Bijlage 2. Wijziging omgevingsplan Dorpsstraat Haule tussen 12-14
Tekst van het document
Onderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de geplande woningen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage Bodemonderzoek. Navolgend worden de uitkomsten van het onderzoek besproken. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locaties”, formeel gezien niet juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht verhoogde gehalten in het grondwater aangetroffen, waardoor de hypotheses worden verworpen. In de onderzochte bovengrond worden geen overschrijdingen voor PFOA, PFOS en overige PFAS ten opzichte van de achtergrondwaarden (klasse landbouw en natuur) uit het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (13 december 2021) vastgesteld. De geconstateerde verhoogde gehalten in het grondwater liggen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein.
Asbest Op basis van de historie van het perceel, de uitgevoerde maaiveldinspectie en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de boorwerkzaamheden - waarbij geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen - is het aannemelijk dat er geen sprake is van een verontreiniging van de bodem met asbest. Indien hierover echter meer zekerheid is gewenst, wordt geadviseerd een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5707 of NEN 5897 uit te laten voeren. Hergebruik van grond Voor de volledigheid kan nog worden vermeld dat de grond naar verwachting zonder beperkingen kan worden hergebruikt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een indicatieve toetsing aan de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit betreft; het uitgevoerde onderzoek betreft immers geen partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1001.
47
Concept
(van 24-6-2025 11:42)
Conclusie
Concept
Voor de locatie geldt dat uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein zijn. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft bodem.
4.11 Water Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van het wateradvies komt het naleven van instructieregels aan de orde. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: a. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; b. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; c. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Onderzoek Voor de locatie Dorpsstraat is op 31 mei 2024 het wateradvies doorlopen. De uitkomst van het wateradvies is als bijlage Watertoets aan het plan toegevoegd. Hieruit komt naar voren dat de normale procedure moet worden doorlopen. Door de ruimtelijke ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in het gebied in stand te houden. De aanwezige sloot aan de Dorpsstraat voor de woningen blijft in tact, mede in verband met de waterafvoer. De woningen hebben royale tuinen, zowel aan de voor- als achterzijde. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. In het plan zal hier rekening mee worden gehouden. Naar aanleiding van de uitkomst van het wateradvies heeft er afstemming plaatsgevonden tussen het Wetterskip Fryslan en gemeente Ooststellingwerf. Uit deze afstemming is aanvullend advies gegeven op het standaard advies. Bij het doorlopen van het wateradvies is de aanwezigheid van een ondiepe keileemlaag in de ondergrond niet meegenomen.
Het is daarom de vraag in hoeverre er sprake is van infiltratie. Het waterschap geeft daarom het advies om het regenwater zoveel mogelijk ter plaatse vast te houden, maar wel te zorgen dat bij grote neerslaghoeveelheden afvoer mogelijk is. Daarnaast geldt voor de Dorpsstraat het volgende advies voor drooglegging. Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. Het waterschap adviseert voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van
48
Concept
(van 24-6-2025 11:42)
0,70 m gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer. Ook voor verharding adviseert ze een drooglegging van 0,70 m. De locatie aan de Dorpsstraat ligt in een peilgebied met een streefpeil van 3,10/2,90 m NAP (zp/wp).
Concept
Vanwege de oplopende maaivelden bij Haule zullen de sloten droogvallen en wanneer er wel water in de sloten staat dan zal dit hoger zijn als de streefpeilen. Vooral de locatie aan de Dorpsstraat ligt hoog boven het streefpeil. De gemeente zal met het waterschap overleggen omtrent het vastleggen van de droogleggingsnormen.
Ontgronding Voor het plan is watercompensatie nodig door de toenemende verharding. De bestaande watergang aan de noordkant van het plangebied wordt verbreed en aan de zuidkant van het plangebied wordt een sloot gegraven als erfafscheiding. Dit gaat om een beperkte ontgronding die ruim binnen de vrijstellingsgrenzen ligt. Omdat er geen BOPA-procedure wordt doorlopen en het gestelde in de Omgevingsverordening 4.1 onder C daarmee niet van toepassing is, is artikel 16.7 van het BAL leidend. Hieruit blijkt een vrijstelling voor ontgrondingen rond bouw en het aanleggen van leidingen. De aanvullende meldplicht vanuit de omgevingsverordening is niet van toepassing, omdat de grens van 3000 m3 te ontgraven materiaal niet zal worden overschreden. Conclusie Het plan is kenbaar gemaakt aan Wetterskip Fryslan. Ten aanzien van het aspect water kan worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft water.
