Ruimtelijke onderbouwing zonnepark op Energiepark A59 Oranjepolder
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING PROJECT
Zonnepark op Energiepark A59 Oranjepolder
STATUS
Concept 2.0
PROJECTNUMMER
18196
DATUM
1 december 2020
AUTEUR
R. (Robin) Droogendijk LLB
CONTROLE
I.M.E. (Ingrid) Hazeleger / L.Q. van der Geest LLB
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 2
Inhoudsopgave
pagina
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Juridisch kader en planproces 1.3 Leeswijzer
6 6 7 8
2
Projectplan 2.1 Ligging projectgebied 2.2 Omschrijving Energiepark A59 2.3 Ontwikkelscenario’s Energiepark A59 2.3.1 Ontwikkelscenario A: Energiepark zon 2.3.2 Ontwikkelscenario B: Energiepark zon + wind 2.4 Landschappelijke inpassing 2.5 Biodiversiteit 2.6 Kwaliteitsverbetering landschap 2.7 Samenhang met windpark 2.8 Technische omschrijving Energiepark 2.9 Toets aan vigerend planologisch regime
9 9 10 10 11 11 11 15 18 20 21 23
3
Locatieomschrijving 3.1 Functionele structuur 3.2 Landschappelijke structuur 3.3 Motivering locatiekeuze Energiepark A59
28 28 30 30
4
Beleidskaders 4.1 Mondiaal en Europees beleid 4.1.1 Klimaatconferentie Parijs 2015 4.1.2 Europese doelstelling 4.2 Rijksbeleid 4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening 4.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 4.2.4 Energieakkoord voor duurzame groei 4.2.5 Energierapport 2016 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 4.2.6 Nationaal Klimaatakkoord 4.3 Provinciaal beleid 4.3.1 Energieagenda Noord-Brabant 2019 - 2030 4.3.2 Omgevingsvisie Brabant 4.3.3 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 (partiële herzieningen 2014) 4.3.4 Interim omgevingsverordening provincie Noord-Brabant 4.4 Regionaal beleid 4.4.1 ONS2050 en RES2030 West-Brabant 4.5 Gemeentelijk beleid 4.5.1 Structuurvisie Oosterhout 4.5.2 Toekomstvisie Oosterhout 2030 4.5.3 Bestuursakkoord 2018-2022 ‘Samen op weg naar 2030’ 4.5.4 Nota Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030 en Routekaart 2019-2022
32 32 32 32 32
Omgevingsaspecten 5.1 Archeologie 5.1.1 Algemeen 5.1.2 Relatie tot ontwikkeling 5.1.3 Conclusie 5.2 Cultuurhistorie 5.2.1 Algemeen
52 52 52 52 53 53 53
5
Mees Ruimte & Milieu | 18196
34 35 36 36 37 37 37 38 39 39 47 47 48 48 49 49 49
Pagina | 3
5.2.2 Relatie tot ontwikkeling 5.2.3 Conclusie 5.3 Water 5.3.1 Algemeen 5.3.2 Relatie tot ontwikkeling 5.3.3 Conclusie 5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.4.1 Algemeen 5.4.2 Relatie tot ontwikkeling 5.4.3 Conclusie 5.5 (Externe) Veiligheid 5.5.1 Algemeen 5.5.2 Relatie tot ontwikkeling 5.5.3 Conclusie 5.6 Elektromagnetische straling 5.6.1 Algemeen 5.6.2 Relatie tot ontwikkeling 5.6.3 Conclusie 5.7 Lichtreflectie 5.7.1 Algemeen 5.7.2 Relatie tot ontwikkeling 5.7.3 Conclusie 5.8 Aansluiting op het net 5.9 Geluid 5.9.1 Algemeen 5.9.2 Relatie tot ontwikkeling 5.9.3 Conclusie 5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Algemeen 5.10.2 Relatie tot ontwikkeling 5.10.3 Conclusie 5.11 Natuur 5.11.1 Algemeen 5.11.2 Relatie tot ontwikkeling 5.11.3 Conclusie 5.12 Bodem 5.12.1 Algemeen 5.12.2 Relatie tot ontwikkeling 5.12.3 Conclusie 5.13 (Vormvrije) m.e.r-beoordeling 5.13.1 Algemeen 5.13.2 Relatie tot ontwikkeling 5.13.3 Conclusie
54 55 56 56 57 60 60 60 61 61 61 61 62 64 64 64 64 64 64 64 65 65 65 66 66 66 67 67 67 68 68 68 68 68 71 71 71 72 72 72 72 72 73
6
Beschrijving uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Maatschappelijke meerwaarde 6.2.2 Omgevingsdialoog en inspraakprocedure 6.2.3 Planologische procedure 6.2.4 Conclusie
74 74 74 74 74 75 75
7
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
76
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 4
Bijlagen Landschappelijk inpassingsplan, Smartland Landscape Architects, december 2020 Bureauonderzoek archeologie, Laagland Archeologie, december 2019 Inventariserend Veldonderzoek archeologie, Laagland Archeologie, december 2019 Quickscan Wet natuurbescherming, Van der Goes & Groot, 12 mei 2020 Verslag Inspraakprocedure Energiepark A59 Verslag Omgevingsdialoog Veiligheidsdocument RWZI Dongemond, Waterschap Brabantse Delta.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 5
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Nederland bevindt zich middenin de transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Deze energietransitie is noodzakelijk om de klimaatdoelstellingen voor de korte, middellange en lange termijn te kunnen verwezenlijken. Ook binnen de gemeente Oosterhout is het faciliteren en opwekken van duurzame energie één van de uitgangspunten van het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid. Gelet daarop is het van belang dat burgers, bedrijven en overheden de nodige inspanningen leveren deze transitie mogelijk te maken. Vele duurzame energie-initiatieven in Nederland zijn inmiddels in voorbereiding, ontwikkeling of reeds in werking. Daarmee is echter nog maar een fractie gerealiseerd van wat nodig is. De komende jaren zal daarom moeten worden gestreefd naar een uitbreiding van de plancapaciteit. De gemeente Oosterhout heeft zich ten doel gesteld een energieneutrale gemeente te zijn in 2050. Daartoe is besloten al op de middellange termijn (in de periode tot 2030) diverse stappen te zetten die uiteindelijk bijdragen aan de verwezenlijking van de eerder genoemde lange termijndoelstelling. Zo dient verduurzaming plaats te vinden middels energiebesparing enerzijds en het duurzaam opwekken van de resterende energievraag anderzijds.
Daarbij is het doel in 2022 jaarlijks 206 TJ extra duurzame energie op te wekken, bovenop de 255 TJ duurzame energieopwekking die binnen de gemeente al gerealiseerd is. In 2030 dient dit uitgebreid te zijn met nog eens 619 TJ, gelijk aan 15% van de verwachte energievraag in 2050. De totale duurzame energieproductie, komt daarmee op 1.080 TJ. In het kader van haar beleidsambities en duurzaamheidsdoelstellingen zet de gemeente in op de ontwikkeling van een energiepark langs de Rijksweg A59. Binnen het Energiepark A59 (hierna: het Energiepark) wordt een gecombineerde inzet beoogd van toepassingen voor de duurzame opwekking van zonne- en windenergie. Daartoe vindt een samenwerking plaats tussen diverse stakeholders, waaronder Shell New Energies (zon), Eneco (wind) en de gemeente Oosterhout. Met het Energiepark kunnen in één keer de doelstellingen voor de opwekking van duurzame energie tot 2030 worden behaald. Een belangrijke meerwaarde van het Energiepark is gelegen in de gecombineerde inzet van bronnen binnen hetzelfde plangebied, waardoor versnippering in het landschap en gebruik van meerdere locaties elders in het landelijk gebied zo veel mogelijk kan worden voorkomen. Door zon en wind te combineren ontstaat bovendien een maximale en efficiënte benutting van deze gronden, doordat beide opstellingen op verschillende momenten duurzame energie genereren.
