CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

tip van een raadslid: Dossier-Wat-werkt-bij-aanpak-armoede-schulden-2020.pdf

Raad - debatbijeenkomst 17 maart 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Beleidsplan schuldhulpverlening33.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

28

succesvolle ontwikkeling van kinderen (Hair, Hanson, Wolfe & Pollak, 2005), terwijl juist arme ouders meer moeite hebben om veel tijd en aandacht aan hun kind te geven doordat hun aandacht in beslag genomen wordt door bijvoorbeeld meerdere banen of andere prangende zaken.

Psychologie van de schaarste en coping Recente bevindingen rondom armoede en schulden komen voort uit de psychologie van de schaarste (Mullainathan & Shafir,, 2013) en het doen- en denkvermogen van mensen. Geldproblemen hebben invloed op de mentale capaciteit van mensen, wat invloed heeft op keuzes en gedrag. Copingstrategieën zijn manieren waarop iemand omgaat met bijvoorbeeld een vervelende of stressvolle situatie. Zo’n strategie wordt bijvoorbeeld ontwikkeld in situaties waarin het ontbreekt aan financiële middelen. De stress bij geldgebrek roept dan vaak een reactie op. De copingstrategieën die individuen (en vaak ook huishoudens) inzetten in situaties van beperkte (financiële) middelen laten goed zien hoe de psychologie van de schaarste werkt (Mullainathan, 2014): het gedrag is niet ingegeven door een gebrek aan vaardigheden, maar een direct gevolg van structureel uitzichtloze levensomstandigheden. Letterlijk moeten overleven leidt vaak tot slechte(re) kortetermijnkeuzes in plaats van keuzes waar iemand langdurig baat bij heeft. Simpel gezegd: geldproblemen hebben een directe wisselwerking op het functioneren van de personen in kwestie.

Volgens de psychologie van de schaarste wordt de ontwikkeling van de copingstrategieën bekeken vanuit drie lagen (Pow, King, Stephenson & DeLongis, 2017): 1 op het niveau van het probleem 2 op het niveau van de emotie 3 op het niveau van het onderwerp. Deze strategieën worden doorgaans intergenerationeel overgedragen. Voorbeelden op het niveau van het probleem zijn: het vinden van een oplossing zoals zoeken naar werk (actief handelen); niets doen en hopen dat een oplossing zich aandient (passief of improductief gedrag); of op zoek gaan naar hulp of ondersteuning. Op het tweede niveau reageren mensen vanuit hun emotie. Bijvoorbeeld vanuit wanhoop, frustratie, woede of zorgen. Daarbij kunnen ze het zichzelf of hun omgeving kwalijk nemen dat ze in deze situatie zitten. Een ander voorbeeld is de zogeheten palliatieve response, waarbij de persoon op andere problemen focust, en niet op het hoofdprobleem. Hij of zij kan het probleem zelfs totaal ontkennen. Op het derde niveau wordt armoede bekeken vanuit het onderwerp. De betrokkene kan op langdurige armoede reageren door bijvoorbeeld geld te sparen of samen met anderen naar oplossingen te zoeken (actief handelen). En hij of zij kan zich ook (meer) gaan richten op werk of onderwijs (Visser, 2019; Pow et al., 2017).

2.7 Gevolgen van armoede De gevolgen van armoede zijn, net zoals de oorzaken hiervan, verstrekkend en hardnekkig. We kunnen onderscheid maken tussen gevolgen op individueel niveau en gevolgen op collectief niveau.

Gevolgen op individueel niveau Op individueel niveau kan armoede de volgende problemen tot gevolg hebben: stress, (lichamelijke) spanningen, relatiebreuken, kortere levensduur, negatieve effecten op levenstevredenheid van de kinderen in een huishouden, zoals slechtere schoolprestaties en schaamte voor hun thuissituatie. Zelfs chronische aandoeningen, zoals depressie of langdurige stress bijvoorbeeld, komen significant vaker voor bij mensen die in armoede leven (Santiago, Wadsworth & Stump, 2011; Madern, 2015). Verder blijkt opvoedingsproblematiek vaak een direct gevolg van armoede, en in een aantal gevallen

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

29

zelfs huiselijk geweld. Ook blijkt uit de literatuur dat wie eenmaal in armoede leeft, vaak in een vicieuze cirkel belandt. Zo heeft armoede vaak langdurige werkloosheid of arbeidsongeschiktheid tot gevolg (Nationale Ombudsman, 2017). Uit ervaringsverhalen wordt eveneens duidelijk dat het vaak om een neerwaartse spiraal gaat. In een onderzoek onder migrantenjongeren die in armoede leven, legt een geïnterviewde het als volgt uit: het begint bij een rekening die je niet kunt betalen, daar krijg je een boete over, vervolgens krijg je aanmaningen en herinneringen voor hogere rekeningen die je niet kunt betalen, om dat uit de weg te gaan open je je post niet meer en uiteindelijk raak je het overzicht totaal kwijt (Noor & Cadat, 2019). Dit heeft enorme gevolgen voor de mentale gezondheid van mensen. Het wordt dus van kwaad tot erger. Bij migranten speelt dan ook het taboe rondom armoede mee. Uit schaamte spreken zij er niet over en zoeken zij geen hulp. Uiteindelijk raken deze mensen verstrengeld in een situatie zonder financiële, sociale en culturele middelen. Dit betekent dat het hun sociale en economische participatie in de weg staat, wat samengaat met uitsluiting van de arbeidsmarkt (Van Geuns, 2013). Ook sociaal-maatschappelijke participatie kan door armoede worden ondermijnd.

Zo hebben mensen die in armoede leven doorgaans minder te besteden, dus hebben ze ook geen of te weinig geld om lid te zijn van een (sport)vereniging, op visite te gaan, verjaardagen te vieren, cadeautjes te kopen of uit te gaan. Dit betekent dat zij eerder in een sociaal isolement raken, met eenzaamheid tot gevolg (Van Geuns, 2013; Madern, 2017).

Gevolgen op collectief niveau Daarnaast heeft armoede ook gevolgen op collectief niveau. Mensen die in armoede leven doen bijvoorbeeld structureel een beroep op publieke voorzieningen. Ook welvaartszieken die voortkomen uit bijvoorbeeld slechte(re), goedkope(re) voeding (Vrooman & Wildeboer Schut, 2013), zijn een gevolg op collectief niveau. Bij mensen die in armoede leven zien we bijvoorbeeld meer overgewicht (Bergman, 2014). Door deze welvaartsziekten nemen onder meer de zorgkosten toe. Deze lijken dan individueel, maar komen voort uit collectieve problemen en hebben ook weer collectieve problemen tot gevolg (Driessens, 2009). Uit verschillende onderzoeken blijkt dat daar waar armoede heerst het aantal uitkeringen en leningen toeneemt en er minder gespaard wordt (Bergman, 2014), de (overlevings)criminaliteit toeneemt, en de sociale mobiliteit afneemt (Rowling, 2011; Wilkinson & Pickett, 2010; Vrooman, 2015).

2.8 Armoedebeleid Sinds een aantal jaren vinden er belangrijke verschuivingen plaats in het armoedebeleid. Daarbij komt het accent steeds meer te liggen op de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van burgers (Nationale Ombudsman, 2017). Voorheen lag die verantwoordelijkheid veel meer bij de verzorgingsstaat. Omdat de overheid het accent steeds meer op kansen en mogelijkheden van individuen legt, en minder op beperkingen, komt het maatschappelijk draagvlak voor uitkeringen steeds meer onder druk te staan. Dat levert uitdagingen op voor de (lokale) overheden en sociale professionals (zie hoofdstuk 3 ‘Wat werkt bij de aanpak van armoede’). Bovendien komt er uit het rapport van de WRR over het thema zelfredzaamheid naar voren dat er cognitief oordeelsvermogen nodig is om ook daadwerkelijk zelfredzaam te zijn. In dit rapport worden diegenen die in armoede leven onderverdeeld in een groep met approach temperament (wat onder meer kan aanzetten tot het aanpakken van stressoren) en een groep met avoidance temperament (wat kan aanzetten tot het ontkennen of negeren van die stressoren). Voor mensen die in de laatste groep vallen, staat het mentale vermogen onder druk, wat armoederisico tot gevolg kan hebben (WRR, 2017).

