Bijlage 3 - Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf
Tekst van het document
Brief: UIT/21013430/BRW/BR/RB Pagina 2 van 4
Wij adviseren om aan voornoemde wettelijke risicocontouren tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vast te houden. Risicovolle inrichtingen conform Bevi Overeenkomstig het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden objecten van hoge infrastructurele waarde, zoals windturbines, gezien als een beperkt kwetsbaar object. In het Bevi staan geen bepalingen voor het plaatsen van windturbines bij risicovolle inrichtingen. Een goede ruimtelijke ordening (Wro) houdt wel in dat met risicoverhoging rekening wordt gehouden bij de besluitvorming over een vergunning of bestemmingsplan voor nieuwe windturbine(s). Bij een nieuwe of gewijzigde vergunning voor een Bevi-inrichting, of een (wijziging van) het bestemmingsplan voor een Bevi-inrichting, moet de risicoverhogende werking van bestaande windturbines wel worden meegenomen in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Conform het Bevi wordt op basis van de QRA onder andere getoetst of de inrichting voldoet aan de normen voor het PR en moet het GR worden verantwoord. Wij adviseren om voor nieuw te plaatsen windturbines bij risicovolle inrichtingen eveneens een PR 10-6 contour aan te houden en daarnaast voor een nieuwe of gewijzigde vergunning of bestemmingsplan voor een Bevi-inrichting de uitgangspunten conform Bevi vast te houden.
Buisleidingen Middels artikel 11, lid 2, uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet bij de realisatie van een beperkt kwetsbaar object bij een buisleiding rekening worden gehouden met een richtwaarde van PR 10-6. Een windturbine is een zgn. risico verhogend object. Volgens artikel 11, lid 3, van het Bevb moet bij vaststelling van een bestemmingsplan waarbij een risico verhogend object wordt toegelaten in de directe omgeving van de buisleiding, bij kwetsbare objecten nog steeds worden voldaan aan een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Bij beperkt kwetsbare objecten wordt hierbij een richtwaarde van 10-6 per jaar aangehouden. Wij adviseren om aan voornoemde wettelijke risicocontouren vast te houden. Vervoer gevaarlijke stoffen over transportroutes Vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), bijvoorbeeld m.b.t. tankauto’s met gevaarlijke stoffen, bestaat geen verplichting om het toegevoegd risico ten gevolge van een windturbine te beschouwen. Overige risicovolle objecten Wij adviseren om ook een PR 10-6 contour aan te houden van een windturbine of een combinatie van windturbines tot risicovolle objecten welke niet onder het Bevi vallen (bijvoorbeeld kleinere opslagen met gevaarlijke stoffen). Wanneer een onderdeel van de windturbine een dergelijke installatie of opslag treft staan wij als brandweer ook dan voor een enorme uitdaging.
Richtlijnen/ toetsingscriteria We merken op dat sommige instanties tevens eigen richtlijnen/ toetscriteria hebben opgesteld m.b.t. windturbines. Zo worden bijvoorbeeld (afstands)regels gehanteerd vanuit: ▪ Tennet van hoogspaningskabels- en masten tot windturbines. ▪ Gasunie van hogedruk aardgasleidingen tot windturbines. ▪ Etc. De richtlijnen hebben wij niet beschreven in dit advies.
Brief: UIT/21013430/BRW/BR/RB Pagina 3 van 4
Wij adviseren om bij de realisatie van windturbines rekening te houden met de richtlijnen/ toetsingscriteria van de diverse instanties. Advies risico’s en brandweerzorg Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een advies risico’s en brandweerzorg te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Voor windturbines zijn de gevaren in twee groepen te verdelen, te weten gevaar voor brand in of aan de windturbine (o.a. blikseminslag, falen van elektrische installatie-onderdelen) en gevaar voor de directe omgeving door het vallen van (onderdelen van) de windturbine (o.a. afbreken van de gondel, knikken en omvallen van de mast, wegslingeren van (delen van) het turbineblad, ijsafwerping). Bij een brand (hoog) in een windturbine zien wij in eerste instantie geen mogelijkheden om die te blussen. Dit omdat wij niet naar binnen gaan in een dergelijke (smalle) toren van een windturbine. Het zal dan gaan om een zgn. afbrandscenario, waarbij ook de wieken/ rotorbladen kunnen vallen. Ook bij gevaar voor de directe omgeving zullen wij op veilige afstand opstellen. Eveneens bij aanwezigheid van een opstelplaats voor een hoogwerker zullen we als brandweer zeer terughoudend zijn, helemaal als de windturbine nog in bedrijf is.
Het is dus volledig situatie afhankelijk of wij een inzet met een hoogwerker kunnen plegen. Wij adviseren om voornoemde, al dat niet in gezamenlijkheid met Brandweer Fryslân, te bespreken met de toekomstige initiatiefnemers van windturbines. Omgevingswet/ planregels Met het oog op de ingang van de Omgevingswet per 1 juli 2022 is ons advies, omdat niet alles middels wet- en regelgeving is geregeld voor dergelijke windturbines, om te overwegen om planregels op te nemen in het omgevingsplan. Uiteraard denken wij vanuit Brandweer Fryslân hierin graag mee. Advies In overeenstemming met bovengenoemde opmerkingen adviseert Brandweer Fryslân om: ▪
▪ ▪
▪
▪
Aan de onder ‘Externe veiligheid’ beschreven wettelijke risicocontouren en de door ons geadviseerde risicocontouren vast te houden. Als hieraan wordt vastgehouden dan hebben wij geen aanvullende (wettelijke) adviezen. Bij de realisatie van windturbines rekening te houden met de richtlijnen/ toetsingscriteria van de diverse instanties als omschreven onder ‘Richtlijnen/ toetsingscriteria’. Al dat niet in gezamenlijkheid met Brandweer Fryslân, met toekomstige initiatiefnemers van windturbines te bespreken dat afhankelijk van de situatie, de brandweer bij een incident met een windturbine zeer terughoudend zal optreden. Te overwegen om, met het oog op de Omgevingswet per 1 juli 2022, planregels m.b.t. windturbines op te nemen in het omgevingsplan. Dit omdat voor dergelijke windturbines niet alles middels wet- en regelgeving is geregeld. Brandweer Fryslân te betrekken bij de verdere uitwerking van onze adviezen en de realisatie van toekomstige windturbines.
Brief: UIT/21013430/BRW/BR/RB Pagina 4 van 4
Mocht u naar aanleiding van bovenstaande nog vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met M. Koonstra, specialist risicobeheersing van Brandweer Fryslân, te bereiken via 088 - 229 89 44. Hoogachtend, namens het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Fryslân, voor deze,
S. Veerbeek Clusterhoofd risicobeheersing afdeling Noordwest Fryslân Deze brief is in een automatisch proces opgemaakt en geaccordeerd en daarom niet ondertekend.