Verhoudingsgewijs wordt in dit plan voorzien in 80% zonne- en 20% windenergie. De ontwikkeling van het Energiepark sluit daarom naadloos aan op het beleid en de daarin opgenomen toekomstvisie met betrekking tot de energietransitie op landelijk en provinciaal niveau als geheel, en binnen de gemeente Oosterhout in het bijzonder. Om de ontwikkeling van het Energiepark mogelijk te maken, dient een planologische procedure doorlopen te worden (zie paragraaf 1.2). Hoewel het uiteindelijke doel is één geheel tot stand te brengen, is besloten de vergunningaanvragen voor zon en wind afzonderlijk van elkaar in te dienen en in procedure te brengen. Hierdoor worden de twee procedures losgetrokken en separaat doorlopen. In opdracht van Shell New Energies (hierna: Shell) heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van het onderdeel zon binnen het Energiepark, waarin het project aan de hand van relevant beleid en de diverse omgevingsaspecten wordt gemotiveerd. Omdat de uiteindelijke realisatie van beide onderdelen afhankelijk is van diverse factoren, kan in theorie de situatie ontstaan dat één van de initiatieven onverhoopt later of niet tot stand komt. Een aantal scenario’s zijn denkbaar, in voorliggende rapportage wordt ingegaan op de volgende twee: A.
Energiepark zon: een zonnepark met een opgesteld vermogen van 49,5 MWp, vergelijkbaar met het energieverbruik van ca. 17.000 huishoudens. B. Energiepark zon + wind: een energiepark met een opgesteld vermogen van 46,1 MWp zonne-energie en 10 MWp windenergie. Voor het onderdeel zon binnen dit energiepark is het op te wekken vermogen vergelijkbaar met het energieverbruik van ca. 15.500 huishoudens.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 6
Voorliggende aanvraag voorziet in de basis op scenario A. Omdat in hetzelfde gebied het concrete voornemen bestaat tot het realiseren van twee windturbines, wordt binnen het ontwerp van het zonnepark op het Energiepark inzichtelijk gemaakt hoe hier rekening mee kan worden gehouden. Indien onderwerpen aan de orde komen waarin wijzigingen kunnen ontstaan als gevolg van scenario B, zal dit specifiek worden aangegeven. Voor het overige wordt nadrukkelijk enkel ingegaan op het zonnepark binnen Energiepark A59.
1.2
Juridisch kader en planproces
De projectlocatie is gelegen binnen het bestemmingsplangebied “Buitengebied”, inclusief de “Reparatie herziening Buitengebied 2016”. Uit een beoordeling daarvan (uitgebreidere bestemmingsplantoets is opgenomen in hoofdstuk 2), blijkt dat het zonnepark niet kan worden gerealiseerd binnen de kaders van het huidige planologisch regime. De locatie kent op basis van het bestemmingsplan in hoofdzaak de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Daarnaast gelden een aantal andere (dubbel)bestemmingen waar rekening mee dient te worden gehouden. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden tot het oprichten van het Energiepark als geheel, en het onderdeel zon in het bijzonder. Figuur 2 toont een uitsnede van de verbeelding, met de begrenzing van het zonnepark weergegeven in het blauw. figuur 1. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied”
Principeverzoek en inspraakprocedure Alvorens de formele planologische procedure kon worden opgestart, zijn beide initiatieven middels een principeverzoek aan de gemeente Oosterhout voorgelegd. De principeverzoeken en bijbehorende onderbouwingen dienden in eerste instantie voor het bepalen van de grondhouding van de gemeente ten opzichte van de initiatieven afzonderlijk, alsook voor een goede beoordeling van beide initiatieven als geheel. Naar aanleiding van de ingediende principeverzoeken heeft de gemeente Oosterhout ingestemd met het verzoek de mogelijkheden voor het oprichten van het Energiepark nader te onderzoeken en zijn de
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 7
principeverzoeken conform de Inspraakverordening vrijgegeven voor ter inzagelegging, waarbij een ieder de mogelijkheid heeft gekregen op de plannen te reageren. Dit vormde tevens het startmoment voor de noodzakelijke omgevingsdialoog, waarbij beide initiatiefnemers in gesprek zijn gegaan met de diverse betrokkenen en overige stakeholders in het gebied. Voor een verdere uiteenzetting van de inspraakprocedure en de omgevingsdialoog, wordt verwezen naar paragraaf 6.2.2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Start planologische procedure Bij brief van 8 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout aan Shell bekend gemaakt in te stemmen met het principeverzoek en dat het initiatief vervolgd kan worden met de start van de formele vergunningprocedure. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ (zie paragraaf 1.3). Daarnaast zijn een aantal andere vergunning noodzakelijk voor de uitvoering van de projecten, waaronder voor de activiteit ‘bouwen’ en ‘werken en werkzaamheden’. Deze vormen onderdeel van de aanvraag. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De planologische procedure zal worden doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Aan de hand van die omgevingsvergunning kan van het vigerende bestemmingsplan worden afgeweken. Op grond van art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo dient de motivering van het besluit een Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO) te bevatten. Voorliggend document betreft die GRO, waarin de ontwikkeling wordt getoetst aan het relevante beleid ter zake en de diverse omgevingsaspecten die een rol spelen. Crisis- en herstelwet Hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) gaat het over het stroomlijnen en versnellen van procedures voor besluiten van ruimtelijke en infrastructurele projecten, zoals omgevingsvergunningen op basis van de Wabo. Het stroomlijnen van procedures houdt onder meer in dat er beroep in één instantie plaats vindt maar ook een versnelde afhandeling door de Raad van State en het vereiste om direct inhoudelijke beroepsgronden in te dienen. Op basis van artikel 1.1.
lid 1 Chw geldt de stroomlijning van procedures voor besluiten ter verwezenlijking van drie type projecten: projecten die vallen onder de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd in Bijlage I; projecten van Bijlage II; projecten op basis van de bijzondere voorzieningen uit Hoofdstuk 2 Chw, te weten ontwikkelingsgebieden (afdeling 1, hoofdstuk 2 Chw) en "Lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis" (afdeling 7, hoofdstuk 2 Chw) (zie Bijzondere voorzieningen). De realisatie van een zonnepark valt onder projecten, zoals bedoeld in Bijlage I van de Chw, onder 1.1: “De aanleg of uitbreiding van productie-installaties ten behoeve van de productie van […] hernieuwbare elektriciteit, […] met behulp van […] zonne-energie”. Hierdoor is hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op voorliggende ontwikkeling.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het projectplan uiteengezet, waarin de situering van het projectgebied en de diverse planonderdelen aan bod komen. Een locatieomschrijving en de motivering van de locatiekeuze is opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante beleidskaders vanuit de diverse bestuurslagen. De ontwikkeling wordt vervolgens getoetst aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten die bij deze ontwikkeling een rol (kunnen) spelen. De uitvoerbaarheid van het project, zowel economisch als maatschappelijk, komt aan bod in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 tot slot, geeft een algehele conclusie van de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid van het plan.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 8
2
Projectplan
Het projectplan behelst de realisatie van een zonnepark als onderdeel van het Energiepark A59 in Oosterhout. De situering van het projectgebied en de meervoudige maatschappelijke meerwaarde die uitgaat van het initiatief maakt de ontwikkeling een kansrijk en waardevol plan voor Nederland als geheel en de gemeente Oosterhout in het bijzonder. Zo levert het initiatief niet alleen een significante bijdrage aan het behalen van de landelijke en lokale doelstellingen ten aanzien van de energietransitie, maar worden ook kansen gezien voor het terugdraaien van de drastische afname van de biodiversiteit en voor een kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Met een kwalitatief hoogwaardig inpassingsplan, is dan ook een initiatief ontstaan waarin oplossingen voor meerdere maatschappelijke opgaven een plek hebben gekregen in het ontwerp. In dit hoofdstuk wordt op de diverse onderwerpen ingegaan. De situering van het projectgebied wordt geduid in paragraaf 2.1. Een algemene omschrijving van het Energiepark is opgenomen in paragraaf 2.2. Vervolgens worden de landschappelijke inpassing, het biodiversiteitsplan en de daarmee gepaard gaande kwaliteitsverbetering van het landschap besproken in paragraaf 2.4 tot en met 2.6. De samenhang tussen het zonnepark en het windpark is opgenomen in paragraaf 2.7. De technische omschrijving volgt in paragraaf 2.8.