Aanvullend op deze kritische noten met betrekking tot de zelfredzaamheid van mensen gaat het debat, ook in de literatuur, sterk over de consequenties van de ingevoerde decentralisatie. Zo is er door lokale verantwoordelijkheid meer maatwerk nodig. Maar tegelijkertijd werkt dit wel

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

30

(rechts)ongelijkheid in de hand, en een slechtere toestroom naar de arbeidsmarkt. Dit is dan vervolgens een probleem waar de meest kwetsbaren de dupe van zijn. Armoede wordt zelfs afgedaan als een politieke keuze (Delsen, 2014). Volgens Godfried Engbersen verliezen we ook de meest kwetsbaren uit het oog doordat onze verzorgingsstaat te klein is voor de te grote problemen waar wij vandaag de dag tegenaan lopen. Zelforganisatie en zelfredzaamheid zijn hierin sleutelelementen, maar doorgaans blijft het knelpunt dat het vermogen tot zelforganisatie ongelijk verdeeld is. Onderzoek wijst ook uit dat de middengroepen een veel sterker zelf organiserend vermogen hebben dan de lagen daaronder (Heijden, 2013). Volgens Engbersen is de smart state (de slimme verzorgingsstaat)4 het antwoord. Effectieve aanpakken bekijken we nader in het volgende hoofdstuk. Het armoede- en schuldenbeleid heeft een hoge prioriteit binnen het huidige kabinet. De regering maakt structureel extra middelen vrij om aan haar beleidsambities te voldoen, en heeft de volgende speerpunten geformuleerd (in volgorde van prioriteit) (Bartels, 2014): • stimuleren van sociale en maatschappelijke participatie; • preventie ((vroeg)signalering en zelfredzaamheid); • inkomensondersteuning; • schuldhulpverlening; • activerend armoedebeleid; • integraal beleid.

Daarbij is er extra aandacht voor drie risicogroepen: kinderen, werkende armen, ouderen met klein pensioen (rijksoverheid.nl, 2020). Op gemeentelijke niveau, waar overigens het grootste gedeelte van de beleidsgelden heen gaat, treffen sommige gemeenten specifieke maatregelen als aanvulling op het landelijke beleid. Juist ook omdat lokale overheden een steeds prominentere rol zijn gaan spelen in het kader van de decentralisatie. Voor gemeenten gaat dit dan met name over regelingen buiten de bijzondere bijstand en over de langdurigheidstoeslag. Het gaat over tamelijk diverse, veelal incidentele regelingen (CBS, 2019). Een volgende concrete en onmisbare schakel in het lokale armoedebeleid sinds de crisis is de voedselbank, die allang niet meer alleen bezocht wordt door de usual suspects, maar evengoed door de ‘nieuwe armen’ die erdoor plotselinge maar flinke inkomensdalingen op aangewezen zijn (Van Doorn & Kromhout, 2013). Aanvullend hebben gemeenten expliciet de opdracht om enerzijds te focussen op kinderen die onvoldoende kunnen participeren, en anderzijds op het versterken van een preventieve aanpak van armoede (Bartels, 2014). Een mooi voorbeeld van een aanpak gericht op kinderen tot 12 jaar bij wie een gezondheidsrisico is gesignaleerd dat samenhangt met geldgebrek in het gezin, is de interventie Armoede en gezondheid van kinderen.

De interventie bestaat uit vier stappen die worden uitgevoerd of begeleid door een medewerker van de jeugdgezondheidszorg. De eerste stap is de signalering tijdens de reguliere contactmomenten van de jeugdgezondheidszorg. Er wordt nagegaan of geldgebrek in het gezin de gezonde ontwikkeling van het kind mogelijk in de weg staat. Wanneer dit het geval is en de ouder(s) openstaan voor verdere interventies, vindt een vervolgcontact plaats over de ontwikkeling van het kind in relatie tot de financiële situatie van het gezin (tweede stap). De derde stap is de toeleiding naar de gemeentelijke dienst Sociale Zaken. Tot slot heeft de jeugdgezondheidszorg een nazorgcontact met de ouder(s) (vierde stap).

4

Een smart state wordt door Engbersen omschreven als: ‘een slimme staat die een aantal kernvoorzieningen handhaaft − huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid − en die op andere terreinen, waar dat kán, taken aan burgers en hun verbanden delegeert.’

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

31

3 Wat werkt bij de aanpak van armoede Vaak wordt in de aanpak van armoede ingezet op preventie of het oplossen van het probleem, en daarbij ligt een sterke focus op wat werkt en wat niet (zie bijvoorbeeld Van Geuns, 2013; 2014). Hoewel er geen complete armoedebestrijdingsprogramma’s bestaan met langdurige effecten op armoede, zijn er vanuit de literatuur wel steeds meer aanwijzingen voor werkzame interventies op verschillende ondersteuningsgebieden (Silverman, Holtyn & Jarvis, 2016). Deze interventies hebben mede bijgedragen aan de positieve verandering die de afgelopen jaren is ingezet met betrekking tot armoede. In Nederland is op dit gebied een relatief opwaartse mobiliteit waarneembaar, met name in vergelijking met andere Europese landen (Bukodi, 2017). Steeds duidelijker wordt dat er bij armoedeproblematiek extra aandacht moet zijn voor verschillende facetten en voor de meervoudigheid van de problematiek. Dit vraagt om meer dan een standaardoplossing. Sterker nog, de problematiek moet ook op verschillende niveaus bekeken worden, namelijk op individueel niveau maar ook op systemisch, politiek en maatschappelijk niveau. Bovendien lopen oorzaken en doelgroepen als het gaat om armoede sterk uiteen (Gowr, 2000). Armoede onder asielzoekers en illegalen is bijvoorbeeld van een geheel andere orde dan armoede van mensen die structureel in de bijstand verblijven.

De aanpak van armoede zou alleen effectief zijn als er in het beleid aandacht is voor zowel individuele als maatschappelijke factoren (De Beer, 2013). Kortom, de samenhang tussen interventies op verschillende ondersteuningsgebieden is van essentieel belang. Zo is het niet effectief om alleen in te zetten op werk en inkomen, zonder oog te hebben voor het privédomein. Daarnaast is er aandacht nodig voor afstemming tussen op armoede gerichte lokale initiatieven enerzijds en beleidsprogramma’s die op grotere schaal worden ingezet anderzijds (Bitler & Karoly 2015; Franken, Houten, van Lammersen, Mateman & Verweij, 2016). In dit hoofdstuk bekijken we deze aandachtspunten en effectieve aanpakken nader. De volgende onderdelen komen aan bod: aanpakken gericht op het mechanisme van intergenerationele armoede (3.1), werkzame elementen (3.2), niet-werkzame elementen (3.3), de rol en competenties van gemeenten (3.4) en de rol en competenties van sociale professionals (3.5). Vervolgens zoomen we in op veelbelovende aanpakken (3.6) en ter afsluiting bespreken we lacunes en uitdagingen (3.7).

3.1 Inzetten op intergenerationele armoede In 2.6 is uiteengezet dat er aan armoede een aantal mechanismen ten grondslag ligt. Wat werkt om het mechanisme van intergenerationele armoede te bestrijden, zijn aanpakken gericht op verschillende gebieden die we hier kort toelichten. Allereerst kan dat op financieel gebied. Het meest voor de hand liggende effect is toeleiding naar de arbeidsmarkt. Daarnaast kan er worden ingezet op ruimtelijke omgeving, waarbij het gaat om het veraangenamen van de directe leefomgeving. Denk bijvoorbeeld aan betere faciliteiten in buurten waar mensen kunnen samenkomen, betere transportvoorzieningen of het aantrekkelijk maken van werken in de wijk waar iemand woont (Gobillon & Selod, 2014). In dat laatste geval kan er een directe link worden gemaakt tussen de huizen- en de arbeidsmarkt (Van, 2016).

