Bijlage 1.1 Toelichting Bestemmingsplan Kuinderweg 1 Makkinga
Tekst van het document
TOELICHTING ‘KUINDERWEG 1 TE MAKKINGA’’
Colofon
Projectnummer: EX.19.1563 Versie: Definitief IDN: NL.IMRO.0085.Kuinderweg1-OW01 Datum: 21 september 2021
Opdrachtnemer Agrifirm Exlan Noordeinde 31 7941 AC Meppel
Postbus 1033 7940 KA Meppel
Locatie Kuinderweg 1 te Makkinga
Opdrachtgever Maatschap Gorter – van Diepenbeek Kuinderweg 1 8423 VB Makkinga
Projectleider Lambert Polinder
Uitvoering Carmen Ensink-Tervoort
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
2
Inhoudsopgave 1 INLEIDING .......................................................................................................................... 4 2 BESCHRIJVING VAN HET PLAN.................................................................................... 5 2.1 2.2 2.3
LIGGING VAN HET PLANGEBIED ................................................................................... 5 HUIDIGE SITUATIE....................................................................................................... 5 TOEKOMSTIGE SITUATIE ............................................................................................. 5
3 TOETS AAN BELEID EN REGELGEVING ..................................................................... 7 3.1 3.2 3.3
RIJKSBELEID .............................................................................................................. 7 PROVINCIAAL BELEID EN REGELGEVING ...................................................................... 8 GEMEENTELIJK BELEID EN REGELGEVING .................................................................10
4 PLANOLOGISCHE EN MILIEUKUNDIGE ASPECTEN ..............................................13 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
NATUUR ...................................................................................................................13 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .......................................................................14 BODEM ....................................................................................................................15 GEUR.......................................................................................................................15 WATER ....................................................................................................................16 LUCHTKWALITEIT......................................................................................................17 GELUID ....................................................................................................................18 EXTERNE VEILIGHEID................................................................................................19 VERKEERSVEILIGHEID ..............................................................................................20 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ................................................................................20
5 UITVOERBAARHEID ......................................................................................................22 5.1 5.2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................................................................22 FINANCIËLE UITVOERBAARHEID ................................................................................22
BIJLAGEN ............................................................................................................................23 BIJLAGE 1: LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN ......................................................................23 BIJLAGE 2: WATERTOETS ........................................................................................................23 BIJLAGE 3: ONDERBOUWING STIKSTOF ....................................................................................23
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
3
1 1 Inleiding Maatschap Gorter-Van Diepenbeek (hierna: initiatiefnemer) heeft een melkveehouderij op de locatie Kuinderweg 1 te Makkinga. Initiatiefnemer is voornemens het foliebassin te vernieuwen. In het foliebassin zal digestaat vanuit de Suikerunie opgeslagen worden. De dieraantallen blijven verder gelijk. Op de plaats van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Ooststellingwerf. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 22 maart 2016. Het bestemmingsplan is op 27 maart 2019 geconsolideerd vastgesteld. Op grond van het bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming ‘agrarisch’, de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – handhaven openheid’. Het foliebassin past niet binnen het toegekende bouwvlak. Tevens is strijdigheid met de gebruiksregels omdat er digestaat wordt aangevoerd voor opslag. Dit product wordt vervolgens niet louter voor eigen landbouwgronden gebruikt, maar ook verstrekt aan derden. Om deze reden zal een partiële herziening plaatsvinden van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bestaat naast de voorliggende toelichting uit een set regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding betreffen het juridisch bindende deel. De voorliggende rapportage, de toelichting, bevat een beschrijving van het plan en de verantwoording daarvan.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
4
2 2 Beschrijving van het plan 2.1
Ligging van het plangebied Het plangebied (Kuinderweg 1 te Makkinga) is gelegen in het buitengebied van de gemeente Ooststellingwerf, ten noorden van de kern van Makkinga. Het plangebied is omgeven door landelijk gebied in de vorm van grasland en akkerbouw (zie figuur 1). Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Makkinga, sectie G, nummer 407. Het nieuwe bassin is gerealiseerd conform onderstaande luchtfoto, het bassin is aangegeven met de rode omlijning.
