Sjabloonvragen VVD-CDA - Kruidachtige beplanting
Tekst van het document
Raadsvergadering d.d. 2 maart 2021 Raadsnota nummer ZN266878 Onderwerp: beleid kruidachtige beplantingen nieuw beleid Vragen van fractie:
Naam raadslid: Mirjam de Wit-van Loon
1. Op pagina 36, paragraaf 7.2 maakt u de opmerking dat u een verlaging van de Algemene Uitkering van het Rijk aan kleine en middelgrote gemeenten verwacht en u spreekt uit dat u daarmee de kans groot acht dat daarmee de financiële armslag wordt beperkt. Wat zijn de (voorlopige) conclusies n.a.v. de publicatie van het nieuwe verdeelmodel voor de financiën van de gemeente Oosterhout? Antwoord: Momenteel is de verwachting dat we ongeveer 3 euro per inwoner op achteruit gaan. Naast het nieuwe verdeelmodel is het de vraag wat de effecten van de nieuwe kabinetsformatie op de gemeentefinanciën gaan zijn. Begin maart wordt de raad per brief geïnformeerd over de ontwikkelingen die volgen uit de Decembercirculaire. 2. In de raadsnota geeft u onder de kop: “wat gaan we daarvoor doen” aan dat door het bewust omgaan met ons openbaar groen we, zowel de waarde voor de biodiversiteit kunnen vergroten, alsook de waardering van dat openbaar groen door bewoners kunnen verbeteren. U maakt vervolgens de keuze om het zwerfvuil niet als speerpunt mee te nemen in het beleidsplan. Is dit louter een financiële afweging of heeft u ook andere argumenten om de keuze niet op het bestrijden van zwerfvuil te laten vallen? Antwoord: De afweging zoals die in het hoofdstuk 7 van de rapportage is opgenomen, heeft geleid tot de keuze van de speerpunten.
En het effect van het bestrijden van zwerfvuil op kruidenrijke terreinen c.a. kent wel een positief maatschappelijk rendement, maar dat is niet zeer groot. Zwerfvuil in andere groenvoorzieningen en op straat blijft van grote invloed. De kosten zijn naar verwachting vrij hoog en in de afweging van kosten en rendement is de maatregel niet als zeer kansrijk beoordeeld. Deze is daarom niet in het voorstel opgenomen.
Raadsvergadering d.d. 2 maart 2021 Raadsnota nummer ZN266878 Onderwerp: beleid kruidachtige beplantingen nieuw beleid
Vragen van fractie:
Naam raadslid: Tanja Roovers-Huijben
1) Er wordt voorgesteld om in 2021 door te gaan met de pilot en de voorstellen B2-B9 op een budget-neutrale manier. B2-B9 heeft een voordeel van €38.000 en een nadeel van €65.000. Hoe wordt dit budgetneutraal gemaakt? Antwoord: In de nota is benoemd dat bij het beheer in 2021 zoveel mogelijk van de verbeteringsvoorstellen van B.2 tmB.9 zullen worden gerealiseerd. Maar dat moet budgetneutraal plaats vinden. De voordelen die op bepaalde maatregelen kunnen worden behaald, zullen worden ingezet om op andere locaties het klepelen om te zetten in maaien en ruimen. Maar het voordeel is inderdaad niet groot genoeg om dat op alle locaties te kunnen verwezenlijken. Daarom zal op grofweg de helft van de locaties in 2021 nog niet kunnen worden overgeschakeld. Die locaties zullen conform het oude beheer worden gemaaid. Bij het opstellen van het maaibestek zal de afstemming tussen verwachte meer en minder kosten en de exacte arealen plaats vinden. Daarbij wordt er naar gestreefd zo veel mogelijk locaties inderdaad op de nieuwe wijze te gaan beheren. 2) Zijn er in de pilot ook locaties geweest waar het een onwenselijke situatie heeft opgeleverd? Bijvoorbeeld omdat er veel hoge brandnetels groeiden waardoor het onprettige of onveilige situaties opleverden.
Is dit enkel met klachten gemonitord of ook met een veldbezoek? Antwoord: Ten aanzien van verschillend maatregelen bestond op voorhand twijfel of dat technisch uitvoerbaar zou blijken of dat mogelijk overlast zou ontstaan. Daarom is een pilot uitgevoerd. Uit die pilot zijn geen grote bezwaren naar voren gekomen. Maar aanpassingen aan het beleid waarvan op voorhand is ingeschat dat de kans groot was dat daarbij problemen of overlast zou onstaan, zijn niet ingezet. In noord, op de voedselrijkere gronden is bijvoorbeeld gewoon twee-maal gemaaid. Ruigtkruiden, zoals brandnetels, zijn juist daar te verwachten. En bij het gefaseerd maaien zijn geen stroken direct langs wegen of paden gespaard, maar steeds op minimaal 1 m afstand daarvan. Daardoor zijn overlastsituaties voor zover wij weten voorkomen. Bij de sturing en evaluatie van de maatregelen hebben we gebruik gemaakt van de waarnemingen van de toezichthouder, van ervaringen en waarnemingen van de machinisten op de maaimachines en van een na-verkenning (veldbezoek) in juli, aansluitend op de eerste maaironde. Ook uit de meldingen zijn geen noemenswaardige bijzonderheden gebleken. 3) Is er ook gekeken of het effect heeft op de hoeveelheid zwerfafval? Is er aan de ZAPpers gevraagd hoe zij dit ervaren? Antwoord: In hogere beplanting blijft meer “waaiend” zwerfafval, zoals plastic en papier, hangen en haken.
Maar de hoeveelheid zwerfafval is daardoor niet groter. De hoeveelheid zwerfafval lijkt vooralsnog niet af te nemen en wat dat betreft hebben we onze hoop voor een deel gevestigd op de statiegeldregeling die het Rijk heeft aangekondigd. We hebben de vraag niet expliciet aan ZAP-ers gesteld en niet alle maatschappelijke partijen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op het rapport.
4) Is er in de pilot gekeken of het maaibeleid ook effect heeft op ongedierte? Antwoord: Het effect van de pilot op de aanwezigheid van ongedierte is niet actief gemonitord. Ook hier geeft het aantal meldingen geen afwijkend beeld. Van een toename van plaagdieren door het nieuwe beheer is vooralsnog niets gebleken. Zoals in het rapport opgemerkt is vooral de beschikbaarheid van voedsel bepalend voor het aantal plaagdieren dat voorkomt. En dat is met het aangepaste maairegime niet veranderd.