CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Geredigeerd_Bijlage 6 ZP A59 inventarisatie beschermde soorten Goes en Groot

Raadsvergadering 23 mei 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Bespreekstuk: ZN1014386 raadsvoorstel herstelbesluit zonnepark A595.690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zonnepark Oosterhout Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

Jnü,

i,

-Xadaë - 5.

te * ge>32 38e,

ëi,

N

a,

.2

E E t

Ih g. g 9

S= y

mi

4.

20

ge f

-9

g

*

-- A

-

A

A

"e‘8

21

i

93 259 A

oL17

. m

- esi

3smmm

2.

4--*2 ' e

e

e

ik

sm

758

2 gemisci

-

sage’ .

ë

9 ‘962 e

8

•

' ■'

"o

- we

N- " ' 0-g) Bde

ya

.2

M

*

ft

;S3 ■

2

a

. 8

he

"1

84

-.

(

G & G -ra p p o rt 2023-031

. XU3 ■

E0 gcge 320 ,.39 Me

$ > . X.K2A-E ~N ''V S• 8

L *1y

1

4

...

1

ENN

8

-

2

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Zonnepark Oosterhout

Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

5.1,2,e

2023

Opdrachtgever Eneco Solar

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

G&G-rapport 2023-031

Datum Versie

26 april 2020 V2

Gecontroleerd door: 5.1,2,e

De onderstaande toetsing van maatregelen en uitgevoerde inventarisatie is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks' en adviesbureau 5.1,2,e

5.1,2,e

5.1,2,e

5.1,2,e

www.vandergoesengroot.nl

Zonnepark Oosterhout

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

4

1.1

Aanleiding tot het onderzoek

4

1.2

Doel van het onderzoek

5

1.3

Ligging van het plangebied

5

1.4

Geplande werkzaamheden en plannen

5

1.5

Leeswijzer

6

Methode

7

2.1

Vissen

7

2.1.1 Grote modderkruiper

7

Amfibieën

8

2.2.1 Alpenwatersalamander

9

3

Resultaten Grote modderkruiper

10

4

Resultaten Alpenwatersalamander

11

5

Conclusie en aanbevelingen

12

5.1

Beschermde soorten Wnb

12

5.2

Zorgplicht

12

2.2

6

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

14

7

Bijlagen

15

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

4

Inleiding

1 1.1

Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen voor realisatie van een zonnepark (Zonnepark A59) op een locatie in Oosterhout (Gemeente Oosterhout, Provincie Noord-Brabant).

Het is mogelijk dat beschermde soorten verblijven in het plangebied ofwel dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van d erge lijke soorten. Het betreft: • Vissen (Grote modderkruiper)

• Amfibieën (Alpenwatersalamander) De aanwezigheid van deze potentie werd aangegeven in een eerder uitgevoerde 'natuurtoets' (zie Zimmerman, 2022).

Om aanwezigheid van de vermoede soorten nader te onderzoeken heeft Eneco Solar opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten.

Figuur 1. Ligging van het plangebied Zonnepark Oosterhout (rode omlijning).

Raamsdonkveer

N

A A27

A59F

Oosterhout

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

5

Het onderzoek is uitgevoerd in de periode april 2023. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van beschermde vissen en amfibieën binnen het plangebied.

Het onderzoek is noodzakelijk om uitsluitsel te verkrijgen of een ontheffing nodig is van de Wet natuurbescherming en voor welke soorten of soortgroepen een dergelijke ontheffing eventueel zou moeten worden aangevraagd.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven.

Het plangebied ligt in de Hillenpolder die in het buitengebied van Oosterhout is gelegen. In het noorden grenst het plangebied aan de rijksweg A59 en in het zuidwesten aan de Statendamweg. Ten zuiden van het plangebied ligt de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond. Ten noordoosten van het plangebied meandert de oude kreek Kromgat. De Kromgat mondt ter hoogte van de A59 uit in de beek De Donge, waar tevens het plangebied grenst aan naastgelegen NNBgebied. De Hillenweg doorkruist het plangebied vanuit zuidelijke richting.

1.4

Geplande werkzaamheden en plannen De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het lokaal verwijderen van de vegetatie-toplaag, verwijderen van groen (kappen/rooien van struiken), het vergraven van de bodem en/of het opbrengen van grond (voor de aanleg van kabels en leidingen).