42/210
Bijlage 4
43/210
Nota van Zienswijzen (PM)
Gemeente Ooststellingwerf Afdeling: Mens & Omgeving Team: Ruimte & Economie Postbus 38 8430 AA Oosterwolde Gemeentehuis ’t Oost 11 8431 LE Oosterwolde T: 14 0516 W: www.ooststellingwerf.nl
Nota adviezen en zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
2 december 2021
Gemeentelijke reactie op de zienswijzen
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Publicaties 3. Overzicht zienswijzen 4. Inhoud zienswijzen en reactie 5. Lijst van wijzigingen 6. Bijlagen (kopieën van zienswijzen)
1. Inleiding
In deze nota worden de zienswijzen behandeld die naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’ (NL.IMRO.0085.BPWind-ON01) zijn ingediend. Paragraaf 2 geeft een overzicht van de publicaties en in paragraaf 3 is een overzicht van de ontvangen zienswijzen opgenomen. Paragraaf 4 bevat een samenvatting van de inhoud van de zienswijzen en beantwoording ervan. Paragraaf 5 geeft een overzicht van de wijzigingen en/of aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Tenslotte zijn de bijlagen onder paragraaf 6 gevoegd.
2. Publicaties De bekendmaking van het ontwerpbestemmingsplan is op dinsdag 21 september 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken, van 22 september 2021 tot en met 2 november 2021 ter inzage gelegen. Ook zijn de provincie Fryslân, de Veiligheidsregio en het Wetterskip Fryslân geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
3. Overzicht zienswijzen Gedurende de periode van terinzagelegging zijn er 2 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn ontvangen en daarom ontvankelijk. Van de volgende partijen is binnen de genoemde inzagetermijn een zienswijze ontvangen: Nr.
naam
adres
Postcode
woonplaats
1
Provincie Fryslân
8900 HM
Leeuwarden
2
Indiener 2
Postbus 20120
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
Datum verzonden 14-102021 19-102021
Datum ingekomen 18-10-2021 19-10-2021
2
4. Inhoud zienswijzen en reactie In deze paragraaf worden de zienswijzen samengevat weergegeven en beantwoord. Tot slot wordt aangegeven of de zienswijzen wel of niet hebben geleid tot een aanpassing op het ontwerpbestemmingsplan. Hoewel samengevat weergegeven, zijn de zienswijzen volledig beoordeeld en beantwoord. Zienswijzen worden zoveel mogelijk per onderwerp gecombineerd behandeld. Dat betekent dus dat kan worden verwezen. De zienswijzen zullen worden beantwoord voor zover deze ingaan op aspecten die van belang zijn voor het bestemmingsplan, de zorgvuldige afweging, de ruimtelijke ordening en het ruimtelijk recht. Zienswijzen zijn openbaar, maar op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) moeten de namen en adressen van indieners, als het geen bedrijven of instellingen zijn, in vrij toegankelijke digitale documenten worden geanonimiseerd. De persoonsgegevens van de reclamant kunnen niet worden vermeld. Zienswijze 1 Op 14 oktober 2021 (ontvangen 18 oktober 2021) heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân een zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. Samenvatting zienswijze 1 1.
Het college van GS geeft aan dat artikel 4, lid 1 onder i en artikel 5, lid 1 van het bestemmingsplan op gespannen voet staan de verordening Romte Fryslân 2014, omdat ze meer ruimte bieden voor kleinschalige duurzame energiewinning dan op grond van het beleid van de provincie is toegestaan. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf De formulering van de door het college van GS aangehaalde artikelen uit het paraplubestemmingsplan biedt inderdaad meer ruimte voor kleinschalige duurzame energiewinning dan de provincie toestaat. Artikel 4, lid 1 onder i en artikel 5, lid 1 van het paraplubestemmingsplan (en de partiële herziening beheersverordening) windturbines Ooststellingwerf zullen op dit onderdeel aangepast worden, waardoor ze in lijn zijn met het provinciaal beleid. 2. Het college van GS geeft in overweging mee het afstandscriterium tot landschappelijke elementen van 25 meter niet op te nemen in de landschappelijke inpassing, omdat die mogelijk belemmerend werkt. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf In het landschappelijk kader is het volgende opgenomen ten aanzien van de plaatsing van een of meer windturbines nabij cultuurhistorisch waardevolle elementen: ‘Op voldoende afstand tot cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren (bijvoorbeeld dijken, beken, vaarten, essen, dobben, pingoruïnes).
Als richtlijn hanteren we 25 meter, maar per geval is maatwerk nodig.’ Wij hanteren als richtlijn 25 meter tot cultuurhistorisch waardevolle elementen, maar maatwerk is per geval nodig. Dit kan betekenen dat een windmolen dichterbij een element wordt geplaatst. De formulering zoals opgenomen in het landschappelijk kader biedt in onze ogen voldoende ruimte, waardoor het afstandscriterium niet belemmerend werkt. Als gemeente zijn wij zuinig op onze cultuurhistorisch waardevolle elementen. Dit heeft geleid tot het meegeven van een afstandsrichtlijn in het landschappelijk kader.
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
3
3. Het college van GS vraagt de gemeenteraad de wenselijkheid van plaatsing van windturbines op het voorerf af te wegen, nu die mogelijkheid in het landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf is opgenomen. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf In het landschappelijk kader is het volgende opgenomen ten aanzien van de plaatsing van een of meer windturbines op een voorerf: ‘In principe niet op het voorerf. Plaatsing op een voorerf kan overwogen worden voor erven die op meer dan 200 meter van de doorgaande weg liggen of die door tussenliggend bos of andere bebouwing niet goed zichtbaar zijn vanaf de weg. Plaatsing op een voorerf kan de voorkeur hebben in situaties waarin het voorerf het oorspronkelijke (typologische) achtererf is. Dit soort gevallen vereisen maatwerk.’ Het uitgangspunt is (dus) dat er geen windturbines op een voorerf geplaatst mogen worden. Bij een voorerf van meer dan 200 meter van de doorgaande weg of in de andere genoemde gevallen zou het plaatsen van een windturbine op een voorerf een mogelijkheid kùnnen zijn. Het is dus niet zonder meer mogelijk; het is maatwerk per geval. 4. In het landschappelijk kader en in artikel 4, lid 1, onder b wordt ruimte geboden voor turbines op daken. Het college van GS is van mening dat dit op woningen niet wenselijk is, maar deze ruimte zou eventueel wel op bedrijfsgebouwen kunnen worden geboden.
Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf Het plaatsen van turbines, ook die op daken, zal door de welstandscommissie worden beoordeeld. Zij bekijken of het uiterlijk of de plaatsing van de dakturbines in strijd zijn met (redelijke) eisen van welstand. Naar onze mening is daarmee voldoende geborgd dat er geen onwenselijke situaties ontstaan qua uiterlijk en plaatsing van turbines op daken. 5. In de afwijkingsregels van het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat bij de plaatsing van een windturbine uit een natuurtoets moet blijken dat er geen negatieve ecologische gevolgen zijn voor de aanwezige natuurwaarden. Het college van GS geeft aan dat de vereiste natuurtoets, die in de regels van het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen, niet noodzakelijk is op grond van een onderzoek dat is uitgevoerd in de provincie Groningen. Daaruit kan voorlopig geconcludeerd worden dat kleine windturbines geen verstoring veroorzaken t.a.v. vliegroutes van vleermuizen. Tevens blijkt het aantal slachtoffers onder vogels en vleermuizen zeer beperkt. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf Er bestaat vooral verwarring over de term natuurtoets.