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

32

Het derde gebied ligt op het sociale niveau. Er moet aandacht zijn voor familie- en schoolinterventies (Van Ryzin, Fishbein & Biglan, 2018). Juist omdat het over meerdere generaties gaat, zijn er interventies nodig op meerdere niveaus. Bijvoorbeeld interventies gericht op ouders, kinderen en grootouders (Hujo & Gaia, 2011). Het is bijvoorbeeld essentieel om zowel te investeren in familiekapitaal (Banovcinova, Levicka & Veres, 2014), te ondersteunen in de interactie van kinderen en (groot)ouders, als vroeg in te zetten op de ontwikkeling van executieve functies bij kinderen (Visser, 2019). Een vierde, laatste gebied, zijn de vrijwillige burgerinitiatieven omtrent armoede. Zowel in binnen- als buitenland zijn deze sterk in opkomst en daarom onmisbaar, ook in het bepalen van beleid. Een voorbeeld hiervan zijn voedselbanken. De gedachte achter de effectieve werking van burgerinitiatieven is dat burgers zelf het beste weten wat zij zelf of andere burgers in armoede nodig hebben. Ook is de groep mensen die in armoede leven niet altijd even toegankelijk. Daarom zou er meer op laagdrempelige burgerinitiatieven moeten worden ingezet (Lam, 2015). In figuur 10 is samengevat hoe langdurige armoede in gezinnen eruitziet en wat er effectief tegen gedaan kan worden.

3.2 Werkzame elementen Om armoede effectief te bestrijden is het essentieel om in te zetten op verschillende vormen van “kapitaal”. Inzetten op psychologisch, sociaal en maatschappelijk kapitaal betekent namelijk het versterken van het zelf-helpend en zelf-organiserend vermogen. In deze paragraaf staan we stil bij deze verschillende typen kapitaal. Aandacht voor deze typen kapitaal is te bestempelen als werkzaam element in de aanpak van armoede. De eerste drie typen die we hieronder toelichten staan aan de basis van empowerment; het fundament van effectief armoedebeleid. In Vlaanderen zijn er al jaren positieve ervaringen opgedaan met het werken vanuit empowerment (Vansevenant, 2008). Empowerment is niet het doel of een methodiek, maar een richtinggevend denk- en handelingskader om sociale problematiek van maatschappelijk kwetsbare groepen te begrijpen en geschikte maatregelen toe te passen. Op individueel niveau gaat het om het versterken van het psychologisch kapitaal, op collectief niveau om het vergroten van het sociaal kapitaal, en op politiekmaatschappelijk niveau om het stimuleren van het maatschappelijke kapitaal. Daarnaast is het versterken van het economisch kapitaal (genereren van meer inkomsten) natuurlijk ook van belang.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

33

Psychologisch kapitaal Bij het psychologische kapitaal draait het om empowerment op individueel niveau en om de talenten en competenties die mensen kunnen inzetten om hun leven zelf te veranderen. Het veronderstelt dat mensen eigenschappen hebben als wilskracht, veerkracht, volharding en creativiteit die van pas kunnen komen in het omgaan met moeilijke levensomstandigheden. Mensen zetten in dat geval copingstrategieën in om stress en spanningen te verminderen en om problemen op te lossen of beheersbaar te houden (Omlo, 2014). Maar in de praktijk beschikt niet iedereen over voldoende psychologisch kapitaal. Amerikaans onderzoek constateert bijvoorbeeld dat een gebrek aan wilskracht de oorzaak is van diverse maatschappelijke problemen, zoals werkloosheid of achterblijvende schoolprestaties (Baumeister & Tierney, 2012). Dit betekent ook dat mensen die voor zichzelf weinig kansen zien weggelegd op de arbeidsmarkt minder effectief en gemotiveerd zijn om werk te zoeken (Van Geuns, 2013). Er zijn echter wel mogelijkheden om hier verandering in aan te brengen, bijvoorbeeld het uitvoeren van wilskrachtoefeningen (Baumeister & Tierney, 2012). Een ander voorbeeld zijn effectieve interventies gericht op gedragsbeïnvloeding. Daarin leren deelnemers onder meer op effectieve wijze werk te vinden (Van Geuns, 2013).

Studies laten zien dat motiverende gespreksvoering en oplossingsgericht coachen (werkwijzen die ook uitgaan van psychologisch kapitaal van mensen) positief kunnen bijdragen (Miller, 2014). Het zou namelijk bijdragen aan vergrote gevoelens van eigenwaarde en zelfvertrouwen (Van Geuns, 2013). Met name professionals kunnen hier een centrale rol in spelen, net als in het bevorderen van de eigen regie, het aanspreken van eigen kwaliteiten, het ontwikkelen van vaardigheden en zelfbewustzijn en tot slot het stimuleren tot maatschappelijke participatie (Van Regenmortel, 2009; Omlo, 2014). Onderzoek laat wel zien dat motivatie en omgevingsfactoren veel invloed hebben op gedrag van mensen en dat gedrag maar voor een klein deel wordt bepaald door kennis en vaardigheden (Daminger, Hayes, Barrows & Wright, 2015). Een volgend punt is het opzoeken van mensen in hun eigen levenssfeer, de zogeheten outreachende aanpak. Het kan mensen helpen om zich tijdig bewust te worden van hun financiële situatie. Sommige mensen hebben geen financiële (hulp)vraag omdat zij zich niet bewust zijn van de financiële risico’s die ze lopen, doordat zij een niet-realistisch beeld van hun eigen vaardigheden hebben (Madern, 2016). De outreachende aanpak kan ertoe bijdragen dat mensen uit hun sociale isolement worden gehaald en (weer) gebruik gaan maken van voorzieningen.

Ook ongevraagde hulp is noodzakelijk, omdat mensen die zorg uit de weggaan (‘zorgmijders’) en mensen die niet de juiste hulp krijgen (‘zorgmissers’) anders niet of onvoldoende worden bereikt (Van Doorn, 2008; Vansevenant, 2008). Deze ‘bemoeizuchtige’ vorm van outreachend werken blijkt diverse positieve effecten teweeg te brengen (Nicis, 2010; Van Doorn, Van Etten & Gademan, 2008). Ook hier geldt: outreachend werken is niet alleen op zichzelf effectief, het past ook goed binnen het ‘empowermentkader’. Simpel gezegd: de professional neemt tijdelijk de regie ‘over’, maar geeft die op den duur ook weer terug. Daarbij is het de taak van de professional om mensen nieuwe keuzemogelijkheden voor te leggen zodat zij de regie terug kunnen pakken (Van Doorn & Kromhout, 2013). Cruciaal is dan wel dat er een integraal hulpaanbod geboden kan worden. Overigens zien professionals en vrijwilligers het tijdig signaleren van en het inspelen op dreigende schulden als belangrijkste oplossingsrichting bij de aanpak van armoedeproblematiek. Inzetten op gedragsverandering en vaardigheden aanleren is hier een groot onderdeel van (Briels & Panhuijzen, 2015).

Sociaal kapitaal Omdat armoede een maatschappelijke en dus een gedeelde verantwoordelijkheid is, is de oplossing dat ook. Om deze reden gaat het collectieve niveau van empowerment over het benutten van het sociale kapitaal. Hiermee wordt de mate bedoeld waarin mensen over een sociaal netwerk beschikken. In de literatuur wordt er onderscheid gemaakt tussen bonding en bridging (Putnam, 2002). Bonding gaat over relaties tussen mensen die op elkaar lijken en een sociale identiteit delen;

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

34

ofwel wat mensen bindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het netwerk in de eigen omgeving in de vorm van sociale steun van familie en vrienden. Bridging als sociaal kapitaal gaat over een netwerk van mensen die van elkaar verschillen, maar waar bruggen naartoe kunnen worden geslagen. Een goed voorbeeld is de buurtvereniging die bestaat uit een mix van mensen met verschillende leeftijden en (etnische) achtergronden. De verschillende sociale netwerken kunnen helpen bij het bevorderen van zelforganisatie door lotgenotencontact en zelfhulpgroepen. Spreken we over sociaal kapitaal, dan gaat het om het vermogen om de eigen problemen samen met anderen aan te pakken (Van Regenmortel, 2009; Omlo, 2014). Het gaat doorgaans om mensen die vergelijkbare problematiek ervaren en elkaar kunnen helpen in hun empowermentproces. Er is veel bewijs dat deze aanpak zou werken. Denk bijvoorbeeld aan vrouwengroepen of migrantenjongeren die samenkomen. Door verhalen te delen, helpen mensen elkaar om beter met het verleden en het heden om te gaan, maar ook om manieren te zoeken voor een gezonde toekomst, bijvoorbeeld door kennis en tips te delen (zie bijvoorbeeld Boumans et al., 2015). Tevens zijn er, door in te zetten op sociaal kapitaal, positieve effecten gevonden ten aanzien van zelfvertrouwen, de ervaren sociale en emotionele steun, optimisme, het gevoel van zelfregie en wederzijdse hulp.