Na de behandeling van het totaalplan, wordt het plan in paragraaf 2.9 getoetst aan het vigerende planologisch regime.
2.1
Ligging projectgebied
Op 22 oktober 2020 heeft de gemeente de ‘Nota Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030’ en de bijbehorende ‘Routekaart 2019-2022’ vastgesteld. Daarin heeft zij op basis van de locatiekenmerken en een alternatievenafweging een gebied aangewezen waarbinnen de ontwikkeling van het Energiepark mogelijk wordt geacht (voor de motivering van de locatiekeuze wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van voorliggende rapportage). Het projectgebied is gelegen binnen de Oranjepolder, in het uiterste noorden van de gemeente Oosterhout. De noordzijde van de projectlocatie grenst aan de Rijksweg A59. Aan de oostzijde wordt de locatie begrensd door de recreatieve route langs het Kromgat. De zuidzijde grenst deels aan landelijk gebied en voor het overige deel aan de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond (RWZI Dongemond) van het Waterschap Brabantse Delta. Aan de westzijde tot slot, is de Statendamweg gelegen, met direct daarachter het Wilhelminakanaal dat in noordelijke richting via de Amertak uitmondt in de Donge en daarna in de Bergsche Maas. De begrenzing van het Energiepark zoals door de gemeente is vastgesteld, is afgebeeld op figuur 2. De gronden waarbinnen het zonnepark wordt opgericht, zijn aangegeven in het rood. Binnen de begrenzing van het zonnepark, bestaat het concrete voornemen om twee windturbines te plaatsen.
Indien dit initiatief tot stand komt, wordt daar in het ontwerp van het zonnepark rekening mee gehouden. Buiten de grenzen van het onderdeel zon, maar binnen de grens van het Energiepark werd (in de zuidoostelijke hoek) nog een derde windturbine voorzien. De derde windturbine is inmiddels komen te vervallen, waardoor het windpark zal bestaan uit maximaal twee windturbines.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 9
figuur 2. Begrenzing Energiepark A59 (onderdeel zon: rood omkaderd)
2.2
Omschrijving Energiepark A59
Conform de gemeentelijke ‘Nota Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030’ en bijbehorende ‘Routekaart 2019-2022’ bestaat het voornemen het Energiepark A59 te ontwikkelen. In dit Energiepark wordt een gecombineerde inzet van zonne- en windenergie beoogd, om zodoende een deel van de gemeentelijke opgave ten aanzien van duurzame energie en de energietransitie te verwezenlijken. Initiatiefnemers Shell (zon) en Eneco (wind) trekken op onderdelen samen op in de realisatie en exploitatie van het Energiepark en stemmen de ontwikkelingen op elkaar af. Het uiteindelijke doel is te komen tot een energiepark, bestaande uit 37 ha zonneveld met een opgesteld vermogen van 46,1 MWp en twee windturbines met een gezamenlijk vermogen van 10 MWp. De verhouding tussen zon en wind in dit plan komt daarmee op ca. 80% (zon) en 20% (wind). De combinatie van deze twee vormen van duurzame energieopwekking binnen hetzelfde gebied leidt tot een optimaal gebruik van de gronden, niet alleen in verband met dubbel ruimtegebruik maar ook in de vorm van energieopwekking op zichzelf. Op zonnige dagen genereert het zonnepark immers veel vermogen, maar zal ook sprake zijn van minder wind. Vice versa geldt dat het Energiepark in periodes van veel wind en weinig zon als gevolg van de windturbines duurzame energie blijft opwekken.
Met het Energiepark A59 worden daarom de mogelijkheden maximaal benut, zonder hiertoe gronden elders in het landschap in te hoeven zetten.
2.3
Ontwikkelscenario’s Energiepark A59
Voor het onderdeel wind binnen het Energiepark geldt dat de uiteindelijke realisatie ervan afhankelijk is van meerdere factoren, waaronder provinciale instemming en draagvlak. De plannen voorzagen in eerste instantie in een windpark van drie windturbines, waarvan twee binnen de plangrenzen van het zonneveld en één daarbuiten. Vanuit de omgeving zijn gedurende de inspraakprocedure en de omgevingsdialoog echter bezwaren geuit tegen met name de derde windturbine die buiten de plangrenzen van het zonneveld was voorzien. Dit heeft aanleiding gegeven tot het verzoek van het college van burgemeester en wethouders aan Eneco tot planaanpassing, waarbij in het aangepaste plan maximaal twee windturbines worden gerealiseerd. Voor deze wijziging is instemming van de provincie nodig. Omdat de geplande windturbines een uitbreiding vormen op de zes turbines op bedrijventerrein Weststad III ten westen van het projectgebied,
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 10
worden hier vooralsnog geen belemmeringen verwacht. Indien de realisatie van het windonderdeel onverhoopt geen doorgang kan vinden, dient rekening te worden gehouden met een scenario zonder windturbines. Voorliggende rapportage vormt onderdeel van de vergunningaanvraag voor het zonnepark en gaat daarom in de basis uit van een plan zonder wind. Gelet op het voornemen twee windturbines te realiseren, wordt evenwel inzichtelijk gemaakt hoe het plan inclusief wind kan worden vormgegeven. Hierdoor ontstaat een tweetal ontwikkelscenario’s:
Ontwikkelscenario A: Energiepark Zon Ontwikkelscenario B: Energiepark Zon + Wind
Figuur 3 toont een vogelvluchtimpressie voor beide ontwikkelscenario’s. figuur 3. Vogelvluchtimpressie Energiepark Zon en Energiepark Zon + Wind
2.3.1
Ontwikkelscenario A: Energiepark zon
Indien het windpark onverhoopt niet binnen de beoogde termijn tot realisatie kan komen (om welke reden dan ook), bestaat de mogelijkheid om de gereserveerde ruimte voor de windturbines bij het zonnepark te betrekken, met als resultaat dat de beschikbare ruimte volledig ten doel van zonne-energie wordt ingezet. Hierdoor ontstaan er geen ‘gaten’ in het park, zonder actief gebruik. Dit ontwikkelscenario resulteert in een zonnepark met een opgesteld vermogen van 49 MWp op dezelfde 37 ha. Nadat het zonnepark is gerealiseerd, is de kans zeer klein dat de ‘uitvulling’ alsnog kan plaatsvinden, om logistieke, economische en juridische redenen. Onder welke omstandigheden dit scenario tot realisatie kan worden gebracht wordt verder afgestemd met de gemeente in de anterieure overeenkomst. 2.3.2
Ontwikkelscenario B: Energiepark zon + wind
Dit ontwikkelscenario bestaat uit een zonnepark van 46,1 MWp opgesteld vermogen en een windpark met 2 turbines met een gezamenlijk vermogen van 10 MWp binnen het plangebied van in totaal 37 ha. Hierbij voorziet het uiteindelijke plan erop dat de turbinevoeten, de kraanopstelplaatsen en de ontsluiting worden ingepast binnen het planvoorstel van het zonnepark. Tijdens de bouw van de turbines wordt tijdelijk meer ruimte gemaakt voor het windpark, wat separaat wordt afgestemd met Eneco. Dit plan voorziet ook in een additionele weg vanaf de Statendamweg. Voor een nadere omschrijving hiervan wordt verwezen naar paragraaf 2.8, waarin de ontsluiting van het gebied wordt besproken. Deze additionele ontsluiting vormt onderdeel van de vergunningaanvraag voor het windpark, waardoor het in deze ruimtelijke onderbouwing ter indicatie wel wordt geduid, maar niet in detail wordt behandeld.
