veiligheid

28

4.10

Kabels, leidingen en zoneringen

30

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

31

Uitvoerbaarheid

32

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

32

5.2

Economische uitvoerbaarheid en grondexploitatie

32

Afweging en conclusie

33

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

3/241

6.1

Aanleiding

33

6.2

Afweging

33

6.3

Conclusie

33

Bijlagen

35

Bijlage 1

Aerius-berekening

37

Bijlage 2

Quickscan Soortbescherming

49

Bijlage 3

Watertoets

73

Bijlage 4

Bodemonderzoek

81

4/241

Ruimtelijke onderbouwing

5/241

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Brink 4 in Oosterwolde (Fryslân) in de gemeente Ooststellingwerf bevindt zich een winkelpand. De eigenaar wil het pand slopen en daarvoor in de plaats een zestal appartementen met bijbehorende voorzieningen realiseren. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met de bouw- en gebruiksmogelijkheden zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. De gemeente is echter bereid om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van een uitgebreide omgevingsvergunning, conform artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt aan de Brink in Oosterwolde. Het projectgebied is kadastraal bekend als gemeentecode OTW02, sectie A en kadastraal perceel 6663. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied in Oosterwolde en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 1.1 Ligging van het projectgebied in Oosterwolde waarbij het projectgebied is aangegeven met een rood kader (Bron: Pdokviewer).

1.3

Planologische regeling

1.3.1 Algemeen Het projectgebied ligt in de beheersverordening 'Oosterwolde 2014' welke op 20 mei 2014 is vastgesteld door de gemeenteraad van Ooststellingwerf. Op basis van de beheersverordening heeft het projectgebied de bestemming 'Bestaand' met een besluitsubvlak 'gemengd 2' en een bouwvlak met een maximale goot- en bouwhoogte. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de geldende beheersverordening weergegeven. Met rode omlijning is de begrenzing van het projectgebied indicatief aangegeven.

6/241

Afbeelding 1.2 Uitsnede geldende beheersverordening waarop met een rood kader het projectgebied is weergegeven (bron: ruimtelijke plannen.nl) 1.3.2 Beschrijving bestemmingen Bestemming bestaand De binnen het verordeningsgebied gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaand gebruik. Waarbij ter plaatse van het besluitsubvlak 'gemengd 2' de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik ook mogen worden gebruikt voor het wonen in de vorm van vrijstaande, aaneengebouwde, gestapelde- of bovenwoningen, met dien verstande dat bij wijziging naar wonen maximaal 1 woning per hoofdgebouw is toegestaan. Ter plaatse van de besluitsubvlakken 'bouwvlak' mogen nieuwe gebouwen worden gebouwd en bestaande gebouwen worden uitgebreid waarbij de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen maximaal de ter plaatse aangegeven hoogte betreft. 1.3.3 Strijdigheid Het realiseren van het appartementencomplex op de beoogde locatie is niet in overeenstemming met de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Het gebouw wordt deels buiten het bouwvlak gerealiseerd en er wordt een zestal appartementen toegestaan. Door middel van een omgevingsvergunning conform artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgeweken van het bestemmingsplan waarmee de voorliggende ontwikkeling mogelijk gemaakt wordt.

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en beschrijving van het initiatief en de landschappelijke inpassing. In Hoofdstuk 3 wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling getoetst aan de milieu-omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 behandelt de uitvoerbaarheid van het project. Tot slot bevat Hoofdstuk 6 de conclusie.

7/241

8/241

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en toekomstige situatie

Huidige situatie

Het projectgebied ligt in het dorp Oosterwolde aan het plein de Brink. De Opsterlandse Compagnonsvaart die deel uitmaakt van de Turfroute, doorsnijdt het dorp dat is ontstaan uit de samenvoeging van een paar brinken. Oosterwolde heeft zich in de 19e eeuw met name ontwikkeld langs de vaart waar de meeste nijverheid plaatsvond. Vanaf de Opsterlandse Compagnonsvaart is een kanaal gegraven naar de Oostenbrink toe. Aan het plein bevindt zich een winkelpand met een tweede etage. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven. In afbeelding 2.2 is een vooraanzicht van het winkelpand weergegeven.

Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie (Bron: kadastrale kaart)

Afbeelding 2.2 Aanzicht projectgebied (Bron: Google.streetview.nl)

9/241

2.2

Beschrijving initiatief

Het project voorziet in een appartementengebouw met zes appartementen en bijbehorende bergingen en parkeerplaatsen. De zes appartementen worden gerealiseerd voor de koopsector (middelduur segment). Met de ontwikkeling wordt ingezet op verbeteren van deze karakteristieke hoek van Oosterwolde zowel esthetisch als kwalitatief. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een passende architectuur, met een knipoog naar de bedrijvigheid in het verleden op deze locatie (koperslager, drukkerij, herberg en gemeentehuis), hetgeen terugkomt in de naamgeving van het nieuwe pand. In afbeelding 2.3 is het aanzicht van het beoogde appartementencomplex weergegeven. In afbeelding 2.4 de plattegrond.

Afbeelding 2.3 Aanzicht gewenste appartementencomplex (Bron: VMEZ Architecten)

10/241

Afbeelding 2.4 Plattegrond begane grond appartementencomplex (Bron: VMEZ Architecten)

2.3

Verkeer en parkeren

Voor parkeren geldt als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost dient te worden. Dit dient overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm te geschieden. Voor appartementen geldt een minimale parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning op eigen terrein. Dit houdt in dat er 8 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. In het projectgebied worden 6 parkeerplaatsen gerealiseerd, één voor elk appartement. Een klein deel van deze 6 parkeerplaatsen wordt gerealiseerd op gemeentegrond. Hiervoor zijn separate afspraken gemaakt tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Dit is via een anterieure overeenkomst geborgd. Gezien de beperkte ruimte op eigen terrein moeten de overige 2 parkeerplaatsen opgevangen worden in de omgeving. Hiervoor is voldoende ruimte aangezien de parkeervraag vanuit de vigerende winkelfunctie circa 17 parkeerplaatsen betreft. Deze parkeervraag is altijd opgevangen in de omgeving. Met de nieuwe functie worden maar 2 parkeerplaatsen opgevangen in de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook de parkeerdruk in de omgeving verlaagd. Gelet hierop wordt in voldoende mate rekening gehouden met de parkeerbehoefte. De ontsluiting van het projectgebied is op de Rijweg. Aan deze weg hebben de appartementen een parkeerplaats en deze sluit daarmee aan op de doorgaande weg.

Conclusie Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke motivering besloten ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat de bestaande ontsluiting en wegenstructuur geen belemmering vormen voor de eventuele extra verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

11/241

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd: a. Druk op de ruimte in het landelijk gebied vraagt om gezamenlijke keuzes; b. Benutten van de brede effecten van de energietransitie; c. Economisch perspectief ten aanzien van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw; d. Toekomstgerichte bereikbaarheid van Noord-Nederland; e. Versterken Stedelijk Netwerk Noord-Nederland; f. Toekomstkracht voor gebieden met bevolkingsdaling en sociaaleconomische achterstand; g. Water als verbindende schakel in klimaatadaptieve maatregelen;

12/241

h. Waarborgen van de omgevingskwaliteit. 2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. Conclusie Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectiever inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. Gelet op de voorliggende ontwikkeling past de ontwikkeling binnen de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de ladder is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toetsing In dit geval worden binnen het bestaand stedelijk gebied planologisch gezien zes woningen toegevoegd. Momenteel is in jurisprudentie de lijn aanwezig dat een woningbouwproject vanaf 12 woningen wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend project is geen stedelijke ontwikkeling en verder niet ladderplichtig.