Wij blijven vasthouden aan een natuurtoets, maar zullen de toelichting op dit onderdeel, de begripsbepaling en artikel 4, lid 1 onder f van het parapluplan en de partiële herziening aanpassen, zodat duidelijker wordt aangegeven wat er onder de natuurtoets verstaan wordt. In eerste instantie dient er een Quick scan uitgevoerd te worden. De Quick scan is de eerste stap en daarmee onderdeel van de natuurtoets. Als uit die Quick scan blijkt dat er bijvoorbeeld risico bestaat op aanvaringsslachtoffers of verstoring van vliegroutes dan is een nader onderzoek nodig, de tweede stap van de natuurtoets. Aanpassingen - Artikel 4, lid 1 onder i en artikel 5, lid 1 van het paraplubestemmingsplan (en de partiële herziening beheersverordening) windturbines Ooststellingwerf zullen zodanig worden aangepast, dat deze in lijn zijn met het beleid van de provincie. - De tekst in hoofdstuk 3 juridische toelichting, paragraaf 3.1.2 opzet en toelichting regels, 4.1.e Uit te voeren Natuurtoets en hoofdstuk 4 milieueffecten, paragraaf 4.2.2 wordt aangepast.
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
4
-
De tekst uit de Regels, Hoofstuk 1 Inleidende regels, Artikel 1 Begrippen, artikel 1.5 natuurtoets en Artikel 4 Algemene bouwregels, artikel 4.1 onder f wordt aangepast en aangevuld.
Zienswijze 2 Op 19 oktober 2021 (ontvangen 19 oktober 2021) heeft indiener 2 een zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. Samenvatting zienswijze 2: 1. Reclamant vindt het toestaan van 1 tot 3 windmolens niet passen bij de agrarische gemeente die Ooststellingwerf is. Windmolens zorgen voor verrommeling van het landschap en geven visueel hinder en geluidhinder. Bij de voorwaarden uit het bestemmingsplan is alleen rekening gehouden met 1 windturbine, niet met meer. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf Verrommeling landschap Verrommeling van het landschap en visuele hinder zijn subjectief en worden door iedereen anders ervaren. Om willekeurige plaatsing van windmolens bij agrarische bedrijven tegen te gaan, is er (juist) een landschapskader opgesteld. Het landschappelijk kader geeft criteria die laten zien op welke wijze een of meerdere windturbines zorgvuldig in het landschap kunnen worden ingepast. Het landschapskader bepaalt de plaatsing niet in detail, waardoor er ruimte blijft voor maatwerk. Geluidhinder Een kleinschalige windturbine of een combinatie van windturbines moeten voldoen aan de van toepassing zijnde eisen van het Activiteitenbesluit, waaronder de geluidsnormen.
In het Activiteitenbesluit is opgenomen wat het totale geluidniveau is dat een inrichting (agrarisch bedrijf) maximaal mag produceren op de gevel van omwonenden en andere geluidgevoelige objecten. . In 2018 is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd bij een windturbine met een ashoogte van 24 meter. Daaruit blijkt dat bij windsnelheden tussen de 2 en 8 meter per seconde het geluid van de turbine op een afstand van 30 a 40 meter niet meer boven het achtergrondgeluid uitkomt. Naarmate het harder waait maakt de wind zelf ook meer geluid. Wanneer er een aanvraag voor omgevingsvergunning wordt gedaan, zal de initiatiefnemer moeten aantonen dat het aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit kan voldoen. N.B. Naast toetsing aan het Activiteitenbesluit, wordt een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor 1 of meer windturbines ook getoetst aan alle wet- en regelgeving die daarop van toepassing is. Bijvoorbeeld het Bouwbesluit, Wet natuurbescherming en de overige regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en/of beheersverordening. Om op voorhand zoveel mogelijk (geluid)hinder weg te nemen, is in het paraplubestemmingsplan een afstand van 75 meter opgenomen tot woningen en andere geluidgevoelige objecten. Deze afstand geeft voor de meeste gevallen al voldoende ruimte ten aanzien van mogelijke geluidhinder.
Geen rekening gehouden met 3 windturbines Op het moment dat er een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor 1 of meer windturbines wordt gedaan, wordt getoetst of er aan de eisen uit het paraplubestemmingsplan wordt voldaan. Daarnaast wordt er ook getoetst aan alle andere wet- en regelgeving die op de aanvraag omgevingsvergunning van toepassing is. Bijvoorbeeld het Bouwbesluit, Activiteitenbesluit, Wet natuurbescherming en de overige regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en/of beheersverordening. Uit de toetsing moet blijken of er daadwerkelijk een of meer windturbines geplaatst kunnen worden.
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
5
In de toelichting op het parapluplan en het landschappelijk kader wordt niet specifiek geschreven over 1 windturbine. Ook in de regels worden drie (in de definitieve versie van het plan twee) windturbines mogelijk gemaakt. 2. Reclamant geeft aan dat de natuurtoets die in het bestemmingsplan is opgenomen door een onafhankelijk bureau gedaan moet worden. In het bestemmingsplan is niet geborgd wie het onderzoek moet uitvoeren. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf In het paraplubestemmingsplan is niet geregeld welk onafhankelijk bureau de natuurtoets uitvoert. De initiatiefnemer heeft zelf de vrijheid hierin een keuze te maken. De gemeente toetst de inhoud van het aangeleverde onderzoek. Het is gebruikelijk dat niet wordt voorgeschreven bij welke bedrijven bepaalde onderzoeken naar bijvoorbeeld archeologie, bodemonderzoek of een natuurtoets gedaan moeten worden. Dat is aan de initiatiefnemer. 3. Vanwege de stikstofproblematiek is, volgens reclamant, het beleid van de overheid erop gericht agrariërs te ontmoedigen hun bedrijf te continueren. Volgens reclamant staat het stimuleren van winturbines bij agrarische bedrijven, inclusief subsidies, haaks op dit beleid van de overheid. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf Het toestaan van windturbines bij agrarische bedrijven is gericht op verduurzaming van agrarische bedrijven en staat los van de stikstofproblematiek.