Figuur 1. Ligging plangebied
2.2
Huidige situatie Initiatiefnemer exploiteert een melkveebedrijf. Op 11 april 2008 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 220 melk- en kalfkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee. Daarnaast zijn er een foliebassin en een vergister vergund. Het foliebassin is in onbruik geraakt door een lek. Hierop is het foliebassin opnieuw gebouwd en uitgebreid. Daarnaast is op 3 november 2015 een milieu neutrale wijziging verleend. Hiermee zijn de dieraantallen niet gewijzigd.
2.3
Toekomstige situatie Onderhavige plan betreft een nieuw foliebassin en het verwerken van plantaardig digestaat. Het binnenkomende digestaat wordt opgeslagen in het foliebassin. Het digestaat is bij aanvoer warm. Het plan is die warmte te gebruiken in het
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
5
vergistingsproces wat in de bestaande en reeds vergunde mestvergister wordt uitgevoerd. Het vergistingsproces verloopt beter als het te vergisten drijfmest van tevoren wordt verwarmd. Daarvoor zal in de toekomst de bestaande mestvergister uitgevoerd worden met een warmtewisselaar die de warmte aan het binnenkomende digestaat onttrekt. De verwerking van digestaat is een ondergeschikte nevenactiviteit van het agrarische bedrijf. Ruimtelijk gezien wordt het grootste gedeelte van het toegekende bouwvlak in beslag genomen voor de melkrundveehouderij. Ook qua werkzaamheden is het agrarische bedrijf de hoofdtak te noemen.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
6
3 3 Toets aan beleid en regelgeving 3.1
Rijksbeleid 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen behoren onder de voorname drie streefdoelen: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1); 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2); 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3); 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4).
Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5); 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6); 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7). Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8); 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9); 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10); 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11); 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12); 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13).
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
7
Conclusie Het onderhavige plan behoort niet tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake de legalisatie van de huidige situatie bedrijfsvoering van een bestaand agrarisch bedrijf en de daarvoor noodzakelijke bouwvlakvergroting wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen. Conclusie Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.
Conclusie In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
3.2
Provinciaal beleid en regelgeving 3.2.1. Streekplan Fryslân Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân 2006 “Om de kwaliteit van de romte”, vastgesteld op 13 december 2006. Met het Streekplan streeft de provincie naar een vitale en duurzame landbouw. In het landelijk gebied worden daarom buiten de natuurgebieden voldoende ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw geboden. De provincie streeft in de hele provincie naar een vitale en duurzame landbouw vanwege de belangrijke bijdrage aan de sociaal-economische vitaliteit van het platteland, het beheer van het landelijk gebied en de Friese economische structuur. Het onderhavige plan, waarbij het bestemmingsvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een melkveehouderij wordt gewijzigd, past binnen het beleid zoals gesteld in het Streekplan. Het beleid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
8
3.2.2. Grutsk op 'e Romte Op 26 maart 2014 is Grutsk op 'e Romte vastgesteld door Provinciale Staten als structuurvisie. Het is een thematische structuurvisie (over landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang) en is voor dit thema een kader dat gebruikt wordt bij ruimtelijke afwegingen van de provincie. De provincie zet in deze visie in op het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden in de provincie. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied ‘Zuidelijke Wouden’ van de structuurvisie. De visie beschrijft voor dit gebied de belangrijkste landschappelijke en cultuurhistorische structuren. Onderstaand zijn de bijbehorende kwaliteiten opgesomd: • De vrij robuuste groenstructuur van singels, houtwallen, grotere en kleinere boscomplexen, boombeplanting langs wegen en de hoge dichtheid aan groene tuinen en erfafscheidingen.
