gewijzigde Verordening Wmo 2021 def
Tekst van het document
VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2021 GEMEENTE OOSTERHOUT
1
De raad van de gemeente Oosterhout; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, eerste lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een
beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 gemeente Oosterhout. Artikel 1.
Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: - abonnementstarief: een vast bedrag van maximaal €19,00 per maand als bijdrage in de kosten; - afschrijving: afboeking van een bepaald bedrag per tijdseenheid, bijvoorbeeld per jaar, van de aanschafkosten van een hulpmiddel; - algemeen gebruikelijk: een voorziening kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als die niet speciaal bedoeld is voor personen met een beperking én daadwerkelijk beschikbaar zijn én een passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie leveren én financieel kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
- algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - beschermd wonen; wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychische en psychosociale functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische, of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; - bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;
2
- budgetbeheerder: degene die het pgb beheert. Dit kan de cliënt zelf zijn, of als de cliënt hiertoe niet in staat is en hulp krijgt van iemand uit zijn netwerk, de persoon die het budget feitelijk beheert. - budgethouder: cliënt (zorgvrager) die een pgb krijgt toegewezen. - budgetplan pgb: plan dat door de budgetbeheerder wordt opgesteld voor de besteding van het pgb en wat wordt besproken bij het budgetvaardigheidsgesprek; hierin is in ieder geval opgenomen wat de cliënt van het budget wil betrekken en van welke aanbieder. - cliënt: de persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; - cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; - college: het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout; - formele ondersteuning: (professionele ondersteuning) ondersteuning door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder, of zzp-er niet zijnde een familielid in de eerste of tweede graad,
mits er wordt voldaan aan kwaliteitseisen die ook worden gesteld aan door de gemeente gecontracteerde zorgverleners (zie artikel 6, lid 7); - gebruikelijke hulp; hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten Voor het bepalen van de redelijkheid wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen van het CIZ met betrekking tot gebruikelijke hulp; - goedkoopst adequaat: dit uitgangspunt brengt met zich dat indien meer dan één voorziening als ondersteuning voor de vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt, de goedkoopste voorziening wordt verstrekt; - hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
- informele ondersteuning: (niet-professionele ondersteuning) ondersteuning door een meerderjarig persoon die zich niet kwalificeert als formele ondersteuning; - ingezetene: een ingezetene zoals bedoeld in artikel 1.1 aanhef en onder f van de Wet basisregistratie personen, die zijn woonadres heeft in de gemeente Oosterhout, waarbij woonadres wordt bedoeld als beschreven in artikel 1.1 aanhef en onder o van de Wet basisregistratie personen; - inkomen: bedrag dat een persoon periodiek ontvangt uit arbeid of uitkering en waarover de fiscus belasting heft. - kostprijs: de waarde van een voorziening in Euro’s exclusief BTW, eventueel aangevuld met bijkomende kosten zoals onderhoud, verzekering en bijzondere aanpassingen. Tevens de prijs die wordt gehanteerd voor aanmelding bij het CAK voor uitvoering van de bijdrage in de kosten; - maatschappelijke ondersteuning:
3
1)
2) 3)
Bevorderen van sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking en/of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. Bieden van beschermd wonen en opvang.
- maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1) Ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurende verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen, hulp bij het huishouden en andere maatregelen. 2) Ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen. 3) Ten behoeve van beschermd wonen en opvang. - mantelzorg: alle hulp aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving; ook minder intensieve hulp, de hulp aan huisgenoten en de hulp aan instellingsbewoners is meegenomen; mantelzorg is hulp die verder gaat dan de zogenoemde gebruikelijke hulp. - melding: kenbaar maken van de hulpvraag, niet zijnde een vraag om informatie en advies, aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; - minimuminkomen: een inkomen op bijstandsniveau; - ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van de afspraken tussen cliënt en zorgaanbieder over de resultaten van de ondersteuning.
Deze resultaten moeten aansluiten bij hetgeen in het plan van aanpak is weergegeven; - onderzoek: alle activiteiten die leiden tot een adequaat totaalbeeld van betrokkene en zijn situatie, waaronder in ieder geval persoonlijk contact met de betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene. In artikel 2.3.2 vierde lid staat een opsomming van hetgeen wordt onderzocht; - onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie werkdagen; - opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; - persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; - pgb-gesprek: het gesprek waarin de budgetvaardigheid van de cliënt of zijn budgetbeheerder wordt beoordeeld;
4
- plan van aanpak: In het plan van aanpak omschrijft de burger (zelf, met hulp vanuit het netwerk of met behulp van een professional) de huidige en de gewenste situatie en wat er nodig is om deze gewenste situatie te bereiken. - uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Oosterhout; - vertegenwoordiger: de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake (op grond van de wet kunnen als vertegenwoordiger optreden de curator, mentor of gevolmachtigde van de cliënt); - voorliggende voorziening: voorzieningen die vanuit andere regelingen worden gefinancierd, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet Langdurige Zorg (Wlz) of de Participatiewet (Pw). - wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); - Wlz: Wet langdurige zorg; - woonvoorziening: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte; - zelfredzaamheid: aanvullend op de definitie zoals opgenomen in artikel 1.1.1 van de wet wordt hieronder verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken; - Zvw: Zorgverzekeringswet.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.
Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning
Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Artikel 3. 1. 2.
Cliëntondersteuning
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is; Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet actief op de mogelijkheid gebruik te maken van de gratis cliëntondersteuning.
5
Artikel 4. 1. 2. 3. 4.
5.
6.
7.
8. 9.
10.
Criteria en weigeringsgronden voor het toekennen van een maatwerkvoorziening
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt indien het probleem niet onder een andere wetgeving kan worden opgelost; Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt aan een ingezetene van de gemeente Oosterhout; Het college neemt de uitkomsten van het onderzoek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening; Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg; d. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; e. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; f. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.
De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 8 van de wet en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg; d. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; e. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; f. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.
De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 8 van de wet en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving; Van een algemeen gebruikelijke voorziening als bedoeld in lid 4 onder e en lid 6 onder e is sprake als deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie; Een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening wordt slechts vervangen als de verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of
6
c. 11. 12.
als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Wanneer een voorziening reeds is gerealiseerd of aangeschaft tussen melding en besluit, kan het college deze alleen toekennen voor zover de noodzaak voor deze voorziening alsnog is vast te stellen; Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.
Weigeringsgronden specifiek voor woonvoorziening: 13.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen en gehuurde kamers; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;1 d. indien de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van sociale woningbouw (beschreven in het geldende Bouwbesluit); e. indien een woningaanpassing wordt aangevraagd waarvan redelijkerwijs kan worden gesteld dat er sprake is van renovatie: de situatie wordt dan beoordeeld op grond van de noodzakelijkheid in samenhang met wat als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt; f. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie; h. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; i.
indien de kosten van de woningaanpassing hoger zijn dan het bedrag van € 50.000 (zijnde de gemiddelde kosten van een woonunit), tenzij belanghebbende schriftelijk heeft verklaard de meerkosten volledig voor eigen rekening te nemen of dat de woonunit geen adequate oplossing biedt; j. wanneer het om verhuiskosten gaat vanuit de ouderlijke woning naar de eerste zelfstandige woonruimte.
Artikel 5.
Advisering
Het college kan een door hem daartoe aangewezen onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Artikel 6. 1. 2.
Algemene voorwaarden voor persoonsgebonden budget (pgb)
Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
1 Uitzondering hierop zijn de wooncomplexen van Thuisvester waarop het convenant ‘Langer zelfstandig wonen,
afspraken tussen Thuisvester en gemeente Oosterhout’ van toepassing is.
7
3.
4.
belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan pgb waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassing en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en 2. van welke aanbieder de cliënt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassing en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief: 1. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede maatwerkvoorzieningen van derden te betrekken; 2. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassing en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken; 3. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid, sub b onder 2 gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassing en andere maatregelen te betrekken van een aanbieder, en 4. wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. c.
bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a. een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel, woonvoorziening, vervoersvoorziening: op basis van de kostprijs van de voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b. een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke hulp: o Formeel: op basis van het laagst toepasselijke tarief per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder (ZIN-tarief)2; o Informeel: op basis van het wettelijk minimum uurloon3. c. een maatwerkvoorziening in de vorm begeleiding: o Formeel: op basis van het toepasselijke uurtarief voor klasse zwaar dat wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder (ZIN-tarief)4, vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal eenheden per klasse, zoals ooit in de basis is overeengekomen en vastgelegd bij gecontracteerde ondersteuning; o Informeel: op basis van het wettelijk minimum uurloon5 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal eenheden per klasse,
2 Dit tarief kan wijzigen bij wettelijk ingegeven verhogingen (cao, indexering), het college bekrachtigt de nieuwe tarieven, zoals
in de basis bepaald in deze verordening, met het vaststellen van het uitvoeringsbesluit. 3 Dit is het uurloon geldend voor 21 jaar en ouder (ongeacht of de leeftijd van de persoon die zorgverlener is tussen 18 en 21 jaar ligt) inclusief vakantiegeld en vakantie-uren. De wijzigingen van het wettelijk minimumloon worden altijd gevolgd en door het college bekrachtigd met het vaststellen van het uitvoeringsbesluit. 4 Dit tarief kan wijzigen bij wettelijk ingegeven verhogingen (cao, indexering), het college bekrachtigt de nieuwe tarieven, zoals in de basis bepaald in deze verordening, met het vaststellen van het uitvoeringsbesluit. 5 Dit is het uurloon geldend voor 21 jaar en ouder (ongeacht of de leeftijd van de persoon die zorgverlener is tussen 18 en 21 jaar ligt) inclusief vakantiegeld en vakantie-uren. De wijzigingen van het wettelijk minimumloon worden altijd gevolgd en door het college bekrachtigd met het vaststellen van het uitvoeringsbesluit.