Door het toestaan van 1 tot 3 windturbines hebben agrariërs de mogelijkheid hun energieverbruik te verduurzamen. Ooststellingwerf wil in 2030 een energieneutrale gemeente zijn. Dit houdt in dat vanaf dan alle benodigde energie duurzaam binnen de eigen gemeentegrenzen moet worden opgewekt. Dat doel wordt alleen behaald wanneer er voldoende lokale hernieuwbare opwekking plaatsvindt. Met het paraplubestemmingsplan is dit voor agrarische bedrijven gefaciliteerd. Zonnepanelen op agrarische bedrijfsdaken waren uiteraard al toegestaan maar de ervaring leert, dat een goede combinatie van zon en wind tot een energieneutraal bedrijf kan leiden. Met het paraplubestemmingsplan wordt het voor meer agrariërs haalbaar om energieneutraal te worden. Daarnaast biedt het parapluplan agrarische bedrijven ook mogelijkheden om een rendabele bedrijfsinvestering te doen waardoor de energielasten dalen. Met een investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) biedt de rijksoverheid (via de rijksdienst voor ondernemend Nederland) bedrijven de mogelijkheid hun energiegebruik te verduurzamen met een kleinschalig windturbine project. 4. Met het oog op de waarschuwingen van netbeheerders dat het elektriciteitsnet volloopt, mede door zonnepanelen die te veel stroom opwekken, is het volgens reclamant niet verstandig en onnodig het plaatsen van windturbines toe te staan.
Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf Het elektriciteitsnet zal stabieler worden door een combinatie van zon en wind. De capaciteit van het elektriciteitsnet was aanvankelijk toereikend om het stroomgebruik en de teruglevering te verwerken. Nu wordt steeds vaker duidelijk dat de grenzen van het laag- en het middenspanningsnetwerk zijn bereikt en is verdere netverzwaring steeds vaker noodzakelijk. Dit is een tijdrovend en duur proces. Door wind en zon te combineren, wordt piekverbruik en pieklevering vermeden en hoeft het net niet op deze extremen te worden ontworpen en ontstaat een stabieler netwerk en blijft de verduurzaming van het energieverbruik door de uitbouw van elektriciteitsopwekking en -distributie betaalbaar. De nu geboden mogelijkheid om onder voorwaarden kleine windturbines bij agrarische
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
6
bouwpercelen te realiseren voorziet in de mogelijkheid zon en wind te combineren, en daardoor voor een stabieler netwerk. Overigens zal een initiatiefnemer, voorafgaand aan de plaatsing van een windturbine, bij de netbeheerder moeten nagaan of een windturbine op het elektriciteitsnet kan worden aangesloten. 5. Reclamant geeft aan dat het bevoegd gezag, na vaststelling van het bestemmingsplan, o.g.v. artikel 7.1 sub b, van het paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf eenmalig een omgevingsvergunning kan verlenen voor het vergroten van een bouwwerk van maximaal 10%. Daar is reclamant het niet mee eens. Reactie van de Gemeente Ooststellingwerf De regels uit artikel 7.1 zijn een standaardbepaling voor het overgangsrecht. Deze hebben betrekking op een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het paraplubestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is of gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Het is dus niet van toepassing op de windturbines die op grond van het parapluplan nog gebouwd gaan worden. Op grond van artikel 7.1 sub b van het parapluplan is het vergroten van deze bestaande of in uitvoering zijnde bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van het parapluplan aanwezig zijn alleen mogelijk met een omgevingsvergunning. Aanpassingen Geen aanpassingen
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
7
5. Lijst van wijzigingen 5.1. Aanpassingen n.a.v. zienswijzen Uit de zienswijzen volgen een aantal aanpassingen. Deze aanpassingen worden in zowel het paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf als de partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf doorgevoerd. In onderstaande tabel zijn de aanpassingen weergegeven. Zienswijze
Aanpassing artikel/paragraaf parapluplan Hoofdstuk 3 juridische toelichting, paragraaf 3.1.2 opzet en toelichting regels, 4.1.e Uit te voeren Natuurtoets
Ontwerpversie parapluplan
Definitieve versie parapluplan
Voorafgaand aan plaatsing van een windmolen voor de eigen energievoorziening, wordt een natuurtoets uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige natuurwaarden. Deze natuurtoets spitst zich toe op soortgericht onderzoek naar mogelijk nadelige effecten van de windmolen(s) op vleermuizen en vogels.
Voorafgaand aan plaatsing van een windmolen voor de eigen energievoorziening, wordt een natuurtoets uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige beschermde soorten.
1.
Hoofdstuk 3 juridische toelichting, paragraaf 3.1.2 opzet en toelichting regels, Artikel 5 Algemene gebruiksregels
Het is mogelijk dat in een aantal geldende bestemmingsplannen windturbines niet zijn toegestaan en/of het gebruik van de gronden voor windturbines planologisch niet mogelijk is op agrarische bouwpercelen en de daarbijbehorende agrarische gronden.
1.
Hoofdstuk 4 milieueffecten, paragraaf 4.2.2 Natuurtoets
Het is mogelijk dat in een aantal geldende bestemmingsplannen windturbines niet zijn toegestaan en/of het gebruik van de gronden voor (kleinschalige) duurzame energiewinning planologisch niet mogelijk is op agrarische bouwpercelen en de daarbijbehorende agrarische gronden. is op agrarische bouwpercelen en de daarbijbehorende agrarische gronden. Omdat nadelige effecten van kleine windmolens voor vleermuizen en vogelsoorten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is in de voorschriften van het bestemmingsplan een voorwaarde opgenomen inhoudende dat, voorafgaand aan plaatsing van een windmolen voor de eigen energievoorziening, een natuurtoets wordt uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige natuurwaarden. Deze natuurtoets spitst zich toe op soortgericht onderzoek naar mogelijk nadelige effecten van de
1.
Omdat nadelige effecten van kleine windmolens op beschermde soorten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is in de voorschriften van het bestemmingsplan een voorwaarde opgenomen inhoudende dat, voorafgaand aan plaatsing van een windmolen voor de eigen energievoorziening, een natuurtoets wordt uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de beschermde soorten. De natuurtoets borgt het zorgvuldig handelen ten
windmolen(s) op vleermuizen en vogels. Een vraagstuk als windmolens vraagt in het licht van biodiversiteitversterking en borging van landschapsecologische processen (inclusief behoud of versterking van (weide)vogelgebieden, trekroutes en foerageergebieden) om een uitvoeriger onderzoek met kennis en ervaring van landschapsecologische processen die van essentieel belang zijn voor het behoud van soortpopulaties en belangrijke ecologische functies (zoals bijvoorbeeld een houtwal als migratieroute voor vleermuizen). Dit betekent dat een ecologische quickscan met eenmalige opname niet toereikend is om het (cumulatieve) effect van een windmolen (of molens) te bepalen, maar dat landschapsecologische processen, waaronder het belang van essentiële foerageer-, voortplantings-, rust- en migratieplaatsen van vogels en vleermuizen, worden bepaald en in de ecologische beoordeling of risicoschatting meegewogen.
aanzien van biodiversiteitsversterking en landschapsecologische processen (inclusief behoud of versterking van (weide)vogelgebieden, trekroutes en foerageergebieden). Uit de natuurtoets moet blijken of er geen overtreding is van de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Wanneer dit wel het geval is, zal de initiatiefnemer ofwel de plannen moeten wijzigen, zodat er geen overtreding meer ontstaat op de Wet Natuurbescherming, ofwel een ontheffing moeten aanvragen bij de provincie Fryslân. Vanwege de in Ooststellingwerf aanwezige natuurwaarden wordt initiatiefnemers aangeraden voorafgaand aan mogelijke investeringen een natuurtoets uit te voeren, om mogelijk nadelige effecten van een windturbine op beschermde soorten in kaart te brengen.
