RVS - bijlage 4 Verdieping
Tekst van het document
Bijlage 4 Verdieping procedureel-planologische besluiten Omgevingswet
Aanleiding Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden er nieuwe instrumenten en procedures geïntroduceerd. Deze nieuwe instrumenten, brengen ook nieuwe keuzen met zich mee. Keuzen waarover de gemeente een besluit kan nemen. Doel, inhoud en verantwoording memo Deze memo is opgesteld om inzage te bieden in de nieuwe instrumenten en procedures, en de daarbinnen te maken keuzen. Om zo tot een weloverwogen besluitvorming te kunnen komen. Hierbij is het ook noodzakelijk inzage te bieden in de huidige werkwijze, zodat de “nieuwe werkelijkheid” in perspectief kan worden geplaatst; wordt de wereld om ons heen echt zo anders dan nu, of is het voor een deel “oude wijn in nieuwe zakken”? Daarnaast wordt in deze memo ook het grotere geheel aangestipt omtrent het omgevingsplan en de planologisch-procedurele aspecten van de Omgevingswet; welke voorbereidingen worden en zijn getroffen, en hoe gaan we om met ontwikkelingen die zich aan de vooravond van de inwerkingtreding van de Omgevingswet aandienen. De adviezen in deze memo zijn mede tot stand gekomen via verschillende bijeenkomsten van de raadsklankbordgroep Participatie en Omgevingswet, medio 2021. Welke voorbereidingen worden getroffen? Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt er gewerkt aan een handboek voor het maken van een omgevingsplan.
Dit handboek wordt begin 2022 opgeleverd en bevat voor specifiek de gemeente Oosterhout alle denkbare regels over de fysieke leefomgeving, die moeten worden opgenomen in een omgevingsplan. Dit handboek is gebaseerd op (1) het huidige handboek voor Oosterhoutse bestemmingsplannen, (2) de overige lokale regels ten aanzien van de fysieke leefomgeving die thans in verschillende Oosterhoutse verordeningen staan, (3) de bruidsschat van het Rijk en de instructieregels van (4) de provincie en (5) het Rijk. Op basis van dit handboek omgevingsplan wordt met ingang van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, per deelgebied, het bestemmingsplan vervangen door een omgevingsplan. Het Rijk geeft ons hiertoe de tijd tot eind 2029. Tot dat moment blijven de huidige regels van toepassing (tenzij voor die datum door de raad een omgevingsplan is vastgesteld, dan gelden die regels). Na die datum zullen alle lokale regels die gaan over de fysieke leefomgeving, maar geen onderdeel uitmaken van een bestemmingsplan, vervallen. Denk hierbij aan de uitrit- en kapvergunningen. Ook zal het handboek worden gebruikt om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld woningbouwontwikkelingen) via een omgevingsplan mogelijk te maken. Idee hierbij is dat nieuwe initiatieven niet hoeven te worden aangehouden totdat de Omgevingswet in werking is getreden.
Maar dat op basis van de huidige wet- en regelgeving de procedure wordt gestart (ter inzagelegging voorontwerp en vooroverleg met andere overheden) en op het moment dat de wet daadwerkelijk in werking treedt (vooralsnog voorzien op 1 juli 2022) de initiatiefnemer het bestemmingsplan, op basis van het handboek omgevingsplan, kan opwaarderen naar een omgevingsplan. Om zodoende de vervolgprocedure (ter inzagelegging ontwerp) met een 1
omgevingsplan te kunnen voortzetten. Andere optie is om op basis van de toelichting bij het bestemmingsplan en de daarbij behorende onderzoeken te komen tot een aanvraag omgevingsvergunning die na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ingediend. En vervolgens conform de Omgevingswet in procedure gaat als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie verderop, is gelijk aan de huidige reguliere – dus niet de uitgebreide – procedure voor een omgevingsvergunning). Hierover zal met initiatiefnemers en andere belanghebbenden tijdig worden gecommuniceerd. Naast het komen tot een handboek omgevingsplan, worden ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet alle bestemmingsplannen geactualiseerd. Zodat voordat de nieuwe wet in werking treedt de gemeente Oosterhout beschikt over een actuele planvoorraad. Doordat deze actualisatie “in eigen huis” wordt uitgevoerd, is er een goede basis (in kennis, kunde en data) voor het maken van omgevingsplannen. Afwijken van een omgevingsplan Net als nu het geval is bij bestemmingsplannen, zullen er zich straks situaties voordoen dat een initiatief, groot of klein, niet past binnen het omgevingsplan. Hiertoe biedt de Omgevingswet twee mogelijkheden om medewerking te verlenen. Via (1) een wijziging van het omgevingsplan, al dan niet door de raad gedelegeerd aan het college.