Hierbij zou leefgebied en/of verblijf- en rustplaatsen van Alpenwatersalamander en Grote modderkruiper aangetast kunnen worden of verdwijnen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen, optische verstoring, of gebruik van kunstlicht verstoring optreden van beschermde soorten.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

6

Leeswijzer

1.5

In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3-4 worden de resultaten beschreven en wordt aange­ geven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt een effectbeoordeling gegeven van de voorgenomenwerkzaamheden op de aangetroffen soorten en hun gebruiksfuncties. Hierna worden de conclusies met noodzakelijke vervolgstappen beschreven. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Ingeschat is in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is.

Ten slotte bevat hoofdstuk 6 een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.

' N ‘ 14.

6

V

’ gilg 0 ' U . X, V /Xi8 MaN A 1N/

ls

NIM. He19 8res* VTAMT

df N g,

pg.

2

g

' $} • •*

g,

38SX1

*%

A )en i 3• PMR. ZN

226825. 1 H ■

d

-

•

j63

.

- —2

E-g9

i

- v . se, - i.■ V " ee .. .

e 202

ieedietIEMMK ? iK 0

pk

6

"a L

ib- .

-

0

sugle 20

53

A0e

M

"N

26 AAA,8 ■ s.

n—

1

-,e

ja •: ..

o

2

n 38 B-r 1I v 7,,

-

SM

0.2

85

< ■ Ame 35-3

Het ruigte- en bosperceel in het noordelijke deel van het plangebied.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

2

7

Methode 2.1

Vissen Het doel van de visseninventarisatie was inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten. In het onderzoeksgebied wordt van deze soorten alleen de Grote modderkruiper verwacht. Het onderzoek is dan ook uitgevoerd conform het Kennisdocument Grote Modderkruiper (BIJ 12, 2017). Er is bemonsterd op locaties en in biotopen waar zich de hoogste trefkans voor de beschermde soorten voordoet. Tweemaal is een steekproefsgewijze inventarisatie uitgevoerd in het onderzoeks­ gebied op 6- en 21 april 2023.

De ligging van de bemonsterde trajecten in het onderzoeksgebied staan aangegeven in Figuur 2. De determinatie vond plaats in het veld.

Alle vangsten en waarnemingen zijn op locatie gekarteerd. Daarbij is de classificatie uit Tabel 1 aangehouden.

Tabel 1. Abundantieklassen voor faunakartering.

2.1.1

Abundantieklasse Aantal exemplaren 1 2 2-5 6-10 3 4 11-20 5 >20

1

Grote modderkruiper Bij de visseninventarisatie is gebruik gemaakt van een elektroapparaat en een steeknet. Met de methode 'elektrisch vissen' wordt al staande in het water een elektrisch spanningsveld gecreëerd met behulp van een installatie die op het lichaam gedragen wordt. Door het spanningsveld worden vissen verdoofd en onbewust gestimu­ leerd om naar het speciaal hiervoor ingerichte vangnet te zwemmen. In het geval van lastig te vangen soorten zoals de Grote modderkrui­ per wordt gebruik gemaakt van een apparaat met constante gelijkstroom (type RUDD).

Het steeknet is een groot schepnet waarmee staande in het water, gekleed in een waadpak wordt gevist. Zodoende kan zowel in het open water als onder de oever- en watervegetatie en onder holle oevers gevist worden. Vissen houden zich graag schuil op dergelijke plaatsen. Kansrijke locaties om de Grote modderkruiper aan te treffen zijn onder meer geïsoleerde wateren met verlandingsvegetaties, en watergangen met een geschikte modderlaag. Daarnaast laat de soort een voorkeur zien voor sloten die kwel ontvangen.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

8

Amfibieën

2.2

Het doel van dit onderzoek was inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten amfibieën en hun voortplantingslocaties. In het plangebied wordt de Alpenwatersalamander verwacht.