2.4
Landschappelijke inpassing
Ten behoeve van de ontwikkeling van het Energiepark is door Smartland Landschapsarchitecten een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan is opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hiermee is een stevige basis gezet voor de uiteindelijke uitwerking, die lopende
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 11
het proces in nader overleg met de gemeente wordt afgestemd en tevens nader zal worden uitgewerkt in samenwerking met de voor dit project ingestelde Werkgroep Biodiversiteit. De landschappelijke inpassing draagt in eerste instantie zorg voor een goede positionering van het park in het landschap, rekening houdend met de kavelstructuren en kenmerken van de locatie zelf alsook met het omliggende landschap als geheel. Daarnaast worden maatregelen ter versterking van de biodiversiteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap voorzien. Zodoende ontstaat een plan met een meervoudige maatschappelijke meerwaarde. In figuur 4 is de plankaart opgenomen, waarin alle voorgestelde maatregelen samenkomen en zijn afgebeeld. De ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke structuren en zichtlijnen worden in deze paragraaf behandeld. De onderwerpen biodiversiteit en kwaliteitsverbetering van het landschap worden hieronder kort geduid en worden vervolgens nader uitgewerkt in paragraaf 2.5 en 2.6. figuur 4. Plankaart zonnepark
Landschappelijke structuur en zichtlijnen De panelen worden in een oost-westopstelling gesitueerd. Als gevolg daarvan worden de bestaande percelen en watergangen gerespecteerd, en wordt de richting van het landschap gehandhaafd en benadrukt. Het doel is de waaierstructuur die oorspronkelijk in het krekenlandschap aanwezig was en die zich in de tijd met enige moeite is blijven manifesteren te versterken. Daarnaast wordt de lijn van de Amertak versterkt door aan de Statendamweg een haag te introduceren, die het directe zicht op het zonnepark verzacht, en de ecologische structuur versterkt. Aan de oostzijde wordt de recreatief belangrijke kreek Kromgat versterkt door een bijzondere behandeling. Ter plaatse wordt een verbrede groenzone aangelegd als versterking van het NNN. Deze groenzone bestaat uit gebiedseigen landschapselementen en wordt nauwkeurig afgestemd op de beleving van de recreanten. Vanuit het gevoerde omgevingsdialoog is gebleken dat behoefte bestaat aan vermindering van het zicht op het panelenveld vanaf het fietspad. Tegelijkertijd verandert het landschap en mag dat gezien worden. In samenwerking met de werkgroep biodiversiteit wordt hier bij de detailuitwerking van het biodiversiteitsplan een passende invulling gegeven. Het basisplan voor biodiversiteit wordt nader besproken in paragraaf 2.5 van deze ruimtelijke onderbouwing.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 12
Ruimtelijke kwaliteit zonnepark De ruimtelijke kwaliteit van een zonnepark wordt vaak omschreven aan de hand van de drie E’s: Economisch: een heldere vitale functie in het landschap. Economisch vitaal betekent een sterk en zelfverzekerd landschap, met een heldere koppeling aan stedelijke functies, windenenergie of hoogspanningsinfrastructuur. Ecologisch: een bijdrage aan biodiversiteit en koppeling aan ecologische netwerken. Ecologisch waardevol betekent inzet op biodiversiteit en aansluiting bij het NNN, zoals in paragraaf 2.5 wordt beschreven. Esthetisch: een inrichting die is ontworpen vanuit eigen kwaliteit, beleefbaarheid, en balans met de grotere landschappelijke structuur. Esthetisch verantwoord betekent zorgvuldig omgaan met het bestaande landschap, in de zin dat essentiële structuren en karakteristieken geaccentueerd worden, ieder op hun geëigende schaalniveau. De plaatsing van de panelen zelf is technisch efficiënt, maar reageert met name ook op het zicht vanuit recreatieve routes met een lage ligging en lage snelheid. De vormgeving van grote panelenvelden met beheerpaden, open zones en toegevoegde beplantingsstructuren reageert met name op het zicht vanuit de hooggelegen infrastructuur, en speelt in op het schaalniveau van de bestaande landschapsstructuur. Binnen voorliggend ontwerp wordt de landschappelijke structuur vooral bepaald door de waaier van kreken.
Deze wordt geaccentueerd door de hooggelegen A59 door middel van een aantal zichtlijnen en groenelementen. Op een lager schaalniveau accentueren de beheerpaden en poldersloten de langgerekte kavelstructuur in de polders, met name vanaf de westelijke Statendamweg. Hier verzacht een struweelhaag het zicht op panelen en veiligheidshek, maar de weg ligt zo hoog dat het zonnepark duidelijk zichtbaar zal zijn, wat past bij een belangrijk en vitaal element in het landelijk gebied. De oostrand behoeft een meer gedetailleerde aanpak. Hier loopt een belangrijk recreatief fietspad tussen Geertruidenberg en Oosterhout, langs het Kromgat, onderdeel van een uitgebreid padennetwerk. Op het AHN reliëfbeeld op onderstaande figuur is de exacte hoogteligging van het fietspad aangegeven. Deze ligt soms op de waterkering (oranjerood), soms erbuiten (oranje), maar soms ook erbinnen (blauw), feitelijk in de polder, met relatief steile overgangen daar naartoe (paars). figuur 5. Hoogteligging AHN
Vanaf de hogere posities op de waterkering is een transparante groenzone voldoende, maar waar het pad laag in de polder ligt is enige afstand en een natuurrijke groene inrichting essentieel. Waar het pad buitendijks langs het water loopt is het park gevoelsmatig ver weg en is afscherming niet noodzakelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 13
Sterker nog, het park mag vanaf hier gezien worden, schone energie als essentieel onderdeel van een duurzame samenleving. Meervoudige maatschappelijke meerwaarde Een belangrijke additionele meerwaarde van het plan is de kansrijkheid de drastische afname van de biodiversiteit in het landelijk gebied terug te draaien. Door diverse maatregelen te treffen binnen het ontwerp ontstaat de mogelijkheid deze maatschappelijke opgave een plek te geven in het plan. Daarbij geldt onder andere dat conform de Gedragscode ‘Zon op Land’ van Holland Solar een basisinspanning geldt voor het aandeel groen binnen een zonnepark, als gevolg waarvan 25% van een projectgebied vrij gehouden dient te worden van panelen en overige technische toepassingen. In voorliggend initiatief wordt daar ruimschoots aan voldaan door een oppervlakte gelijk aan 37% van het totale projectgebied te reserveren voor groentoepassingen. Deze gronden zijn onder te verdelen in diverse zones met elk hun eigen kwaliteiten en kenmerken die kunnen worden benut voor de versterking van de biodiversiteit ter plaatse. Met een door initiatiefnemer ingestelde Werkgroep Biodiversiteit wordt de invulling van de verschillende zones nader uitgewerkt. Biodiversiteit wordt verder besproken in paragraaf 2.5. De kwaliteiten van het huidige landschap komen nu niet tot uiting als gevolg van het gebruik als agrarische landbouwgrond.