Of (2) het verlenen van een omgevingsvergunning, ook wel de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ad. 1. De huidige (binnenplanse) wijzigingsbevoegdheid (waarmee de raad in een bestemmingsplan aangeeft dat het college het plan kan wijzigen als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan) vervalt in zijn geheel. De mogelijkheid tot het delegeren van het wijzigen van een omgevingsplan door de raad aan het college (in de wet geformuleerd als de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan), kan worden gezien als een vervanging hiervan. Daar waar in de huidige situatie een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht integraal onderdeel moet uitmaken van een bestemmingsplan, is na inwerkingtreding van de Omgevingswet een delegatiebesluit een los, op zichzelf staand besluit. Hierbij kan er voor gekozen worden om een delegatiebesluit gelijktijdig met een raadsbesluit tot vaststelling van een omgevingsplan te nemen. Of op ieder ander willekeurig moment. Ad 2. De huidige kruimelgevallen-regeling (waarmee met een reguliere omgevingsvergunningsprocedure kan worden afgeweken van het bestemmingsplan) en het projectbesluit (waarmee met een uitgebreide procedure kan worden afgeweken van het bestemmingsplan) bestaan dan niet meer als aparte instrumenten. Ze lossen als het ware samen op in de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Voor de buitenplanse en de binnenplanse omgevingsplanactiviteiten geldt dat deze (ex artikel 4.17 Omgevingswet) binnen 5 jaar moeten zijn verwerkt in een omgevingsplan. Tenzij de vergunning voor een tijdelijke periode is verleend. De Omgevingswet schrijft bij afwijking van een omgevingsplan niet voor in welke gevallen een bepaald instrument moet worden toegepast. Wel is het zo dat in bepaalde gevallen een afwijking alleen mogelijk is via een wijziging van het omgevingsplan. Een dergelijk situatie doet zich bijvoorbeeld voor als een bepaalde ontwikkeling alleen mogelijk is, als een bepaald recht wordt weggenomen. Iets wat met een binnen- of buitenplanse omgevingsplanactiviteit 2
niet mogelijk is. Hiermee kan alleen worden afgeweken van bestaande rechten, in de zin van een verruiming. In dergelijk geval moet er dus worden uitgeweken naar een (gedelegeerde) wijziging van het omgevingsplan. Voor een meer gedetailleerde inzage in de huidige en toekomstige instrumenten wordt verwezen naar bijlage 5. Welke procedure kennen de nieuwe instrumenten? Een herziening van een omgevingsplan heeft eenzelfde procedure als nu de herziening van een bestemmingsplan: ter inzagelegging van het voorontwerp, ter inzagelegging van het ontwerp, vaststelling door de gemeenteraad en daarna direct beroep bij de Raad van State. De buitenplanse omgevingsplanactiviteit heeft eenzelfde procedure als een reguliere omgevingsvergunning nu: verlening door het college, bezwaar bij de bezwarencommissie, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State. De procedure die gekoppeld is aan een voorbereidingsbesluit procedure wijzigt eveneens niet. Net zoals nu wordt een voorbereidingsbesluit genomen door de gemeenteraad, vervolgens bekend gemaakt, waarna er tegen dat besluit geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld. Waar voorziet het overgangsrecht in? Het overgangsrecht voorziet erin dat bestemmingplannen en wijzigingsplannen die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet als ontwerp ter inzage liggen, onder het huidige recht worden afgewerkt.
De binnenplanse wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in bestemmingsplannen zullen na inwerkingtreding van de Omgevingswet verder gaan als een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, voor zover deze aanvraag ook toeziet op een bouwactiviteit1. Aanvragen voor een (binnen- en buitenplanse) omgevingsvergunning kunnen worden afgewerkt onder het oude recht, voor zover deze aanvragen zijn ingediend voor 1 juli 2021. Wat valt er te besluiten? De te nemen besluiten zijn op te delen in: - Het delegeren van het nemen van een voorbereidingsbesluit; - Het delegeren van het vaststellen van een omgevingsplan; - Het verplicht stellen van een omgevingsdialoog bij buitenplanse omgevingsvergunningen; - Het verplicht stellen van een bindend advies van de raad voor buitenplanse omgevingsvergunningen;
1 Dit geldt (ex artikel 22.32 van de bruidsschat) echter alleen ingeval deze wijziging gepaard gaat met
een bouwactiviteit. En niet voor binnenplanse wijzigingen die voorzien in een gebruikswijziging zonder een bouwactiviteit. Bijvoorbeeld de wijziging van een agrarische bedrijfswoning, naar een burgerwoning. In dergelijk geval zal respectievelijk een herziening van het omgevingsplan moeten worden doorgevoerd of een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten worden verleend.