8
5. 6. 7.
8.
zoals ooit in de basis is overeengekomen en vastgelegd bij de gecontracteerde ondersteuning. De zorgverlener is niet tevens de vertegenwoordiger van de cliënt of de budgetbeheerder, tenzij het familie betreft in de eerste of tweede graad (informele zorgverlener). De zorgverlener heeft niet zelf een ondersteuningsvraag op het gebied waar hij/zij zorg gaat verlenen en is niet (dreigend) overbelast. De zorgverlener kan alleen dan worden aangemerkt als formele zorgverlener in het kader van pgb als er wordt voldaan aan de volgende eisen die ook worden gesteld aan door de gemeente gecontracteerde aanbieders: a) Zorgverlener is bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met in ieder geval één van de volgende SBI-activiteiten: 87.10; 87.20; 87.30; 88.10 (voor begeleiding) of 88.10 (voor hulp bij het huishouden); b) Zorgverlener beschikt over een meldcode “Signalering geweld en kindermishandeling”; c) Zorgverlener beschikt over een regeling “Calamiteiten en geweldsincidenten”; d) Zorgverlener beschikt over een geldig BTW-nummer; e) Zorgverlener beschikt over een geldig VOG met screeningsprofiel 45 (alleen voor begeleiding); f) Zorgverlener voldoet aan de regels uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG); g) Zorgverlener beschikt over een klachtenregeling; h) Zorgverlener beschikt over kwaliteitsplan waaruit minimaal blijkt hoe de kwaliteit in de organisatie is geborgd
(inclusief veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid)6; i) Zorgverlener beschikt over de juiste diploma’s7; j) Zorgverlener kan aantonen dat continuïteit van de zorgverlening gewaarborgd is bij afwezigheid, ziekte of verlof; k) Indien er zorg op een locatie van de zorgverlener wordt verleend, is deze locatie niet in strijd met het geldende bestemmingsplan van de gemeente. Een zorgverlener die niet voldoet aan de kwaliteitscriteria zoals benoemd onder lid 7 en/of (schoon)familie is in de eerste of tweede graad, wordt aangemerkt als informele zorgverlener.
Artikel 7. 1. a.
2. 3.
Voorwaarden tot verstrekking pgb: In navolging van artikel 2.3.6 lid 2 van de wet werkt de cliënt mee aan het voeren van een pgb-gesprek waarin de budgetvaardigheid van de cliënt, danwel van de budgetbeheerder van de cliënt, wordt vastgesteld; b. Het advies over de budgetvaardigheid is bindend en wordt betrokken in de beschikking over de ondersteuningsaanvraag; c. Bij onvoldoende budgetvaardigheid wordt de ondersteuning in de vorm van Zorg In Natura toegekend; De budgetbeheerder van een cliënt is niet gerelateerd aan de zorgverlener door (vrijwilligers)werk; Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 8. Voorwaarden voor besteding pgb: 1. Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag binnen het pgb gehanteerd, alle bestedingen dienen verantwoord te worden; 2. De volgende zaken mogen in ieder geval niet uit een pgb betaald worden: 6 De zorgverlener kan de kwaliteit ook aantoonbaar maken door een kwaliteitskeurmerk te overleggen (HKZ, ISO voor de zorg
(NEN EN 15224), KIWA voor zzp’ers in de zorg, Kwaliteit Laat Je Zien (voor zorgboeren) of Prezo (specifiek voor hulp bij het huishouden)). Als een zorgverlener voldoet aan één van deze keurmerken, wordt vaak al voldaan aan de meeste van de genoemde eisen. 7 Een lijst van juiste diploma’s is als bijlage bij het uitvoeringsbesluit gevoegd.