13/241

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 wordt uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met negen principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. De insteek om de ambities te realiseren, is niet door verandering tegen te houden, maar door de gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. De planontwikkeling past binnen het principe van zuinig ruimtegebruik, omdat het om een inbreidingslocatie gaat waarbij een verouderd winkelpand wordt gesloopt en plaats maakt voor een nieuw gasloos gebouw. Daarnaast neemt het aantal vierkante meters winkeloppervlakte af. 3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014 Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Indien dit niet mogelijk is, kan aansluitend op bestaand stedelijk gebied een uitbreidingslocatie worden toegestaan. Volgens de verordening valt de locatie binnen het bestaande stedelijke gebied. Hier kunnen stedelijke functies, zoals wonen, toegevoegd worden. Artikel 3.1.1 van de provinciale verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Het plan is echter niet opgenomen in het woonplan, maar van het bepaalde in lid 1 van artikel 3.1.1 kan worden afgeweken als het woningbouwproject niet meer dan 11 woningen bevat binnen het bestaand stedelijk gebied. Met het wijzigen van het gebruik om het appartementencomplex mogelijk te maken worden niet meer woningen dan 11 toegevoegd aan het huidige woningbestand. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.

3.3

Gemeentelijk beleid

Het beleid ten aanzien van de ruimtelijke inrichting voor de gemeente Ooststellingwerf is vastgelegd in verschillende beleidskaders. Hieronder is een overzicht geplaatst met de verschillende op het plan van toepassing zijnde beleidskaders.

14/241

3.3.1 Omgevingsvisie Ooststellingwerf Op 23 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Ooststellingwerf vastgesteld. De Omgevingsvisie is de visie van de gemeente op de leefomgeving en vervangt de gemeentelijke structuurvisie. De visie laat zien wat het toekomstbeeld is voor de openbare ruimte in de gemeente. Voor de kern Oosterwolde, waar het projectgebied zich bevindt, zet de gemeente in op de volgende ambities: Ambitie 1 - Uniek Ooststellingwerf Behouden van het unieke karakter van het landschap met esdorpen en beekdalen; Versterken van de recreatieve mogelijkheden in het gebied. Ambitie 2 - Vitaal Ooststellingwerf Reguliere eerste- en tweedelijns zorgfuncties in Oosterwolde; Behouden van de sportvoorzieningen en de regionale functie daarvan; Het bieden van voldoende passende woningen; Extra mogelijkheden voor het bouwen van woningen. Ambitie 3 - Bruisend Ooststellingwerf Het versterken van Oosterwolde als regionaal koopcentrum; Ontwikkeling van Ecomunitypark en zo nodig andere bedrijventerreinen; Nieuwe kleinschalige verblijfsrecreatie die toegevoegde waarde heeft voor het gebied; Een sterke, toekomstbestendige agrarische sector. Ambitie 4 - Bereikbaar Ooststellingwerf Goede regionale bereikbaarheid van de gemeente. Ambitie 5 - Toekomstbestendig Ooststellingwerf Ecomunitypark beter op de kaart zetten; Het Biosintrum kloppend hart van de biobased economy.

Voor het voorliggend project is voornamelijk ambitie twee ten aanzien van woningbouw van belang. Waarbij in het kader van de centrumontwikkeling ruimte is om door functieverandering en inbreiding woningen toe te voegen. Het voornemen sluit hierop aan. 3.3.2 Gebiedsvisie Oude Dorp Oosterwolde Op 25 september 2018 heeft de gemeenteraad de gebiedsvisie Oude Dorp Oosterwolde vastgesteld. In de gebiedsvisie staat de ontwikkelingsrichting voor het centrum van Oosterwolde. Het uitgangspunt voor de ontwikkelingsrichting zijn de bestaande functies en kwaliteiten van het gebied. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van het eigen, authentieke karakter van het gebied. Het is het oudste deel van Oosterwolde en juist in die positie van 'historisch hart' onderscheidt het zich van het kernwinkelgebied ten zuiden van de vaart, wat meer het economische centrum is. Op basis van de ruimtelijke kwaliteiten en huidige functies worden vier invullingen gezien als kansrijk en

