CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

geredigeerd Bijlage 5 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 23 mei 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Bespreekstuk: ZN1014386 raadsvoorstel herstelbesluit zonnepark A5936.187 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

5.3.2

Relatie tot ontwikkeling

Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta. In het kader van de te voeren planologische procedure is overleg gevoerd tussen initiatiefnemer en het Waterschap. De uitkomsten van dit overleg zijn verwerkt in deze waterparagraaf en waar nodig zijn de uitkomsten tevens verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan. Onderstaand wordt op de diverse wateraspecten ingegaan.

Waterkwantiteit Oppervlakteverhardinq Watercompensatie is nodig wanneer de toename van het verhard oppervlak in het buitengebied meer dan 2.000 m2 bedraagt. In dit geval geldt dat met de panelen geen netto verharding wordt toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Zonnepanelen worden in een schuine hoek geplaatst, waardoor hemelwater via de panelen de grond in kan stromen en de grond zich als onverharde grond blijft gedragen. Beheerpaden worden bovendien half verhard en daarmee waterdoorlatend uitgevoerd. De enige planonderdelen die daadwerkelijk voor een netto toename aan verharding zorgen, betreffen de noodzakelijke transformatorhuisjes. Naar inschatting op basis van de omvang van het park zijn daar ca. 17 van nodig. De verharding als gevolg daarvan is beperkt en blijft ruim onder de grens van 2.000 m2. Uitgaande van plaatsing van transformatoren in 20 ft containers van maximaal 15 m2, bedraagt de oppervlakteverharding ca. 340 m2. De centrale ontsluiting van het gebied vindt plaats via de bestaande infrastructuur langs de Hillenweg. De transformatoren worden langs de daarnaast gelegen watergangen gesitueerd, zodat zo min mogelijk nieuwe paden hoeven worden aangelegd. Voor beheer en onderhoud van de transformatoren is het nodig dat zij bereikbaar zijn.

Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de bestaande duikers ter plaatse van de watergangen, waarover een halfverhard pad wordt gecreëerd om de transformatoren te kunnen bereiken. Door deze beheer- en onderhoudspaden halfverhard worden uitgevoerd, leiden ze niet tot een zodanige toename van de oppervlakteverharding dat ze tezamen met de containers tot een overschrijding van de vrijgestelde 2.000 m2 leiden.

Grondwaterpeil Naar aanleiding van de inzet van de Werkgroep Biodiversiteit, wordt een peilopzet in het gebied overwogen, waarmee door vernatting van het gebied de toename van de biodiversiteit verder wordt versterkt. In verband met de diverse belangen die in dit gebied spelen, waaronder de belangen van de waterkeringen (zie hierna) en het mogelijk voorkomen in het gebied (de wateren) van de Grote modderkruiper, is het verhogen van het grondwaterpeil aan een nadere afweging onderhevig. Om dit mogelijk te maken is onder andere afstemming met het Waterschap Brabantse Delta nodig en zullen de nodige vergunningen dienen te worden aangevraagd. Dit traject doorloopt een separaat spoor. Ook de resultaten uit het soortgericht onderzoek naar de Grote modderkruiper en Alpenwatersalamander zijn mogelijk van invloed op de keuzes hieromtrent. Benadrukt wordt dat - ook indien de peilopzet op basis van de belangenafweging moet worden losgelaten - onverminderd sprake is van versterking van de biodiversiteit ter plaatse. Dit volgt uit het landschappelijk inpassingsplan, waarin de kaders daartoe gesteld zijn. De peilopzet draagt daar als extra ten opzichte van de landschappelijke inpassing aan bij, maar vormt daarvoor geen randvoorwaarde.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 61

