CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ontwerp-omgevingsvergunning Rijweg 115 Oosterwolde

Raadsvergadering 23 april 2024, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning/Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen Rijweg 115 Oosterwolde6.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Behandeld door: W. van Wijk Telefoonnummer: 14 0516 Ons kenmerk: OV-2022-4777

De heer S. Kwakernaak Rijweg 115 8431 KK OOSTERWOLDE

Onderwerp: ontwerpbesluit bouw van een nieuwe potstal Oosterwolde, 6 maart 2024

Beste heer Kwakernaak, Op 20 september 2022 hebben wij een aanvraag ontvangen voor de bouw van een nieuwe potstal. Deze aanvraag gaat over de locatie Rijweg 115 Oosterwolde. Ons ontwerpbesluit krijgt u in deze brief. Ontwerpbesluit Wij zijn van plan om de omgevingsvergunning te verlenen. Het gaat om de volgende activiteiten: 1. Het bouwen van een bouwwerk. 2. Het uitvoeren van werk of werkzaamheden. 3. Handelen in strijd met de ruimtelijke regels. 4. Wijziging van een milieubelastende activiteit. Waarom zijn wij van plan om de omgevingsvergunning te verlenen? Wij hebben uw aanvraag getoetst aan de regelgeving. Uw aanvraag voldoet aan de regelgeving. In de bijlage(n) vindt u de onderbouwing. Voorschriften Wij zijn van plan de omgevingsvergunning te verlenen met voorschriften. Daarnaast gelden nog andere wettelijke eisen. Hieraan moet u zich houden. Het is daarom belangrijk dat u ze goed leest, ze staan in de bijlage. De bijlagen maken onderdeel uit van dit ontwerpbesluit. Procedure De uitgebreide voorbereidingsprocedure is van toepassing op uw aanvraag. Dit houdt in dat we eerst een ontwerpbesluit publiceren. Over dit ontwerpbesluit kan iedereen een mening (zienswijze) geven. Als er een zienswijze wordt ingediend, onderzoeken wij of er reden is een ander besluit te nemen dan het ontwerpbesluit.

U krijgt altijd schriftelijk bericht van het definitieve besluit, waarbij we ook de mogelijkheden van beroep vermelden. Besluit milieu effectrapportage De voorgenomen activiteit valt onder categorie 14 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 7 april 2023 bij ons gemeld.

Daarop hebben wij besloten dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld moet worden. Dit besluit is als bijlage bij de aanvraag gevoegd en wordt door ons tezamen met het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Tegen dit besluit staat geen afzonderlijk bezwaar of beroep open, omdat sprake is van een voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 Algemene wet bestuursrecht. Eventuele bezwaren tegen dit besluit kunnen aangevoerd worden in de procedure omtrent de omgevingsvergunning. Bent u het niet eens met ons ontwerpbesluit? Als u het niet eens bent met dit ontwerpbesluit, dan kunt u uw mening (zienswijze) geven. In de bijlage leest u hoe u dat kunt doen onder het kopje Zienswijze en beroepmogelijkheden. Publicatie Wij publiceren het ontwerpbesluit op www.overheid.nl/berichten-over-uw-buurt en als service in de Nieuwe Ooststellingwerver en de Nieuwe Ooststellingwerver huis aan huis. Wij leggen het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken zes weken ter inzage. Tijdens deze termijn kan een belanghebbende een zienswijze geven over het besluit. Meer informatie hierover vindt u in de bijlage onder het kopje Zienswijze en beroepmogelijkheden. Wat kost deze vergunning In de gemeentelijke legesverordening staat dat u voor de omgevingsvergunning leges moet betalen. U moet €13.402,30 betalen.

U ontvangt de nota nadat wij het definitieve besluit hebben genomen. Andere regels en bepalingen Dat wij van plan zijn om de omgevingsvergunning te verlenen betekent niet dat allerlei andere regels niet meer gelden. U moet zich tijdens én na de uitvoering van deze vergunning nog steeds houden aan alle geldende regels. Hierbij moet u niet alleen denken aan de regels van de overheid, maar bijvoorbeeld ook aan bepalingen in een huurcontract of koopcontract, maar ook het grondeigendom en de eigendommen van buren. Heeft u vragen? Als u nog vragen heeft kunt u contact met ons opnemen. Via telefoonnummer 14 0516 of per e-mail via gemeente@ooststellingwerf.nl. Bellen kan maandag t/m donderdag van 8.30 tot 16.30 uur en vrijdag van 8.30 tot 12.30 uur. Wilt u hierbij het zaaknummer OV-2022-4777 vermelden? Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van Gemeente Ooststellingwerf.