15/241

passend in het gebied. Niet elke functie past op elke plek. Er wordt een aantal deelgebieden onderscheiden waarbinnen (een mix van) bepaalde functies wenselijk is. Versterking van recreatie en toerisme. Dit is vooral kansrijk en meest gewenst langs het water van de Opsterlandse Compagnonsvaart en 't Wijkje en aan de Brink; Een verdere ontwikkeling als maatschappelijk hart met voorzieningen op het gebied van zorg, educatie en welzijn, met name in het centrale gebied rond de Brink; Ambacht en ondernemerschap, van oudsher reeds aanwezig langs de Opsterlandse Compagnonsvaart, Brinkstraat en 't Oost. Dergelijke bedrijvigheid past, ook in combinatie met een winkelfunctie, in het gebied waar van oudsher langs de vaart wordt gewerkt. Er kan onderscheid gemaakt worden in publieksgerichte en niet-publieksgerichte bedrijven. De publieksgerichte activiteiten zijn bij voorkeur bij elkaar geclusterd, zodat ze van elkaars nabijheid kunnen profiteren. Wonen. Door de ruimtelijke kwaliteiten (water, groen) en de centrale ligging dichtbij voorzieningen is het gebied voor meerdere doelgroepen en woningtypen een interessant woonmilieu (o.a. senioren, starters, woon/werkcombinaties).

16/241

Afbeelding 3.1 Uitsnede gebiedsvisie Oude Dorp Oosterwolde (Bron: gemeente Ooststellingwerf) Strategische ontwikkelingslocaties Aan elk van de historische knooppunten is een pand aanwezig dat voor de uitstraling en functioneren van het knooppunt belangrijk is maar nu een matige uitstraling en/of invulling heeft. Aan de Compagnonsvaart is dat het pand van het voormalige Chinees restaurant, aan de Brink het leegstaande pand op de noordoosthoek en aan de Oostenburg de voormalige drukkerij. Deze panden liggen op strategische locaties die beeldbepalend zijn. Het is dan ook gewenst te streven naar een goede herinvulling/herontwikkeling van deze panden, passend bij de beoogde functie van het betreffende knooppunt. Toetsing aan de gebiedsvisie Volgens de gebiedsvisie 'Oude dorp Oosterwolde' heeft de meeste bebouwing rondom de historische knooppunten de Brink en Oostenburg weinig architectonische en stedenbouwkundige uitstraling. Het huidige gebouw misstaat in feite op deze plek. Het vormt door de lage en brede bouw geen fraaie afronding van deze

17/241

hoek van het plein. Een hoger gebouw met meer architectonische kwaliteit doet beter recht aan deze historische plek in Oosterwolde. Het gebouw is hoger en breder dan de naastgelegen bebouwing aan 't Oost. Hiermee markeert het de hoek en vormt het een duidelijke beëindiging van deze kant van het plein. De twee gevels die vanaf het plein zichtbaar zijn (aan 't Oost en Rijweg) zijn samen een eenheid (gelijkvormige gevels) en vormen zo een sterk beeld van een robuust gebouw. De oostgevel staat haaks op de Rijweg en de eerste helft van die gevel (linkerzijde) heeft in materiaal en indeling gelijkenis met de westelijke gevel die parallel aan de Rijweg ligt en biedt daarmee kwaliteit. Wanneer je vanuit de Rijweg de Brink nadert ervaar je juist ook deze gevel. Het verschil is dat deze gevel de verhoogde top met een woord daarin mist. Dit past omdat deze gevel in plek ondergeschikt is aan de pleingerichte gevels. Het rechterdeel van de zuidgevel is in houtwerk uitgevoerd, wat aansluit bij het materiaal van de iets van de weg terug liggend gebouw met daarin de bergingen. 3.3.3 Raadsprogramma 2018-2022 en Uitvoeringsprogramma 2018-2022 In het Raadsprogramma is aangegeven dat met betrekking tot wonen inbreiding voor uitbreiding gaat en dat daarbij voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit wordt gekozen. In het uitvoeringsprogramma is het Raadsprogramma uitgewerkt.