Bodemerosie Bodemerosie is het (wegwaaien of) wegspoelen van de bovenste bodemlaag door wind of in dit geval (regen)water. Dit gebeurt meestal als de bodem onbegroeid is (zoals onbegroeid akkerbouwland). Begroeiing houdt met haar wortels de grond vast en bedekt met haar bladeren de bodem. Hierdoor stroomt minder water weg of stroomt het minder hard weg. Maatregelen als het aanleggen van kruidenrijk grasland, houtwallen en heggen gaat bodemerosie tegen. Erosie en uitspoeling kunnen een issue zijn als panelen vrij vlak en dicht aaneengesloten in de tafels liggen en de ruimte tussen rijen panelen nauw is. Ruimte tussen de panelen gaat bodemerosie tegen. Om dit tegen te gaan, is in het biodiversiteitsplan opgenomen dat ruimte tussen de paneelrijen wordt gehouden, alsook in de nok van de oost-westopstelling (30 cm) en voldoende brede naden tussen de panelen op de paneeltafels. Dit zorgt voor een behoorlijk gelijkmatige doorvoer van regenwater naar de bodem. Voorts wordt onder meer voorzien in kruidenrijk grasland als ondergroei. Bodemerosie wordt dan ook in afdoende mate tegengegaan. Waterkwaliteit Toepassing van uitloogbare materialen zoals lood, koper of zink wordt vermeden, zodat geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ontstaat.

Waterkeringen en oppervlaktewateren Voor dit onderdeel is de ‘Legger watersystemen’ van het waterschap Brabantse Delta geraadpleegd. Figuur 22 bevat een uitsnede van de leggerkaart, waarop waterkeringen, leggerwateren en overige relevante zaken zijn weergegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 62

figuur 22. Uitsnede Legger Watersystemen Waterschap Brabantse Delta (brabantsedelta.webgispublisher.nlA/iewer.aspx?map=Leggers_Brabantsedelta Verklaring P370

9

e.

)3

— Primaire waterkering

P)

■ Beschermingszone B

36-2

■ Beschermingszone a Waterstaatswerk

5

— Kade

— Waterkeringszone

e.

— Beschermingszone

Jl

P35

— Waterloop A P-

— Waterloop B

P35C

A Aanliggend perceel

o’

/ Afwijkende onderhoudsplicht

P

o

— Duiker

20

Waterkeringen Het projectgebied grenst direct aan waterkeringen en overlapt deels met de beschermingszones daarvan. Binnen deze beschermingszones worden geen panelen opgericht. Ditzelfde geldt voor de waterkering ter hoogte van het water de Kromgat ten oosten van het zonnepark. Door niet binnen de beschermingszones van de waterkeringen te bouwen, treden als gevolg van het zonnepark zelf geen effecten op die de werking van de waterkering negatief zouden kunnen beïnvloeden. Onderstaande figuur verduidelijkt dit, waarop de beschermingszones van de waterkeringen met de stippellijn zijn aangegeven. De panelen en overige objecten vallen hier buiten. figuur 23. Beschermingszones ten opzichte van invulling plangebied (bron: Smartland Landscape Architects)

ZONNEPARK A59 OOSTERHOUT WATEREN, PRIMAIRE WATERKERING en VRLWARI NGSZONE S

Donge buitendijks

primaire waterkering-

Donge

' ■ vrijwaringszones pflmaue waterkering AenB

\ Kromgat

B watergang

)

Amertak

A watergang

S

- A watergang

Wel is het binnen delen van de beschermingszones nodig te voorzien in passende maatregelen ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing. Daarbij wordt tevens een combinatie gezocht met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en versterking van de biodiversiteit ter plaatse. In overleg met het waterschap wordt nader vastgesteld op welke wijze daarbij rekening kan worden gehouden met de

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 63

belangen van de waterkeringen. Daarbij zal gezamenlijk worden gezocht naar toepassingen die passen binnen dit gebied, rekening houdend met de waterstaatskundige belangen enerzijds en de specifieke kenmerken van de locatie anderzijds. Daarbij mag het belang van een goede landschappelijke inpassing niet uit het oog worden gelaten. Het waterschap zal daarbij adviseren over de doelsoorten van de Ecologische Verbindingszone en de geschikte/gewenste plantensoorten. Waar mogelijk worden deze adviezen meegenomen in het ontwerp. In aanvulling daarop heeft het waterschap kenbaar gemaakt graag te willen participeren in de Werkgroep Biodiversiteit die is opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling. Initiatiefnemer draagt er zorg voor dat het waterschap in de communicatie omtrent deze werkgroep wordt betrokken. Op het moment dat overeenstemming is bereikt over de invulling van de beschermingszones, wordt indien nodig een watervergunning aangevraagd. Deze vergunning is nog niet nodig voor deze planologische procedure.