Voor de andere relevante soorten zijn geen recente waarnemingen bekend uit de omgeving van het plangebied en/of ontbreekt geschikt leefgebied (zie Zimmerman, 2022). Tijdens de inventarisatie is ook de directe omgeving van het plangebied meegenomen door aanwezige materialen en takken/stammen te draaien en is uiteraard ook gelet op eventueel andere aanwezige beschermde amfibieën. Alle waarnemingen en zijn op locatie gekarteerd. Daarbij is de classificatie uit Tabel 1 aangehouden. Aan de hand van waarnemingen of eventuele vangsten van amfibieënlarven en juveniele dieren kan afgeleid worden van welke soorten op welke plaatsen daadwerkelijk voortplanting heeft plaatsgevonden.

Figuur 2. Bemonsterde trajecten: Geel=vistrajecten, Blauw=trajecten bemonsterd op amfibieën.

-

b5

gmhëes

* f

N

A

[

2)

t

Ruigte- en bosperceel

>>

‘N &

l %

( |

<2

22 1 5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

9

Alpenwatersalamander

2.2.1

Het onderzoek is uitgevoerd conform de door RAVON en NGB aanbevolen onderzoeksopzet. Tweemaal is geïnventariseerd op 6- en 21 april 2023 met het schepnet in geschikt biotoop. Tussen beide bezoeken lag minimaal twee weken. De ligging van de bemonsterde trajecten in het onderzoeksgebied staan aangegeven in Figuur 2. Geschikt biotoop voor de soort zijn kleine, voornamelijk stilstaande niet te voedselrijke wateren, zoals greppels, smalle sloten, bospoelen en ander geïsoleerd water.

gmss *

25 88

8 g,ma ’

c3233

-ggl

nbg

1 ■ gg

''

soa

ea

s -ë

k A/ ».

318

N

•IJ

*!

a

0′6 :e

■* aNuusN,

E

Et

.:

0l

a 38

V.F

F

, 9)

4

n ■ • vze 3

■

B&

3,33

.o“

, ‘e%

,, 4,

ygé48,zgg,6- 2g3g i d

0aukë A u W.ar "/2 h 1

op. '■

20 ea

.et,325386/5 s"-5 /

1

$ -• ’

de

P

>,rë N

2—

5432

■

’ 4ükü28e7 ’ ,28 ,v

1

1/P

MM

Het plangebied is diep ontwaterd met smalle ondiepe sloten.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

10

Resultaten Grote modderkruiper

3

Een overzicht van de aangetroffen vissen staat in Tabel 2. Er zijn een vijftal vissoorten gevangen. De Grote modderkruiper werd niet aangetroffen in het plangebied.

Tabel 2. Vastgestelde soorten vissen met bijbehorende indicatie van de aan­ tallen in Zonnepark Oosterhout in 2023

Soort________________ Zeelt Kleine modderkruiper Snoek Driedoornige stekelbaars Tiendoornige stekelbaars

Aantal

Beschermd

40 1 7 5 1

nee nee nee nee nee

In het plangebied werd een soortenarme visfauna vastgesteld waarbij Zeelt de meest algemene vissoort bleek. Deze soortenarme visfauna kan een gunstige factor zijn voor Grote modderkruiper aangezien de soort is gebaat bij leefgebied zonder al te veel concurrentie van andere vissoorten. Ook de aanwezigheid van kwelsloten met aanvoer van ijzerrijk kwelwater in het plangebied kan een gunstige factor zijn voor een goed leefgebied voor de soort. Echter, het rigoureuze onderhoudsregime van de sloten in het plangebied is waarschijnlijk de reden dat de soort hier ontbreekt. De jaarlijks volledige schoning van de sloten is zeer nadelig voor vegetatie minnende vissoorten zoals de Grote modderkruiper. Het hierdoor wegvallen van belangrijke schuilmoge I ij khede n en eiafzet-substraat in de vorm van watervegetatie maken de sloten ongeschikt als leefgebied voor de soort.

Daarnaast zijn veel sloten erg smal en ondiep zonder een goede verbinding naar diepere waterdelen. Dergelijke connectiviteit van ondiepe wateren met diepere waterdelen is erg belangrijk voor een veilige overwintering van Grote modderkruipers.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

11

Resultaten Alpenwatersalamander

4

In Zonnepark Oosterhout zijn een tweetal soorten amfibieën vastgesteld. Het betreft Kleine watersalamander en Bruine kikker. De Alpenwatersalamander werd niet vastgesteld in het plangebied. Door het ontbreken van waarnemingen van larven en/of adulte dieren van Alpenwatersalamander die zich in het voorjaar in de wateren begeven voor de voortplanting kan tevens worden gesteld dat het aanliggende ruigte- en bosperceel in het plangebied niet wordt gebruikt als landhabitat door Alpenwatersalamander.

