CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2023 (1005991)

Raadsvergadering 28 februari 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: 1005991 raadsvoorstel Verordening Jeugdhulp en Uitvoeringsbesluit Jeugdhulp 202311.006 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Veelal hanteert de gemeente vaste pgb-tarieven voor bepaalde hulp. Daarbij is van belang dat het college altijd toetst of het vastgestelde tarief ook in het individuele geval toereikend is om de noodzakelijke jeugdhulp te kunnen inkopen. Als de jeugdige in deze casus in staat is de aangewezen hulp met het pgb bij een passende aanbieder in te kopen, is het tarief dus 18

hoog genoeg. Wenst hij desondanks de hulp te betrekken van een duurdere aanbieder, dan kan hij ervoor kiezen het verschil zelf te betalen. De gemeente heeft de mogelijkheid om een lager tarief te hanteren voor niet-professionele (of: informele) jeugdhulp, mits met dat lagere bedrag de jeugdhulp die in de specifieke situatie passend en kwalitatief verantwoord is, met het lagere pgb-tarief kan worden ingekocht. Dit moet de gemeenteraad dan wel in de verordening vastleggen (artikel 2.9 sub c Jeugdwet en TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 152). Ook de vraag wanneer het formele of informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen. Het pgb-tarief voor informele hulp moet toereikend zijn om tenminste het wettelijke minimumloon en vakantiegeld te betalen. Er kan namelijk sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. In andere gevallen is er sprake van een overeenkomst van opdracht. Door een wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) per 1 januari 2018 moet de cliënt ook bij een overeenkomst van opdracht het wettelijk minimumloon en vakantiegeld betalen. Door de wijziging geldt het recht op minimumloon en vakantiebijslag namelijk voor alle personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht, tenzij zij dit doen in de zelfstandige uitoefening van beroep of bedrijf.

De relatie tussen informele zorgverlener en cliënt is door de wijziging van de Wml dus aangemerkt als een arbeidsrelatie. Art 17. Evaluatie pgb Dit artikel regelt dat tussentijds kan worden beoordeeld of het pgb nog passend is en voldaan wordt aan de gestelde doelen. Artikel 18. Herziening, intrekking en terugvordering Dit artikel regelt wanneer een individuele voorziening herzien, ingetrokken en/of teruggevorderd kan worden. Eerste lid: deze bepaling regelt dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kunnen zijn voor het verstrekken van een individuele voorziening. Dit is van belang zodat het college in staat is om te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Tweede lid: deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan herzien dan wel intrekken. Bij herzien betreft het een wijziging van de aanspraak over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. Derde lid: in de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet).

Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Artikel 19. Voorkomen en bestrijden misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Eerste lid: het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 18 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.

Tweede lid: in deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis 19

worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb. Derde lid: in deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 Awb). Artikel 20.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.

Hiervoor is tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 21. Vertrouwenspersoon In artikel 2.5 van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijkis dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een zo compleet mogelijk overzicht van rechten en plichten van jeugdigen, ouders en pleegouders te geven. In het Besluit Jeugdwet is nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Artikel 22. Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht.

De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van 20

behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 23. Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen.

De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Op basis van lid drie ontwikkelt het college vormen van cliëntenparticipatie die passen bij de doelgroep jeugd. Artikel 24. Nadere regels Omdat het aanbod van overige en individuele voorzieningen zich in de praktijk zal moeten ontwikkelen en andere onderwerpen uit de verordening mogelijk nadere uitwerking nodig hebben, biedt artikel 24 het college de mogelijkheid om desgewenst ten behoeve van de uitvoering nadere regels te stellen. Artikel 25. Afwijken van bepalingen; hardheidsclausule Er kunnen altijd bepalingen zijn die in een situatie onbillijk uitpakken. Voor die gevallen is deze bepaling opgenomen. Artikel 26. Gevallen waarin de verordening niet voorziet Een soortgelijke bepaling als het vorige artikel. Alleen betreft dit geen afwijking maar voorzien in situaties die onvoorzien zijn bij het opstellen van deze verordening. Zo nodig zullen die leiden tot aanpassing van de verordening.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=52421569-a21f-4cda-8a26-2104917c882b