Oppervlaktewateren en duikers Binnen de projectlocatie zijn twee A-watergangen en diverse B-watergangen gelegen. Daarnaast wordt een deel van de zuidzijde van het projectgebied begrensd door een A-watergang. Beschermingszones liggen enkel langs de A-watergangen, deze zones bedragen 5 meter aan weerszijden van het water. Aan de zijde van het projectgebied wordt langs de zuidelijke A-watergang voorzien in een groenzone ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Panelen of andere objecten worden hier niet voorzien. Voor de A-wateren langs de Hillenweg, geldt dat onderhoud daaraan hoofdzakelijk plaatsvindt vanaf de Hillenweg. Ook aan de zijden van de panelenvelden, wordt echter rekening gehouden met de beschermingszones. Van panelen of andere belemmerende objecten binnen deze zones is geen sprake.

Voor de bereikbaarheid van de transformatoren wordt gebruik gemaakt van toegangen via de bestaande duikers. Het waterschap heeft als harde voorwaarde gesteld dat duikers die niet worden gebruikt voor het zonnepark worden verwijderd. Aan deze voorwaarde zal worden voldaan. Op het moment dat sprake is van duikers die voor het toekomstige gebruik van het plangebied niet noodzakelijk zijn, zullen deze worden verwijderd. Of en welke dit zullen zijn, is mede afhankelijk van de aannemer en de onderhoudspartij. Voor het verwijderen van duikers is op grond artikel 3.1 van de Keur een watervergunning benodigd. Een vrijstelling op grond van de Algemene regels is hier niet van toepassing, omdat het een A-watergang betreft en dit water niet enkel ten behoeve van het eigen gebruik is. Te zijner tijd zal voor deze activiteit een watervergunning worden aangevraagd. Deze vergunning is nog niet nodig in het kader van deze planologische procedure.

RWZI Dongemond en rioolpersleiding Aan de zuidzijde van het projectgebied ligt de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond van het Waterschap Brabantse Delta. De waterzuiveringsinstallatie en het zonnepark ondervinden in principe geen hinder ten opzichte van elkaar. In overleg met het waterschap zal worden onderzocht in hoeverre er risico’s kunnen ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld gasvorming afkomstig van de zuiveringsprocessen. Deze risico’s worden vooralsnog echter niet verwacht.

Door het uiterste zuidoostelijke puntje van het projectgebied, loopt een rioolleiding die richting de RWZI voert. Het betreft een 700 asbestcement persleiding ten behoeve van de af-/aanvoer van afvalwater, waar een vrije zone langs weerzijden van 5 meter gewenst is. Met deze zone is rekening gehouden in het ontwerp.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 64

figuur 24. Aanduiding rioolpersleiding door projectgebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

I

N nUu0

m

Voor de panelen die in het puntje liggen is het wel van belang dat ze betrokken kunnen worden bij de rest van het panelenveld. Hiertoe is een kabelverbinding nodig die de rioolpersleiding bij voorkeur bovenlangs kruist. Werken of objecten boven de rioolpersleiding zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij wordt voldaan aan de ‘Voorwaarden betreffende de Uitvoering en instandhouding van Werken’ (V.U.W. 2004) van het Waterschap Brabantse Delta. Conform onderdeel 2.7 van deze voorwaarden dient een kruising met een afvalwatertransportleiding te geschieden met een niveauverschil van minimaal 50 cm ten opzichte van de afvalwatertransportleiding. Hiertoe is een watervergunning nodig. Voor de graafwerkzaamheden geldt dat een graafmelding moet worden gedaan. Graafwerkzaamheden op een afstand van meer dan 50 cm tot de leiding mogen mechanisch plaatsvinden. Indien de werkzaamheden op kortere afstand dan 50 cm plaatsvinden, dienen ze handmatig te worden uitgevoerd. Met voornoemde voorwaarden en vergunningplicht wordt rekening gehouden. Belemmeringen worden niet voorzien.

5.3.3

Conclusie

Binnen en rondom het plangebied spelen diverse waterbelangen. Overleg met het Waterschap Brabantse Delta heeft enkele keren plaatsgevonden. De input vanuit deze overlegmomenten is verwerkt in de waterparagraaf. Op een aantal onderdelen vindt nog nader overleg plaats. Voor enkele onderdelen, zoals het verwijderen van duikers en werken binnen beschermingszone A van een primaire waterkering, is een watervergunning nodig. Datzelfde geldt voor de mogelijke peilopzet in het gebied. Door rekening te houden met de belangen en waar nodig maatregelen te treffen of ontwerpkeuzes te maken, is echter geen sprake van significant negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het wateraspect vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

5.4.1

Algemeen

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 65

In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. tabel 1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering milieucategorie

richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk

richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0 m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m 50 m

3.2

100 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied.