Uit de natuurtoets moet blijken of er geen overtreding is van de bepalingen van de Wet Natuurbescherming. Wanneer dit het geval is, zal de initiatiefnemer een ontheffing moeten aanvragen bij de provincie Fryslân.
1.
Regels, Hoofstuk 1 Inleidende regels, Artikel 1 Begrippen, artikel 1.4 kleinschalige duurzame energiewinning:
1.
Regels, Hoofstuk 1 Inleidende
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte een uitgebreide en zorgvuldige ecologische effecten-beoordeling van de impact van
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
Dit onderdeel is vervallen vanwege aanpassing artikel 4, lid 1 onder i en artikel 5, lid 1.
Een natuurtoets is een uitgebreide en zorgvuldige ecologische effecten-beoordeling van de impact van
9
regels, Artikel 1 Begrippen, artikel 1.5 natuurtoets:
windmolen(s) op vogels en vleermuizen. In het bijzonder het effect op belangrijke foerageerplaatsen, voortplantingslocaties (waaronder weidevogel(herstel)gebieden), rustplaatsen en trekroutes van deze dieren. Daarnaast wordt de Externe werking van windmolens op de Instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden beoordeeld. Tevens wordt het cumulatieve effect van voortschrijdende windmolenplaatsing op essentiële landschapsecologische relaties ter behoud van dierpopulaties (Gunstige staat van Instandhouding) op regionaal niveau beoordeeld.
windmolen(s) op beschermde soorten en gebieden in het kader van de Wet Natuurbescherming. In het bijzonder het effect op belangrijke foerageerplaatsen, voortplantingslocaties (waaronder weidevogel(herstel)gebieden), rustplaatsen en trekroutes van deze dieren. Een natuurtoets start in de meeste gevallen met een Quick Scan. Dit is een korte toets waaruit blijkt of er risico’s bestaan op overtredingen van de Wet natuurbescherming. Indien deze risico’s niet kunnen worden uitgesloten, kunnen de plannen worden aangepast, zodat het risico wordt weggenomen of er kan nader onderzoek worden uitgevoerd naar het daadwerkelijke voorkomen en de verwachtte risico’s. Ook daaruit kunnen aanpassingen van het plan ontstaan, of ontheffing worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Houd er rekening mee dat als ontheffing wordt aangevraagd een onderdeel hiervan altijd compensatie en mitigatie is. Dat betekent dat er aanpassingen aan het plan moeten worden gemaakt, zodat de Gunstige staat van Instandhouding van de betreffende soort(en) niet in het geding komt. Daarnaast wordt de Externe werking van windmolens op de Instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden beoordeeld.
Tevens wordt het cumulatieve effect van voortschrijdende windmolenplaatsing op essentiële landschapsecologische relaties ter behoud van dierpopulaties (Gunstige staat van Instandhouding) op regionaal niveau beoordeeld.
1.
Regels, artikel 4 Algemene bouwregels, artikel 4.1 onder f
1.
Regels, artikel 4.1 onder i
f. uit een natuurtoets blijkt dat er geen negatieve ecologische gevolgen zijn voor de aanwezige natuurwaarden; indien op grond van de in de regels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen het gebruik
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
10
f. uit een natuurtoets blijkt dat er geen negatieve ecologische gevolgen zijn voor de aanwezige beschermde soorten; indien op grond van de in de regels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen het gebruik voor
1.
Regels, artikel 5 algemene gebruiksregels, artikel 5.1 afwijken van de gebruiksregels
voor kleinschalige duurzame energiewinning niet is toegestaan, tevens wordt afgeweken van het gebruik, zoals opgenomen in artikel 5 lid 5.1. Voor zover krachtens de bestemmingen, zoals genoemd in bijlage 1 het gebruik van gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning niet is toegestaan, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de opwekking van zonne- en windenergie.
windenergie niet is toegestaan, tevens wordt afgeweken van het gebruik, zoals opgenomen in artikel 5 lid 5.1. Voor zover krachtens de bestemmingen, zoals genoemd in bijlage 1 het gebruik van gronden voor windenergie niet is toegestaan, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de opwekking van windenergie.
5.2. Ambtshalve wijziging Er zijn een aantal ambtshalve wijzigingen. In onderstaande tabel zijn de aanpassingen weergegeven. Aanpassing artikel/paragraaf parapluplan Hoofdstuk 3 juridische toelichting, paragraaf 3.1.2 opzet en toelichting regels, 4.1.d Aan te houden afstand van een windturbine punt 4
Ontwerpversie parapluplan
Definitieve versie parapluplan
4. De aan te houden afstand tot een woning van derden bedraagt minimaal 75 meter.
4. De aan te houden afstand tot een woning van derden en ander gevoelige objecten bedraagt minimaal 75 meter.
Artikel 4 Algemene bouwregels, artikel 4.1 Afwijken van de bouwregels
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen in die zin dat ten hoogste 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden gebouwd, mits…
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen in die zin dat ten hoogste 2 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden gebouwd, mits…
Toevoeging hoofdstuk 1 inleiding, paragraaf 1.1 aanleiding van de
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
Hoewel de provincie ruimte biedt tot drie windturbines op een agrarisch erf, heeft de Raad
11
toelichting en het landschappelijk kader
Hoofdstuk 5 toetsingskader windturbines, paragraaf 5.2 van het landschappelijk kader
van State op 30 juni 2021 1 (ECLI:NL:RVS:2021:1395) geconcludeerd dat er een plan-MER ten grondslag had moeten liggen aan de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en –regeling. Nu de minister dit heeft nagelaten, is er per windpark een milieubeoordeling nodig. Er is sprake van een windpark vanaf drie windturbines. Door maximaal twee windturbines per agrarisch bedrijf mogelijk te maken, is er geen sprake van een windpark en is er voor het paraplubestemmingsplan en de partiële herziening geen MER-beoordeling nodig. De gemeente Ooststellingwerf wil ruimte bieden voor projecten met drie windturbines, maar wil tegelijk de realisatie van projecten met één of twee turbines niet onnodig vertragen. Daarom is in het paraplubestemmingsplan en in de partiële herziening de een afwijkingsregel aangepast waardoor er op of aansluitend op een boerenerf één of twee windturbines met een reguliere procedure omgevingsvergunning verleend kunnen worden. Voor plannen met drie turbines biedt het paraplubestemmingsplan en de partiële herziening geen ruimte, maar daarvoor is een uitgebreide procedure soms mogelijk. Als er meerdere vrijstaande turbines worden gevraagd (maximaal 3), dan is het belangrijk de opstelling te plaatsen op een manier die past bij de landschappelijke structuren rondom het erf.
Als er meerdere vrijstaande turbines worden gevraagd, dan is het belangrijk de opstelling te plaatsen op een manier die past bij de landschappelijke structuren rondom het erf.