Kortom: het vergroten van sociaal kapitaal kan zeer positief werken op het welzijn van mensen (Drukker, Kaplan & van Os, 2006).

Maatschappelijk kapitaal Ook het politiek-maatschappelijk niveau vraagt om investering. Die zou erop gericht moeten zijn bij de doelgroep zelf de macht te vergroten om veranderingen door te voeren die verder reiken dan hun eigen leven. Denk aan het veranderen en beïnvloeden van vooroordelen en processen van uitsluiting via lokale campagnes, betere toegankelijkheid van (buurt)voorzieningen en het beïnvloeden van sociale wet- en regelgeving. In hoeverre dit te realiseren is, is afhankelijk van het maatschappelijk kapitaal van een samenleving. Een cultuur die zich kenmerkt door een klimaat van wantrouwen, vraagverlegenheid, handelingsverlegenheid, intolerantie en weinig solidariteit, zal minder snel vatbaar zijn voor maatschappelijke veranderingen. En andersom geldt hetzelfde. Verder zijn veranderingen op politiek-maatschappelijk niveau eenvoudiger te realiseren als men zich in groepen organiseert. Belangengroepen, cliëntenraden en zelforganisaties hebben vanzelfsprekend meer macht dan individuen alleen (Van Regenmortel, 2009; Omlo, 2014). Het gaat ook over het laagdrempelig maken van de ondersteuningsinfrastructuur (Van Geuns, 2013). Denk bijvoorbeeld aan betaalbare kinderopvang en goed openbaar vervoer (werk-woonverkeer).

Daarnaast kan arbeidsmarktdiscriminatie bestreden worden door werkgevers te stimuleren om mensen met een beperking of met onvoldoende kwalificaties in dienst te nemen. Verder kan er streng worden opgetreden tegen discriminerende werkgevers en werknemers. Een andere effectieve strategie om bij minderheidsgroepen de kansen op een baan te vergroten, is de mogelijkheid van anoniem solliciteren. Kwetsbare groepen blijken hierdoor meer kans te maken om uitgenodigd te worden voor een gesprek, en tijdens de sollicitatiegesprekken lijken zij evenveel kans te maken op een baan als minder kwetsbare kandidaten, zo meldt antidiscriminatiebureau RADAR (2015).

Economisch kapitaal Tot slot is ook het vergroten van economisch kapitaal een belangrijk werkzaam element bij de aanpak en preventie van armoede. Dit kan via betaald werk, maar zeker ook via een opleiding of studie. Arbeid is volgens sommigen (bijvoorbeeld Van Geuns, 2013) de beste manier om uit armoede te ontsnappen. Uit het SCP-onderzoek (Hoff, Goderis, van Hulst & Wildeboer-Schut, 2018) blijkt dat meer dan 40 procent van de mensen die in armoede leven erin slaagt dankzij werk boven de armoedegrens uit te komen. Een bijkomend voordeel is dat werken (en salaris ontvangen) mogelijkheden creëert om gebruik te maken van het openbaar vervoer, om cadeaus te kopen en voor andere 'sociale' uitgaven. Ook draagt werk bij aan een directe uitbreiding van het sociale netwerk doordat de betrokkene nieuwe collega’s leert kennen (Hoff, 1988).

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

35

Maar het idee dat (alleen) werk helpt in de strijd tegen armoede, wordt niet door iedereen gedeeld. Het zou een groot misverstand zijn om te veronderstellen dat louter betaald werk de beste remedie is voor het bestrijden van armoede (Taylor-Gooby, 2013; Gowr, 2000). Beleidsmakers zouden bijvoorbeeld geen rekening houden met de kwaliteit van het werk en het feit dat werkenden die vooral aan de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt actief zijn (relatief) steeds lagere lonen ontvangen. Hoewel mensen die werken minder vaak arm zijn, zijn er ook steeds meer ‘werkende armen’. De inkomsten die mensen ontvangen uit werk passen niet meer bij de (stijgende) kosten van wonen, energiekosten, gezondheidszorg en levensonderhoud (bijv. na een echtscheiding). Naarmate de arbeidsmarkt ‘flexibeler’ wordt, draagt werken ook minder bij aan het verbeteren van persoonlijke omstandigheden (zoals het oplossen van stress, het afbetalen van schulden en gevoelens van voldoening).

Overige werkzame elementen Naast het vergroten of versterken van psychologisch, sociaal, maatschappelijk en economisch kapitaal, worden in de literatuur nog enkele andere werkzame elementen genoemd voor de aanpak van armoede. De meeste zijn ook werkzaam voor de aanpak van schuldenproblematiek, en worden in deel II beschreven. We noemen ze hier kort: • preventie en vroegsignalering (zie kadertekst bij 5.1); • vrijmaken bandbreedte (zie 5.1, onder ‘MAST-principes: Makkelijk, Aantrekkelijk, Sociaal en Tijdsgebonden’) (Mullainathan, Shafir, Elskamp & van der Waa, 2013; Van Geuns 2017); • fouttolerante benadering (zie kadertekst ‘Motiverende gesprekstechnieken’ bij 5.1) (Mullainathan et al., 2013); • integrale benadering (omdat armoede verschillende terreinen raakt, is het effectief om in te zetten op het gelijktijdig versterken van scholing, gezondheid, financiën en sociaal kapitaal) (Mullainathan et al., 2013); • maatwerk (zie 5.1) (Jungmann & van Beek, 2016; Van Geuns, Jungmann & de Weerd, 2011; SEDI, 2008); • verandering van binnenuit (zie 5.1, onder ‘Motivatie’ en ‘Self-efficacy’) (Madern, 2015; Van der Laan, van Doorn, Goede & van Geuns, 2017); • stap-voor-stap actieplan (omdat de doelgroep vaak de grootte en complexiteit van de eigen situatie niet meer ziet of in de hand heeft, is het goed doelen en subdoelen te stellen).

3.3 Niet-werkzame elementen Uit literatuur blijkt dat er in de ondersteuning van mensen die in armoede leven ook niet-werkzame elementen zijn aan te wijzen. In deze paragraaf lichten we toe wat de professional beter niet kan doen.

Stel geen ‘waarom’-vragen Zoals genoemd dienen professionals hun dienstverlening en gesprekstechnieken aan te passen aan de context van de cliënt (Jungmann, 2019). Een simpel voorbeeld: wanneer een cliënt een afspraak mist, gaat de professional daarover in gesprek, bijvoorbeeld door te vragen wat de cliënt in het vervolg nodig heeft om op de afspraak te komen, of uit te leggen wat de risico’s zijn van afspraken vergeten. ‘Waarom’-vragen als ‘Waarom ben je de afspraak vergeten?’ of ‘Waarom accepteer je geen schuldhulpverlening?’ zijn daarbij niet behulpzaam, omdat ze de cliënt voor een zoveelste keer laten merken dat ze iets niet juist gedaan hebben, en dat leidt tot stress. Verder is uit de literatuur bekend dat mensen die stress ervaren geneigd zijn eerder ‘nee’ te zeggen (Jungmann, 2019). Vermijd daarom dus deze negatieve benadering.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

36

Vraag niet uit Duidelijk is geworden dat een integrale aanpak van armoedeproblematiek stress vermindert, mits dit op een stress-sensitieve manier gebeurt. Zo adviseert Jungmann (2019) bijvoorbeeld om cliënten niet uit te vragen over hun situatie op verschillende leefgebieden. In plaats daarvan kan de professional beter inzetten op ondersteuning en hulp bij het maken van een analyse, waaruit duidelijk wordt waar de cliënt in het leven staat en wat zijn of haar doelen zijn.