W. J. Dijk Teamleider Vergunningen ________________________________________________________________________ De volgende bijlagen maken deel uit van dit ontwerpbesluit: - Documenten bij het ontwerpbesluit - Begrippen - Inhoudelijke beoordeling - Legesbedragen - Voorschriften - Zienswijze en beroepmogelijkheden OV-2022-4777

Bladnr.2

BIJLAGEN bij ontwerpbesluit OV-2022-4777 Documenten bij het ontwerpbesluit De onderstaande documenten maken onderdeel uit van dit besluit. Wij wijzen u erop dat het formaat en de schaal van tekeningen op papier kunnen afwijken. De digitale versie van de tekening(en) die bij dit besluit zijn meegestuurd, zijn leidend.                      

B_ Ruimtelijke onderbouwing Rijweg 115 Oosterwolde. Identificatienummer D2024-00008850 B_advies archeologie Plantoetsing_archeologie_Rijweg115_Oosterwolde. Identificatienummer D2023-00002277 B_Tekening met verkeersbewegingen. Identificatienummer D2023-00025050 B_Milieutekening WM van 04-07-23. Identificatienummer D2023-00025049 B_ Aanvraagformulier handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Identificatienummer D2023-00013893 B_ Archeologisch onderzoek. Identificatienummer 613638736 B_ Doorsneden en details. Identificatienummer 608724002 B_aanmeldingsnotitie m.e.r. van 4 juli 2023. Identificatienummer D2023-00025069 B_Tekening potstal. Identificatienummer D2023-00017406 B_Kwakernaak verkeersbewegingen erf. Identificatienummer D2023-00025028 B_ M.e.r.-beoordelingsbesluit 17-8-2023. Identificatienummer D2024-00004824 B_ Voortoets stikstof compleet. Identificatienummer D2023-00013899 B_ AERIUS projectberekening. Identificatienummer D2023-00013898 B_ Bijlage bij Aerius projectberekening. Identificatienummer D2023-00013896 B_ Aanvraagformulier veranderingsvergunning milieu. Identificatienummer D2023-00013897 B_ Aeriusberekening bouwfase. Identificatienummer D2023-00013894 B_ Constructiebrief 30-11-2022. Identificatienummer 613638738 B_ Aanvraagdocument publiceerbaar. Identificatienummer 608724016 B_ Plattegrond en gevels.

Identificatienummer 608723992 Akoestische vragenlijst. Identificatienummer D2023-00025067 B_Begeleidend schrijven bij m.e.r.-beoordeling. Identificatienummer D2023-00013901 B_ Overzicht emissies naar lucht. Identificatienummer D2023-00013900

Begrippen APV: Awb: Bor: Mor: OLO: Wabo:

OV-2022-4777

Algemene plaatselijke verordening Algemene wet bestuursrecht Besluit omgevingsrecht Regeling omgevingsrecht Omgevingsloket online (website waar u de aanvraag heeft ingediend) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Bladnr.3

Inhoudelijke beoordeling De uitgebreide voorbereidingsprocedure is van toepassing op het ontwerpbesluit (artikel 3.10 Wabo). Op basis van de onderstaande overwegingen zijn wij van plan de omgevingsvergunning te verlenen: 1. Het bouwen van een bouwwerk De aanvraag voor het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wabo) hebben wij getoetst aan:  het bestemmingsplan “Buitengebied 2016, laatstelijk gedeeltelijk gewijzigd bij besluit van 26 maart 2019 (Veegplan)” met de bestemming "Agrarisch", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Cultuurhistorie 1" (artikel 2.10 lid 1 onder c Wabo);  de Welstandsnota (artikel 2.10 lid 1 onder d Wabo);  het Bouwbesluit (artikel 2.10 lid 1 onder a Wabo);  de Bouwverordening (artikel 2.10 lid 1 onder b Wabo). Motivering om de gevraagde vergunning te verlenen: Bestemming De activiteit is strijdig met artikel 3 van het bestemmingsplan “Buitengebied 2016, laatstelijk gedeeltelijk gewijzigd bij besluit van 26 maart 2019 (Veegplan)” de maximaal toegestane breedte van het bouwvlak wordt overschreden. Wij kunnen afwijken van het bestemmingplan. Onder het kopje Bouwen in strijd met bestemmingsplan staat waarom wij in dit geval afwijken van het bestemmingsplan. Welstandsnota De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Hûs en Hiem heeft uw plan getoetst aan de bepalingen van de welstandsnota.