Het voorgestelde plan, inclusief de maatregelen in het kader van een goede landschappelijke inpassing en versterking van de biodiversiteit, leidt daarom tot een significante kwaliteitsverbetering van het landschap. Ook dit aspect vormt een belangrijke meerwaarde van het initiatief, waarmee direct wordt voldaan aan de algemene verplichting tot kwaliteitsverbetering van het landschap bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. De kwaliteitsverbetering van het landschap en de daartoe gestelde kaders worden nader besproken in paragraaf 2.6. Overigens vormt ook participatie, zowel gedurende het proces, als bij de verdere planvorming en in de vorm van financiële participatie, een belangrijke maatschappelijke meerwaarde. De proces- en planparticipatie komt in dit plan tot uiting via de gevoerde inspraakprocedure en omgevingsdialoog enerzijds en de door initiatiefnemer ingestelde Werkgroep Biodiversiteit anderzijds. Financiële participatie krijgt eveneens plek binnen het initiatief. Dit onderwerp wordt nader behandeld in paragraaf 6.2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Eindresultaat De gezamenlijke ingrepen resulteren tot een efficiënt en integraal plan met brede maatschappelijke meerwaarde. Het getoonde ontwerp leidt tot het volgende beeld. figuur 6. Beeld zonnepark Kromgat (noordoostzijde, waar fietspad hoog ligt)
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 14
figuur 6. Beeld zonnepark Kromgat (oostzijde, waar fietspad laag ligt)
figuur 7. Beeld zonnepark Statendamweg (westzijde)
2.5
Biodiversiteit
Als belangrijke maatschappelijke meerwaarde die uitgaat van het zonnepark wordt voorzien in diverse maatregelen ter versterking van de biodiversiteit ter plaatse. Shell New Energies committeert zich aan de gedragscode van Holland Solar ten aanzien van de gewenste verhoudingen groen ten opzichte van zon en gaat hier ruimschoots overheen. Waar conform de gedragscode een dekkingsgraad van maximaal 75% zonnepaneel (en overige technische toepassingen) wordt gewenst, komt de dekkingsgraad in dit plan op 63%. Dit betekent dat in plaats van 25% onbedekte oppervlakte, een gebied van in totaal 37% wordt ingezet voor het groenplan. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de norm en kan een gedegen plan tot stand komen met een duidelijke meerwaarde voor de biodiversiteit ter plaatse. In de basis ligt er een plan dat hieraan bijdraagt. In aanvulling daarop worden diverse partijen gevraagd mee te denken over de detailuitwerking van het biodiversiteitsplan. Hoe dit tot uiting komt, wordt in deze paragraaf nader uiteen gezet. Maatregelen ter versterking van de biodiversiteit Kansen voor biodiversiteit volgen vooral uit de zeer verarmde situatie van het huidige landelijk gebied. Het huidige gebruik als agrarisch landbouwgrond biedt weinig tot geen ecologische waarde. Hier tegenover kunnen zonneparken juist een impuls voor biodiversiteit betekenen, aangezien bodems in principe 25 jaar
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 15
rust krijgen, bemesting of bestrijdingsmiddelen niet worden toegepast, het beheer heel extensief kan zijn en waterpeilen niet kunstmatig laag hoeven te worden gehouden. Het hoofdthema voor biodiversiteit is hier de rijke kleibodem, de Donge en de waaier van voormalige kreken. Natuurtypen die passen bij deze bodem zijn zeldzaam omdat deze bodems voor vrijwel 100% in gebruik zijn als landbouwgrond. Natuurtypen die op dergelijke bodems goed tot hun recht komen, zijn bijvoorbeeld verschillende typen Essenbos, potentieel zeer structuur- en soortenrijke bossen. Een zonnepark op deze basis van kleibodem biedt mogelijkheden om een deel van deze natuurpotentie tot uiting te laten komen. Een en ander wordt hieronder uitgewerkt. 1. Halfschaduw (door late bladzetting hoofdboomsoort Es). De opstelling van de panelen zorgt voor stroken halfschaduw op de bodem. Uit eigen onderzoek in samenwerking met Biodiversiteitscentrum Naturalis1 blijkt dat er veel potentie ligt in zonneparken. Hoewel de oost-westoriëntatie niet optimaal is voor biodiversiteit, worden alle mogelijkheden benut om deze waarde te optimaliseren. 2. Variatie in openheid (door openvallende plekken in natuurlijke bosopbouw en -dynamiek) Variatie in openheid is te realiseren door op regelmatige afstanden bredere open stroken of groene overhoeken in te passen, bijvoorbeeld in combinatie met watergangen en/of beheerpaden.
Hier is soortenrijk hooiland te realiseren en door beheer duurzaam in stand te houden. 3. Vochtige kleibodem als basis Vochtige kleibodem is eventueel te versterken door minder diepe ontwatering. 4. Dood hout met hoge omzettingssnelheid (door kalkrijke bodem) Dood hout kan relatief eenvoudig worden toegevoegd door stammen (van een lokale houtkap) onder de panelen aan te brengen. In het beheer en onderhoud van het Energiepark worden bewuste keuzes gemaakt ten aanzien van materialen en methoden, zodat deze de toegenomen biodiversiteit als gevolg van deze ontwikkeling niet nadelig beïnvloeden. In aanvulling daarop geldt dat in tegenstelling tot het huidige gebruik, geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, zodat ook daardoor kan worden geconcludeerd dat een verbetering optreedt ten opzichte van huidige situatie. Groencompensatie Centraal in het plangebied ligt een oude bouwplaats met toegangsweg. De beplanting rondom, hoge uitgegroeide schietwilgen, zal binnen enkele jaren instorten. De doorgeschoten elzen van de toegangsweg hebben weinig toekomstwaarde, evenals de opgeschoten beplanting van enkele fruitbomen en veel braamstruweel. Wegens deze beperkte kwaliteit en geïsoleerde ligging, wordt voorgesteld dit bosje grotendeels te verwijderen en te compenseren in de versterkte groenzones, met name aan de oostzijde.
Hier kan het groenoppervlak een betere functie hebben als versterking van de ecologische structuur in noordelijke en zuidelijke richting. Hierin liggen tevens kansen voor soorten als ree en haas, die nu incidenteel het bosje in de polder bezoeken. Daarnaast zullen voor deze soorten de afrasteringen rond het park passeerbaar worden gemaakt zodat hun totale leefkwaliteit zal toenemen. Vanuit deze beide invalshoeken ontstaat ecologische meerwaarde, zoals die in de onderstaande kaart is aangegeven. Het te verwijderen landschappelijk element centraal in het plangebied, bedraagt ca. 3.600 m2. Voorgesteld wordt om deze met name langs de oostzijde terug te laten komen langs het Kromgat, waar een passend groenelement wordt teruggeplaatst van ca. 6.000 m2. Daarmee wordt de kap van het centrale bosje niet alleen gecompenseerd,
1
https://www.naturalis.nl/persberichten/zonnepark-veilige-haven-voor-biodiversiteit
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 16
maar wordt ook geïnvesteerd in een versterking van dit landschapselement, op een locatie waar deze bovendien beter tot zijn recht komt. figuur 8. Voorgestelde maatregelen t.b.v. de verdere ontwikkeling van de ecologische structuur
Eén van de belangrijke voorwaarden voor de aanleg van een zonnepark, is dat na de vergunningperiode (25 jaar) het plangebied weer in oorspronkelijke staat wordt hersteld. Dit zou betekenen, dat het centraal gelegen bosje na ontmanteling van het park weer op de huidige locatie dient te worden teruggeplaatst. Het zou echter logischer zijn om de compensatie/uitruil die plaatsvindt aan de oostzijde langs het Kromgat in de toekomst te behouden. Hier komt het landschapselement beter tot zijn recht en behoudt het ook na ontmanteling van het park meerwaarde voor biodiversiteit, een meerwaarde die in de huidige situatie aan het bosje ontbreekt. Omdat initiatiefnemer erfpachter is van de gronden en de erfpacht na de exploitatieperiode vervalt, is het niet aan Shell om hier beslissingen over te nemen of toezeggingen int e doen. De mogelijkheden voor deze blijvende vorm van compensatie zullen in een nader overleg met de initiatiefnemer, gemeente en de grondeigenaar plaats moeten vinden. In de komende periode zullen de gesprekken hierover worden gevoerd. Mocht de intentie tot uitvoering kunnen komen, zal dit via privaatrechtelijke overeenkomsten moeten worden geborgd. Werkgroep biodiversiteit In de vorm van een Werkgroep Biodiversiteit wordt de concrete invulling van het groen met de lokale belangstellenden bediscussieerd en bepaald.