3
-
Het toepassen van de uitgebreide procedure bij een buitenplanse omgevingsvergunning.
Delegeren voorbereidingsbesluit Met een voorbereidingsbesluit wordt voorkomen dat er in afwachting van een nieuw bestemmingsplan activiteiten worden ontplooid die mogelijk in strijd zijn met het nieuwe, in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Onder de huidige wetgeving is dit een bevoegdheid van de raad. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt de raad (ex artikel 4.14.5 Omgevingswet) de mogelijkheid om het nemen van een voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college. Een delegatiebesluit kan algemeen, op voorhand en zonder nadere voorwaarden door de raad worden genomen. Delegeren vaststellen omgevingsplan Het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan kan de raad (ex artikel 2.8 Omgevingswet) delegeren aan het college. De procedure die in een dergelijk geval wordt gevolgd is te vergelijken met de huidige binnenplanse wijziging (college legt het ontwerp ter inzage, stelt na ter inzagelegging onder afweging van eventuele zienswijze het wijzigingsplan (gewijzigd) vast, waarna deze direct open staat voor beroep bij de Raad van State). Buitenplanse omgevingsvergunning; verplichte omgevingsdialoog Voor het afwijken van een bestemmingsplan via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan de raad (ex artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet2) besluiten de initiatiefnemer te verplichten een omgevingsdialoog aan te gaan, voordat deze een aanvraag hiertoe kan indienen.
Hierbij kunnen volgens de juristen van het landelijk informatiepunt Omgevingswet nadere eisen worden gesteld3. Buitenplanse omgevingsvergunning; bindend advies raad Daarnaast kan de raad (ex artikel 16.15a, lid b Omgevingswet) besluiten dat zij een adviesrecht heeft voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, die het college moet opvolgen. De wetgever heeft er niet in voorzien dat een dergelijk bindend advies van de raad meer tijd vergt. De reguliere beslistermijn op een aanvraag voor een omgevingsvergunning van 8 weken, met een eenmalige verlengingstermijn van 6 weken, blijft onveranderd. Ook ingeval er een advies benodigd is van de raad. Wel is het zo dat dit een “termijn van orde” betreft, en geen “fatale termijn”. Dit maakt dat bij overschrijding van de termijn, de vergunning niet van rechtswege is verleend. Wel kan men een beroep doen op de “Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen”4.
2 Artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet: de gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarin
participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend. 3 Enkele citaten uit de mailcorrespondentie: “Wanneer sprake is van onvoldoende/voldoende participatie heeft de wetgever niet aangegeven.” “Om vooraf aan aanvragers duidelijkheid te bieden over wat de gemeente van hen verwacht en om de beoordeling van de verrichte participatie te vergemakkelijken, kan de gemeente ervoor kiezen om beleid(sregels) te formuleren over wat zij als voldoende participatie aanmerkt. Uiteindelijk zal uit de jurisprudentie moeten blijken wanneer er in welke gevallen sprake is van (on)voldoende participatie.” 4 Indien een overheid niet tijdig een besluit neemt, kan een belanghebbenden de overheid in gebreke stellen met het verzoek om binnen 2 weken na verstrijken van de wettelijke termijn alsnog een besluit te nemen, onder het verbeuren van een dwangsom voor iedere dag dat een besluit uitblijft.