Hierin is aangegeven dat nieuwe woningbouwplannen zorgvuldig worden afgewogen. Hiervoor is een Afwegingskader woningbouw Ooststellingwerf opgesteld. De focus ligt daarbij onder andere op duurzaamheid. In paragraaf 3.3.5 wordt hier nader op ingegaan. 3.3.4 Woon(zorg)visie 2022-2026 (CONCEPT JANUARI 2022 wordt het besproken in de raad) De Woonvisie is een uitwerking en verdieping van de Omgevingsvisie en werkt de opgaven en ambities op het thema wonen uit naar beleid. De visie moet het langer en weer zelfstandig thuis wonen vormgeven. De gemeente wil de visie integreren in het woonbeleid om zo een integrale visie op het wonen te creëren. In de woonvisie is per kern de woningbehoefte weergegeven. Hieronder wordt ingegaan op de woningbehoefte voor de kern Oosterwolde. Centrum: Oosterwolde Oosterwolde is het grootste dorp in de gemeente. Hier richt de behoefte zich vooral op het toevoegen van appartementen of andere typen levensloopbestendige woningen (bijvoorbeeld hofjeswoningen) in het sociale en het koopsegment. Ook is er behoefte aan enkele eengezinswoningen in de particuliere huursector. Tot slot zijn er mogelijkheden om grondgebonden koopwoningen tot € 200.000 en tot € 300.000 toe te voegen voor starters en gezinnen en is er een kleine behoefte aan enkele grondgebonden koopwoningen boven de € 300.000 voor jonge doorstromers en vestigers van buiten de gemeente.

Toetsing aan de Woon(zorg)visie Met de voorgenomen ontwikkeling worden appartementen in het oude centrum van Oosterwolde gerealiseerd. De appartementen worden gebouwd voor de doelgroep lokale vitale senioren. Het betreft zes toegankelijke appartementen in de koopsector (middelduur segment). Hiermee sluit de ontwikkeling aan op de woon(zorg)visie om appartementen in een van de grotere dorpen te realiseren in de koopsector.

18/241

3.3.5 Afwegingskader woningbouw Ooststellingwerf Op 29 januari 2019 is het Afwegingskader woningbouw gemeente Ooststellingwerf versie 1.3 door de raad vastgesteld. Er zijn in de gemeente veel plannen, initiatieven, ideeën en (potentiële) locaties voor nieuwbouw. Deze plannen nemen meer in dan de ruimte die regionaal is afgesproken voor de uitbreiding van de woningvoorraad in de gemeente. Met dit Afwegingskader wordt getoetst in hoeverre bouwplannen passen in de visie en de (kwantitatieve) ruimte die er in een bepaalde periode beschikbaar is. Het Afwegingskader past binnen de landelijke en provinciale wet- en regelgeving, de ladder voor duurzame verstedelijking en de Verordening Romte Fryslân 2014. In het Afwegingskader is één van de kernopgaven het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Verder wordt aangegeven dat de uitbreidingsbehoefte in de periode tot en met 2025 plaatsvindt in de drie hoofdkernen waarvan Oosterwolde er één is. Plannen binnen de bebouwde omgeving (bestaand stedelijk gebied) hebben de voorkeur boven bouwen buiten de bebouwde kom (landelijk gebied). Inbreiding gaat boven uitbreiding. Het college staat positief tegenover kleine particuliere initiatieven. Toetsing aan het afwegingskader Met het voorgenomen plan wordt een leegstaand winkelpand met bovenwoning in bestaand stedelijk gebied gesloopt en komen er zes appartementen voor in de plaats.

De locatie bevindt zich aan de Brink in de kern Oosterwolde en betreft dan ook een inbreidingslocatie. Het nieuwe appartementengebouw wordt daarnaast gasloos gerealiseerd. Conclusie Uit het bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling binnen de beleidsuitgangspunten van levensloopbestendigheid, inbreiding en duurzaamheid past. Bovendien ligt de locatie in de kern Oosterwolde, waardoor het initiatief voldoet aan de gemeentelijke randvoorwaarden.