Leg niet op wat iemand moet doen Doorgaans maken professionals een analyse van de (situatie van de) cliënt en geven daarna advies. Dat advies bestaat dan bijvoorbeeld uit acties om de gezondheid te verbeteren of aan het werk te gaan. Maar wanneer cliënten daarbij veel stress ervaren, werkt dit niet of minder goed. Cliënten krijgen het gevoel dat hun wordt opgelegd wat zij moeten doen. Samen met cliënten uitzoeken hoe zij weer grip op hun leven kunnen krijgen en hen daarnaar te vragen, is wel een werkzame methode.

Focus niet alleen op financiële component Geld en betaald werk alleen volstaan meestal niet als structurele oplossing voor armoede (zie 3.2). De complexe problematiek vraagt om een integrale aanpak.

Stel geen limieten Het stellen van limieten of ultimatums voor bijvoorbeeld bijstand of betalingen kan averechts werken. Veelal krijgen cliënten hier meer stress en spanning door, waardoor ze minder goed keuzes kunnen maken en nog dieper in de put raken. Dit wordt een neerwaartse spiraal. Een langetermijnlimiet zal bovendien niet het gewenste effect hebben, omdat de cliënt alleen de urgentie ziet en voelt van de korte termijn.

3.4 Rol van beleidsmakers: wat kunnen gemeenten doen? Hoewel een deel van de systemen en regelgeving op landelijk niveau wordt bepaald door organisaties als de Belastingdienst, DUO, UWV, e.d. zijn de gemeenten hoofdverantwoordelijk voor de signalering een aanpak van schulden en armoede. Met o.a. de wijkteams hebben zij hiervoor de juiste middelen in handen. Op gemeentelijk niveau lopen de interventies die worden ingezet voor de preventie of aanpak van armoede- of schuldenproblematiek nogal uiteen. De verschillen in aanbod zijn groot, de ene gemeente maakt er duidelijk werk van, de andere beperkt zich tot het minimaal verplichte (Van Geuns et al., 2019). Bovendien zijn er verschillen in de manieren waarop zij de interventies aanbieden. Waar de ene gemeente alleen een aanvraagformulier op haar website plaatst, informeert de volgende haar burgers actief over bijvoorbeeld het kwijtschelden van gemeentelijke lasten (Jungmann, 2019). Waar wél overeenkomst in zit, is de inzet op preventie van armoede met name onder kinderen, en ook heeft de gemeente een functie van tijdig signaleren (Pelgrim, 2018). Of deze maatregelen ook daadwerkelijk effectief zijn, is niet altijd bekend (Van Geuns et al., 2019). In deze paragraaf gaan we in op wat gemeenten effectief kunnen doen tegen armoederisico en problematiek.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

37

Waar kan de gemeente in ondersteunen? 1.

Kosten verminderen: De gemeente kan ‘bijzondere bijstand’ verlenen bij onvoorziene en/of zeer urgente uitgaven die minima moeten doen. Denk aan een wasmachine die plotseling kapotgaat. Ook kan de gemeente minima een ‘collectiviteitskorting’ bieden op bijvoorbeeld de zorgpremie. Verder kan de gemeente door in te zetten op duurzaam wonen (door te interveniëren bij zowel bestaande bouw als bij nieuwbouw van sociale huurwoningen) bijdragen aan verlaging van de energielasten.

2.

Participatie bevorderen: Via een ‘meedoe-regeling’ kan de gemeente bijdragen aan onder meer de contributie voor een cursus, sportclub of vereniging. Ook kan de gemeente door afgifte van stads- of kortingspassen inwoners laten meedoen met bijvoorbeeld culturele activiteiten.

3.

Kinderarmoede voorkomen en bestrijden: Dit is voor vele gemeenten een belangrijk punt. Zoals eerder aangehaald, is intergenerationele armoede een structureel probleem dat gepaard gaat met uiteenlopende risico’s voor kinderen. Gemeenten zetten hier, samen met verschillende stichtingen en fondsen, flink op in. Zo helpt het dat gemeenten financieel te hulp schieten voor de ouderbijdrage op school of voor zwemlessen. Een aantal gemeenten biedt momenteel de ‘verjaardagsbox’ aan, bedoeld voor jarige kinderen wiens ouders geen geld hebben voor een taart of een leuk cadeautje. Sommige gemeenten bieden ook een bijdrage voor bijvoorbeeld sport en cultuur (zie ook punt 2).

4.

Inzetten op gezondheid: Omdat armoede en gezondheidsproblemen hand in hand gaan, kunnen gemeenten inzetten op programma’s of promoties die gericht zijn op het maken van goedkope en gezonde maaltijden. Daarbij moet ook worden ingezet op het verminderen (of wegnemen) van chronische stress. Een effectieve interventie is Mobility Mentoring (zie kader).

5.

Grip hebben op ‘werkende armen’: De groep ‘werkende armen’ maakt zo’n 40 procent uit van alle armen in Nederland (SCP, 2019). Zij zijn veelal onzichtbaar voor gemeenten. Sommige gemeenten proberen er grip op te krijgen door bijvoorbeeld het aanbieden van een ‘schuldenmaatje’. Er is bij schuldproblemen in die gemeenten bijvoorbeeld met de rechtbank afgesproken dat werkenden met schulden eerst een gesprek hebben met een gemeentelijke hulpverlener voordat er ingrijpende beslissingen genomen worden. Een ander voorbeeld zien we in een aantal Noordelijke gemeenten. Daar zijn zogeheten ‘erfcoaches’ in het leven geroepen, omdat in die gemeenten steeds meer boeren worstelen om het hoofd boven water te houden. Er bestaat onder hen veel trots, en daarom is voorzichtigheid geboden bij het gebruik van het woord ‘armoede’. Zo’n erfcoach kijkt mee op het erf en adviseert mee over de investering. Ondertussen signaleert deze coach problematiek, en kan waar nodig doorverwijzen naar gemeentelijke regelingen.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

38

Mobility Mentoring® Mobility Mentoring® combineert het onderwerp armoede en schulden met de laatste inzichten vanuit de hersenwetenschap over de effecten van schaarste en armoede op de hersenfuncties. Deze aanpak is te gebruiken bij de begeleiding van mensen die hun financiële en sociale problemen willen oplossen. Bij Mobility Mentoring® wordt er een context gecreëerd die is afgestemd op de gevolgen van schaarste die mensen ervaren of, bij chronische stress, op de ‘verstoorde’ bedrading in hun hersenen als gevolg van stress. Dit is vertaald naar de instrumenten en de wijze waarop die worden ingezet, de begeleiding en de stress-reducerende dienstverleningsprincipes van de aanpak. Een belangrijk onderdeel vormen de Bridge to Self-Sufficiency en de Economic Independence Index. Deze instrumenten zijn hulpmiddelen om deelnemers in hun alledaagse leven te prikkelen om langetermijndoelen te stellen en hen te ondersteunen deze doelen te bereiken. Kenmerkend voor de mentoring is dat de professional of mentor nadrukkelijk een positie naast de deelnemer kiest. Vanuit deze gelijkwaardige positie zal de professional het improductieve gedrag duiden als een gevolg van (chronische) stress, en niet als onwil. De professional stimuleert mensen om na te denken over langetermijndoelen en de stappen die nodig zijn om deze doelen te bereiken.