4
Buitenplanse omgevingsvergunning; toepassen uitgebreide procedure Aanvullend op voornoemde raadsbesluiten, krijgt het college (ex artikel 16.65, lid 4 Omgevingswet5) de mogelijkheid om per voorliggende aanvraag te besluiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht) toe te passen. Wat neerkomt op de ter inzagelegging van een ontwerpbesluit gedurende 6 weken, alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend6. Dit biedt de mogelijkheid om parallel aan de ter inzagelegging van het ontwerp, en dus zonder vertraging, advies te vragen aan de raad. Ook wordt (ingevolge artikel 3:18, lid 2 Algemene wet bestuursrecht) met het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure de wettelijke beslistermijn (eveneens niet fataal) van 8 weken verlengd naar maximaal 6 maanden. Waarmee voldoende ruimte ontstaat voor een advies vanuit de raad. Wanneer moeten de besluiten genomen zijn? Er is geen verplichting om bovengenoemde besluiten te nemen voordat de Omgevingswet in werking treedt. Dit kan op ieder moment. Wel is het zo dat op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt en bovengenoemde raadsbesluiten niet zijn genomen, er voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geen verplichting geldt voor een omgevingsdialoog en de raad geen bindend adviesrecht heeft.
Ook moet door het ontbreken van een delegatiebesluit, iedere herziening van het omgevingsplan en het nemen van een voorbereidingsbesluit worden voorgelegd aan de raad. Advies delegeren voorbereidingsbesluit Ter verlaging van de administratieve lasten wordt geadviseerd het nemen van een voorbereidingsbesluit, op voorhand en zonder nadere voorwaarden, te delegeren aan het college. Wel wordt geadviseerd te besluiten dat een dergelijk genomen besluit onverwijld ter kennis wordt gebracht aan de gemeenteraad. Advies delegeren vaststellen omgevingsplan Ter verlaging van de administratieve lasten en versnelling van processen (waaronder de versnelling van de woningbouw) wordt geadviseerd om voor de volgende gevallen het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan te delegeren aan het college: - Het verwerken van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een voortdurende (niet zijnde een tijdelijke) omgevingsplanactiviteit in een omgevingsplan; - Het verwerken van wijzigingen in een omgevingsplan die noodzakelijk zijn vanwege gewijzigde hogere wet- of regelgeving, waarbij er geen lokale beleidsruimte is om deze nader in te vullen; - Het verwerken van wijzigingen van planologisch-juridische en technische aard in een omgevingsplan, zoals het corrigeren van omissies, verschrijvingen en (feitelijke) onjuistheden, niet zijnde wijzigingen in beleid; 5 Artikel 16.65, lid 4 Omgevingswet:
het bevoegd gezag kan afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, én waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. 6 De procedure voor een omgevingsvergunning wordt daarmee; ter inzagelegging ontwerpbesluit, besluit door het college, beroep en hoger beroep. De uitgebreide procedure is daarmee min of meer gelijk aan de reguliere procedure; de “bezwaartermijn na besluitvorming”, wordt dan vervangen door “ter inzage ontwerp omgevingsvergunning voor besluitvorming”.
5
-
Het verwerken van raadsbesluiten, waaronder stedenbouwkundige visies voor (her)ontwikkellocaties; Wijzigingen die gelijk te stellen zijn aan een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, zoals opgenomen in het ter plaatse van toepassing zijnde tijdelijk omgevingsplan7, en er wordt voldaan aan de voorwaarden die dit plan aan deze bevoegdheid/plicht stelt8.
Aanvullend wordt geadviseerd om, middels delegatie vastgestelde omgevingsplannen, onverwijld ter kennis te brengen aan de gemeenteraad. Advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit Bindend adviesrecht raad (en toepassen uitgebreide procedure) Om de procedures en de lasten voor (onder andere de raad) niet onnodig te verzwaren en afstemming te zoeken op de huidige werkwijze wordt geadviseerd om voor “activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving”9 (zie advies verderop in deze memo) en waarvoor het college voornemens is deze te verlenen, te besluiten dat de raad betrokken wordt middels een bindend advies. Dit laatste (“waarvoor het college voornemens is deze te verlenen”) voorkomt dat iedere aanvraag die afwijkt van het omgevingsplan voor een bindend advies aan de raad wordt voorgelegd. Ook indien deze (geheel) niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening (of zoals de Omgevingswet zegt: “een evenwichtige toedeling van functies”) en andere relevante wet- en regelgeving. Hierbij wordt geadviseerd het volgende te scharen onder “activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving”.