Op een aantal plaatsen grotere groenelementen behorend bij landgoederen in samenhang met het landschap; • De samenhang tussen de hogere gronden (langgerekte ruggen) en de dalen, die wordt gevormd door de verkaveling, de rangschikking van de bebouwing (lineair) en de singels en houtwallen, tegenover de lager gelegen veelal redelijk open beekdalen • Behoud versterkingen ontwikkeling van het overwegend open karakter van de hoogveenontginningen, zodat onderscheid tussen dichte bebouwingslinten en strakke vaarten en wijken helder blijft en/of wordt. Het beoogde perceel bevindt zich in het midden van het ‘Zuidelijke Wouden’. De foliebassins zijn ten oosten van de planlocatie gerealiseerd. Hierdoor wordt het open karakter nagenoeg niet aangetast omdat sprake is van een bebouwingscluster. Er hoefden geen houtwallen gerooid te worden of oppervlaktewater gedempt te worden. De locatie zal landschappelijk worden ingepast om samenhang met het landschap te creëren. 3.2.3. Verordening Romte Fryslân 2014 De Verordening Romte Fryslân 2014 is in werking getreden per 1 augustus 2014 en geconsolideerd op 8 augustus 2018. De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is.
Wat elders al goed geregeld is (in de AMvB Ruimte of in andere weten regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. Verder is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. De Verordening bevat regels waaraan ruimtelijke ontwikkelingen aan dienen te voldoen. Het onderhavige plan wordt uitsluitend getoetst aan het voor het onderhavige plan relevante regelgeving. Onderstaand is deze regelgeving weergegeven. Artikel 2 ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit (art. 2.1) 1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze: a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
9
b. het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte. 2. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven. 3. Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van: d. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven; binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b. Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 2.3) 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied bevat een verantwoording waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, waaruit in ieder geval blijkt waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Op grond van artikel 6.1.2 kan een bestaand bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een uitbreiding krijgen tot maximaal 1,5 hectare.
In afwijking hiervan kan een groter bouwperceel worden toegestaan, mits het agrarisch bedrijf grondgebonden blijft en het oppervlak van het agrarisch bouwperceel niet meer bedraagt dan 3 hectare. Doorwerking in het onderhavige plan Door middel van het onderhavige plan wordt het grondgebonden agrarische bedrijf uitgebreid. Het bestemmingsvlak wordt vergroot naar circa 3 hectare. Dit is nodig om de foliebassins binnen het bouwvlak te realiseren. Het onderhavige plan houdt rekening met de draagkracht van het landschap. Door de inpassing van het perceel zal de ruimtelijke kwaliteit verbeteren waarbij rekening gehouden wordt met de landschappelijke en cultuurhistorische kernwaarden. Hiermee wordt voldaan aan artikel 2 van de verordening. Tevens staat de verordening niet in de weg aan vergroting van het bouwvlak tot 3 hectare. Aan de voorwaarden uit artikel 6.1.2 wordt voldaan. Het bedrijf van initiatiefnemer blijft een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het provinciale beleid en regelgeving vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
3.3
Gemeentelijk beleid en regelgeving 3.3.1 Vigerend bestemmingsplan Op de plaats van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Ooststellingwerf. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 22 maart 2016. Het bestemmingsplan is op 27 maart 2019 geconsolideerd vastgesteld. Op grond van het bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming ‘agrarisch’, de
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
10
dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – handhaven openheid’. Tevens is een bouwvlak toegekend, zie figuur 2.
Figuur 2. Toegekend bouwvlak
De foliebassins zijn buiten het bouwvlak gerealiseerd. Op grond van de bouwregels uit het bestemmingsplan dienen bouwwerken binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Artikel 3.4.1. onder f staat mestverwerking, mestbewerking of mestvergisting toe, mits deze ten dienste staan of verband houden met de bedrijfseigen agrarische activiteiten. Het bedrijf wil graag digestaat vanuit de Suikerunie opslaan. Op grond van bijlage aa van de uitvoeringsregeling van de meststoffenwet wordt digestaat gekwalificeerd als meststof. Artikel 3.5 onder c Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van de gebruiksregels voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in combinatie met het vergisten van mest- en/of organische (bij)productvergisting en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie, indien sprake is van een van de volgende wijzen van vergisting: • het bedrijf verwerkt in hoofdzaak eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe; de co-vergiste mest wordt in hoofdzaak op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt, dan wel naar derden afgevoerd; • het bedrijf verwerkt aangevoerde mest geproduceerd door derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe; de co-vergiste mest wordt in hoofdzaak op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt; mits: 1.