Vooruitlopend daarop is een basis aanleg- en beheerplan opgesteld, dat is opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Dit plan dient als basis voor de groene invulling van de diverse zones binnen het plangebied, waarin zeven deelgebieden onderscheiden kunnen worden. Elk deelgebied heeft eigen kenmerken, karakteristieken en waarden. De zeven deelgebieden zijn: 1. Kromgat – noord; 2. Kromgat – midden; 3. Kromgat – zuid; 4. Statendamweg; 5. PV – schaduw; 6. PV– open ruimte; 7. PV – water & oevers.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 17
figuur 9. Voorstel ecologische meerwaarde met zeven zones als basis voor de Werkgroep Biodiversiteit
Per zone wordt een groep deelnemers van de Werkgroep Biodiversiteit gevraagd zich te buigen over de soortenkeuze. Hiertoe worden per zone vooraf heldere kaders gesteld. Deze kaders zijn mede afhankelijk van de (on)mogelijkheden binnen Keurzones van het waterschap (zie paragraaf 5.3) en de verplichting het gebied na 25 jaar terug te brengen in oorspronkelijke staat. Voor de zones 1, 2 en 3 kan daarnaast, eveneens binnen vooraf gestelde kaders, een uitspraak worden gedaan over de zichtbaarheid van het zonnepark. Zo ontstaat een goed gedragen voorstel voor biodiversiteit, dat uiteindelijk kan worden uitgewerkt in een meer gedetailleerd biodiversiteitsplan voor aanleg, beheer en onderhoud van de groenelementen.
2.6
Kwaliteitsverbetering landschap
Een ontwikkeling in het landelijk gebied dient gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit volgt uit de voorwaarden zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening van de provincie. Dit onderwerp hangt daarnaast samen met de voorwaarde tot behoud en versterking van de landschappelijke en ecologische waarden binnen de waardevolle structuren van het landschap, in dezen de structuur ‘Groenblauwe mantel’. Beide onderwerpen en de koppeling met het voorliggende initiatief worden hieronder nader uitgewerkt. Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap Om de kwaliteit van het landschap te versterken heeft de provincie Noord-Brabant in haar Interim Omgevingsverordening de algemene verplichting opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gepaard dienen te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Om de kwaliteitsverbetering van het landschap te ondersteunen, heeft de provincie de ‘Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap’ opgesteld. Deze handreiking vormt een hulpmiddel voor gemeenten om invulling te geven aan de algemene verplichting uit artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening (deze wordt besproken in paragraaf 4.3.4 van deze ruimtelijke onderbouwing).
Gemeenten in de regio West-Brabant hebben met de provincie afgesproken tot nadere afspraken te komen over de toepassing van de verplichting tot kwaliteitsverbetering van het landschap in de praktijk. Hiertoe is
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 18
het afsprakenkader ‘Toepassing Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ (hierna: het Afsprakenkader) opgesteld. Categorieën ontwikkelingen In het Afsprakenkader worden ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied onderverdeeld in een drietal categorieën. De noodzakelijke investering in de kwaliteitsverbetering is afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling en de impact daarvan op de omgeving. Al naar gelang de ontwikkeling in een hogere categorie kan worden geschaard, worden strengere eisen aan de mate van kwaliteitsverbetering van het landschap gesteld. De categorieën zoals uitgewerkt in het Afsprakenkader zijn als volgt: figuur 10. Categorieën ruimtelijke ontwikkelingen Afsprakenkader West-Brabant
Maatwerk Grootschalige ontwikkelingen, dan wel niet aan het buitengebied gerelateerde ontwikkelingen, moeten conform de hoofdregel voldoen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap van 20% van de bestemmingswinst, of een compensatie die dezelfde waarde vertegenwoordigt. In ieder geval dient de kwaliteitsverbetering te worden berekend op de bestemmingswinst. De regio West-Brabant volgt in de rekenmethodiek de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit gaat uit van de investering van een percentage van de bestemmingswinst, zoals hieronder weergegeven. tabel 1.
Investering in Kwaliteitsverbetering Afsprakenkader West-Brabant
Ontwikkeling Stedelijke uitbreiding in zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling (cf begrenzing Verordening) Uitbreiding bestemmingsvlak Uitbreiding bebouwing Omzetting Agrarisch bouwblok naar Wonen Niet-agrarische functie als nevenactiviteit of hergebruik op Agrarisch bouwblok Overige ontwikkelingen (bijvoorbeeld Maatschappelijke functies, windturbines, reclamemasten e.d.)
Investering in Kwaliteitsverbetering 1% van de totale gronduitgifteprijs 20% van de waardevermeerdering van de grond 20% van de waardevermeerdering van het object 20% van de waardevermeerdering van de grond 20% van het verschil tussen een agrarische bedrijfsbestemming en de (gecorrigeerde) waarde van een bedrijfskavel Maatwerk
Een zonneveld valt onder de ontwikkeling ‘Overige ontwikkelingen (bijvoorbeeld Maatschappelijke functies, windturbines, reclamemasten e.d.)’. De investering in kwaliteitsverbetering dient voor de onderhavige ontwikkeling gebaseerd te worden op maatwerk. Een belangrijk component bij de bepaling van de mate van die kwaliteitsverbetering, is de verplichte tijdelijkheid van het zonnepark. De voorziening mag voor maximaal 25 jaar worden geëxploiteerd. Na deze termijn dient het landschap weer terug worden gebracht in oorspronkelijke staat. Hierdoor is geen sprake het permanent omzetten naar een andere bestemming, zodat ook geen sprake is van een blijvende waardevermeerding van de gronden. Het Afsprakenkader is daarentegen opgesteld vanuit de aanname dat een ontwikkeling permanent is, hetgeen in het overgrote deel van de ontwikkelingen in het buitengebied ook terecht is. Voor dit zonnepark dient daarom gezocht te worden naar maatwerkoplossingen, passend bij de aard van de ontwikkeling en de juridische
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 19
(on)mogelijkheden die daarbij een rol spelen. In overleg met de gemeente wordt de komende periode onderzocht hoe hier op passende wijze invulling aan kan worden gegeven. De intentie voor het blijvend faciliteren van de groencompensatie maakt hier in ieder geval onderdeel van uit. Structuur Groenblauwe mantel In hoofdstuk 4 van voorliggende rapportage wordt het relevante beleid vanuit de verschillende bestuurslagen behandeld. Op basis van de provinciale Interim Omgevingsverordening geldt binnen dit gebied de waardevolle structuur ‘Groenblauwe mantel’ (zie paragraaf 4.3.4). Binnen de Groenblauwe mantel dient behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van onder andere het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken voorop te staan. Een ontwikkeling dient daarom gepaard te gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van deze ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Kwaliteitswinst Energiepark A59 In de voorgaande paragrafen is de landschappelijke inpassing en de beoogde versterking van de biodiversiteit uiteengezet. Beide aspecten leiden tot een kwaliteitsverbetering van het landschap, een verbetering die zonder de ontwikkeling van het Energiepark A59 niet tot uiting zou komen. Met het voorgestelde ontwerp worden de landschappelijke structuren in het gebied benadrukt.