1
In het kort heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat bij besluitvorming over nieuwe windparken niet (zonder meer) verwezen kan worden naar de windturbineregels uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling. De reden hiervoor is dat voor die Rijksregels geen plan-MER is opgesteld terwijl een dergelijke milieueffectbeoordeling wel noodzakelijk is. De uitspraak gaat alleen over windturbineparken. Daarvan is sprake bij 3 of meer windturbines, zoals volgt uit de definitie van een windpark uit de bijlage bij het Besluit-m.e.r. Bij een initiatief dat bestaat uit één of twee windturbines kan (vooralsnog) wél verwezen worden naar de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling.
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
12
6. Bijlagen Gedurende de periode van terinzagelegging zijn 2 zienswijzen ontvangen. Deze is binnen de gestelde termijn ontvangen en derhalve ontvankelijk.
Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’
13
provinsje fryslan provincie fryslan
ö
postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25
Aan de raad van de gemeente Ooststellingwerf Postbus 38 8430 AA OOSTERWOLDE
Leeuwarden, 14 oktober 2021 Verzonden
www.fryslan.frl provincie@fryslan.frl
www.twitter.com/pr0vfi7slan
*00STST3LLINGW3RF*
.s o Q-
II
1 ‘l OKT. 2021
Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk Bijlage(n)
01921732 Omgevingszaken Omgevingszaken / (058) 292 59 25 of romte@fryslan.frl
Onderwerp
: Zienswijze paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf
Geachte raad, Op 22 september 2021 is het ontwerpparaplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf ontvangen. Op grond van art. 3.8 Wro maak ik bij deze mijn zienswijze kenbaar over het ontwerpbestemmingsplan.
Duurzame energiewinning Ik merk op dat artikel 4, lid 1, onder i en artikel 5, lid 1 van het bestemmingsplan op gespannen voet staan met de Wijziging Verordening Romte Fryslan 2014 (zon) - hierna: VR -, omdat het plan naast maximaal drie windturbines per geschikte locatie ook kleinschalige duurzame energiewinning mogelijk maakt (zoals opstellingen voor zonne-energie buiten het bouwvlak). Deze artikels uit het bestemmingsplan bieden meer ruimte dat op grond van ons beleid is toegestaan. Artikel 9.1, lid 2, sub 2 van de VR stelt dat onder een aantal voorwaarden windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden toegestaan. Hier wordt aan voldaan. Echter, artikel 9.6, lid 2, sub 1, onder a van de VR stelt dat opstellingen voor zonne-energie, mits voor eigen energieverbruik, alleen zijn toegestaan op het bestaande bouwperceel.
Ik verzoek u de regelgeving aan te passen zodat alleen duurzame energiewinning in de vorm van zonne- en windenergie wordt mogelijk gemaakt, waarbij zonne-energie uitsluitend binnen het bouwvlak wordt toegestaan. Zodoende blijven de regels binnen de kaders van de VR.
-1/2-
Ons kenmerk:
<D
01921732
provinsje fryslan provincie fryslan Landschappelijke inpassing Voor de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de voorwaarden uit de VR. Aanvullend hierop stelt u nadere eisen m.b.t. een goede ruimtelijke (beeld)kwaliteit. Echter, deze extra voorwaarden kunnen mogelijk belemmerend werken. Voor windturbines hanteert u bijvoorbeeld een minimale afstandsmaat van 25 meter tot landschappelijke elementen, terwijl sommige landschappelijke elementen goed samen kunnen met een windturbine. Ik geef u in overweging mee dit afstandscriterium niet op te nemen, zodat maatwerk per incidenteel geval mogelijk is.
In paragraaf 5.3.1 van de bijlage ‘Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf’ wordt onder ‘plaatsing’ in het 8e bullet ruimte gegeven om een windturbine op het voorerf te overwegen. Ik vraag u om af te wegen of plaatsing op het voorerf wenselijk is. In deze bijlage en in artikel 4, lid 1, onder b wordt tevens ruimte geboden voor turbines op daken. Ik ben van mening dat dit op woningen niet wenselijk is, maar deze ruimte zou eventueel wel op bedrijfsgebouwen kunnen worden geboden.
Natuurtoets Ik constateer dat u in de afwijkingsregels heeft opgenomen dat bij de plaatsing van een windturbine uit een natuurtoets moet blijken dat er geen negatieve ecologische gevolgen zijn voor de aanwezige natuurwaarden. Op grond van de uitkomsten van een kleinschalig onderzoek in de provincie Groningen (grootschaliger onderzoek volgt nog) kan voorlopig worden geconcludeerd dat kleine windturbines geen verstoring veroorzaken t.a.v. vliegroutes van vleermuizen. Daarnaast blijkt het aantal slachtoffers onder vogels en vleermuizen zeer beperkt blijft. Daarom vind ik de vereiste van een natuurtoets op dit moment niet noodzakelijk. Dit geldt voor de plaatsing van een windturbine. Indien ten behoeve van een windturbine bouwwerken worden gesloopt, is een natuurtoets wel vereist.
Hoogachtend, Namens het
'van Gedeputeerde Staten,
afdelingshoofd Omgevingszaken
-2/2-
Ons kenmerk:
01921732
<rö
0J uo p
o t., p.
t
Raad van de gemeente Ooststellingwerf. Postbus 38
8430 AA Oosterwolde
Gemeente Ooststellingwerf Ontvanastd^tnm
" 19 OKI 2021
>-
Nummer °s
os c/>i
Donkerbroek 19-10-2021 Zienswijze.
co! —l! l>l: I-’ Zl
O: £! 'Di ni
Onderwerp:
Paraplu bestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf NLIMR0.0085.BPWind-ON01 *i
Geachte leden van de Raad van de gemeente Ooststellingwerf, De reden van ons bezwaar zullen wij u nader toelichten.
In een agrarisch gebied zoals hier in Oostellingwerf past het niet om bij elk willekeurig agrarisch bedrijf 1 tot zelfs 3 windturbines te plaatsen. Het zorgt voor verommeling in het landschap.
Juist hier in de beekdalen en woudontginning gebieden. De meanders naast de Tjonger zijn speciaal aangelegd voor de
broedvogels ter compensatie van de N381 die dwars door het beekdal loopt. Bij de tunnel in de Balkweg is een overgang voor
vleermuizen geplaatst omdat er vleermuizen wonen die op de rode lijst staan. Het is een aanslag op het gebied wat betreft visueel hinder en
geluidhinder (windverplaatsing). De voorwaarden die gesteld zijn in het Paraplu bestemmingsplan zijn
gebaseerd op 1 windturbine. Het is een groot verschil qua
geluidhinder en visueel hinder of er 1 of 3 turbines draaien.
i
I
Volgens de Wet Natuurbescherming 1-1-2017 is het verplicht een natuurtoets uit te voeren. Dit moet een onafhankelijk bureau uitvoeren. Het is niet duidelijk in het Paraplu bestemmingsplan wie de natuurtoets uitvoert.
Veel agrariërs zeggen veel te doen aan natuur en vogel bescherming.