De aanwezigheid van landhabitat in en rond het ruigte-bosperceel bleek wel het geval voor Kleine watersalamander. Deze algemene soort die weinig eisen stelt aan landbiotoop en voortplantingswater werd voornamelijk aangetroffen in de wateren in nabijheid van het ruigte- en bosperceel. Ditzelfde geldt in grote lijnen voor Bruine kikker. Veel eiklompen en adulte dieren werden aangetroffen in het grotere en diepere slootdeel ten oosten van het ruigte- en bosperceel. Ook in de bermsloot langs de oostelijke grens van het plangebied werden tientallen eiklompen van Bruine kikker waargenomen

ede S

2-3

) .-R

2

5.1,2,e

5

Van der Goes en Groot

watersalamander die in het plangebied werd gevangen.

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

12

Conclusie en aanbevelingen

5 5.1

Beschermde soorten Wnb Tijdens de inventarisatie zijn beschermde soorten aangetroffen (zie Tabel 3)

Tabel 3. Aangetroffen bescherm­ de soorten in de Zonnepark Oosterhout in 2023. Wnb = Wet natuur­ bescherming, (HRL = Habitatrichtlijn IV, AS = Andere Soorten.

Nederlandse naam

Wnb

RL

nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee

AS AS

nee nee

Vissen

Zeelt Vetje Kleine modderkruiper Snoek Driedoornige stekelbaars Tiendoornige stekelbaars

Amfibieën Kleine watersalamander Bruine kikker

• In het onderzoeksgebied zijn beschermde soorten amfibieën vastgesteld.

• De aangetroffen soorten (Kleine watersalamander en Bruine kikker) behoren tot de beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Voor deze soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Een ontheffing is voor deze soorten niet nodig. • In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde vissoorten gevonden.

5.2

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: * Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten;

• Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. • Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van 'dicht' naar 'open' te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

13 weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving.

1V ■

i 8

A

3 E 920.

y 4

g9 1

é

2

478 E 4

31, 4

5 74

/,

823 X

Bruine kikker waargenomen in het plangebied nabij het ruigte- en bosperceel.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

14

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

6

BIJ 12, 2017. [Kennisdocumenten op www.bijl2.nl] Creemers, R.C.M., &J.C.W. van Delft (Ravon, Red.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Crombaghs, B.H.J.M., R.W. Akkermans, R.E.M.B. Gubbels & G. Hoogerwerf, 2000. Vissen in Limburgse beken. De verspreiding en ecologie van vissen in stromende wateren in Limburg. Maas­ tricht.

Delft, J.J.C.W. van, R.C.M. Creemers & A.M. Spitzen-van der Sluijs, 2007. Basisrapport Rode Lijst Amfibieën en Reptielen volgens Nederlandse en lUCN-criteria. Stichting RAVON, Nijmegen. Herder, J.E. J. Kranenbarg, D. Hoogenboom, J. Hamers & K. Dekker (red), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. Herder, J.E., J. Hamers & K. Dekker, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen 1980-2010. Landschap Noord-Holland, Heiloo / Stichting RAVON, Nijmegen. Herder, J.E., J. Kranenbarg, D.M. Hoogeboom, J. Hamers & K. Dekker, 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Land­ schap Noord-Holland, Heiloo / Stichting RAVON, Nijmegen.

Kranenbarg, J. & F. Spikmans. 2013. Achtergronddocument Rode Lijst Vissen 2011. Zoetwatervissen. Stichting RAVON, Nijmegen.

NIE, H.W. de, 1997. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. 2 e herziene druk. Doetinchem Nöllert, A. & C. Nöllert, 2001. Amfibieëngids van Europa. Tirion Uitgevers bv, Baarn.

Ravon werkgroep monitoring, 1997. Handleiding voor het monitoren van amfibieën in Nederland. Stichting RAVON, Nijmegen. Staatssecretaris van Economische Zaken, 2015. Besluit houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna. Staatscourant 2015, 36471.