is aangetoond dat geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
11
2. bebouwing ten behoeve van de vergisting uitsluitend is toegestaan achter de achtergevel van het hoofdgebouw; 3. de doorzet minder dan 100 ton per etmaal bedraagt; 4. de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken ten behoeve van de (bedrijfseigen) mest- en/of organische (bij)productvergisting ten hoogste 2.500 m² zal bedragen en de bouwwerken worden gebouwd binnen het in lid 3.2, sub a genoemde aaneengesloten oppervlak; 5. de capaciteit van de vergisting ten hoogste 100 ton per dag bedraagt; 6. de bouwhoogte van een mesten/of organische (bij) productvergistingsinstallatie ten hoogste 10 m zal bedragen; 7. er sprake is van een bouwperceel, gelegen aan een weg, die berekend is op zwaar verkeer; Deze opslag staat gedeeltelijk ten dienste van de bedrijfseigen agrarische activiteiten. Wanneer het digestaat wordt aangevoerd is het 60 graden. Deze warmte die vrijkomt wordt benut om het vergistingsproces in de vergistingsinstallatie op het bedrijf op temperatuur te brengen. Daarmee wordt de toevoer van fossiele energie voorkomen. Tevens wordt een deel van de digestaat op het eigen bedrijf afgezet. Voor het deel waarvoor op het eigen bedrijf geen plaatsingsruimte is, vindt afzet in de omgeving plaats. Omdat hiermee niet volledig kan worden voldaan aan de regels uit het bestemmingsplan is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
12
4 4Planologische en milieukundige aspecten In dit hoofdstuk worden de planologische en milieukundige aspecten besproken. Milieuaspecten worden weliswaar geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. In een bestemmingsplan dient namelijk te worden aangetoond dat sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Per milieukundig aspect wordt nagegaan of er ruimtelijk gezien problemen of hinder wordt verwacht.
4.1
Natuur Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. 4.1.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het bedrijf beschikt reeds over een Natuurvergunning, verleend op 10 februari 2017. In de nabijheid (binnen 10 km) van het bedrijf in casu liggen de volgende Natura 2000gebieden: • Drents-Friese Wold & Leggelderveld ( 3,8 km); • Wijnjeterper Schar (7,7 km); • Fochteloërveen (8,6 km). In de huidige situatie vindt mestverwerkingvergist plaats door middel van een warmtekrachtkoppeling (WKK). Hierbij vindt verbranding plaats. Er vinden tevens vervoersbewegingen plaats om de co-producten aan- en af te voeren.
In de nieuwe situatie is er sprake van mestvergisting en zal er geen verbranding plaatsvinden door middel van een WKK. Tevens zal er digestaat worden opgeslagen in de afgesloten bassins. De vervoersbewegingen zullen ten opzichte van de huidige situatie niet toenemen. Het verkeer dat nodig was om co-producten aan- en af te voeren, zullen in de toekomstige situatie digestaat aan- en afvoeren. Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een verbetering van de stikstofsituatie omdat er geen verbranding van gassen met een WKK meer plaatsvindt en de transportbewegingen niet toenemen ten opzichte van de huidige en vergunde situatie. Er kan daardoor intern worden gesaldeerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft een uitspraak gedaan over intern salderen. Als hiervan sprak is, is geen natuurvergunning nodig.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
13
In bijlage 3 behorende bij onderhavig document is een toelichting toegevoegd waarin wordt onderbouwd waarom er bij dit initiatief geen sprake is van mogelijke significant negatieve effecten op Natura-2000 gebieden. 4.1.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. In voorliggend bestemmingsplan is sprake van een planologische legalisatie van de reeds gerealiseerde foliebassins. Ter plaatse van de uitbreiding was reeds sprake van een foliebassin. De kans dat ter plaatse van het bestaande erf beschermde flora en fauna voorkomt is gering. Het uitvoeren van een flora en fauna onderzoek is derhalve niet zinvol. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor de uitbreiding van onderhavig plan.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1. Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden (indien de gemeente archeologisch beleid heeft vastgesteld). Het Verdrag is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Met name de Monumentenwet is door de Wamz aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in bestemmingsplannen. De gemeente de Ooststellingwerf heeft zelf archeologisch beleid opgesteld. Er wordt in de toelichting van het bestemmingsplan tevens verwezen naar de provinciaal beleid. Het provinciaal beleid gaat uit van het FAMKE. De uitgegraven bodem heeft een oppervlakte van 1600 m2 en een diepte van 1,1 meter. In het verleden heeft op de locatie reeds een mestbassin gestaan waardoor de bodem al deels of geheel verstoord is.