Dit staat haaks op grote windturbines van 15 meter hoog. Het beleid van de overheid wil de agrariërs ontmoedigen om door te
gaan met hun bedrijf vanwege het stikstof probleem. Om nu de agrariërs te stimuleren en subsidies te verstrekken voor windturbines is tegenstrijdig met de doelstelling van de overheid.
In Ooststellingwerf zijn 344 zonne-installaties per 1000 huishoudens. Daarmee zijn we koploper in Friesland.
De netbeheerders waarschuwen voor het vollopen van het net, mede
door zonnepanelen die te veel stroom opwekken. Om daar nu ook nog eens windturbines bij te plaatsen is niet
verstandig en onnodig. Als een bestemmingsplan voor windturbines is vastgesteld kan de
gemeente alsnog een aanpassing laten plaatsvinden na verloop van tijd.
Volgens het rapport van RHO Adviseurs: regels. Hoofdstuk 4. Overgangs-en slotregels. In Sublid b staat beschreven dat het
bevoegd gezag eenmalig kan afwijken van een omgevings vergunning voor het vergroten van een bouwwerk van maximaal 10%.
Daar zijn we het niet mee eens. Eenmaal een bepaalde hoogte
vastgesteld mag later weer niet veranderen omdat er dan onzekerheid ontstaat in de omgeving.
2
4
t
We doelen hiermee op de impact van bewoners in de buurt qua
geluid en visuele hinder.
De impact op de natuur flora en fauna. De impact op het elektriciteitsnet.
Conclusie: We zijn het niet eens met het Ontwerp Paraplubestemmingsplan
windturbines Ooststellingwerf.
Reden: te grote impact op mens, flora en fauna, overvol elektriciteitsnet.
Er is genoeg jurisprudentie aanwezig over de mogelijkheid van
procederen tegen windturbines.
Met vriendelijke groet,
3
Regels
62/210
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 het plan: het Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf met identificatienummer NL.IMRO.0085.BPWind-VG01 van de gemeente Ooststellingwerf; 1.2 het bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 dakturbine: een kleine windturbine zonder mast, geplaatst op het dak van een gebouw; 1.4 natuurtoets: Een natuurtoets is een uitgebreide en zorgvuldige ecologische effecten-beoordeling van de impact van windmolen(s) op beschermde soorten en gebieden in het kader van de Wet Natuurbescherming. In het bijzonder het effect op belangrijke foerageerplaatsen, voortplantingslocaties (waaronder weidevogel(herstel)gebieden), rustplaatsen en trekroutes van deze dieren. Een natuurtoets start in de meeste gevallen met een Quick Scan. Dit is een korte toets waaruit blijkt of er risico's bestaan op overtredingen van de Wet natuurbescherming. Indien deze risico's niet kunnen worden uitgesloten, kunnen de plannen worden aangepast, zodat het risico wordt weggenomen of er kan nader onderzoek worden uitgevoerd naar het daadwerkelijke voorkomen en de verwachtte risico's. Ook daaruit kunnen aanpassingen van het plan ontstaan, of ontheffing worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Houd er rekening mee dat als ontheffing wordt aangevraagd een onderdeel hiervan altijd compensatie en mitigatie is.
Dat betekent dat er aanpassingen aan het plan moeten worden gemaakt, zodat de Gunstige staat van Instandhouding van de betreffende soort(en) niet in het geding komt. Daarnaast wordt de Externe werking van windmolens op de Instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden beoordeeld. Tevens wordt het cumulatieve effect van voortschrijdende windmolenplaatsing op essentiële landschapsecologische relaties ter behoud van dierpopulaties (Gunstige staat van Instandhouding) op regionaal niveau beoordeeld. 1.5 risicovolle inrichting: een inrichting, die ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals deze luidt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.6 windturbine: een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind.
63/210
Artikel 2
Wijze van meten
2.1 ashoogte van een windturbine: hoogte gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;
2.2 tiphoogte van een windturbine a. turbines met een horizontale as: 1. de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel; b. turbines met een verticale as: 1. de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt.
64/210
rotordiameter van een windturbine 2.3 deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as.
65/210
Artikel 3
Van toepassing verklaring
Dit bestemmingsplan is van toepassing op de bestemmingsplannen en de daarin aangehaalde artikelen, zoals opgenomen in bijlage 1.
66/210
Hoofdstuk 2 Artikel 4
Regels windturbines
Algemene bouwregels
4.1 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen in die zin dat ten hoogste 2 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden gebouwd, mits: a. de ashoogte ten hoogste 15 m bedraagt; b. bij toepassing van dakturbines, de hoogte maximaal 1 m hoger bedraagt dan de bestaande nokhoogte; c. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; d. de turbines zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals beschreven in het 'Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf' (Bijlage 2 van de regels), waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend; e. de afstand van de te bouwen windturbines tot: 1. een locatie voor radioastronomie tenminste 2,00 km bedraagt, waarbij de twee kilometer zone is weergegeven ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zone radioastronomie'; 2. gasinfrastructuur ten minste 25,00 m bedraagt (hart leiding), tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; 3.
hoogspanningsinstrastructuur ten minste de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; 4. een woning van derden of andere gevoelige objecten ten minste 75,00 m bedraagt; f. uit een natuurtoets blijkt dat er geen negatieve ecologische gevolgen zijn voor de aanwezige beschermde soorten; g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; h. de aanvraag ter advisering aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd; i. indien op grond van de in de regels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen het gebruik voor windenergie niet is toegestaan, tevens wordt afgeweken van het gebruik, zoals opgenomen in artikel 5 lid 5.1.
67/210
Artikel 5
Algemene gebruiksregels
5.1 Afwijken van de gebruiksregels Voor zover krachtens de bestemmingen, zoals genoemd in bijlage 1 het gebruik van gronden voor windenergie niet is toegestaan, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de opwekking van windenergie.
68/210
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregeling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
69/210
Hoofdstuk 4 Artikel 7
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
7.1 Overgangsrecht bouwen a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10 %. c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 7.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
70/210
Artikel 8
Slotregel
De regels worden aangehaald als: Regels van het Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf.