Voor wat betreft het stedelijk gebied: - De realisatie van één of meer windmolens; - De realisatie van zonneweiden, tenzij op bouwwerken die primair een andere functie hebben dan het ten dienste staan van het opwekken van zonne-energie (zoals daken); - De realisatie van meer dan twee woningen; - De realisatie van bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening hoger dan 5m, of groter dan 50m²; - De realisatie van antenne-installaties hoger dan 40m; - De uitbreiding van bijbehorende bouwwerken, hoger dan 5m of groter dan 150m². - Een van het omgevingsplan afwijkend gebruik, waarbij de afwijking leidt tot een (conform de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering) hogere milieucategorie dan ingevolge het
7 Met ingang van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt een bestemmingsplan van rechtswege
een omgevingsplan. Om duidelijk te maken dat dit een tijdelijke situatie is (wordt te zijner tijd vervangen door een echt omgevingsplan) wordt in de wet de term “tijdelijk” omgevingsplan gehanteerd. 8 Reden hiertoe is dat wetgeving abusievelijk niet heeft voorzien in het overgangsrecht voor dergelijke bevoegdheden en plichten, indien er geen sprake is van een omgevingsvergunning van een bouwactiviteit (zie voetnoot 1). 9 Met term “activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving” wordt aangesloten bij de term die de wetgever hanteert om het college de mogelijkheid te geven te besluiten de uitgebreide uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Hiermee is het eenduidig wanneer vanuit de raad geacht wordt dat het college de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toepast, en vindt er juridische afstemming plaats qua terminologie.
6
omgevingsplan ter plaatse is toegestaan, niet zijnde de toevoeging van woningen in bestaande panden. Voor wat betreft het landelijk gebied en de beschermde stads- en dorpsgezichten, iedere afwijking van het omgevingsplan met uitzondering van: - De realisatie van zonneweiden op bouwwerken die primair een andere functie hebben dan het ten dienste staan van het opwekken van zonne-energie (zoals daken); - Gebruiken van gronden voor een herinrichting van het openbaar gebied, ten dienste van het algemeen nut, waaronder begrepen de verbreding of herprofilering van wegen; - Bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening, met een maximale hoogte van 5m en een maximale oppervlakte van 50m²; - Antenne-installaties tot maximaal 40m hoog. Met bovenstaand advies wordt in grote lijnen de huidige werkwijze voortgezet en wordt recht gedaan aan de kwetsbaarheid van het landelijk gebied en de beschermde stads- en dorpsgezichten. Wel zullen tijdelijke afwijkingen van het omgevingsplan, die onder de huidige wetgeving zonder tussenkomst van de raad kunnen worden verleend, met bovenstaande werkwijze na inwerkingtreding van de Omgevingswet aan de raad worden voorgelegd10.
Voor een verdere verdieping wordt verwezen naar bijlage 6, waarin de huidige activiteiten waarvoor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan zonder tussenkomst van de raad, in beeld zijn gebracht én zijn voorzien van een advies of dit zo gehandhaafd moet blijven of niet. Om de administratieve lasten te verlagen en processen te versnellen (waaronder die in het kader van de woningbouwopgave), wordt geadviseerd om een bindend advies niet verplicht te stellen, ingeval het een omgevingsvergunning betreft waarmee wordt afgeweken van een omgevingsplan, maar deze ter uitvoering is van een raadsbesluit. Waaronder de vaststelling van een stedenbouwkundige visie voor een (her)ontwikkellocatie. Daarnaast wordt geadviseerd om ingeval de raad middels een bindend adviesrecht betrokken moet worden, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Dit laatste heeft tot gevolg dat de wettelijke beslistermijn van 8 weken, wordt verlengd naar 6 maanden en er voldoende ruimte ontstaat voor advisering vanuit van de raad, zonder overschrijding van de beslistermijn. Om binnen de doelstellingen van de Omgevingswet te blijven (processen versnellen) en te voldoen aan de Algemene wet bestuursrecht11, zal de advisering vanuit de raad parallel aan 10 Reden hiervoor is dat ook activiteiten die tijdelijk zijn, aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de
fysieke leefomgeving. En het in beginsel geen verschil maakt of deze tijdelijk van aard zijn (bijvoorbeeld een periode van 10 jaar) of voortdurend. Leidend moet zijn het effect wat een activiteit heeft op de omgeving. 11 De Omgevingswet bepaalt niet op welke wijze en op welk moment de raad in het proces van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit advies moet uitbrengen. Wel is wettelijk bepaald (ex artikel 3:16 Awb) dat ingeval de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast, de raad parallel aan de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit, advies moet uitbrengen. Hierbij zal de raad, althans voor zover het advies uit deze memo wordt opgevolgd om bij iedere afwijking of herziening van het omgevingsplan een dialoog
7
de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit van het college moeten plaats vinden. Hiertoe ontvangt de raad, voordat de te inzage legging aanvangt, het ontwerpbesluit met daarbij de volledige aanvraag, de resultaten van de Omgevingsdialoog en de motivering waarom het college medewerking wens te verlenen. Omgevingsdialoog Conform de huidige uitvoeringspraktijk in Oosterhout wordt geadviseerd voor alle aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een omgevingsdialoog verplicht te stellen Hiermee wordt tevens maximaal invulling gegeven aan de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt voor het verplicht stellen van een omgevingsdialoog. De huidige uitvoeringspraktijk in Oosterhout voorziet er echter ook in dat voor iedere afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsdialoog wordt verlangd. Dus ook ingeval de afwijking vorm krijgt via een herziening van het bestemmingsplan. Echter biedt de Omgevingswet niet de mogelijkheid om bij een herziening van een omgevingsplan een omgevingsdialoog te verplichten. Dit is alleen mogelijk bij een afwijking van een omgevingsplan middels een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hiermee ontstaat de vreemde situatie dat de procedure, en niet de impact op de omgeving, bepaald of er een omgevingsdialoog moet worden gevoerd.