19/241

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

In een ruimtelijke onderbouwing moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke motivering vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. Bij het beoordelen van milieu- en omgevingsaspecten wordt ingegaan op de volgende thema's: geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie en archeologie & cultuurhistorie. Daarnaast is de waterhuishouding van belang.

4.1

Milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Hiervoor worden een drietal gebiedstypen van elkaar onderscheiden namelijk 'rustige woonwijk', 'gemengd gebied' en 'gebieden met functiemenging'. Gebieden met functiemenging Hier kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gelegen zijn of worden gesitueerd. In deze gebieden is het niet goed mogelijk om functiescheiding toe te passen. Denk bijvoorbeeld aan stads- en wijkcentra, horecaconcentraties en woongebieden met kleinschalige c.q.

ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om meer levendigheid tot stand te brengen. De richtafstandenlijst is voor gebieden met functiemenging niet toepasbaar. Voor deze gebieden heeft de VNG een "Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging". Hierin zijn alle milieubelastende activiteiten opgenomen, die in principe in een gebied met functiemenging kunnen worden toegelaten. De milieubelastende activiteiten zijn ingedeeld in categorie A, B of C. A. Activiteiten die zo weinig milieubelastend voor de omgeving zijn, dat ze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven zijn hiervoor voldoende. B. Activiteiten in gemengd gebied met een zodanige milieubelasting voor de omgeving, dat ze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats moeten vinden. C. Activiteiten die door hun verkeersaantrekkende werking op een goede ontsluiting op de hoofdinfrastructuur

20/241

zijn aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden samengevat de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen overdag plaats; activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten met een hoge vervoersintensiteit moeten beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft een zestal appartementen en is daarmee een milieugevoelige functie. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Ooststellingwerf waar sprake is van functiemenging. De toekomstige functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake. In de nabije omgeving bevinden zich diverse centrumfuncties, waaronder horeca- en detailhandelsbedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Zo is aanpandig een elektronicawinkel aanwezig. Aan de overzijde van de straat een snackbar en een apotheek. Deze bedrijven vallen in categorie A, waarvoor geldt dat de eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding van wonen en bedrijven voldoende zijn. Het nieuwe appartementengebouw wordt bouwkundig afgescheiden van de aangrenzende bebouwing, waarmee wordt voldaan aan de hiervoor gestelde eis.

Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Omgekeerd levert de woonfunctie geen beperking op voor de bedrijfsvoering van de hiervoor genoemde functies. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.2

Geluid

Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. Onderzoek Een woning betreft een geluidsgevoelig object. Het projectgebied ligt in 'binnenstedelijk' gebied waarbij op de omliggende wegen een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. In dit geval wordt het bestaande pand gesloopt en komen er een zestal appartementen voor in de plaats. Bij wegen waar een 30 km/uur-zone aanwezig is geldt artikel 74.2 van de Wgh. Daarin is aangegeven dat bij wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur geen

21/241

wettelijke voorwaarden gelden. In de omgeving van het projectgebied is daarnaast geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Ook spoorwegen komen niet voor in de nabijheid van het projectgebied. Het aspect railverkeerslawaai kan dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Gelet op de locatie wordt ervan uitgegaan dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Naar verwachting zal ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek met betrekking tot wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3

Ecologie

Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen de 'Drents-FriesWold & Leggelderveld' en het 'Fochteloërveen'. Die liggen op meer dan 3,5 km van het projectgebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd welke opgenomen is in bijlage 1. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op ten minste 2 km van het projectgebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal en de activiteit heeft geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke

22/241

consequenties. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van enige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Voor de ontwikkeling wordt een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek worden hier opgenomen zodra het onderzoek binnen is. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied zelf geen beschermde diersoorten aanwezig zijn maar dat de panden van de Expert en Zorggroep Liante mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn van de huismus en gierzwaluw. Deze vogelsoorten broeden allen in en rond menselijke bebouwing, waardoor de soorten gewend zijn aan urbane verstoring. Om eventuele negatieve effecten op mogelijke nestlocaties van de huismus en gierzwaluw te kunnen beperken worden de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen uitgevoerd. Daarnaast wordt voor het broedseizoen, het pand naast het plangebied, de mogelijkheden om een nest te realiseren beperkt.