4.12 Milieuzonering Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4). Onderzoek Voor de beoordeling van geluid en geur door activiteiten wordt gebruik gemaakt van de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Dit is de opvolger van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Net als de oude handreiking maakt de nieuwe handreiking onderscheid tussen twee gebiedstypen: rustig woongebied en gemengd gebied met wonen. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. In deze gebieden is functiemenging mogelijk tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke activiteiten. Het gaat daarbij over het algemeen om kleinschalige bedrijven die met name (productie-)werkzaamheden inpandig in de dagperiode uitvoeren.
Gebiedstypering Het plangebied bevindt zich in een gebied dat kan worden getypeerd als rustig woongebied. In dit gebied is geen functiemenging mogelijk tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke activiteiten. Beoordeling aanvaardbaar woon- en leefklimaat In de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering zijn de volgende mogelijkheden opgenomen om te beoordelen of een plan inpasbaar is in de omgeving: • Een beoordeling op basis van de aangepaste tabel met richtafstanden uit de VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 die is opgenomen in bijlage A5 van het document.
49
Concept
(van 24-6-2025 11:42)
• •
Een onderbouwing op basis van een aantal criteria die in de VNG Handreiking staan beschreven. Deze motivatie kan ook in combinatie met de richtafstanden worden gebruikt. Een berekening van het geluidniveau maken en deze beoordelen op basis van de normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Concept
Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving In de omgeving bevinden zich diverse functies die potentieel geluidhinder kunnen veroorzaken. Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het projectgebied aanvaardbaar is, is de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering geraadpleegd. Hierbij is specifiek gekeken naar het hulpmiddel in bijlage A5. Daarin staan veel bedrijfsactiviteiten in met een bepaalde 'positie' per hinderkolom (geur en geluid). De posities kunnen vervolgens vertaald worden naar de richtafstanden uit de 2009 VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De omgeving van het plangebied bestaat uit woonbestemmingen en het buitengebied, met diverse agrarische bouwvlakken nabij. Ook bevinden zich enkele bedrijfsbestemmingen in de omgeving. Alle milieuhinderende bedrijvigheid ligt op (ruim) voldoende afstand van de geplande woningbouwlocatie. Het voornemen veroorzaakt geen beperking van omliggende bedrijfsvoering, terwijl omliggende bedrijven geen onaanvaardbare geluidhinder veroorzaken voor de te realiseren woningbouw. Hinder als gevolg van het onderhavige plan Het project voorziet in de realisatie van woningen. Een woning leidt van zichzelf niet tot hinder voor omliggende functies. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door (bedrijfsmatige) activiteiten.
4.13 Gezondheid Toetsingskader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.3.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
Onderzoek Bij dit initiatief wordt met name gekeken naar een gezond leefmilieu (aanwezigheid van geluid, goede riolering, geur en waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen en een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Zaken zoals geluid, geur, bodem en water worden in de andere paragrafen van dit hoofdstuk behandeld.
Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft gezondheid.
50
Concept
(van 24-6-2025 11:42)
4.14 Ladder voor duurzame verstedelijking
Concept
Toetsingskader Op grond van artikel 5.129g van het BKL wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden met de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: a. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? b. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? c. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? d. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? e. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Onderzoek De Ladder is van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beschouwt de bouw van minder dan elf woningen niet als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een nadere toets aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk, nu 2 woningen worden gerealiseerd. Ondanks dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling wel worden aangetoond. In de paragrafen van het gemeentelijke beleid is hier nader op ingegaan.
Conclusie Een nadere toets aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk. De behoefte wordt besproken in de paragrafen van het gemeentelijke beleid. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.15 Spuitzones Toetsing Op grond van paragraaf 4.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) gelden voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht, lozingsvoorschriften. Emissies van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Onderzoek Spuitvrije zone Op 1 april heeft het college (onder andere) het volgende besloten: Met betrekking tot nieuwe woningbouwplannen die nog niet in procedure zijn gebracht: Bij nieuwe woonfuncties die grenzen aan een agrarische functie, een spuitvrije zone op te nemen waarbij de volgende uitgangspunten gelden: • Te werken met een spuitvrije zone binnen het plangebied, • Als dat niet mogelijk is, te werken met een spuitvrije zone (deels) buiten het plangebied;
51
Concept
(van 24-6-2025 11:42)
Het voorliggende plan is een van de plannen waar (nog) geen spuitvrije zone in meegenomen wordt, omdat het plan al in een vergevorderd stadium van ontwikkeling was ten tijde van het collegebesluit van 1 april jl. Het is niet mogelijk om in dit stadium nog een spuitvrije zone mee te nemen in het plan.