5.4.2

Relatie tot ontwikkeling

In de handreiking is een zonnepanelenpark niet opgenomen. Bij de zonnepanelen worden meerdere omvormers en transformatoren geplaatst. De activiteit zou daardoor vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, 10-100 MVA. De activiteit valt dan in milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter in verband met het aspect geluid. Dit betekent dat 50 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid. Binnen een straal van 50 meter ten opzichte van de grens van het zonnepark is geen sprake van bestaande of geprojecteerde (agrarische) woningen. De kortste afstand tot woningen bedraagt ca. 490 meter. Het betreft de zuidelijk gelegen bedrijfswoningen aan de Statendamweg. Omliggende bedrijven in het gebied ondervinden eveneens geen hinder als gevolg van een zonnepanelenpark, het park vormt daarmee geen belemmering in de bedrijfsvoering van deze bedrijven.

5.4.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

(Externe) Veiligheid

5.5.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 66

Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriêntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

5.5.2

Relatie tot ontwikkeling

In deze situatie geldt dat een zonnepanelenpark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid. De voorgenomen activiteit zelf is bovendien ook geen risicovolle activiteit. Wel spelen er een aantal onderwerpen in (de omgeving van) het projectgebied die hieronder worden beschouwd.

Hoogspanningsverbinding Nabij het projectgebied ligt een ondergrondse hoogspanningsverbinding. Op grond van het voorbereidingsbesluit ‘Zuid-West 380 kV Oost (Rilland - Tilburg), geldt het voornemen deze ondergrondse hoogspanningsverbinding uit te breiden tot een capaciteit van 380 kV. Tijdens de toets aan het geldende planologische regime zijn de eventuele gevolgen van deze verbinding voor de ontwikkeling in kaart gebracht. Hieruit is gebleken dat de gronden voor een zeer beperkt deel overlappen met het tracé van de hoogspanningsverbinding. Ter plaatse worden geen objecten of bouwwerken geplaatst die de werking van de hoogspanningsverbinding kunnen belemmeren, er wordt enkel voorzien in een groenstrook in het kader van de landschappelijke inpassing. Behalve enkele beperkingen ten aanzien van het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werkzaamheden op de gronden waar het tracé overlapt met de plangrens, gelden er geen bijzondere beperkingen of bepalingen op basis waarvan een zonnepark ter binnen het projectgebied niet mogelijk is. Hogedruk aardgasleiding Op circa 500 meter ten zuidoosten van het projectgebied, ligt een hogedruk aardgastransportleiding.

Voor zover een zonneveld invloed heeft op (bijvoorbeeld de kathodische bescherming van) gasleidingen, kan worden gesteld dat de betreffende leiding op zodanig grote afstand tot het zonneveld ligt, dat geen veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan.

Overleg Brandweer Midden- en West-Brabant In het kader van de planontwikkeling is op 28 september 2020 overleg gevoerd met de Brandweer Middenen West-Brabant. Naast de algehele veiligheid op deze locatie zijn recente ontwikkelingen rondom brand bij zonnepanelen in het landelijk gebied hier aanleiding toe geweest. De situatie waaraan wordt gerefereerd betreft een brand in een bollenschuur binnen de gemeente Hollands Kroon, waarna glasscherven in het landelijk gebied terecht zijn gekomen. Om een vergelijkbare situatie binnen voorliggend planinitiatief zo veel mogelijk te voorkomen, is onderzocht in hoeverre hier op voorhand rekening mee kan worden gehouden en welke maatregelen getroffen kunnen worden op het moment dat zich een calamiteit voordoet.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 5.1,2,e