De panden van zorggroep Liante en de Expert dienen mogelijk ook als kraam-, zomer-, winter- en/of paarverblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten als de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis (geen kraamverblijf) en laatvlieger. Wanneer de werkzaamheden na zonsondergang plaatsvinden in de actieve periode van vleermuizen (circa 15 april tot en met 15 oktober), kan er mogelijk lichtverstoring door het gebruik van verlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren verminderen van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Om verstoring te voorkomen zal conform het advies de toepassing van bouwverlichting worden uitgevoerd en zoveel mogelijk verlichting worden beperkt. Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

4.4

Water

Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap (kenmerk: 00003073). Uit de watertoets blijkt dat de korte procedure van toepassing is op het plan (zie bijlage 3). Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een

23/241

gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Onderzoek In het voorliggend geval wordt de bestaande verharding vervangen door nieuwe verharding waardoor geen sprake is van een toename aan verharding. Zie ook paragraaf 2.2. Conclusie Gelet op de voorgenomen ontwikkeling en het resultaat van de watertoets wordt gesteld dat de ontwikkeling geen negatief invloed heeft op de waterschapsbelangen.

4.5

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om hierin inzicht te krijgen is voor het plangebied verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledig onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood.

Er bestaan dan ook geen milieuhygiënische belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het onderzoeksbureau adviseert om tijdens bouw- en grondwerkzaamheden rekening te houden met de aanwezigheid van klasse Industriegrond. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het 'Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' (d.d. 13 december 2021) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Conclusie Gelet op de bovenstaande resultaten kan worden geconcludeerd dat vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn te verwachten voor de beoogde ontwikkeling.

24/241

4.6

Archeologie

Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Onderzoek De gemeente Ooststellingwerf heeft een archeologische verwachtings- en beleidskaart. In afbeelding 4.1 is hiervan een uitsnede ter plaatse van het projectgebied opgenomen. Hierin is het projectgebied met een blauwe cirkel indicatief weergegeven. Uit de kaart blijkt dat het projectgebied zich bevindt in het oude centrum van Oosterwolde en zich bevindt in een gebied met een lage archeologische verwachting. Gebieden met een lage archeologische waarde of gebieden waarvan bekend is dat de bodem verstoord is, zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

In dit geval is het projectgebied reeds verstoord door de aanwezige bebouwing. Gelet daarop wordt dan ook gesteld dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 53 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

25/241

Afbeelding 4.1 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart (Bron: gemeente) Conclusie Archeologie levert geen problemen op voor de ontwikkeling.

4.7

Cultuurhistorie

Toetsingskader Besluit ruimtelijke ordening Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Onderzoek Om de cultuurhistorische waarden vast te stellen is de cultuurhistorische kaart van de provincie Fryslân geraadpleegd. Aan de hand van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is gekeken naar de cultuurhistorische elementen in en nabij het projectgebied (zie afbeelding 4.2).

26/241

Afbeelding 4.2 Uitsnede cultuurhistorische kaart Fryslân (Bron: provincie) Op basis van deze kaart lag in het verleden een oud kerkepad van Oosterwolde naar Fochteloo. Dit oude pad is met de voorgaande ontwikkelingen ter plaatse verloren gegaan. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen cultuurhistorische elementen aangetast of belemmerd. Daarnaast bevinden zich in de directe nabijheid van het projectgebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen nader onderzoek benodigd is en er geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie

27/241

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Onderzoek Het project maakt de realisatie van een zestal appartementen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tevens worden de woningen niet aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving

28/241

bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoeren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld via het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Onderzoek Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart 13 soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (met blauwe cirkel aangegeven) en de omgeving weergegeven.