Concept
Perceel zuidzijde De woonpercelen grenzen aan de zuidzijde aan een agrarische functie. Deze grond is in eigendom bij de initiatiefnemer van het plan. Het perceel wordt al geruime tijd alleen als grasland gebruikt. Aan de zuidzijde van het perceel wordt als erfafscheiding en als watercompensatie een sloot gegraven. Door de aanwezigheid van teeltvrije zones langs deze watergang wordt het gebruik van eventuele gewasbeschermingsmiddelen verder beperkt. Teeltvrije zones zijn gebieden waar gewasbeschermingsmiddelen en mest niet mogen worden gebruikt. De breedte van deze zones is afhankelijk van het type gewas. Perceel oostzijde De agrarische functie ten oosten van de woonpercelen ligt op 47 meter van de grens van het dichtstbijzijnde perceel. Dit agrarische perceel is al jaren alleen maar in gebruik als grasland. Ook hier wordt verwacht dat het gebruik als grasland blijvend is. Conclusie Gelet op het huidige gebruik, de aanwezigheid van teeltvrije zones, de geldende wet- en regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen en de afstand tussen de woning(en) en de agrarische percelen, achten wij het in dit geval acceptabel dat er geen spuitvrije zone is opgenomen.
5 Economische uitvoerbaarheid 5.1 Financieel economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het kostenverhaal en de nadeelcompensatie.
5.2 Kostenverhaal De gemeente is wettelijk verplicht om bepaalde kosten voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut (zoals straten, riolering, groen, parkeergelegenheid en waterpartijen) te verhalen op de initiatiefnemer. Leges vallen hier niet binnen. Kostenverhaal wordt via een zogenaamde anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente geregeld.
5.3 Nadeelcompensatie Als de gemeente besluit tot medewerking aan de wijziging van het omgevingsplan, dan kunnen anderen daardoor schade lijden. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Met de grondeigenaar wordt een overeenkomst gesloten waarin de afspraken over het kostenverhaal en de kosten in verband met eventuele nadeelcompensatie (oftewel planschade) worden vastgelegd.
6 Procedure en zienswijzen 6.1 Participatie In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de initiatiefnemer om bij planontwikkeling het volgende aan te geven: • of de aanvrager aan participatie heeft gedaan; • zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn.
Dit omvat geen verplichting voor de initiatiefnemer om aan participatie te doen. Er is één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplichting is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is (artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet). Als de aanvrager bij zo'n aangewezen geval niet of
52
Concept
(van 24-6-2025 11:42)
onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Dit is in onderhavige situatie niet het geval.
Concept
De gemeente heeft een aantal keren overleg gehad met omwonenden, belanghebbenden en inwoners. Dit heeft geleid tot aanpassing van het plan. Voor de verslaglegging wordt verwezen naar de bijlage Participatieverslag Dorpsstraat.
6.2 Advies en vooroverleg
53
Concept
Advies De gemeente heeft een intaketafel waaraan integrale (ambtelijke) toetsing van plannen en projecten door betrokken stakeholders plaatsvindt. Deze toetsing heeft plaatsgevonden en geleid tot het planvoornemen met bijbehorende onderzoeken zoals in onderhavige motivering beschreven.
Bestuurlijk vooroverleg Op basis van artikel 2.2 Omgevingswet houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.
6.3 Vaststellingsprocedure Op 25 maart 2025 heeft de gemeenteraad de ‘Regeling delegatie en machtiging gemeenteraad 2025’ vastgesteld. In dit besluit zijn een aantal gevallen opgenomen waarin het vaststellen van het omgevingsplan is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het voorliggende omgevingsplan valt hier niet onder. Deze omgevingsplanwijziging wordt door de gemeenteraad vastgesteld. De ontwerp wijziging van het omgevingsplan heeft zes weken ter inzage gelegd. Iedereen heeft daarbij de mogelijkheid gehad binnen die termijn te reageren op het ontwerpplan door middel van het indienen van een zienswijze. Er is één zienswijze ingediend. Deze heeft niet geleid tot wijziging van het omgevingsplan. De nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen is alsNota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen toegevoegd. Het vastgestelde plan wordt gepubliceerd. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in beginsel in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. Na vaststelling van het omgevingsplan staat gedurende zes weken beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
(van 24-6-2025 11:42)