De verwachting is dat, net als nu, iedere herziening van een omgevingsplan vooraf wordt gegaan door een principeverzoek. Met een dergelijk verzoek vraagt een initiatiefnemer aan het college of zij in beginsel bereid is medewerking te verlenen aan een initiatief middels een zogenaamd principebesluit. Hiermee ontstaat voor de initiatiefnemer zicht op de juridische, beleidsmatige en politiek-maatschappelijke haalbaarheid van zijn verzoek. Indien een initiatiefnemer medewerking wenst, doch geen principeverzoek indient, zal deze direct een volledig omgevingsplan (inclusief alle deelonderzoeken) moeten aanbieden. Zonder dat er zicht is op juridische, beleidsmatige en politiek-maatschappelijke haalbaarheid. De huidige praktijk leert dat in alle gevallen de initiatiefnemer liever op voorhand duidelijkheid heeft, voordat men investeert in een dergelijke uitwerking. En dus een principeverzoek indient. Aangezien een principebesluit geen wettelijke basis heeft, kan een gemeente vrij besluiten hier wel of geen omgevingsdialoog voor te verplichten, en al dan niet daaraan eventueel nadere voorwaarden te stellen. Dit bezien wordt geadviseerd de omgevingsdialoog eveneens verplicht te stellen voor principeverzoeken.
Omdat de omgevingsdialoog in beginsel een verantwoordelijkheid is van de initiatiefnemer, wordt geadviseerd geen eisen te stellen over de vorm waarop de omgevingsdialoog moet worden gevoerd. Maar de eisen te beperken tot: - Wie er minimaal moet worden betrokken bij de omgevingsdialoog; - Welke basisinformatie er moet worden gedeeld met de genodigden, om zo de juiste verwachtingen te creëren en de formele rechten en plichten te duiden;
verplicht te stellen, in bezit worden gesteld van een verslag van de omgevingsdialoog. Voordeel hiervan is dat het proces niet stilligt in afwachting van een advies vanuit de raad. En de raad een advies kan uitbrengen met kennisneming van de belangen in de omgeving.
8
-
De inhoud van het verslag, om zodoende als bevoegd gezag over de juiste, noodzakelijke informatie te beschikken. Door geen eisen te stellen aan de vorm van de omgevingsdialoog kan de initiatiefnemer maatwerk verrichten en de vorm van de omgevingsdialoog afstemmen op zijn ontwikkeling en de belanghebbenden. Terwijl het bevoegd gezag zich wel kan verzekeren dat de juiste personen zijn betrokken en door eisen te stellen aan het verslag, zij zich een gedegen beeld kan vormen van de gevoerde omgevingsdialoog. Hierbij wordt aangetekend dat besluitvorming niet (uitsluitend) gebaseerd wordt op de omgevingsdialoog. Het bevoegd gezag zal (ter voldoening aan de beginselen van behoorlijk bestuur) ten alle tijden zelf onderzoek moeten doen naar de relevante feiten en af te wegen belangen die er zijn (zie artikel 3:2 Awb) en op basis daarvan een besluit nemen. Dit kan ook tot gevolg hebben dat er niet conform de resultaten van de omgevingsdialoog wordt besloten. Ook zal bij een besluit tot het vervolgen van de procedure een omgevingsdialoog altijd worden opgevolgd door wettelijk vastgelegde inspraak- en beroepsmogelijkheden die de inbreng en rechtszekerheid van derden borgen. Momenten die strak omkaderd zijn, en niet vormvrij. En waarvan het bevoegd gezag wél de verantwoordelijkheid draagt en daarvoor door derden bij de rechter ter verantwoording kan worden geroepen.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is gesteld en de aanbevelingen uit de evaluatie van de omgevingsdialoog (zie bijlage 7) wordt geadviseerd de volgende eisen te stellen aan een omgevingsdialoog en deze verplicht te stellen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en principeverzoeken, en daar waar deze niet verplicht is (binnenplanse omgevingsplanactiviteiten), ze als handvaten/ richtlijnen vast te stellen: 1. Genodigden: voor een omgevingsdialoog worden minimaal uitgenodigd: - Eigenaren en gebruikers van direct aangrenzende percelen; - Diegene die blijkens de bij de te ontplooien activiteit behorende indicatieve