Risico's brandveiligheid en cumulatieve werking Vooropgesteld wordt dat, ook volgens de brandweer, geen cumulatieve werking wordt verwacht als gevolg van de combinatie van zon en wind binnen voorliggend planinitiatief. Eventuele risico’s versterken elkaar in dit geval niet, waardoor er geen nadeligere situatie ontstaat indien beide ontwikkelingen tot uitvoering komen. Door de brandweer is aangegeven dat de risicoveroorzakende elementen met name gelegen zijn in de trafostations/omvormers en daarnaast in het slecht onderhouden van groenzones, bijvoorbeeld indien daardoor droogte ontstaat. Actieve monitoring en goed beheer en onderhoud is noodzakelijk om dit te voorkomen. Maatregelen bij calamiteit Met de brandweer is afgestemd op welke wijze het zonnepark kan worden afgeschakeld indien zich een brand voordoet. Daarnaast zijn diverse opties besproken voor de toegankelijkheid van het terrein voor de brandweer. Tevens dient in het ontwerp rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid voor de brandweer(wagens) en voldoende bluswater. Voor de bereikbaarheid is onder andere een toereikende keerlus noodzakelijk voor de tankautospuit, rekening houdend met de draaicirkel daarvan (3,5 meter binnenbocht en 5,5 meter buitenbocht). Daarvoor worden in het ontwerp diverse mogelijkheden gezien.

Een optie is het verruimen van het pad richting het DNO koppelstation, gelegen binnen de plangrenzen maar buiten het hekwerk, aan de zuidzijde van het projectgebied. Indien de windturbines tot ontwikkeling komen bieden ook de daartoe gereserveerde kraanopstelplaatsen voldoende ruimte om een toereikende keerlus te faciliteren.

Om te voorzien in voldoende bluswater worden diverse mogelijkheden onderzocht. De bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van zowel de bereikbaarheid van de locatie zelf als van bluswater. In goed overleg met de brandweer en eventuele andere partijen zal tot een oplossing worden gekomen voor dit project. Er wordt daarom zorg voor gedragen dat de brandweer ook in de verdere planontwikkeling betrokken blijft, zodat te nemen maatregelen op de juiste wijze in de plannen worden geïntegreerd.

Depositie en het opruimen daarvan Indien zich een brand voordoet is het niet uitgesloten dat depositie van materiaal in de omgeving plaatsvindt. Naar aanleiding van de brand in Hollands Kroon zijn kamervragen gesteld ten aanzien van veiligheids- en gezondheidsrisico’s als gevolg van brand bij zonnepanelen. In de beantwoording van de kamervragen9 op 25 september jl. is de Minister van Economische Zaken en Klimaat onder andere op dit onderwerp ingegaan. Daaruit blijkt dat het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) in 2019 een verkenning van de veiligheidsrisico's als gevolg van de energietransitie heeft gepubliceerd10. Daarin hebben zij ook melding gemaakt van de gezondheidsrisico's van branden met zonnepanelen. In zonnepanelen bevinden zich verschillende stoffen. Bij brand kunnen toxische verbrandingsproducten vrijkomen, grotendeels stoffen die ook bij gebouwbranden vrijkomen, waarmee bij de brandbestrijding rekening moet worden gehouden. Een gevaar voor de omgeving door schadelijke stoffen vanwege brandende PV-panelen wordt in de verkenning aangehaalde onderzoeken van het IFV uitgesloten. Ook de brandweer heeft in het overleg van 28 september 2020 aangegeven dat geen sprake is van het vrijkomen van stoffen die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. Van additionele gezondheidsrisico’s, anders dan die bij elke brand aan de orde kunnen zijn, is dan ook geen sprake.

Voorts is aangegeven dat indien depositie van materiaal plaatsvindt in de omgeving, dit wordt (op)geruimd door de brandweer.

1 9

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/25/beantwoording-kamervragen-over-vrijkomen-glasscherven-bijbrand-zonnepanelen 10 https://www.ifv.nl/kennisplein/Documents/20200114-IFV-lnternationale-verkenning-energietransitie.pdf

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 68

Biogasinstallatie en -opslag RWZI Ter plaatse van de RWZI Dongemond is een biogasinstallatie en -opslag aanwezig. Om te onderzoeken in hoeverre er risico’s kunnen ontstaan als gevolg van de aanwezigheid hiervan in de nabijheid van een zonnepark, is in overleg getreden met het Waterschap Brabantse Delta. Uit het explosieveiligheidsdocument van de RWZI Dongemond blijkt dat de gevarenzones zich niet buiten de terreingrens bevinden. Van een risico op het voorkomen van brandbaar of explosief gas ter plaatse van de geplande zonnepanelen is daarmee geen sprake. Het veiligheidsdocument is opgenomen als bijlage 7 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

5.5.3

Conclusie

(Externe) veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Elektromagnetische straling

5.6.1

Algemeen

Rondom hoogspanningsleidingen en antennes is sprake van straling. Deze straling kan negatieve effecten met zich meebrengen op de gezondheid. Dergelijke zaken kunnen ook gelden voor zonnepanelen en overige technische toepassingen. Het is daarom van belang te beoordelen of straling veroorzakende objecten in de buurt van woningen of andere gebouwen waarin personen gedurende een langere tijd verblijven worden gerealiseerd.