De waaierstructuur die in het oorspronkelijke krekenlandschap aanwezig bleef zich met de tijd slechts met moeite manifesteren. Om deze structuur weer te benadrukken en te versterken, wordt aan de centraal gelegen Hillenweg betekenis gegeven als centrale ontsluiting. De lijn van de Amertak en het Wilhelminakanaal wordt bovendien versterkt door langs de Statendamweg een haag te introduceren als nieuwe groenzone, waarbij zo veel mogelijk aansluiting wordt gezocht op de al bestaande groenzones langs die zijde. Hiermee wordt het directe zicht op het zonneveld verzacht en wordt tevens de ecologische structuur versterkt. De recreatief belangrijke fietsroute langs de oostelijk gelegen kreek ‘Kromgat’, krijgt een bijzondere behandeling. Hier wordt een verbrede groenzone aangebracht als versterking van het Natuurnetwerk Brabant. Deze groenzone bestaat uit gebiedseigen landschapselementen en wordt nauwkeurig afgestemd op de beleving van de recreanten. De precieze invulling van deze groenzones wordt samen met lokale partijen en bewoners uitgewerkt, in de vorm van de eerder besproken Werkgroep Biodiversiteit. Hierbinnen wordt in ieder geval het weg te nemen boselement centraal in het plangebied gecompenseerd. In nader overleg met de initiatiefnemers en gemeente, wordt de voorgestelde landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering nader geoptimaliseerd.
Als gevolg van de geplande ontwikkeling ontstaan daarmee kwaliteitsverbeteringen ten aanzien van (cultuurhistorisch) waardevolle landschappelijke structuren, recreatie en biodiversiteit.
2.7
Samenhang met windpark
Op twee (voorlopige) locaties binnen de plangrenzen van het Energiepark A59 worden windturbines beoogd. Deze locaties zijn gelegen binnen de grenzen van het zonnepark. In het ontwerp van het zonnepark wordt ruimte gereserveerd voor de realisatie van de windturbines, door onder andere rekening te houden met kraanopstelplaatsen, benodigde ruimte voor bochten van uitzonderlijk vervoer en de situering van hekwerken, om zo de mogelijkheid te creëren voor de constructie en exploitatie van zowel de windturbines als het zonnepark. Of de windturbines worden gerealiseerd, is zoals onder 2.2 besproken afhankelijk van diverse factoren. Gelet op de aanbestedingstermijn volgend uit de voorwaarden voor SDE-subsidie, zal nog voordat het definitieve technisch ontwerp wordt uitgewerkt duidelijk zijn of de windturbines daadwerkelijk een plek zullen krijgen binnen het Energiepark A59. In het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met het Energiepark inclusief de windturbines, door een scenario uit te werken waarin onder andere de benodigde ruimte vrij gehouden wordt van panelen. Met de situering van de panelen in oost-westopstelling worden de bestaande percelen en watergangen gerespecteerd en wordt de richting van het landschap gehandhaafd
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 20
en benadrukt. De positionering van de windturbines past in deze structuur en is daarmee ook passend in het ontwerp. Ontwerp inclusief ruimte voor twee windturbines
De landschappelijke inpassing, het nader uit te werken biodiversiteitsplan en de daaruit volgende kwaliteitsverbetering van het landschap is inherent aan de ontwikkeling van het zonnepark op het Energiepark A59. De voorgestelde maatregelen zijn ontworpen rondom het zonnepark, een windpark laat zich immers moeilijk inpassen in het landschap. Het landschappelijk ontwerp voor het Energiepark A59 wordt daarom in hoofdzaak gedragen door Shell. Eneco (wind) zal hieraan bijdragen middels een financiële bijdrage in de maatregelen ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap. Op het moment dat het zonnepark onverhoopt (om wat voor reden dan ook) niet tot uitvoering komt, zal Eneco voor de kwaliteitsverbetering van het landschap zorgdragen voor een financiële bijdrage in een gemeentelijk fonds. Over de wijze waarop deze bijdrage wordt besteed of verwerkt in de landschappelijke inpassing worden andere afspraken gemaakt tussen beide initiatiefnemers en de gemeente.
2.8
Technische omschrijving Energiepark
Het zonnepark bestaat uit een aantal technische toepassingen. Naast panelen zijn ook omvormers/transformatorhuisjes noodzakelijk. De betreffende onderdelen en de opbrengst van het zonnepark worden hieronder besproken. Het betreft hier uitsluitend de technische omschrijving. De landschappelijke inpassing van de diverse onderdelen, is reeds besproken in paragraaf 2.4. Omvang zonnepark en opbrengst Het doel is een energiepark te realiseren voor de duur van 25 jaar. De omvang van de locatie bedraagt ca. 37 ha. Hierbinnen bestaan zoals eerder omschreven twee ontwikkelscenario’s: A. Energiepark zon: binnen dit scenario wordt een zonnepark opgericht met een vermogen van 49 MWp. Dit heeft een CO2-reductie van ongeveer 28.000 ton per jaar als gevolg. De met dit zonnepark op te wekken duurzame energie kan worden vergeleken met het energieverbruik van ongeveer 17.000
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 21
huishoudens. Dit is gebaseerd op algemene cijfers van het CBS, op basis waarvan een gemiddeld verbruik in Nederland geldt van 2.790 kWh per huishouden op jaarbasis.2 B. Energiepark zon + wind: het tweede ontwikkelscenario omvat een zonnepark met een opgesteld vermogen van 46,1 MWp en twee windturbines met een gezamenlijk vermogen van 10 MWp. Het op te wekken vermogen van het onderdeel zon kan vergeleken worden met het verbruik van ca. 15.500 huishoudens. Panelen Panelen worden in een oost-westopstelling geplaatst en krijgen een hoogte van ca. 2,5 meter (hoogte nok dakopstelling). De oost-west opstelling zorgt voor een dakjesvorm, waarbij wel een open ruimte blijft in de nok van de dakopstelling en tussen paneelrijen onderling. Het laagste punt van de panelen hangt op ca. 80 cm boven de grond. Het totaal aantal panelen komt op ca. 100.000 panelen. Trafostations en omvormers Naast panelen zijn ook containers noodzakelijk die dienst doen als behuizing van de trafostations. Daarnaast zijn omvormers noodzakelijk. Op basis van de voorgenomen oost-west opstelling van de panelen en de uiteindelijk gekozen installatie kan uit worden gegaan van ca. 17 20 ft containers voor de trafostations. De containers worden uitgevoerd in een donkere kleurstelling, zoals bijvoorbeeld gepoedercoat donkergroen, zwart of grijs.
De containers kunnen afhankelijk van de gekozen installatie tevens de omvormers huisvesten, maar omvormers kunnen ook aan de achterzijde van de panelen bevestigd worden. In beide situaties nemen de omvormers geen extra ruimtebeslag in. Voor de situering van de trafostations zijn twee mogelijke opties onderzocht. De eerste vormt een logische situering langs een centrale lijn, in dit geval langs de centraal gelegen Hillenweg. Daarnaast is een variant uitgewerkt waarmee de omvormers worden geplaatst op gelijke hoogte met de lijnopstelling van de panelen. Op die manier worden ze in de lijnopstellingen geïntegreerd en krijgen ze een minder centrale positie. In de komende periode wordt in nader overleg de diverse gesprekspartners onderzocht welke variant zowel vanuit het landschap als vanuit efficiëntie, de voorkeur geniet. De omvang en grootte van de 20 ft containers bedraagt ca. 6 tot 8 m lang, 2 tot 3 m breed en 2 tot 3 meter hoog. Ook zal er bij het punt van de aansluiting met de transportkabel een overdrachtspunt middenspanning van de netwerkbeheerder (een koppelstation) worden geplaatst. Hekwerk Met het oog op de publieke veiligheid dient tot slot een hekwerk te worden geplaatst om het park ontoegankelijk te maken voor onbevoegden. Het hekwerk wordt ca. 2 meter hoog en uitgevoerd in een donkere kleurstelling, bijvoorbeeld gepoedercoat donkergroen, zwart of grijs.