Deze verstoring heeft plaatsgevonden voordat de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart en de Nota Archeologie zijn gemaakt en vastgesteld zijn. Uit de iets wijdere omgeving zijn archeologische vondsten bekend, maar nog niet van het perceel Kuinderweg 1 zelf. Bij nieuwe bodemingrepen groter dan 500 m2 in het vervolg wel een archeologisch vooronderzoek moet laten uitvoeren. Voor onderhavig plan hoeft geen archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
14
Conclusie In onderhavig plan worden de gestelde waarden niet overschreden, waardoor er geen aanleiding is voor archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.3
Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Het onderhavige plangebied heeft reeds een agrarische bestemming. De locatie waar de planologische legalisatie plaatsvindt, is in het verleden in gebruik geweest als agrarisch bedrijf en behoudt deze functie in de beoogde situatie. In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Zowel in het kader van de ruimtelijke procedure als in het kader van het Bouwbesluit is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.4
Geur Voor de opslag van plantaardig digestaat is aansluiting gezocht bij de richtafstanden die de VNG aanhoudt. Bij onderhavig plan is sprake van mestverwerking. Dat is ongewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die was. De wijziging betreft de opslag van digestaat in een afgesloten opvang. In de VNG brochure komt de categorie covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, gft en restromen voedingsindustrie overeen. Aan de bijbehorende richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. De dichtstbijzijnde geurgevoelig object is Balkweg 3, dat op circa 380 meter afstand is gelegen. - covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, GFT en reststromen voedingsindustrie
100
50
100
30 R
100
3.2
Tabel 1. Richtafstanden VNG brochure
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
15
Figuur 3. Afstand dichtstbijzijnde geurgevoelige object
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.
4.5
Water Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. In de vergunde situatie heeft het bassin een oppervlakte van circa 2500 m 2. De nieuwe bassins hebben een totale oppervlakte van circa 3100 m2. Dit betekent dat er een uitbreiding plaatsvindt van circa 600 m2. De watertoets is doorlopen. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
16
wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied Boezem Polder Vrij afstromend
Stedelijk (>200 m2) 5% 10% Maatwerk mogelijk
Landelijk (>1.500 m2) 5% 10% Maatwerk mogelijk
Toelichting tabel: • 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; • de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; • maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater. In onderhavig plan bevat de toename aan verhard oppervlak circa 600 m 2. Het plangebied ligt in landelijk gebied waardoor de norm van 1.500 m 2 niet wordt overschreden. Watercompensatie hoeft daardoor niet plaats te vinden. Conclusie De uitbreiding van de bassins is minder dan 1.500 m 2. Er hoeft daardoor geen watercompensatie plaats te vinden.