5.6.2

Relatie tot ontwikkeling

Het elektromagnetisch veld dat zonnepanelen opwekken is erg zwak (laagspanning). Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor wisselstroom is een omvormer nodig. De omvormer zorgt wel voor een magnetisch veld. Dat veld ligt echter ruim onder de blootstellinglimiet van 100 microtesla", zoals vastgesteld door de internationale commissie International Commission on Non-lonizing Radiation Protection. Dit betekent dat, zolang ruim onder deze limiet gebleven wordt, omwonenden voldoende beschermd zijn tegen de bekende gezondheidsrisico’s. Daarbij wordt opgemerkt dat in de blootstellingslimieten middels een veiligheidsmarge rekening is gehouden met de onzekerheden die in het wetenschappelijk onderzoek zitten. Verder geldt dat de sterkte van het elektromagnetisch veld afneemt bij toenemende afstand. Een vuistregel is dat als de afstand twee keer zo groot wordt, de sterkte van het veld ongeveer vier keer zo laag wordt.

5.6.3

Conclusie

De elektromagnetische straling van het zonnepark vormt geen gezondheidsrisico’s voor de omgeving, omdat de straling van omvormers ruim onder de blootstellingslimiet ligt. Van belemmeringen is daarom geen sprake.

5.7

Lichtreflectie

5.7.1

Algemeen

Een van de ruimtelijke aspecten die bij de oprichting van zonneparken van belang kan zijn, is de reflectie van zonlicht. Het grootste deel van het zonlicht dat op de panelen terecht komt wordt geabsorbeerd. De energie die hieruit komt wordt omgezet in elektriciteit en warmte. De toplaag van zonnepanelen is echter gemaakt van glas. Hierdoor wordt ook een klein deel van het zonlicht gereflecteerd.

Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat geen specifiek beleid of regelgeving. Voor hinder voor omwonenden geldt echter dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het in standhouden van

1 ■n

bron: Kennisplatform ElektroMagnetische 5.1,2,e

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 69

een goed woonklimaat alle relevante aspecten moeten worden meegenomen. Reflectiehinder kan in dit kader worden beschouwd. Ook met het oog op verkeersveiligheid (met name weg- en luchtvaartverkeer), is lichtreflectie een relevant aspect om in ogenschouw te nemen.

Onderzoek In het verleden zijn in verband met de oprichting van zonneparken diverse onderzoeken uitgevoerd naar lichtreflectie, zowel in Nederland als in andere Europese landen. Een belangrijk onderzoek waar concrete conclusies uit kunnen worden getrokken betreft een onderzoek in het kader van de oprichting van een zonnepark in het Verenigd Koningrijk. Uit dit onderzoek (Visual Impact Assessment, Capital Solar Farm, december 2010) blijkt dat de panelen tussen de 82-90% zonlicht absorberen. Daaruit komt logischerwijs dat de weerkaatsing 10-18% bedraagt. Een dergelijke reflectie van zonlicht wordt voor de luchtvaart niet als hinderlijk ervaren. Daarnaast is reflectie van 10-18% minder dan typische landelijke gebieden met een reflectie van 15-30%. In onderstaande grafiek wordt de vergelijking getrokken tussen de relflectie afkomstig van panelen ten opzichte van andere materialen of landschapselementen. Hieruit blijkt dat alleen asfalt minder lichtreflectie kent. figuur 25. Lichtreflectie zonnepaneel en andere veel voorkomende materialen (bron: Visual Impact Assessment, VK, Capital Solar Farm, dec. 2010)