De commissie is van mening dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bouwbesluit 2012 U heeft aannemelijk gemaakt dat uw bouwplan voldoet aan de regels van het Bouwbesluit 2012. U moet wel voldoen aan de voorschriften genoemd in het kopje “Voorschriften”. Bouwverordening U heeft aannemelijk gemaakt dat uw bouwplan voldoet aan de regels van de bouwverordening. U moet wel voldoen aan de voorschriften genoemd in het kopje “Voorschriften”. 2. Het uitvoeren van werk of werkzaamheden De aanvraag voor het uitvoeren van (werk)zaamheden (artikel 2.1, lid 1 onder b van de Wabo) hebben wij getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied 2016, laatstelijk gedeeltelijk gewijzigd bij besluit van 26 maart 2019 (Veegplan)” (artikel 2.10 lid 1 onder b Wabo) en artikel 2.11 van de Wabo. In het bestemmingsplan zijn criteria opgenomen waarin is omschreven wanneer wij uw vergunning kunnen verlenen. Motivering om de gevraagde vergunning te verlenen: Wij kunnen uw vergunning alleen verlenen als de onderstaande waarden niet in het geding komen:  

de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; De bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden blijven in stand. de archeologische waarden; de archeologische waarden worden door de werkzaamheden niet onevenredig geschaad.

OV-2022-4777

Bladnr.4

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; De werkzaamheden vinden plaats op ruime afstand van de aangrenzende gronden. De werkzaamhden belemmeren het gebruik van de aangrenzende gronden niet. Ook vinden er geen onevenredige beperkingen in het gebruik van de aangrenzende gronden plaats. de verkeersveiligheid; De werkzaamheden vinden plaats in het buitengebied op ruime afstand van een weg. De verkeersveiligheid is niet in het geding.

De aanvraag voldoet op alle punten, daarom krijgt u de omgevingsvergunning. U moet wel voldoen aan de voorschriften die in de bijlage staan. 3. Handelen in strijd met de ruimtelijke regels De aanvraag omgevingsvergunning ziet op de activiteit “handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening”, zoals genoemd in artikel 2.1, lid 1 onder c, Wabo. Uw aanvraag is getoetst aan artikel 2.12, lid 1 Wabo en het bestemmingsplan “Buitengebied 2016, laatstelijk gedeeltelijk gewijzigd bij besluit van 26 maart 2019 (Veegplan)” Uw aanvraag voldoet niet aan de bestemming "Agrarisch" (artikel 3.2 lid 5 van het bestemmingsplan) omdat de breedte van het aaneengesloten oppervlak langs de weg gemeten ten hoogste 100 m mag bedragen. Wij hebben gekeken of wij een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a van de Wabo kunnen en willen verlenen. Het project kan slechts gerealiseerd worden als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wabo. Voor de betreffende activiteit is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, welke is opgenomen als bijlage bij dit besluit en een integraal deel uitmaakt van dit besluit.

Conclusie ruimtelijke onderbouwing Voor het project is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. De belangrijkste conclusie van deze ruimtelijke onderbouwing is dat het project in overeenstemming is met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau. Het project past in het rijksbeleid en provinciaal beleid, zoals verwoord in het Streekplan Fryslân en de Verordening Romte Fryslân. Het project veroorzaakt verder geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. Het project heeft geen negatieve gevolgen voor de flora en fauna. Geconcludeerd wordt dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor `planologisch strijd gebruik’ niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Belangenafweging Instemmen met het project levert in onze optiek een wenselijke planologische situatie op, welke wij vanuit een ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar achten. Het overschrijden van het vastomlijnde planologisch toetsingskader achten wij in dit specifieke geval dan ook ruimtelijk gezien aanvaardbaar. Daarbij hebben wij tevens de belangen van de omwonenden in ogenschouw genomen, die zijn tijdig geïnformeerd door initiatiefnemer over het voornemen, waardoor er participatie heeft plaatsgevonden. Het realiseren van dit project levert geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat op.

OV-2022-4777

Bladnr.5

Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 2.27, lid 3 van de Wabo in combinatie met artikel 6.5, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn wij verplicht om een aanvraag welke betrekking heeft op de activiteit `planologisch strijdig gebruik’ ex artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo en waarvoor een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder 3° van de Wabo wordt verleend, voor te leggen aan de gemeenteraad. De gemeenteraad dient aan te geven of deze wel of geen bedenkingen tegen het project heeft. Op grond van artikel 6.5, lid 3 van het Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet vereist is. De raad van de gemeente Ooststellingwerf heeft in zijn vergadering van 18 december 2012, met toepassing van artikel 6.5, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), besloten tot het aanwijzen van categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. Het onderhavige project behoort niet tot een dergelijk aangewezen categorie, zodat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is. Wij hebben de gemeenteraad verzocht om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De raad heeft in haar vergadering van d.d.

23 april 2024 verklaard geen bedenkingen te hebben tegen de realisatie van dit project Uw aanvraag voldoet verder ook op alle punten, daarom krijgt u de omgevingsvergunning. U moet wel voldoen aan de voorschriften die in de bijlage staan.