De dienstverleningsprincipes bieden handvatten om de aanpak zo te organiseren dat de deelnemer zo min mogelijk stress ervaart. Voorbeelden zijn een stress-reducerende omgeving, waarin de deelnemer zich welkom voelt en makkelijk contact kan leggen met de professionals, en het plannen van afspraken op momenten (zoals ’s ochtends) waarop mensen beter in staat zijn lastige verbanden te doorzien. Voor meer informatie, zie www.platform31.nl/publicaties/mobility-mentoring, mobilitymentoring.nl

Toeleiding naar de arbeidsmarkt Gemeenten hebben ook een rol in het toeleiden van mensen naar de arbeidsmarkt. Uit onderzoek onder bijstandsgerechtigden met een schuldregeling blijkt dat de meeste ondervraagden gemotiveerd waren om weer te gaan werken. Wel waren er tegelijkertijd verschillende belemmeringen bij het zoeken naar werk. Kennis en vaardigheden die nodig zijn om werk te doen, waren niet altijd aanwezig. Ook lichamelijke en psychische klachten bleken een rol te spelen. Een andere factor die specifiek bij deze doelgroep een rol speelt, is de neiging om risicomijdend en terughoudend te zijn bij het zoeken naar werk. Vaak uit angst om de stabiliteit van hun inkomen en daarmee de schuldregeling in gevaar te brengen. Een oplossing hiervoor is dat de gemeente bij de start van een nieuwe arbeidsbetrekking het inkomen garandeert. Een andere oplossing is dat schuldhulpverleners in schuldregelingen afspraken opnemen over tijdelijke terugloop van het inkomen bij het aangaan van een dienstverband, om de angst van schuldenaren te verminderen (Laan, 2018).

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

39

3.5 Rol en competenties van uitvoerders: wat kunnen sociale professionals doen? In het effectief uitvoeren van beleid waarbij er geïnvesteerd wordt in de combinatie van psychologisch, sociaal, economisch en maatschappelijk kapitaal zijn kundige professionals onmisbaar. Wat hun vakmanschap behelst bekijken we nader in deze paragraaf. Zie de bijlage als aanvulling hierop de 10 competenties sociaal werker Maatschappelijke Ondersteuning.

Stress-sensitieve dienstverlening Het oplossen van armoedeproblematiek is een lange weg, zowel wel voor de persoon in kwestie als voor de professional. Het vraagt behoorlijk wat geduld, veerkracht, weerstand en doelgerichtheid. Dit zijn juist vermogens die onder druk komen te staan in situaties van (financiële) stress. Het betekent dat een professional moet inzetten op stress-sensitieve dienstverlening (Jungmann, 2019). Dat kan via Mobility mentoring® (zie kader) of een afgeleide aanpak daarvan. Deze aanpak maakt vaak ook duidelijk waar de problemengebieden liggen. Via deze methode zijn onder meer subdoelen te abstraheren uit hoofddoelen. Er wordt stap-voor-stap van kleine naar grote(re) problemen gewerkt. Hierdoor kan er bij onvoorziene situaties veel beter worden bijgesteld. Momenteel vinden er landelijk verschillende pilots plaats met deze methodiek of onderdelen daarvan. Voor een goede borging en inbedding van deze benadering kan niet worden volstaan met alleen een training voor professionals. Coaching van uitvoerders is ook een vereiste.

Basiselementen voor professionals 1.

Voeg geen stress toe: Professionals ontvangen hun cliënten in rustgevende ruimten, gebruiken overzichtelijke documenten, hanteren een laagdrempelige en toegankelijke toon.

2.

Zet in op steunende interactie: Professionals beschikken over basis-ondersteunende vaardigheden, zoals motiverende gespreksvoering en gelijkwaardige en empathische gespreksvaardigheden. Professionals kennen de effectiviteit achter de methodiek. Een voorbeeld: zaken zijn in de ochtend beter te doordenken en toe te passen dan op andere momenten. Let op: wanneer (toekomstige) professionals geschoold zijn in motiverende gespreksvoering, betekent dit niet automatisch dat dit zich vertaalt naar goedlopende motiverende gespreksvoering in de praktijk. Regelmatig blijven oefenen en feedback krijgen is belangrijk (Goosen & Van der Laan, 2019; Miller & Rollnick, 2014).

3.

Zet psycho-educatie in: Professionals informeren hun cliënt over de consequenties van stress en hoe die een wissel trekken op zijn/haar functioneren. Hierbij maken ze inzichtelijk wat dit voor de cliënt in kwestie betekent. Het doel hiervan is dat cliënten zelf de dynamiek waarin zij leven leren begrijpen.

4.

Zet helpende instrumenten in: Professionals bieden ondersteuning door onder andere actieplannen op te stellen met korte- en langetermijndoelen. Door de inzet van bijvoorbeeld tussentijdse reminders zoals sms’jes of to-do-lijstjes worden doelen vaker behaald.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

40

5.

Hef schaarste waar mogelijk op: Professionals kunnen schaarste opheffen door bijvoorbeeld na te gaan of toeslagen ten onrechte onvoldoende of niet zijn toegekend.

6.

Voer beloningssystemen in: Professionals kunnen in hun praktijk met beloningen werken. Uiteindelijk gaat het om het behalen van het einddoel, ofwel om de lange termijn. Maar omdat mensen met stress daar moeilijk naartoe kunnen werken, is het invoeren van subdoelen een goed hulpmiddel. Jungmann (2019) introduceert daarbij kleine beloningen wanneer deze subdoelen behaald zijn. Denk hierbij aan afspraken over kleine financiële voordelen.

3.6 Veelbelovende aanpakken Met name door nieuwe inzichten in hoe armoedeproblematiek effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door de bevindingen die voortvloeien uit de psychologie van de schaarste, zijn er veel bestaande aanpakken aangescherpt en nieuwe aanpakken in ontwikkeling. Tot nu toe zijn er nog geen interventies opgenomen in de databank Effectieve sociale interventies van Movisie. De verwachting is dat dit in de loop van 2020 verandert. Er zijn wel diverse veelbelovende aanpakken bekend die in Nederland worden gebruikt en die inzetten op een of meerdere vormen van empowerment. In deze paragraaf bespreken we de volgende interventies, naast Mobility Mentoring®: •

Quiet

•

Sociale supermarkt

•

Single SuperMom

•

Thuisadministratie met vrijwilligers

•

Liftjeleven

•

Sociaal hospitaal

•

Speaking minds

Quiet Quiet-members krijgen een dienst, product of verwennerij aangeboden, zonder dat ze een tegenprestatie hoeven te leveren. Dit aanbod en het gevoel van de community sterken hen om zelf iets bij te dragen. Het draait dus om nemen, geven én delen. Empowerment komt in deze aanpak tot stand in een groepsproces, waarin mensen elkaars talenten en positieve eigenschappen waarmee ze andere kunnen helpen (h)erkennen en waarderen. De interventie is gericht op mensen in armoedesituaties. Aanvankelijk waren dat uitsluitend klanten van de voedselbank, inmiddels gaat het ook om mensen uit andere, door maatschappelijke partners voorgedragen, financieel kwetsbare groepen. Een Quiet-community kan lokaal worden opgericht. Mensen uit de doelgroep kunnen daar lid van worden. Elke community werft lokale sponsors om haar leden via een digitaal systeem iets aan te bieden wat ze normaal gesproken niet kunnen betalen. Leden kunnen zich als vrijwilliger inzetten. Voor meer informatie, zie www.quiet.nl.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

41

Sociale supermarkt (Almere) Bij de sociale supermarkt kunnen mensen met een laag inkomen boodschappen doen. Ze ontvangen daarvoor een chipknip met een bedrag dat past bij hun persoonlijke situatie en gezinsgrootte. Met deze pas kunnen ze zelf kiezen wat ze nodig hebben en afrekenen bij de kassa. Bij deze moderne versie van de voedselbank zijn zij dus niet afhankelijk van voedselpakketten die wel of niet aansluiten bij hun behoeften. Zij behouden zelf de regie over wat ze eten. In tegenstelling tot de voedselbank, gaat de sociale supermarkt niet uit van het aanbod dat er binnenkomt, maar biedt ze een gegarandeerd assortiment van basisproducten. De sociale supermarkt is nadrukkelijk bedoeld als tijdelijke oplossing. Naast de chipknip biedt de supermarkt haar klanten ondersteuning om hun financiële situatie weer op orde te brengen en daarbij werkt ze intensief samen met andere hulpverleners. Naast Almere zijn er vergelijkbare supermarkten in Helmond, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (waar een rijdende variant in gebruik is). De sociale supermarkt heeft als doel de zelfredzaamheid van klanten te vergroten, waarbij de klant de regie over zijn of haar boodschappen behoudt. Door ondersteuning te bieden bij de aanpak van armoede- en schuldenproblematiek is het doel dat de klanten op termijn weer in reguliere winkels hun boodschappen kunnen doen.