Zimmerman, R., 2022. Natuurtoets zonnepark te Oosterhout. Toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming. G&Grapport 2022-242. Van der Goes en Groot, Alkmaar.

5,

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

15

7

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd.

In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1

Zorgplicht

Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat "een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijker­ wijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voor­ komen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken."

Bijlage 1.2 Soort bescherming Bijlage 1.2.1

Categorieën

Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn.

Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de 'andere soorten'. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de 'vrijgestelde soorten'. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkelingen inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 4.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Tabel 4. Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

Zoogdieren

Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

.1

2

3

4

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +l:geldt in de periode maart-april en juli t/m november

+2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

ZL

Zonnepark Oosterhout

Bijlage 1.2.2

Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen 'andere soorten' opzettelijk te doden of te vangen1

2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen ofte beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als 'andere soorten' (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied op­ zettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Bijlage 1.2.3

Ontheffingsmogelijkheid

Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaats­ vindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden over­ treden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goed­ gekeurde gedragscode.

De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden be­ oordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de 1

Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IVbij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan.

Bijlage 1.2.4

Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn:

Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig:

• in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. • in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. • ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig:

• ter bescherming van flora en fauna. • in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig:

• ter bescherming van flora en fauna. • in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. • in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. • ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5

Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaats­ vinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk.

Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van 'vaste rust- of verblijf­ plaatsen' en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën 'jaarrond beschermde broedvogels', categorie A t/m D, zie kader volgende pagina.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes D Vogelsoorten waarvan de nesten in D principe jaarrond zijn beschermd met B beschermingscategorie: c A = soorten die ook buiten het D broedseizoen het nest gebruiken als vaste B rust- of verblijfplaats, C B = koloniebroeders die elk broedseizoen C op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van C D bebouwing of biotoop, B C = soorten die elk jaar op dezelfde plaats C broeden en die daarin zeer honkvast zijn of D afhankelijk van bebouwing, A D = soorten die niet of nauwelijks zelf in D staat zijn een nest te maken. D

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken!

Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een 'omgevingscheck' is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provin­ cie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie E-soorten Er is nog een categorie met 'bijzondere' vogelsoorten (Categorie E) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als 'zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen'.

Bijlage 1.2.6

Gedragscodes

Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goed­ gekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogel­ soorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de 'andere soorten'.

Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschap­ pelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1

Natura 2000

Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.svnbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0

Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel 'Habitattoets' genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een 'passende beoordeling'. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

Als uit de 'Habitattoets' blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de 'externe werking'. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op 'wezenlijke kenmerken en waarden', het NNN kent geen toetsing op 'externe werking'. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2

Overige natuurwetgeving

Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de 'weidevogelleefgebieden' van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.

Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

Zie Bijlage 1.2.1

Komen er beschermde soorten voor in het gebied?

Geen ontheffing nodig

E

Zie Bijlage 1.2.2

Worden de verbodsbepalingen overtreden?

Geen ontheffing nodig

13

a

Geen ontheffing nodig

E

Is er een alternatieve oplossing mogelijk?

Doorloop het stappenplan opnieuw met het alternatief

4b

Zie Bijlage 1.2.3

Vallen de handelingen onder een vrijstelling?

a

Zie Bijlage 1.2.3

Is er sprake van een wettelijk belang?

Nee

4c

Geen ontheffing mogelijk

Is er een effect op de staat van instandhouding?

Geen ontheffing mogelijk

a

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk

kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 3 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Figuur 3. Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

Bijlage 1.5.1

Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

Zonnepark Oosterhout

ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:

• Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatieven­ studie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.

• Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevings­ vergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk 'aan te haken' bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de 'Wet algemene bepalingen omgevingsrecht' (Wabo). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat 'Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten'. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden.

De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naarde provincie die een 'Verklaring van geen bedenkingen' (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedrags­ codes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.

5

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-031

2

5,

A

56979 Hdi 1a,

7M0

..--79

6 "%

yg 1.

,g

«0)

-2 .2"

aBW

829

"2" m22

V " Me ez s-

-"t,-e

, -3

-.

e

6 •j

8s3 ■ A- --

•

H4j. 1

• *

-e

N-

20,° ..

—,2 ■

1

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

5.1,2,e 5.1,2,e

5.1,2,e 5.1,2,e

www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=c5ae880b-79d4-4804-b074-3149690cf93b