Voor een eenduidig beeld wordt de kleurstelling van het hekwerk en de trafo’s op elkaar afgestemd. Ontsluiting Energiepark A59 Voor de ontsluiting van het Energiepark is tevens een uitsplitsing van ontwikkelscenario’s aan de orde. In beide scenario’s wordt tijdens de bouwfase zorg gedragen voor een aan- en afvoerroute van bouwmateriaal met zo min mogelijk overlast voor omliggende bedrijven en bewoners in de omgeving. Alle installaties voor het Energiepark worden per vrachtauto aangevoerd. Initiatiefnemers stemmen tijdens bouwperiode het bouwverkeer zo veel mogelijk op elkaar af om de eventuele hinder te beperken. Voorafgaand aan de aanvang van de bouwwerkzaamheden, worden de aan- en afvoerroutes voor het bouwverkeer met de gemeente afgestemd. Vervolgens worden omwonenden en omliggende bedrijven vroegtijdig over deze rijroutes en het bouwverkeer geïnformeerd. De scenario’s worden hieronder weergegeven.
2
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/81528NED/table?fromstatweb
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 22
A. Ontwikkelscenario Energiepark zon Binnen het scenario waarin enkel een zonnepark wordt ontwikkeld, wordt voor de ontsluiting van het gebied gebruik gemaakt van de Hillenweg. De Hillenweg doorsnijdt het projectgebied en wordt uitsluitend gebruikt ter ontsluiting van de omliggende agrarische percelen (via de daartoe aangelegde duikers in de watergangen aan weerszijden van de weg). Deze weg loopt aan de noordzijde bij de A59 dood en is toegankelijk via de RWZI aan de zuidzijde alsook via de zuidelijk gelegen woonwijk. Voor het bouwverkeer is alleen de route via het RWZI geschikt. Om van deze route gebruik te kunnen maken worden momenteel gesprekken gevoerd het Waterschap Brabantse Delta. B. Ontwikkelscenario Energiepark zon + wind Voor de ontsluiting van het Energiepark inclusief wind wordt vanaf de Statendamweg een eigen toe- en afrit aangelegd. Deze toe- en afrit wordt gebruikt voor de aanleg van het Energiepark en zal ook na voltooiing van de bouwfase als permanente toegangsweg voor verkeer voor onderhoud en beheer dienen. Hierbij wordt opgemerkt dat deze ontsluiting enkel wordt gebruikt voor het zonnepark indien Eneco de windturbines bouwt voordat het zonnepark wordt aangelegd. Op het moment dat zon eerst tot ontwikkeling komt, wordt voor dat planonderdeel teruggevallen op de ontsluiting volgens ontwikkelscenario A.
Afsluiting Hillenweg Omdat de Hillenweg momenteel openbaar toegankelijk is, dient de weg te worden afgesloten om de publieke veiligheid te garanderen. Het afsluiten van de Hillenweg is nodig, ongeacht of dit de enige ontsluiting tot het gebied wordt of dat ook een toe- en afrit wordt gecreëerd via de Statendamweg. De Hillenweg dient als centrale ontsluiting voor het beheer en onderhoud van het zonnepark. Voor het afsluiten van de Hillenweg is een verkeersbesluit nodig op grond van artikel 15, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Dit verkeersbesluit kan op een later tijdstip wordt genomen en staat de planologische procedure niet in de weg. Het betreft bovendien geen onlosmakelijke activiteit die aan zou moeten haken bij de omgevingsvergunning in het kader van de Wabo.
2.9
Toets aan vigerend planologisch regime
Ter plaatse van de projectlocatie zijn een aantal gemeentelijke plannen van toepassing en geldt voor een beperkt deel van de gronden ook een voorbereidingsbesluit vanuit het Rijk. De volgende plannen zijn vigerend: “Buitengebied”, vastgesteld door de gemeenteraad van Oosterhout op 28 augustus 2014; “Reparatie herziening Buitengebied 2016”, vastgesteld door de gemeenteraad van Oosterhout op 27 mei 2016. Parapluherziening “Parkeren Oosterhout 2018”, vastgesteld door de gemeenteraad van Oosterhout op 3 juli 2018 Voorbereidingsbesluit “Zuid-West 380 kV Oost (Rilland – Tilburg)”, vastgesteld door de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 oktober 2019. Voor het zonnepark zijn de bestemmingsplannen ten aanzien van het buitengebied en het voorbereidingsbesluit relevant. De parapluherziening heeft gelet op de aard van onderhavige ontwikkeling geen relevantie voor het plan. Het beoogde zonnepark brengt geen parkeerbehoefte met zich mee. Deze parapluherziening wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten. Bestemmingsplan Buitengebied, inclusief Reparatie herziening Ter plaatse van het zonnepark is bestemmingsplan “Buitengebied” vigerend. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State zijn delen van dat plan vernietigd en heeft de gemeente betreffende planonderdelen herzien.
Hiertoe is op 27 mei 2016 het bestemmingsplan “Reparatie herziening buitengebied” vastgesteld. De twee plannen dienen in samenhang met elkaar te worden bezien, waarbij
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 23
geldt dat de reparatieonderdelen de oorspronkelijke (vernietigde) planonderdelen van bestemmingsplan “Buitengebied” vervangen. Voor het overige is het oorspronkelijke bestemmingsplan nog vigerend. De locatie kent op basis van het bestemmingsplan in hoofdzaak de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Voor een beperkt deel gelden ook de bestemmingen ’Natuur, ‘Verkeer’ en ‘Water’. De zuidoostgrens wordt doorsneden door de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’. Verder gelden een aantal gebiedsaanduidingen, te weten: gebiedsaanduiding geluidzone – industrie; gebiedsaanduiding vrijwaringszone – weg; gebiedsaanduiding vrijwaringszone – dijk; figuur 12. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied”, projectgebied aangeduid in blauw
Agrarisch met waarden – Landschap: Het overgrote deel van de projectlocatie kent de hoofdbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden en agrarisch gebruik, zowel bedrijfsmatig als hobbymatig. Met de bestemming samenhangende nevenactiviteiten en bij de bestemming behorende voorzieningen zijn eveneens toegestaan. Binnen deze bestemming is de aanleg van een zonnepark niet toegestaan. In de genoemde bestemmingsregeling is daarnaast een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Dit stelsel is niet van toepassing wanneer het werken en werkzaamheden betreffen met een diepte van minder dan 50 cm. Van de in het artikel opgenomen werken en werkzaamheden is slechts één onderdeel van toepassing op het plan: o Beplanten van gronden met houtgewas hoger dan 1 meter. Deze activiteit kan slechts worden toegestaan indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur- en landschappelijke waarden. Voor het zonnepark is door Smartland Landschapsarchitecten een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In dit plan wordt expliciet rekening gehouden met de
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 24
waarden en kenmerken van het landschap en met de aanwezige natuurwaarden. Verder wordt opgemerkt dat geplande beplanting in het ontwerp hoger kan worden dan 1 meter, maar dit bij de aanplant ervan naar verwachting niet is. Van onevenredige aantasting is geen sprake.