4. Wijziging van een milieubelastende activiteit De aangevraagde activiteit voor het oprichten, het veranderen, het veranderen van de werking, of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wabo) hebben wij getoetst aan artikel 2.14 van de Wabo (beoordelingscriteria voor het oprichten of veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk) Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het bouwen van een vrijloopstal (stal 6) voor 60 stuks jongvee (A3.100) en 10 droogstaande melk- en kalfkoeien (A1.100), het minder houden van 23 melk- en kalfkoeien (A1.100) in stal 4 , het minder houden van 11 melk- en kalfkoeien (A1.100) in stal 5 het realiseren van een vaste mestopslag met een grootte van 10 m3. In totaal worden er, na de wijziging, in stal 4 157 melk- en kalfkoeien (A1.100), in stal 5 92 melk- en kalfkoeien (A1.28) en 1 fokstier (A7.100) en in stal 6 60 stuks jongvee (A3.100) en 10 melk- en kalfkoeien (A1.100) gehouden. Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting is eerder de onderstaande omgevingsvergunning milieu verleend: Soort

Datum

Onderwerp

Milieuneutrale wijziging

21 oktober 2021

Veranderen stalsysteem

Oprichtingsvergunning

26 februari 2019

Oprichten melkrundveehouderij

OV-2022-4777

Bladnr.6

Wet natuurbescherming In 2018 heeft provincie Fryslan een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. De VVG is opgenomen in de vergunning van 2018. Deze vergunning biedt voldoende ruimte ten opzichte van de milieuvergunde situatie. Middels een Aerius berekening is aangetoond, dat er tijdens de bouwfase geen extra stikstofdepositie ontstaat. Ook is middels een Aeriusberekening aangetoond, dat er tijdens de gebruiksfase geen extra stikstofdepositie plaatsvindt. Daarom geldt er geen aanhaakplicht met de Wet natuurbescherming. 3.1 Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo. 3.2 Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:  de bestaande toestand van het milieu betrokken;  met het milieubeleidsplan rekening gehouden;  de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. De aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten waterbesparing, afvalpreventie, verkeer en vervoer, geluid, bodem, bedrijfsafvalwater en veiligheid.

Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de oprichtingsvergunning van 27 februari 2019. 3.3 Activiteitenbesluit Binnen de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:  lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; Voor deze inrichting houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling:  paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening;  paragraaf 3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken.

Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. 3.3.1 Melding Activiteitenbesluit Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.

OV-2022-4777

Bladnr.7

4.

DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE

4.1 Dieraantallen en (huisvestings)systemen bestaande situatie Voor de inrichting is op 26 februari 2019 een oprichtingsvergunning en op 21 oktober 2021 een milieuneutrale wijziging voor het stalsysteem verleend. In tabel 1 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de geldende vergunning. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 1 Stal

4

Geldende vergunning Ravcode

A 1.100

5

A 7.100

5

A 1.100

5

A 1.28

OV-2022-4777

Diercategorie / huisvestingssystee m Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssysteme n Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssysteme n Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssysteme n Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / ligboxenstal met roostervloer, voorzien van rubberen matten en composiet nokken met een hellend profiel, kunstof cassettes met kleppen in de roosterspleten en met mestschuif (BWL 2015.05.V2) Totaal

Aantal dieren

Ammonia kem.facto r

Totaal ammonia k

Geure m.

Totaal geur

Fijnst ofem.

Totaal fijnstofem .

180

13

2.340

nvt

nvt

148

26.640

1

6,2

6,2

nvt

nvt

170

170

11

13

143

nvt

nvt

148

1.628

92

6

552

nvt

nvt

148

13.616

3.041,2

42.054

Bladnr.8

4.2 Dieraantallen en (huisvestings)systemen aangevraagde situatie Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd, de ammoniakemissie (kg NH 3 per jaar) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) zijn in tabel 2 weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. tabel 2 Stal

aangevraagde vergunning. Ravcode

4

A 1.100

5

A 7.100

5

A 1.28

6

A 1.100

6

A 3.100

Diercategorie / huisvestingssysteem

Aan tal dier en

Ammonia kem.facto r

Totaal ammoniak

Geure m.

Totaal geur

Fijn stof em.

Totaal fijnstofem

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / ligboxenstal met roostervloer, voorzien van rubberen matten en composiet nokken met een hellend profiel, kunstof cassettes met kleppen in de roosterspleten en met mestschuif (BWL 2015.05.V2) Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen Vrouwelijk jongvee/ overige huisvestingssystemen

157

13

2.041

nvt

nvt

148

23.236

1

6,2

6,2

nvt

nvt

170

170

92

6

552

nvt

nvt

148

13.616

10

13

130

nvt

nvt

148

1.480

60

4,4

264

nvt

nvt

38

2.2800

5. BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.

OV-2022-4777

Bladnr.9

5.1 IPPC-installatie De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE: meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, of; meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg), of; meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, leidt niet tot een overschrijding van de ondergrenswaarden van de RIE. De inrichting betreft geen IPPC-installatie.