100

75

I

50

25

0

■ Asphalt ■ Rural Environment

5.7.2

■ Solar Panel ■ Graas

■ Forest ■ Water

Crops/Grassland Fresh Snow

Relatie tot ontwikkeling

Aangezien van de zonnepanelen minder lichtreflectie uitgaat dan van andere veel voorkomende materialen, landschappen of landschapselementen rondom of in de nabijheid van zonneparken in het buitengebied, kan worden geconcludeerd dat eventuele reflectie afkomstig van panelen niet tot extra of andere hinder leidt ten opzichte van de huidige situatie. Verder is de eventuele hinder als gevolg van lichtschittering nog afhankelijk van de stand van de zon aan de hemel, de oriëntatie en opstellingsrichting van de panelen en de locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen. De verdiepte ligging van het zonnepark ten opzichte van de omliggende wegen speelt daarbij een belangrijke rol. Tevens worden de panelen voorzien van een anti-reflecterende coating. Gelet op de situering van het plangebied in de landelijke omgeving is het aantal potentieel gehinderden bovendien zeer beperkt.

5.7.3

Conclusie

Zowel omwonenden als het (luchtvaart)verkeer, ondervinden gelet op het voorgaande geen significant nadeligere hinder ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van de komst van het zonneveld.

5.8

Aansluiting op het net

In samenwerking met Enexis is er gekeken naar een aansluiting van het zonnepark op het net via het onderstation Geertruidenberg in Geertruidenberg. Daarbij is oog voor de netwerkcapaciteit, rekening

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 70

houdend met overige initiatieven in de omgeving. Dit onder andere naar aanleiding van de recent aangenomen motie, op basis waarvan dient te worden onderzocht in hoeverre er naast de realisatie van zonneparken nog ruimte12 Voor het plan heeft Enexis kenbaar gemaakt de benodigde capaciteit op het net te kunnen reserveren. Daartoe is een reserveringsovereenkomst getekend.

5.9

Geluid

5.9.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient, afhankelijk van het soort functie, een beoordeling plaats te vinden in het kader van geluid. Daarvoor zijn de Wet geluidhinder en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer van belang. Wet geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: • woningen; • onderwijsgebouwen; • ziekenhuizen; • verpleeghuizen; • verzorgingstehuizen; • psychiatrische inrichtingen; • kinderdagverblijven.

Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Activiteitenbesluit milieubeheer Wanneer inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer worden gerealiseerd, dient er zorg voor te worden gedragen dat deze geen onacceptabele hinder richting de omgeving veroorzaken. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn daarom normen opgenomen waaraan een inrichting dient te voldoen. Daarbij gelden verschillende normen voor de dag-, avond- en nachtperiode.

5.9.2

Relatie tot ontwikkeling

Met de realisatie van een zonnepanelenpark wordt geen geluidsgevoelige functie gerealiseerd, waardoor de Wet geluidhinder niet van toepassing is op het project. De in het bestemmingsplan opgenomen geluidszone in verband met industrie vormt daarmee eveneens geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Een zelfstandige zonneweide is geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Alleen in uitzonderlijke gevallen zouden ze tot een inrichting gerekend kunnen worden. Bijvoorbeeld wanneer de zonnepanelen worden opgericht binnen de grenzen van een bestaande inrichting (zoals een tankstation of bedrijventerrein), of wanneer de transformatoren meer dan 200 MVA distribueren. De grondslag hiervoor is terug te vinden in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Zonneparken vallen niet onder één van de categorieën van bijlage I, onderdeel C van het Bor. Transformatorstations zijn hierin wel opgenomen, maar op grond van categorie 20.1, onder b van Bijlage I, onderdeel C van het Bor geldt dat het moet gaan om:

1 12

Motie ‘Voorrang zon op dak’, d.d. 13 november 2020.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 71

transformatoren met een gelijktijdig in te schakelen thermisch vermogen van meer dan 200 MVA; die tevens niet in een afgesloten gebouw zijn geplaatst. In dit geval is sprake van trafo’s die in een afgesloten bouwwerk worden geplaatst. Daarnaast ligt het distributievermogen ruim onder de grens van 200 MVA. Een andere situatie waarin een zonnepark als Wm-inrichting dient te worden beschouwd, is indien de panelen bij een Wm-inrichting staan opgesteld, bijvoorbeeld bij een tankstation. Dan vormen ze onderdeel van de inrichting en zijn de voorwaarden en normen uit het Activiteitenbesluit van toepassing.

Nu geen sprake is van een park met een transformatorvermogen van 200 MVA of meer en het zonnepark geen onderdeel uitmaakt van een reeds bestaande Wm-inrichting, is het Activiteitenbesluit niet van toepassing op het project. Akoestisch onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit is dan ook niet nodig.