29/241

Afbeelding 4.3 Uitsnede risicokaart (Bron: Riscokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

30/241

Onderzoek In het projectgebied is geen sprake van kabels of leidingen die een planologische zone hebben. Conclusie Het aspect kabels, leidingen en zoneringen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van zes appartementen en het gehele projectgebied heeft een oppervlak van circa 450 m2. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Conclusie Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.

31/241

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een ontwikkeling. In dat verband wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er bestaan op voorhand geen belemmeringen voor het verlenen van medewerking aan de beschreven ontwikkeling, door het doorlopen van een procedure ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo. Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om tegen het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning in bezwaar en beroep te gaan.

5.2

Economische uitvoerbaarheid en grondexploitatie

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze waarop gemeentelijke kosten op het plan worden verhaald (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Voor deze ontwikkeling dienen enkele bomen verplaatst te worden en wordt een strook gemeentegrond gebruikt voor parkeren. De kosten hiervoor zijn afgedekt via een anterieure overeenkomst welke is toegevoegd aan de aanvraag omgevingsvergunning. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten gedekt. De financiële haalbaarheid is niet in het geding. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Voor dit project geldt dat sprake is van een omgevingsvergunning waarmee een appartementengebouw wordt opgericht. De gemeente sluit hiervoor met de aanvrager een anterieure overeenkomst, waarin onder andere ook het aspect planschade is geregeld. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet noodzakelijk. Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Dit project maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen bouwplannen mogelijk waarop de grondexploitatieregeling van toepassing is.

32/241

Hoofdstuk 6 6.1

Afweging en conclusie

Aanleiding

Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarmee een appartementengebouw mogelijk wordt gemaakt.

6.2

Afweging

Op grond van het geldende bestemmingsplan is het niet toegestaan om een appartementengebouw met zes woningen te realiseren omdat ter plaatse de gebruiks- en bouwmogelijkheden hiervoor ontbreken. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel rijks- als provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie.

6.3

Conclusie

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

33/241

34/241

Bijlagen

35/241

36/241

Bijlage 1

37/241

Aerius-berekening

2 februari 2022 20211611 M. van Putten ---

Oosterwolde – Brink 4 Bouwe Blinder bv

Aanleiding In opdracht van Bouwe Blinder bv is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de exploitatiefase van een appartementengebouw met zes appartementen aan de Brink 4 in Oosterwolde. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking getreden. De Wsn en de Bsn regelt een vrijstelling voor de vergunningsplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Dit is de vergunningplicht voor Wnb-projecten. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De Wsn en de Bsn regelt slechts indirect een vrijstelling voor de aanlegfase van Wnb-plannen en dus voor bestemmingsplannen. Omdat de Wsn en Bsn slechts indirect een vrijstelling voor de aanlegfase van Wnb-plannen en bestemmingsplannen regelt.

2.1

AERIUS, release 20 januari 2022

Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 20 januari 2022) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Het projectgebied ligt op minder dan 25 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Fochteloërveen en Drents-FrieseWold & Leggelderveld.

Figuur 1 Plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden

2.2 Exploitatiefase Voor het project wordt uitgegaan van gasloze woningen. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen de woningen. Op basis van zes appartementen bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 35 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 381), zie tabel 1. Voor de rijroutes en rijrichtingen is het heersende verkeersbeeld van belang. Het wegverkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld als het qua rij- en stopgedrag en intensiteit niet meer te onderscheiden is van het overige wegverkeer. Voor wat betreft de lengte van de rijroutes is uitgegaan van een route vanaf het plangebied over de Rijweg richting de Scholttelenburgerweg (N919) gaat. Het wegverkeer gaat dan op de Scholttelenburgerweg (N919) op in het heersende verkeersbeeld. Tabel 1: Verkeersgeneratie exploitatiefase Woningtype Aantal wooneenheden Koop, appartementen, 6 midden

2/4

Kencijfer CROW per

Verkeersgeneratie per etmaal

5,5

34,8

In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=d20bd98f-a7d6-47fc-83d4-85f59da536a7