6.

AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN

6.1

BBT dierenverblijven ammoniak

6.1.1 Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting, de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT.

OV-2022-4777

Bladnr.10

6.1.2 Toetsing ammoniak op basis van het Besluit emissiearme huisvesting In tabel 3 is per diercategorie per stal de maximale emissiewaarde naast de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem gezet. Tabel 3

Stal

huisvestingssystemen aangevraagde situatie. Emissiefactor op basis van bijlage 1 van de Rav en maximale emissiewaarde op basis van bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting.

Diercategorie / huisvestingssysteem

Aantal dieren

Emissiefactor

Maximale

Kolom maximale

(kg NH3 per

emissiewaarde

emissiewaarde

dierplaats per

(kg NH3 per

jaar)

dierplaats per jaar)

4

Melk- en kalfkoeien / overige huisvestingssystemen (Rav-code A 1.100)

5

157

13

1)

Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen (Rav-code

2)

2) 1

6,2

1)

92

6

8,6

10

13

1)

60

4,4

1)

A7.100) 5

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / ligboxenstal met roostervloer, voorzien van rubberen matten en composiet nokken met een hellend profiel, kunstof cassettes met

C

kleppen in de roosterspleten en met mestschuif (BWL 2015.05.) (Rav-code A1.28) 6

Melk- en kalfkoeien / overige huisvestingssystemen (Rav-code A 1.100)

6

Vrouwelijk jongvee/ overige huisvestingssystemen (A3.100)

2)

2)

1) Niet vastgesteld. 2) Niet van toepassing. Voor de diercategorieën vrouwelijk jongvee en fokstieren gelden geen maximale emissiewaarden. De voorgestelde huisvestingssystemen voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. De bestaande stal 4 en het bestaande gedeelte van stal 5 voor melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar is een dierenverblijf die is opgericht voor 1 april 2008. De capaciteit van deze stal is na 1 april 2008 en voor 1 juli 2015 met niet meer dan 20 dierplaatsen uitgebreid ten opzichte van het aantal dierplaatsen dat op 1 april 2008 aanwezig mocht zijn. Voor deze stal is conform artikel 3, lid 1 onder a van het B.e.h. geen maximale emissiewaarde van toepassing. De uitvoering van het bestaande deel van deze stal voldoet aan de eis van het toepassen van de BBT. Voor de nieuwbouw/uitbreiding van stal 5 geldt conform kolom C van bijlage 1 van het B.e.h. een maximale emissiewaarde van 8,6 kg ammoniak per dierplaats per jaar. De vloer wordt uitgevoerd met Rav-code A 1.28. Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 6,0 kg ammoniak per dierplaats per jaar zodat voldaan wordt aan het Besluit emissiearme huisvesting. Stal 6 is een vrijloopstal conform artikel 2 lid 2 a. van het B.e.h. en hiervoor geldt geen maximale emissiewaarde. Voor melkvee- en jongveestallen gelden op grond van het B.e.h geen maximale emissiewaarde voor fijnstof.

Wanneer op basis van het besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. De in de inrichting aanwezige huisvestingssystemen worden aangemerkt als BBT.

OV-2022-4777

Bladnr.11

6.1.3 Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel ammoniak aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 6.2

Ammoniakemissie dierenverblijven

6.2.1 Toetsingskader Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). 6.2.2 Toetsing De dierenverblijven van onderhavige inrichting liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Voor deze inrichting geldt op grond van de Wav geen beperking met betrekking tot het ammoniakplafond. Aan het gestelde in de Wav wordt voldaan. 6.2.3 Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 7.

GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN

7.1 Toetsingskader De aanvraag is getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) en onze gemeentelijke geurverordening. 7.2 Beoordeling dieren zonder geuremissiefactoren ('vaste afstanden') In bijlage 1 van de Rgv zijn voor melkvee, fokstieren en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar geen geuremissiefactoren opgenomen. De dichtstbijzijnde woning van derden ligt buiten de bebouwde kom. Dit betreft de woning aan de Rijweg 94 te Oosterwolde. De afstand gemeten vanaf het emissiepunt van de dierenverblijven tot de gevel van de woning bedraagt circa 54 meter. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Verordening geurhinder en veehouderij Ooststellingwerf zijn de afstanden voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling niet een geuremissiefactor is vastgesteld aangepast. Binnen de bebouwde kom bedraagt de afstand ten minste 50 meter en buiten bebouwde kom bedraagt de afstand ten minste 25 meter. Ook aan deze afstanden wordt voldaan. Op grond van artikel 5 van de Wgv moet, bij diercategorieën zonder geuremissiefactoren, een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden; deze afstand bedraagt ten minste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en ten minste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom.