Single SuperMom Veel alleenstaande moeders leven in armoede en isolement, waardoor ze in een neerwaartse spiraal belanden. Single SuperMom heeft als doel de positie, het welzijn én het netwerk van alleenstaande moeders te versterken. Dat doen ze door trainingen, workshops en evenementen te organiseren om de financiële, emotionele en economische positie én het zelfbewustzijn van alleenstaande moeders te versterken en/of vrijwilligerswerk, studie, werk of ondernemerschap op te pakken. Single SuperMom biedt alleenstaande moeders de mogelijkheid om online (via hun website) of fysiek (via hun trainingen, workshops en evenementen) met elkaar in contact te komen en een eigen vangnet te creëren of een maatje te vinden. Wanneer de basis op orde is, zijn moeders in staat om goed voor hun kinderen te zorgen. Hierdoor zullen de kinderen zich beter ontwikkelen en bijdragen aan de samenleving. Voor meer informatie, zie www.singlesupermom.nl.

Thuisadministratie met vrijwilligers Bij Thuisadministratie helpt een vrijwilliger met de administratie van mensen die door omstandigheden het overzicht zijn kwijtgeraakt. Deze vrijwilliger is hiervoor geschoold. De vrijwilliger helpt de cliënt om zijn of haar (financiële) administratie weer op orde te maken, helpt een overzicht van de inkomsten en uitgaven te maken en leert de cliënt een huishoudboekje bij te houden. De focus ligt op zelfredzaamheid. Daarnaast informeert de vrijwilliger de cliënt over relevante wet- en regelgeving en over de betrokken instanties. Ook bekijken vrijwilliger en cliënt of het sociale netwerk van de cliënt hem of haar ondersteuning kan bieden. Voor meer informatie, zie www.humanitas.nl/themas/thuis-administratie.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

42

Liftjeleven Liftjeleven is een actieprogramma voor praktische verbeteringen in het dagelijks leven. Deelnemers werken aan thema’s die voor henzelf belangrijk zijn. Bij de start schrijft iedereen op wat ze graag anders willen op financieel gebied, op het gebied van gezondheid en welzijn én voor het milieu. Alle deelnemers – inclusief de begeleiders – leggen zichzelf taken en huiswerk op en geven elkaar feedback en tips bij het realiseren van concrete doelen. Een groep bestaat uit ongeveer acht deelnemers die elke week bij elkaar komen met een speciaal getrainde begeleider. Omdat er snel resultaat te zien is, blijft het leuk om mee te doen. De aanpak is ook geschikt voor laaggeletterden, voor wie er speciaal lesmateriaal beschikbaar is. De verwachting is dat deze interventie in de loop van 2020 in de databank Effectieve sociale interventies wordt opgenomen (www.movisie.nl/databank-effectieve-socialeinterventies/interventies). Voor meer informatie, zie www.liftjeleven.nu.

Sociaal Hospitaal Sociaal Hospitaal zorgt ervoor dat kwetsbaarste Haagse huishoudens met veel problemen zo snel mogelijk weer bestaanszekerheid ervaren. Om dat voor elkaar te krijgen organiseert het Sociaal Hospitaal toegang tot de hulp en ondersteuning waar de gezinnen op dat moment behoefte aan hebben. Omdat met een zogeheten health impact bond wordt gewerkt, is het mogelijk om eerst die toegang te regelen en daarna pas de bureaucratie om het maatwerk heen te organiseren. Dat gebeurt nu meestal andersom: eerst moet de bureaucratie bedwongen worden, om daarna te kunnen doen wat nodig is. Dat kost deze gezinnen veel stress, en professionals veel tijd. Dat kan met deze aanpak dus voorkomen worden. Voor meer informatie, zie www.sociaalhospitaal.nl.

Speaking Minds Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het armoedebeleid en zijn vanuit het VNKinderrechtenverdrag verplicht kinderen en jongeren te betrekken bij de beleidsvorming. Het project Speaking Minds is gericht op jongeren tussen de 12 en 18 jaar die opgroeien in huishoudens met een laag inkomen of hier op een andere manier ervaring mee hebben. In het project worden groepen jongeren van het mbo, vmbo en het praktijkonderwijs gekoppeld aan gemeentelijke beleidsmakers. Lokale beleidsmakers leggen een vraagstuk voor aan een groep jongeren die daar op een creatieve manier een oplossing voor proberen te vinden. Het traject sluit af met een eindpresentatie; de jongeren presenteren hun adviezen aan alle betrokkenen. Een aantal maanden later geeft de gemeente feedback over wat er met de adviezen van de jongeren is gedaan en op welke manier die van toepassing zijn gebleken. Jongeren die aan een traject deelnemen kunnen zich na afloop blijvend inzetten voor het versterken van de positie van jongeren in armoede en schulden door jongerenambassadeur te worden van Speaking Minds. Voor meer informatie: www.defenceforchildren.nl/watdoen-we/projecten/speaking-minds-jongeren-denken-mee-overarmoedebeleid?gclid=EAIaIQobChMI4ojQhoGW4wIVmeF3Ch3LjgfQEAAYAiAAEgJMzPD_BwE.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

43

3.7 Lacunes en uitdagingen Niet laagdrempelig genoeg Voor veel individuen én huishoudens is het een te grote stap om aan te kloppen bij instanties. Vaak weten zij ook niet bij wie zij terechtkunnen en komen daardoor snel(ler) in de knel. Zoals eerdergenoemd heerst er met name onder migranten een groot taboe op armoede (Noor & Cadat, 2019). Door schande en schaamte wordt het in de doofpot gestopt. Ondertussen raken mensen verstrikt in een doolhof van toeslagen en voorzieningen. Het gaat aan hen voorbij waar en op welke manier ze adequate hulp en ondersteuning kunnen vragen (Divosa, 2019). Systeemvereenvoudiging lijkt hierop het beste antwoord. Het is aan gemeenten om laagdrempelige hulpverlening aan te bieden. Een van de voordelen van decentralisatie, volgens sommigen, is dat wijkteams snel en efficiënt kunnen samenwerken met verschillende disciplines. Er kan snel beoordeeld worden welke hulp wenselijk is en er kan ook snel actie worden ondernomen (Muskee, 2016).

Geen zicht op ‘verborgen’ (risico)groepen Extra kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met een fysieke en/of mentale beperking of jongeren met een migratieachtergrond, lopen vaak tegen extra problemen aan. Bovendien zijn deze groepen niet altijd in beeld. In beleid wordt onvoldoende rekening gehouden met mensen die om welke reden dan ook minder gemakkelijk meekomen in de samenleving. Mensen met een beperking bijvoorbeeld bewegen zich in een omgeving met steeds meer wetten en regelgeving, waar zij slecht hun weg in kunnen vinden (Schuurman, Kröber & Verdonschot, 2013). Noor en Cadat (Noor & Cadat, 2019) spreken in deze context over jongeren met een migratieachtergrond met armoedeproblematiek. Ook daar moet extra aandacht voor zijn. Sociale professionals moeten met het oog op cliënten met een migratieachtergrond een cultuur sensitieve werkwijze eigen maken. Kortom extra kwetsbare mensen zijn vaak zeer gemarginaliseerd en gestigmatiseerd. Problemen zoals armoede of schulden leiden vaak tot grote(re) problemen. Het is zaak dat hulpverleners hiervan op de hoogte zijn én hier aandacht voor hebben.