71/210
72/210
Bijlagen regels
73/210
74/210
Bijlage 1
75/210
Lijst van toepassing zijnde bestemmingsplannen
Naam Bestemmingsplan Buitengebied 2016
IDN nummer NL.IMRO.0085.BpBuitengebied2016VG01
Status vastgesteld
Buitengebied, Veegplan 2018
NL.IMRO.0085.BpVpBuitengebied18VG01
vastgesteld
Bestemmingsplan Partiële herziening Buitengebied – Kerkstraat 61 Zuideinde 51 te Fochteloo
NL.IMRO.0085.BPKerkstraat-VG01
vastgesteld
Vaststellingsdatum Bestemming(en) 22-03-2016 Agrarisch, Agrarisch Kwekerij, Agrarisch Paardenhouderij 26-03-2019 Agrarisch, Agrarisch Kwekerij, Agrarisch Paardenhouderij 25-10-2016 Agrarisch
NL.IMRO.0085.BPZuideinde51-VG01
vastgesteld
22-05-2018
Agrarisch
Bijlage 2
77/210
Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf
1 december 2021
1/46
1 december 2021 20201890 Parapluregeling windturbines Ooststellingwerf mr. J. Poelstra gemeente Ooststellingwerf 20201890.001 Marieke Rekswinkel Definitief
2/46
1. Inleiding ...................................................................................................................... 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Leeswijzer
4
2. Beleidskader ............................................................................................................. 2.1 Beleid provincie Friesland 2.2 Beleid regio Zuidoost Friesland 2.3 Beleid gemeente Ooststellingwerf 2.3.1 Structuurvisie 2.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied 2016 2.3.3 Procesboek ontwikkeling agrarische erven
5
3. Het landschap…………………………..……………………………………………………………………………. 3.1 Algemeen 3.2 Woudontginningen 3.3 Beekdalen 3.4 Essenlandschap 3.5 Hoogveen ontginningen 3.6 Heide ontginningen
10
5. Toetsingskader windturbines (objectgerichte kwaliteitscriteria).............................. 19 5.1 JA, MITS niet te dichtbij woningen, een locatie voor natuur of radioastronomie 5.2 JA, MITS goed inpasbaar op het erf en in het landschap 5.3 Algemene uitgangspunten 5.3.1 Vrijstaande windturbines 5.3.2 Dakturbines 5.4 Uitgangspunten per landschapstype voor meerdere vrijstaande windturbines 5.4.1 Woudontginningen 5.4.2 Beekdalen 5.4.3 Essenlandschap 5.4.4 Hoogveenontginningen 5.4.5 Heideontginningen
4. Windturbines ………..…………………………………………………………………………………………… 4.1 Verschillende soorten windturbines 4.1.1 Grondgebonden turbines 4.1.2 Turbines op dak 4.1.3 Nieuwe types windturbines
14
Bijlagen 1 Landschapstypen in Grutsk op ‘e Romte 2 Landschapstypen en landschapstypenkaart Ooststellingwerf 3 Kaarten Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Ooststellingwerf 4 Windkaart 5 Procesboek ontwikkeling agrarische erven Ooststellingwerf
3/46
goede inpassing in het landschap een eis. En daarvoor biedt dit landschappelijk kader inspiratie en houvast. Het laat onder andere voorbeelden zien van mogelijke opstellingen van twee of drie windturbines bij een boerderij. Door een recente wijziging van de Verordening Romte Fryslân bestaan er mogelijkheden om onder voorwaarden windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren. Het gaat om maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf. De windturbines mogen een maximale ashoogte van 15 meter hebben. Het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf. De turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend. Hoewel de provincie ruimte biedt tot drie windturbines op een agrarisch erf, heeft de Raad van State geconcludeerd dat er een plan-MER ten grondslag had moeten liggen aan de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en –regeling. Nu de minister dit heeft nagelaten, is er per windpark een milieubeoordeling nodig. Er is sprake van een windpark vanaf drie windturbines.
Door maximaal twee windturbines per agrarisch bedrijf mogelijk te maken, is er geen sprake van een windpark en is er voor het paraplubestemmingsplan en de partiële herziening geen MER-beoordeling nodig. De gemeente Ooststellingwerf wil wel ruimte bieden voor projecten met drie windturbines, maar wil tegelijk de realisatie van projecten met één of twee turbines niet onnodig vertragen. De gemeente wil voor projecten tot één of twee windturbines relatief eenvoudig een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Om dit te kunnen, is een nieuw paraplubestemmingsplan nodig en een partiële herziening van de beheersverordening. In deze twee plannen wordt een afwijkingsregel opgenomen, die het mogelijk maakt om de windturbines met een reguliere procedure te vergunnen. Voor plannen met drie turbines is een uitgebreide procedure nodig. Voor zowel de reguliere procedure (voor één of twee turbines) als de uitgebreide procedure (drie turbines) gelden diverse voorwaarden voor medewerking. In beide trajecten is een
4/46
Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van het landschapsbeleid op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Op provinciaal niveau is dat Grutsk op ‘e Romte. Op regionaal niveau is de Landschapsvisie Zuidoost Friesland 2018 een belangrijke bouwsteen. En op gemeentelijk niveau zijn de Structuurvisie, het Bestemmingsplan buitengebied 2016 en het Procesboek agrarische erven relevant. In hoofdstuk 3 wordt in het kort het landschap en de verschillende landschapstypes in de gemeente Ooststellingwerf geanalyseerd. Bijlage 2 gaat hier verder op in.
Hoofdstuk 4 geeft een beeld van verschillende soorten windturbines. Modellen voor op het dak of voor vrijstaande windturbines. Dit hoofdstuk bevat vooral beeldmateriaal dat laat zien welke turbines er in de huidige markt verkrijgbaar zijn en geeft een paar voorbeelden van waar ze geplaatst zijn. De beelden zijn niet bedoeld als goede voorbeelden, al zitten die er wel tussen. Het vijfde hoofdstuk bevat de uitgangspunten voor het plaatsen van een windturbine. Als een plan voldoet aan de uitgangspunten, past het meestal goed in het landschap. De inhoud van dit hoofdstuk wordt toegevoegd aan het welstandsbeleid, zodat een welstandsadvies wordt gebaseerd op deze uitgangspunten. De criteria laten zien hoe het ongeveer zou kunnen, maar bepalen plaatsing of details niet exact. Ze zijn zo opgesteld, dat er ruimte blijft voor maatwerk. Het ene erf is het andere immers niet.
In maart 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen. In Grutsk op 'e Romte is een zogenaamde “Top 10” weergegeven. Dit zijn 10 landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang. Dit zijn structuren die de grenzen van deelgebieden overschrijden en bepalend zijn voor de identiteit van de gehele provincie. Het gaat hierbij om: Verscheidenheid aan landschapstypen, overgangszones van het een naar het andere landschapstype en contrasten daartussen. Grootschalige openheid en weidsheid of leegte van de open landschapstypen. Het totaal aan watersystemen. Van zeer grootschalige tot de zeer fijnmazige watersystemen en van voormalig naar huidige of heropende waterverbindingen. Het Waddensysteem. Stelsel van dijken als onderdeel van en voorwaarde voor het watersysteem en agrarische ontwikkeling van Fryslân. Reliëf. Verkaveling. Onzichtbare waarden in de ondergrond. Nederzettingen, dorpen en steden in hun omgeving.
Structuur van de nederzettingen, dorpen en steden. De provincie is ingedeeld in 11 deelgebieden. De gemeente Ooststellingwerf ligt in het deelgebied de Zuidelijke Wouden.
5/46
Landschapstypenkaart
Deelgebied de Zuidelijke Wouden
het een landschappelijk waardevol gebied dat duurzaam in stand moet worden gehouden. Landschapsversterking zal vooral plaatsvinden waar de landschappelijke structuur zwak is, of waar toekomstige recreatieve ontwikkelingen en stedelijke uitbreidingen aanleiding zijn tot versterking van het landschap.