In artikel 4 wordt aangegeven dat het aantal dieren in dierenverblijven, buiten de bebouwde kom, niet mag worden uitgebreid, als het emissiepunt is gelegen binnen 50 meter tot een geurgevoelig object:

Vergelijking van deze afstanden toont aan dat wordt voldaan aan de afstandsnormen van de Wgv.

OV-2022-4777

Bladnr.12

7.3 Conclusie geurhinder dierenverblijven De afstanden tot en de geurbelasting op geurgevoelige objecten vormen geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 8.

EMISSIE ZWEVENDE DEELTJES UIT DIERENVERBLIJVEN

8.1

BBT dierenverblijven voor zwevende deeltjes

8.1.1 Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting, de Wabo (artikel 2.22, derde lid) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen voor zwevende deeltjes (PM10) zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. 8.1.2 Toetsing zwevende deeltjes (PM10) op basis van het Besluit emissiearme huisvesting Voor de aangevraagde diercategorieën gelden geen maximale emissiewaarden. De voorgestelde huisvestingssystemen voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT.

8.1.3 Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel zwevende deeltjes aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 8.2

Luchtkwaliteitseisen

8.2.1 Toetsingskader In titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren. De grenswaarden hebben betrekking op de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide en benzeen. Tevens is in deze bijlage een richtwaarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM 10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. In beginsel dient ter beperking van de emissies BBT te worden toegepast. Worden desondanks overschrijdingen van de grenswaarden verwacht en er is sprake van een in betekenende mate bijdrage van de inrichting, dan moet worden gezocht naar aanvullende eisen of alternatieven, waardoor de bijdrage van de inrichting per saldo niet groter wordt dan voor het te nemen besluit op de aanvraag voor de omgevingsvergunning.

OV-2022-4777

Bladnr.13

Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit; c. de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM); d. het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. 8.2.2 Toetsing De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De stof stikstofdioxide komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen. Gezien de activiteiten van de inrichting kan worden gesteld dat geen of nauwelijks stikstofdioxide wordt uitgestoten. De andere genoemde stoffen (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide, benzeen en ozon) zijn niet relevant bij een agrarisch bedrijf. Aan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden.

Voor zwevende deeltjes zijn de volgende grenswaarden opgenomen:  24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 g/Nm3 voor PM10, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden;  jaargemiddelde grenswaarde van 40 g/Nm3 voor PM10;  jaargemiddelde grenswaarde van 25 g/Nm3 voor PM2,5. Voor het berekenen van de concentratie van PM2,5 zijn nog niet in alle gevallen emissiefactoren bekend. Tot die tijd zal voor de beoordeling van PM2,5 worden uitgegaan van een publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Op basis van een onderzoek van het RIVM (“Attainability of PM 2,5 air quality standards, situation for the Netherlands in a European context, J. Matthijsen, B.A Jimmink, F.A.A.M. de Leeuw en W. Smeets, Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven 2009) wordt geconcludeerd dat wanneer aan de norm voor PM10 wordt voldaan, dit ook geldt voor de norm voor PM2,5. Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM 2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde. De voorgenomen activiteiten leiden tot een afname van de concentraties fijnstof vanwege de verandering. In de vergunde situatie bedraagt de totale fijnstofemissie 42.054 gram (PM 10) per jaar. In de gewenste situatie bedraagt de totale fijnstofemissie 40.782 gram fijnstof (PM10) per jaar. Er vindt een afname plaats van 1.272 gram fijnstof (PM10) per jaar.

Naast de dierenverblijven zorgen ook verkeersbewegingen voor emissies van fijn stof. De fijn stof emissie afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijking met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt. 8.2.3 Conclusie De uitbreiding van de veehouderij draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie fijn stof in de buitenlucht. Luchtkwaliteit vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 9. (VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets.

OV-2022-4777

Bladnr.14

Bij een vergunningaanvraag is het van belang om de gezondheid van omwonenden van een veehouderij mee te nemen bij de besluitvorming, ook als daar geen landelijk of wettelijk verankerd toetsingskader voor beschikbaar is. Met andere woorden, indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. 9.1 Het toetsingskader Op basis van alle tot nu toe bekende rapporten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken om duidelijke uitspraken te kunnen doen over de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. Dit wordt als zodanig ook bevestigd door alle tot nu toe gedane uitspraken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en rechtbanken, waaruit blijkt dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om de volksgezondheid mee te nemen bij de verlening van de omgevingsvergunning milieu. Voor het opstellen van één beoordelingskader is onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig. Uit de onderzoeksrapporten blijkt dat er geen relatie kan worden gelegd tussen de afstand tot veehouderijen en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