Groeiende groep ‘nieuwe’ armen Sinds 1990 stijgt het aandeel van werkende armen (Hulst, 2019). Een subgroep daarbinnen bestaat uit mensen met een hoog inkomen. Gemeenten zien steeds meer mensen met een hoog inkomen in de financiële problemen komen. Dit komt onder meer door de flexibele arbeidsmarkt (en inkomens), stijgende vaste lasten, dubbele woonlasten na echtscheiding of te weinig ruimte om een financiële buffer op te bouwen (Divosa, 2019). Zo berichte NRC begin 2019 nog over Amsterdam met haar groeiende groep zzp’ers, ondernemers en oproepkrachten, die maar amper kunnen rondkomen. De stad wordt rijker, maar mensen blijven achter en gemeentelijk beleid schiet tekort. Gemeenten hebben vaak moeite om deze groep in kaart te brengen, te bereiken en hun behoeften inzichtelijk te maken (Wagemakers, 2019). Een ander voorbeeld zijn hoogopgeleiden die bovenmodaal verdienden maar door het wegvallen van werk door ziekte of reorganisatie in de armoede terechtkomen.

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

44

Deel II Schulden

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

45

4 Feiten en cijfers rondom schulden 4.1 Begrippen toegelicht Problematische schulden Veel mensen hebben tijdens hun leven te maken met schulden. Denk bijvoorbeeld aan een hypotheek of een studielening. Je zou kunnen zeggen dat ‘bijna iedereen schulden heeft’. Lang niet alle schulden zijn een probleem of een bedreiging, maar in veel gevallen zijn ze wel problematisch of vormen ze een risico. Als een persoon meerdere betalingsachterstanden heeft, en deze achterstand niet meer kan inlopen, dan vormt dit een probleem. Zowel voor de persoon als voor de maatschappij (Madern,2015). Een complicerende factor is dat spreken over geldproblemen een taboe is. Geldproblemen houden we in Nederland vaak liever voor onszelf. Doordat er geen hulp wordt gezocht of actie wordt ondernomen, kunnen schulden zich opstapelen. In dit dossier gaat het over problematische schulden, dus niet over risicovolle schulden. Bij een risicovolle schuld betaalt een persoon een of meer rekeningen niet op tijd, staat hij of zij rood of heeft hij/zij een creditcardschuld (Algemene Rekenkamer, 2016). Risicovolle schulden kunnen zich wel ontwikkelen tot problematische schulden. Zo loopt een persoon risico op problematische schulden als hij/zij voldoet aan een of meer van de volgende vijf indicatoren: 1 Meer dan drie soorten achterstallige rekeningen. 2 Een totale betalingsachterstand van meer dan 500 euro.

3 Een of meer betalingsachterstanden voor de huur of hypotheek, de energierekening of de ziektekostenverzekering. 4 Ten minste vijfmaal per jaar roodstand voor een gemiddeld bedrag van 500 euro. 5 Een creditcardschuld van meer dan 500 euro (Westhof, de Ruig & Kerckhaert, 2015).

Objectief versus beleving De definiëring van (risico op) ‘problematische schulden’ zoals in voorgaande paragraaf beschreven, gaat uit van objectief vast te stellen feiten. Er kan echter ook gekeken worden naar de beleving van financiële problemen. Iemand kan het afbetalen van leningen bijvoorbeeld als een grote last ervaren. Ook dat zijn financiële problemen. In dit dossier staan we daarom ook stil bij het gedrag en de houding van betrokkenen ten aanzien van schulden. Het gaat daarbij om hun beleving. Uit onderzoek blijkt dat de effectiviteit van de schuldhulpverlening gebaat is bij aandacht voor motivatie en gedrag (Madern, 2015).

Definitie problematische schulden We spreken in dit dossier over problematische schulden wanneer het iemand niet lukt (voor langere periode) zijn/haar afbetalingsverplichting te kunnen nakomen. Het bedrag dat in 36 maanden kan worden afgelost is dan lager dan de totale schuldenlast. In die gevallen beschikken mensen structureel over te weinig geld om aan de periodieke betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. Dit betekent dat hun schulden verder oplopen (Wiedenbrugge & van Katwijk, 2017; Bleeker, Westhof & Vroonhof, 2010).

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

46

Typen schuldhulpverlening Het is belangrijk financiële problemen vroegtijdig te herkennen. Dat maakt de aanpak vaak makkelijker en de impact voor de persoon in kwestie blijft beperkt. Bij de aanpak van schulden onderscheiden we drie fasen: 1. De eerste fase bestaat uit primaire schuldpreventie (Madern, 2015). Primaire preventie is gericht op het voorkomen van financiële problemen. Het gaat daarbij om en mix van maatregelen, activiteiten en voorzieningen die erop gericht zijn mensen financieel vaardig te maken en hen te bewegen hun financiën op orde te houden. Secondaire preventie is gericht op het vroegtijdig aanpakken van schuldenproblematiek. 2. In de tweede fase draait het om het oplossen van problematische schulden, namelijk door secundaire preventie (Madern, 2015). Waar schuldpreventie schulden kan voorkomen, is schuldhulpverlening gericht op het verminderen en verzachten ervan. Hierbij gaat het onder andere om coaching, trajectbegeleiding en schuldregeling. Het doel is de aflossing van schulden of de stabilisatie van een situatie als aflossing niet mogelijk is. Stabilisatie is erop gericht dat de belangrijkste vaste lasten worden betaald, zoals huur, gas, water, elektra, voeding en leefgeld. Schuldhulpverlening is een wettelijke taak voor gemeenten (zie ook 4.5 ‘Wet- en regelgeving’). 3. De derde fase is de nazorg, ook wel tertiaire preventie genoemd (Madern, 2015).

Doel daarvan is te voorkomen dat een persoon terugvalt en opnieuw schulden maakt. Nazorg bestaat uit het monitoren van klanten, maar ook het aanleren van vaardigheden en gedragsverandering gedurende het traject, zodat de persoon na een schuldhulpverleningstraject voldoende is toegerust om alles weer zelf te doen (Madern, 2015).

4.2 Schulden in Nederland in beeld Een op de vijf personen in Nederland heeft betalingsproblemen, zo blijkt uit het rapport Financiële problemen van het Nibud (Nibud, 2019). Dit aantal is gelijk gebleven in vergelijking met 2015. Bij 11,5 procent van de gevallen gaat het om lichte betalingsproblemen5 en acht procent heeft ernstige betalingsproblemen.6 Omgerekend zijn er meer dan 700.000 huishoudens met ernstige betalingsproblemen. Daarvan hebben slechts zo’n 95.000 huishoudens zich gemeld bij de schuldhulpverlening (Florijn, 2018). Voor het eerst in lange tijd hebben in 2018 minder mensen een beroep gedaan op schuldhulpverlening. Dit blijkt uit cijfers van branchevereniging NVVK die het overgrote deel van de gemeentelijke schuldhulpverlening uitvoert (zie figuur 11). Met 86.200 nieuwe aanmeldingen bij de leden van NVVK in 2018 daalde het aantal met bijna 10 procent in vergelijking tot 2017 (Florijn,2018). Hoewel deze daling mooi lijkt, maken de NVVK en Nibud zich zorgen dat veel mensen met financiële problemen geen hulp krijgen. Want dat er minder aanmeldingen zijn wil helaas niet zeggen dat het aantal huishoudens met schuldproblemen is afgenomen.

Lichte betalingsproblemen: als iemand een enkele keer de huur/hypotheek meer dan tien dagen te laat betaald, regelmatig een aanmaning ontvangt, regelmatig geen geld meer kan opnemen/ niet meer kan pinnen, regelmatig automatische incasso is geweigerd, een enkele keer een voorschot op het salaris heeft gevraagd, brieven van incassobureau of deurwaarder heeft ontvangen, regelmatig een creditcardschuld van meer dan 500 euro heeft gehad, regelmatig afbetalingsregelingen heeft getroffen. 6 Ernstige betalingsproblemen: als iemand is afgesloten van energie, als er loonbeslag is opgelegd, als iemand de huur of hypotheek regelmatig meer dan tien dagen te laat betaald, regelmatig een voorschot op salaris heeft gevraagd of is aangemeld bij de schuldhulpverlening (voorheen het GAK). 5

Movisie / WAT WERKT BIJ de aanpak van armoede en schulden

47

Figuur 11 - Aanmeldingen schuldhulpverlening en gemiddelde schuld (2009 – 2018) Bron: CBS, 2019 100000 90000 80000 70000 60000 50000 40000 30000 20000 10000 0 2009

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=a49f05da-4598-47c9-999b-c874d566ae52