hindercirkel uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, een vorm van overlast (geluid, geur, et cetera) kunnen ervaren; - Voor zover de aanvraag niet sec inpandige aanpassingen betreft, diegenen die vanuit een bestaand pand waarvan zij eigenaar of gebruiker zijn, horizontaal gezien, direct zicht kunnen hebben op de ontwikkeling, waarbij ingeval van te ontwikkelen hoogbouw (zijnde meer dan drie volwaardige bouwlagen boven maaiveld) aanvullend geldt; een gebruiker of eigenaar van een bestaand pand wat (geheel of deels) binnen een afstand van 3 maal de hoogte van het te ontwikkelen gebouw is gelegen, en een eigenaar of gebruiker van een perceel waar, blijkens een bezonningsstudie, enig schaduweffect is te verwachten door de te ontwikkelen hoogbouw; -
Eventueel belangenorganisaties. 2. Informatieverstrekking: teneinde de juiste verwachtingen te wekken krijgt eenieder eenzelfde basisinformatie bij aanvang van de omgevingsdialoog, hierbij wordt gebruik gemaakt van de laatste versie van de voorbeeldbrief uitnodiging omgevingsdialoog, zoals door de gemeente is ontsloten op internet, of een afgeleide daarvan, waarin minimaal is aangegeven: - Een korte omschrijving van het initiatief; - De wijze waarop (wat, waar, wanneer) de dialoog zal worden gehouden; - Het proces, status en doel van een omgevingsdialoog; - Verantwoordelijkheden en rol van de gemeente; 9
-
Het vervolgproces/ de wettelijke mogelijkheden die volgen voor bezwaar en beroep, indien de gemeente medewerking verleend. 3. Verslaglegging: het verslag wordt teruggekoppeld met de betrokkene, die minimaal twee weken de gelegenheid krijgen daarop te reageren. Teneinde de kwaliteit van de verslaglegging te waarborgen wordt er gebruik gemaakt van de laatste versie van een voorbeeldverslag, zoals door de gemeente is ontsloten op internet, of een afgeleide daarvan, waarin minimaal is aangegeven: - Een korte omschrijving van het initiatief; - Wanneer, waar en hoe de dialoog is gehouden; - Wie, wanneer, op welke wijze is uitgenodigd om deel te nemen aan de dialoog; - Wie hebben deelgenomen aan de dialoog of een schriftelijke reactie hebben ingediend; - Een meer uitgebreide omschrijving van het initiatief; onder andere wat is de initiatiefnemer waar van plan, zijn er gevolgen/ veranderingen ten opzichte van de huidige situatie; - Beschrijving van de vorm en opzet van de dialoog (inloopavond, presentatie, meerdere keukentafel gesprekken, gepresenteerde stukken, et cetera); - Een samenvatting van wat er door de aanwezigen is ingebracht aan vragen, wensen, suggesties en bezwaren; - Antwoorden op de gestelde vragen en of de gedane wensen, suggesties en bezwaren zijn verwerkt in het planinitiatief; en zo ja, hoe deze zijn verwerkt; en zo nee, waarom deze niet zijn verwerkt; - De
conclusie van de dialoog; wat is de uiteindelijke uitkomst van het gesprek, met welke onderdelen van het planinitiatief stemt de omgeving in, waar stemt de omgeving niet mee in, welke onderdelen worden naar aanleiding van de omgevingsdialoog aangepast; - Bijlagen zoals de verstuurde uitnodiging, de lijst met aanwezigen, getoonde presentaties, tekeningen of ander materiaal, en voor zover van toepassing de ingediende schriftelijke reacties en bezonningstudies. 4. Actualiteit van de omgevingsdialoog: van belang is dat de omgevingsdialoog actueel is. Hieraan worden de volgende eisten gesteld: - Op moment van ontvangen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, mag de eerste datum waarop de omgevingsdialoog is aangevangen, zijnde de verzending uitnodiging tot deelname, niet langer geleden zijn dan 6 maanden; - De aanvraag mag geen wijzigingen hebben ten opzichte van hetgeen tijdens de omgevingsdialoog is gepresenteerd, tenzij de wijzigingen zijn gedeeld met de genodigden voor de omgevingsdialoog en zij de kans hebben gekregen om daar (schriftelijk) op te reageren, gedurende een termijn van minimaal 2 weken, al dan niet een nieuwe omgevingsdialoog is gevoerd. 5.