9.2 De gevolgen van de aangevraagde activiteiten Het toetsingskader naar aanleiding van de op 7 juli 2016 gepresenteerde onderzoeken is in ontwikkeling. Een eenduidige tekst voor de beoordeling is nog niet beschikbaar. De inrichting wordt uitgebreid met jongvee. Ten gevolge van de toename van het aantal dieren en de omvang van de activiteiten in de inrichting, kunnen mogelijk gevolgen voor de volksgezondheid optreden. 9.3 Maatregelen en voorzieningen Binnen de inrichting zijn bepalingen ingevolge de Wet dieren en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van toepassing. Deze bepalingen waarborgen dat dierziektes binnen de inrichting worden voorkomen, dan wel worden bestreden. Het gaat daarbij onder andere om het gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. Het aangevraagde huisvestingssysteem in stal 6 is een vrijloopstal dat de dierengezondheid bevordert door het creëren van een optimaal klimaat en een hoge weerstand van de dieren. Hierdoor krijgen ziekteverwekkers minder kans. Verder wordt (een deel van) het vee permanent opgestald. Hierdoor wordt besmetting en verspreiding van ziekten door contact met andere dieren voorkomen. Verder liggen de stallen die deel maken van de inrichting op enige afstand van woningen van derden (circa 54 meter).

Endotoxinen komen vooral voor bij pluimveehouderijen en varkenshouderijen en in veel mindere mate bij melkrundveebedrijven. 9.4 Beoordeling en conclusie De inrichting levert niet zodanige risico’s op voor de volksgezondheid dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd. Voor zover gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan door geur-, fijn stof- of geluidemissie wijzen wij erop dat voor deze emissies wettelijke toetsingskaders beschikbaar zijn. Aan de geldende normstellingen, dan wel bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij c.q. de gemeentelijke geurverordening, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer en de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening c.q. de gemeentelijke Nota industrielawaai wordt voldaan (zie ook de overwegingen in de hoofdstukken

OV-2022-4777

Bladnr.15

‘Geurhinder uit dierenverblijven’, ‘Geluid’ en ‘Luchtkwaliteit’). Gezondheidsrisico’s door deze aspecten worden uitgesloten geacht. Voor micro-organismen en het voorkomen van zoönosen zijn geen normen of grenswaarden beschikbaar. Alleen voor endotoxinen geeft de Gezondheidsraad een aanbeveling om de gezondheidskundige advieswaarde voor werknemers te verlagen naar 30 EU (Endotoxine Units) per kubieke meter lucht als advieswaarde voor de algemene bevolking. Deze aanbeveling is niet wettelijk verankerd. Als voorschrift in de omgevingsvergunning van 2019 is vastgelegd dat de inrichting schoon moet zijn en in goede staat van onderhoud moet verkeren. De (goede) werking van de huisvestingssystemen wordt geregeld via artikel 3.123, tweede en derde lid van het Activiteitenbesluit. De artikelen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit hebben een rechtstreekse werking. Wanneer wordt voldaan aan de artikelen uit de hoofdstukken 2 en 3 van het Activiteitenbesluit, de bijbehorende ministeriële regeling en de vigerende wetgeving ten aanzien van volksgezondheid en besmettingsgevaar, zijn er geen redenen om een onderzoeksverplichting op te leggen met betrekking tot volksgezondheid.

10. CONCLUSIE Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen

Legesbedragen In de gemeentelijke legesverordening staat dat u voor deze omgevingsvergunning leges moet betalen. U kunt de legesverordening raadplegen op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/zoeken. De verschuldigde leges zijn als volgt opgebouwd: Artikel 2.3.1.1.1a

2.3.1.1.5 2.3.1.2.1 2.3.2.1

Omschrijving Omgevingsvergunning bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2.1, 1e lid, onder a, van de Wabo Publicatie kosten Welstandadvisering bij Omgevingsvergunning Aanlegactiviteit

Bedrag € 11.609,85

Totaal

€ 13.402,30

€ 32,45 € 1.285,00 € 475,00

Voorschriften Aan dit ontwerpbesluit met nummer OV-2022-4777 zijn de volgende voorschriften verbonden: Het bouwen van een bouwwerk Constructieve gegevens Minimaal drie weken voordat de werkzaamheden starten moet u de ontbrekende constructieve gegevens bij ons indienen. Wij moeten de tekeningen en berekeningen van de constructieve onderdelen goedkeuren voordat u kunt gaan bouwen. U moet de constructieve gegevens indienen via het Omgevingsloket online (OLO). OV-2022-4777