4.6
Luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’, in werking getreden op 15 november 2007 (Wlk2007), is op rijksniveau een implementatie van enkele Europese richtlijnen, waarin luchtkwaliteitsnormen zijn vastgelegd. Deze wet bevat grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen. Verder geeft de Wet luchtkwaliteit aan op welke termijn deze normen gelden en gehaald moeten worden en welke bestuursorganen verantwoordelijk zijn voor het halen van die normen. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden dat luchtkwaliteit voldoet aan gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit • Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven) • Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3: o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
17
‘Niet In Betekenende Mate’ In het kader van vereenvoudiging van regelgeving is de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Luchtverontreiniging als gevolg van toename van verkeersbewegingen In het besluit zijn enkele projecten opgenomen (woningbouw, kantoorlocaties, etc.). Landbouwbedrijven zijn niet opgenomen in de categorieën die automatisch NIBM zijn. Conform de NIBM-tool van Rijkswaterstaat worden de grenswaarden pas overschreden indien een project meer dan 577 motorvoertuigbewegingen per dag genereert. Het onderhavige plan wordt een bestaand agrarisch bedrijf uitgebreid. Het plan heeft een beperkte toename van verkeerbewegingen tot gevolg. Er kan derhalve gesteld worden dat het onderhavige plan, wat betreft motorvoertuigbewegingen, ‘Niet In Betekende Mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2016
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m3
1,20
PM10 in μg/m3
0,15 1,2
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
577
Tabel 2. Worst-case berekening
Conclusie De normen ten aanzien van uitstoot van fijn stof en stikstofdioxide worden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.7
Geluid De inrichting is gelegen in een landelijk gebied met veel agrarische activiteiten. De geluidsproductie vanuit de inrichting is in hoofdzaak afkomstig van de volgende bronnen: • Transportbewegingen (tractor/vrachtwagen); • Plaatselijke activiteiten (laden/lossen); • Motoren t.b.v. (voeder)installaties en/of verpompen van mest.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
18
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. In de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” staat voor bedrijven voor scheiden van afval een minimale afstand aangegeven van 300 meter m.b.t. geluid. De dichtstbij gelegen locatie is Balkweg 3 op circa 380 meter van de planlocatie. Verkeersbewegingen zullen gelijk blijven, waardoor geen verslechtering plaatsvindt. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.8
Externe veiligheid Het Besluit externe veiligheid inrichtingen en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen zijn 27 oktober 2004 in werking getreden. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Gemeenten, provincies en Rijk zijn vanaf 30 maart 2007 verplicht de risico’s van gevaarlijke stoffen te registreren. De gegevens vormen de basis voor risicokaarten die geraadpleegd kunnen worden op de website www.risicokaart.nl. Het plangebied is in onderstaande figuur rood omcirkeld. De cirkel ten zuid oosten van het plangebied geeft aan dat er een propaangastank van 6,4 m3 aanwezig is. Deze locatie is echter op ruim 800 meter van het plangebied vandaag en vormt derhalve geen probleem. In het kader van externe veiligheid is iedere werklocatie waar mensen werken een beperkt kwetsbaar object. Realisatie van mestopslag mag dus niet binnen de risicoafstand van een risicovolle bron worden gerealiseerd (zonder maatregelen). Binnen het plangebied is wel een woning aanwezig, het betreft echter een bestaande bedrijfswoning. Omdat daarnaast het groepsrisico niet verandert (personen dichtheid verandert niet), vormt het aspect externe veiligheid geen knelpunt voor de gewenste ontwikkeling
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
19
Figuur 3. Risicokaart
Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.9
Verkeersveiligheid De verkeersbewegingen zullen in de nieuwe situatie niet vermeerderen ten opzichte van de huidige situatie. Het verkeer dat nodig was om co-producten aan- en af te voeren, zullen in de toekomstige situatie digestaat aan- en afvoeren. Er is een gelijkmatige verspreiding van de vervoersbewegingen. In de winterperiode mag geen mest of digestaat worden uitgereden op het land, dus dan zal er minder verkeer zijn. Ook stopt het verkeer wanneer de bassins vol zitten. In de toekomstige situatie blijft initiatiefnemer onder het aantal verkeersbewegingen zoals is toegestaan op grond van de vigerende milieutoestemming.
4.10
Landschappelijke inpassing Voor onderhavig plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, hetgeen de gemeente als voorwaarde stelt voor uitvoering van een nieuw initiatief. Op deze plek wordt volstaan met enkel de verbeelding van de landschappelijke inpassing. Het volledige document is terug te vinden in de bijlage.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
20
Figuur 4. Uitsnede landschappelijke inpassing
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
21
5 5 Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een partiële herziening van het bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de omgevingsvergunning van start gaan.
5.2
Financiële uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particuliere partij. Deze partij draagt op voor alle aan het onderhavige plan verbonden (plan)kosten. In het onderhavige plan is geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid van het Wro (namelijk realisatie van minimaal 1.000 m² aan bebouwing). De gemeente is derhalve niet verplicht het kostenverhaal te regelen. Er wordt geen exploitatieplan opgesteld. Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst afgesloten waarin (het verhaal) van kosten anderszins is verzekerd.
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
22
Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Watertoets Bijlage 3: Onderbouwing stikstof
Toelichting ‘Bestemmingsplan Kuinderweg 1 te Makkinga’
23