Procesbegeleiding: om het proces te bewaken en beter invulling te kunnen geven aan de beginselen van behoorlijk bestuur (inventariseren en afwegen van belangen) kan de gemeente als procesbegeleider betrokken worden bij een omgevingsdialoog. De betrokkenheid tijdens de omgevingsdialoog gaat niet verder dan het proces; doel van zijn/ haar aanwezigheid is erop toezien dat doel en status van de omgevingsdialoog, evenals de vervolgprocedure waaronder mogelijkheden van bezwaar en beroep, bij eenieder bekend en duidelijk is. Om het werkbaar en betaalbaar te houden zal niet iedere 10
omgevingsdialoog betrokkenheid verlangen van een procesbegeleider. De betrokkenheid is afhankelijk van aard en locatie van het initiatief en zal per geval worden beoordeeld. Ingeval een medewerker van de gemeente (ambtenaar, collegelid of raadslid) een belang heeft als omwonende, zal de betreffende persoon wel actief en inhoudelijk deelnemen aan de omgevingsdialoog, doch op geen enkele wijze betrokken zijn bij de (voorbereiding van de) besluitvorming. Ad 1. De betrokkenheid van belangengroeperingen zoal dorp- en buurtverenigingen, brancheorganisaties en natuur- en milieuverenigingen wordt aangeraden, maar niet als eis gesteld. Het is namelijk niet eenduidig vast te stellen welke belangengroeperingen actief zijn in een bepaald gebied en of hetgeen waar zij voor staan geraakt wordt door een bepaald initiatief. Zeker daar waar het betreft wijk- en buurtverenigingen. Daarmee is het niet uitvoerbaar om dit als harde eis te stellen. Ook is het ondoenlijk voor (sommige) belangengroeperingen om hen voor alle buitenplanse afwijkingen te bevragen deel te nemen aan de omgevingsdialoog. Ook zijn er gemeentebreed geen duidelijke categorieën van gevallen aan te wijzen waar bepaalde belangengroeperingen wel/ niet moeten worden betrokken. Zonder daarmee een belang te missen.
Om het ook voor (onder andere) de raad werkbaar te houden, wordt geadviseerd alleen die verslagen van een omgevingsdialoog te delen met de raad die voor besluitvorming en advisering vanuit de raad noodzakelijk zijn. Het advies is dan ook de raad in kennis te stellen van de verslagen van omgevingsdialogen in die gevallen en op die momenten dat: - Het college een wijziging van een omgevingsplan in procedure brengt, waarvan de vaststelling niet aan het college is gedelegeerd; - De omgevingsdialoog betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor de raad een bindend adviesrecht heeft, op het moment dat de raad om advies wordt gevraagd. Onvoorziene situaties Ondanks dat bij opvolging van de gedane adviezen uit deze memo er zoveel als mogelijk gewerkt gaat worden conform de huidige werkwijze en het zwaartepunt ligt op een zorgvuldige betrokkenheid van de raad (boven versnelling van de procedures), kan er zich een situatie voordoen waarbij er taken vanuit de raad gedelegeerd zijn of de raad geen adviesrecht heeft, terwijl de raad toch op enigerlei wijze betrokken had willen zijn. In dergelijke gevallen kan de raad terugvallen op bestaande raadsinstrumenten om te interveniëren (amendement, motie, schriftelijke vragen, interpellatie, recht van onderzoek en initiatief).
Daarnaast kan en mag de raad erop vertrouwen dat gevallen die politiekmaatschappelijk relevant zijn, doch niet aan bindend advies onderhevig zijn of waarbij de wijziging van een omgevingsplan is gedelegeerd, door het college aan de raad worden voorgelegd.
11