Bladnr.16

Afvoer van hemelwater Bij een gescheiden riolering of een riolering voor alleen huishoudelijk afvalwater mag geen regenwater op het vuilwaterriool worden geloosd. Het regenwater moet geloosd worden op een regenwaterriool of op het oppervlaktewater (sloot, vijver, vaart, etc.). Het regenwaterriool moet altijd gescheiden van het huishoudelijk afvalwaterriool worden aangelegd. Afvoer van vuilwater Wanneer u een aansluiting op de riolering ten behoeve van het huishoudelijk afvalwater nodig heeft, vraagt u deze aan via de gemeentelijke website www.ooststellingwerf.nl met als zoekterm: “rioolaansluiting”. Aanleggen beplanting In het eerstvolgende plantseizoen na het gereedkomen van het bouwwerk moet beplanting worden aangelegd, zoals op bijgaande tekening is aangegeven. De beplanting moet in goede staat worden gehouden. Niet-gedijende beplanting moet u binnen een jaar vervangen. Als de beplanting niet aanslaat, moet u in overleg met de afdeling OWO-VTH andere beplanting aanplanten. U moet voor de aanvang van de werkzaamheden een Bomen Effect Analyse inleveren waaruit blijkt dat de te behouden bomen tijdens de werkzaamheden geen schade oplopen. Vrijgekomen grond De eventueel vrijkomende grond moet u de locatie verwerken. Wanneer u de grond niet hergebruikt op de locatie, mag u de grond afvoeren.

Dat mag alleen als de grond is voorzien van een kwaliteitsverklaring en naar een andere geschikte locatie wordt afgevoerd. Wat moet u aan ons melden? De uitvoering van de bouwwerkzaamheden moet plaatsvinden in overleg met de afdeling OWO-VTH. Het is belangrijk dat u contact met ons opneemt over:  

De start van de werkzaamheden. De start van de werkzaamheden meldt u, minimaal twee werkdagen voordat u begint. De juiste plaats (van de rooilijnen) en peilhoogte. Dit wordt door de afdeling OWO-VTH bepaald en/of gecontroleerd. U moet dit, minimaal twee werkdagen voordat u begint, melden. Er wordt pas uitgezet/gecontroleerd als alle nog aan te leveren gegevens zoals genoemd in de voorschriften van deze vergunning door de gemeente zijn goedgekeurd. De start van funderings- en betonwerkzaamheden. Wij willen de grondverbetering en de wapening van de fundering controleren voordat er beton wordt gestort. Twee werkdagen voor de start van het beton storten meldt u dit. Wapeningcontrole - melden vooraf aan beton storten Ten minste 2 werkdagen vóór het storten van beton meldt u dit. Met het storten mag pas worden begonnen als de wapening is goedgekeurd. Sleuven van de rioleringsinstallatie De sleuven van de riolering mag u pas dichten na goedkeuring van de afdeling OWO-VTH. Twee werkdagen voor het dichtgooien meldt u dit. De afronding van de werkzaamheden. Wanneer de bouwwerkzaamheden zijn afgerond en voordat het bouwwerk of de inrichting in gebruik wordt genomen, meldt u dit.

OV-2022-4777

Bladnr.17

U moet binnen 26 weken na het verlenen van deze vergunning starten met de werkzaamheden. Indien u later begint moet u dit melden. Wij kunnen de aanvraag intrekken als u niet binnen 26 weken bent gestart of als de werkzaamheden langer dan 26 weken zijn of worden gestaakt. De bovenstaande meldingen kunt u per mail doen via handhaving@owo-gemeenten.nl. Wilt u hierbij het zaaknummer OV-2022-4777 vermelden?

Wijziging van een milieubelastende activiteit 1.1.1

In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem aanwezig zijn: Stal

Rav-code

4

A 1.100

5

A 7.100

5

A 1.28

6

A 1.100

6

A 3.100

Diercategorie / huisvestingssysteem

Aantal dieren

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / ligboxenstal met roostervloer, voorzien van rubberen matten en composiet nokken met een hellend profiel, kunstof cassettes met kleppen in de roosterspleten en met mestschuif (BWL 2015.05.V2) Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar / overige huisvestingssystemen Vrouwelijk jongvee/ overige huisvestingssystemen

157 1 92

10 60

Totaal

1.1.2

Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn.

Zienswijze en beroepmogelijkheden Als u het niet eens bent met ons ontwerpbesluit om de omgevingsvergunning te verlenen, dan kunt u van @datum tot en met @datum uw mening (zienswijze) geven. U kunt uw zienswijze schriftelijk of mondeling bij ons indienen. Uw schriftelijke zienswijze stuurt u naar: Postbus 38, 8430 AA Oosterwolde. Houdt u er rekening mee dat in principe alleen belanghebbenden die zienswijzen hebben ingediend en belanghebbenden die aantonen dat zij daartoe redelijkerwijs niet toe in staat zijn geweest, tegen het besluit (het verlenen van de omgevingsvergunning) beroep kunnen instellen bij: Rechtbank Noord-Nederland Afdeling Bestuursrecht Postbus 150 9700 AD Groningen

OV-2022-4777

Bladnr.18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=58850dd6-65b1-4a2f-9b59-439a67eda920