9
Kosten voor bemiddeling; Kosten voor administratie; Kosten voor coördinatie; Kosten voor lidmaatschap patiënten- of belangenvereniging; Kosten voor het volgen van cursussen over pgb; Kosten voor eigen bijdragen (bijvoorbeeld CAK); Kosten voor bewindvoering; Reiskosten van de ondersteuner die buiten het overeengekomen uurtarief vallen; o Eenmalige uitkering of feestdagenuitkering aan de ondersteuner; o Crisishulp / crisisopvang / spoedeisende zorg; o Kleinschalig Collectief Vervoer; o Informele begeleiding groep/dagbesteding; o Logeren bij familieleden; o Ondersteuning in het buitenland. Het pgb dient binnen drie maanden na toekenning worden aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. De budgetbeheerder mag bij de SVB alleen declareren op factuurbasis en niet op basis van automatische maandbetaling aan de zorgverlener(s); Het bepaalde in lid 4 geldt niet als er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen budgethouder en zorgverlener. o o o o o o o o
3. 4. 5.
Artikel 9. 1. 2. 3. 4.
5. 6. 7.
8.
Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening, zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. Er zijn geen bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een rolstoelvoorziening; b. maatschappelijk werk voor doven en slechthorenden. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet wordt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer vastgesteld op de hoogte van het reizigerstarief van het openbaar vervoer. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b.
maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening: bruikleen, kostprijs is gelijk aan de huurprijs; eigendom, kostprijs is gelijk aan de koopsom. c. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd aan de zorgverlener, zoals is vastgelegd in de verordening van centrumgemeente Breda.
10
9.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
Artikel 10. 1.
2.
3.
4.
Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Erop toe te zien dat de beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. Voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. Het college waarborgt verdere eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, in de criteria die worden gesteld bij de inkoop van voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks verplicht cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Indien de inzet van een maatwerkvoorziening niet bijdraagt aan de resultaten zoals opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt, kan het college de keuzevrijheid van de cliënt beperken door de huidige aanbieder van de maatwerkvoorziening uit te sluiten.
Artikel 11. 1. 2. 3.
Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende ambtenaar aan. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende ambtenaar. De toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 12.
1.
Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet
Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
11
2.
3.
4. 5.
6.
In lijn met artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing tot het toekennen als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening in natura of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening in natura of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zvw; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening in natura of het pgb verbonden voorwaarden, of f. de cliënt de maatwerkvoorziening in natura of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat de cliënt zich niet aan de voorwaarden van een pgb gehouden, zoals beschreven in artikel 6, 7 en 8; Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daar opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of ten onrechte genoten pgb. Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
Artikel 12a. Opschorting betaling uit pgb 1.
2. 3.
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder d. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.
Artikel 12b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 13.
Jaarlijkse waardering mantelzorgers
12
1. 2.
Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen, door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Artikel 14. 1.
2.
3
4.
Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. De tegemoetkoming voor: a. verhuiskosten bedraagt: € 2.590; b. huurderving: maximaal 6 maanden x de huurprijs leegstaande woning; c. tijdelijke huisvesting: maximaal 3 maanden x huurprijs van de huidige woning; d. woningsanering. De in het tweede lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2020 en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
Artikel 15. 1.
2.
3.
Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
13
f. 4.
5.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Artikel 16. 1. 2.
Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de voorzieningen die door hen worden aangeboden. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze klachtenregelingen door periodieke overleggen met de aanbieders en een doorlopend cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 17. 1. 2. 3.
Klachtregeling
Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor gebruikers van belang zijn ten aanzien van de voorzieningen die door hen worden aangeboden. In afwijking van het eerste lid geldt dat aanbieders met minder dan 10 zorgverleners in dienst cliënten over dergelijke voorgenomen besluiten informeren in voor de cliënt begrijpelijke taal. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze medezeggenschapsregelingen door periodieke overleggen met de aanbieders en een periodiek cliënttevredenheidsonderzoek.
Artikel 18. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.
2.
3.
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Artikel 19.
Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
14
Artikel 20. 1. 2.
3. 4.
Intrekking oude verordening en overgangsrecht
De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Oosterhout wordt per 1 juni 2021 ingetrokken. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Oosterhout, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Aanvragen die zijn ingediend voor 1 juni 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Oosterhout, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.
Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2021. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 gemeente Oosterhout.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 25 mei 2021. de griffier, {{Signer2}}
Signed By: Kaarsemaker, E. <e.kaarsemaker@oosterhout.nl> 25/05/2021 21:01:49 CEST ID: c2ef4d3b-d69e-4eee-83a3-0a9fe1620330 Auth: Scribble
de burgemeester, {{Signer1}}
Signed By: Buijs, M. <mark.buijs@oosterhout.nl> 25/05/2021 21:04:20 CEST ID: c2ef4d3b-d69e-4eee-83a3-0a9fe1620330 Auth: Scribble
15
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en vervangt de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019 gemeente Oosterhout. De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken zijn toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij is deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociale netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom op hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder.
Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
16
De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Bij verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: - op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; - op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; - welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; - ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; - ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; - op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en
deel kunnen nemen aan periodiek overleg; - op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb worden berekend; en - op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: - voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; - ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Deze verordening kan niet los worden gezien van de visie Sociaal Domein en de Ontwikkelagenda Maatschappelijke ondersteuning, die de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In deze visie en het beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. Artikel 1.
Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven. - aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; - algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; - cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid;
17
- cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; - gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; - maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°.
ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; - mantelzorg: alle hulp aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving; ook minder intensieve hulp, de hulp aan huisgenoten en de hulp aan instellingsbewoners is meegenomen; mantelzorg is hulp die verder gaat dan de zogenoemde gebruikelijke hulp; - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; - persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; tot de huiselijke kring worden gerekend familieleden, huisgenoten, echtgenoot of mantelzorgers (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Andere personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, kunnen bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging zijn.
- vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; - voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; - zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de
18
gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In deze verordening wordt het college de bevoegdheid gegeven om het toegangsproces verder uit te werken in het Uitvoeringsbesluit, behorend bij deze verordening. Artikel 3. Cliëntondersteuning In dit artikel wordt bepaald dat het college zorg draagt voor het regelen van onafhankelijke cliëntondersteuning, zoals de wet deze voorschrijft. Hiervoor zullen afspraken worden gemaakt met hiervoor capabele instanties. Daarnaast zorgt het college dat de informatie hierover aan de cliënt is gewaarborgd in het toegangsproces Artikel 4. Criteria en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.
In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In de memorie van toelichting bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) is opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator).
Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Het eerste lid is gericht op het juiste wettelijk kader: valt de ondersteuningsvraag van de cliënt onder de Wmo, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Het tweede lid stelt dat de maatwerkvoorziening gericht is op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen geschikte instrumenten. In lid 4 en 6 (onder e) is opgenomen dat het niet de bedoeling is dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt,
19
aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-042008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 1608-2012, nr. AWB 11/5564). Op 20 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep een belangrijke uitspraak over algemeen gebruikelijke voorzieningen gedaan (zie CRvB 20-11-2019, nr. 18/3544 WMO15) waarin een meer objectieve invulling wordt gegeven aan de vraag of iets algemeen gebruikelijk is. De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Vooral het laatste criterium is nieuw. Gemeenten moeten nu gaan toetsen of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen heeft. De Wmo 2015 biedt geen grondslag om extra vermogens-en inkomensvoorwaarden te stellen aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening, naast de mogelijkheid om een bijdrage op te leggen als bedoeld in artikel 2.1.4 Wmo 2015.
In lid 8 is opgenomen dat een algemeen gebruikelijke voorziening als bedoeld in het 4e en 6e lid ‘financieel draagbaar’ is bij een inkomen op het minimumniveau. Gelet op een andere recente uitspraak van de CRvB (20-11-2019, nr. 18/5598 WMO15), waarin de cliënt een bijstandsuitkering had en de CRvB dit betitelde als 'inkomen op minimumniveau', gaan we er vooralsnog van uit dat gedoeld wordt op een inkomen op bijstandsniveau. De verwachting is niet dat de CRvB de eerdere jurisprudentie over elektrische fietsen overboord gaat zetten. Dat zou dan betekenen dat voorzieningen tot ongeveer € 1.500,draagbaar worden geacht met een minimuminkomen. Maar dit is slechts een verwachting; er moet worden afgewacht hoe de jurisprudentie zich op dit punt verder zal gaan ontwikkelen. Een voorbeeld: een cliënt geeft aan dat hij de scootmobiel niet zelf kan betalen. Dat heeft verder geen gevolgen in de zin van een onderzoek naar het inkomen. Immers in het beleid is vastgesteld dat een standaard scootmobiel financieel gedragen kan worden met een minimuminkomen. Het alternatief dat iemand heeft, die het toch niet kan (of wil) betalen, is gebruikmaken van de gratis pool. De cliënt heeft dan weliswaar niet iedere dag een scootmobiel tot zijn beschikking, maar wel een aantal dagen per week zodat de cliënt kan participeren.
De schuingedrukte passage op pagina 19 – gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het negende lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-
20
bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. In het elfde lid wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. In lid 12 wordt bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.