Overige geluidsaspecten Door de aanwezigheid van het zonnepark zal het geluidsniveau in het gebied niet significant toenemen. Een zonnepak bestaat uit zonnepanelen, draagconstructies, kabels en omvormers die nauwelijks geluid produceren. Een geluidsstudie voor het Shell zonnepark in Moerdijk heeft dit laten zien.13 Daarnaast is het niet aannemelijk dat het zonnepark het geluid van de A59 en de windturbines waarneembaar zal versterken. Een studie in Overbetuwe naar de geluidsoverdracht van wegverkeersgeluid heeft geconcludeerd dat versterking van het geluid door het zonnepark met menselijk oor niet waarneembaar is.14 De bouw van het zonnepark zal circa 6 maanden duren en kan tijdelijk leiden tot extra geluid door het vervoer van materialen en de bouw en het installeren van de draagconstructie voor de panelen. Dit is echter tijdelijke hinder, waarbij gelet op de afstand tot woningen in de omgeving bovendien niet verwacht wordt dat deze hinder waarneembaar is. De meest nabijgelegen woonfuncties betreffen in dit geval bedrijfswoningen langs de Statendamweg, op een afstand van ca. 490 meter ten opzichte van de zuidgrens van het zonnepark.

5.9.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1

Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM).

In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken

1 13

Peutz, 25 Oktober 2017, 5.1,2,e - Geluid ten gevolge van vier transformatorhuisjes behorende bij de uitbreiding van zonneweiden 14 LBP Sight, 19 September 2018, Zonnepark Overbetuwe - Effect op geluidsoverdracht verkeerslawaai

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 72

dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PMw. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (ug/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

5.10.2

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de aanleg van een zonnepark. De zonnepanelen leveren duurzame energie voor ruim 17.000 huishoudens en hebben een CO2-reductie van 28.000 ton per jaar als gevolg. Er vindt geen uitstoot plaats van (schadelijke) stoffen door het park zelf of door het aan het park gerelateerde vervoersbewegingen. Het park heeft bovendien nagenoeg geen verkeersaantrekkende werking.

5.10.3

Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

5.11

Natuur

5.11.1

Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben voor instandhouding van de beschermde soort.

Natuurnetwerk Nederland Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

5.11.2

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn door de jaren heen diverse natuurstudies uitgevoerd. Het gaat om:

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 73

Quickscan Wet natuurbescherming, Van der Goes & Groot, kenmerk QS2018-86, oorspronkelijk opgesteld in 2018, geactualiseerd 12 mei 2020. Natuurtoets, Van der Goes & Groot, kenmerk 2022-242, d.d. 13 december 2022. Memo herbeoordeling/expert judgement n.a.v. beroep Milieuvereniging Oosterhout, d.d. 24 maart 2023. Berekening stikstofdepositie aanleg- en gebruiksfase, Cauberg-Huygen, d.d. 12 april 2023 (actualisatie diverse voorgaande versies).

Op de diverse onderdelen (gebieds- en soortenbescherming) wordt hierna nader ingegaan. Soortenbescherming Gelet op de historische waarnemingen en kenmerken van de locatie, zijn de volgende soorten van belang, waarbij per soort wordt aangegeven in hoeverre het projectgebied geschikt is en al dan niet nader onderzoek vereist is: • Vogels: Omdat geen geschikte bebouwing aanwezig is en er geen nesten of sporen werden aangetroffen in de aanwezige bomen binnen het plangebied, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten hun nest of vaste rustplaats hebben binnen het plangebied. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Buizerd. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Buizerd, Roek, Havik, Ooievaar), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en deze vogels kunnen gemakkelijk uitwijken. Indien rekening gehouden wordt met het broedseizoen (hetgeen goed in te passen is in de uitvoering), is geen nader onderzoek vereist.

Omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen en geen (grote) nesten werden aangetroffen in de aanwezige bomen is binnen het plangebied geen potentie aanwezig voor categorie 5-soorten. Voor de Torenvalk (cat.5) zijn op dit moment geen mogelijkheden om te broeden vanwege het ontbreken van grote nesten of speciale nestgelegenheden. Nader onderzoek naar de categorie 5-soorten is niet vereist.

Bever: Het plangebied is niet geschikt voor de Bever. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig. Bunzing e.a.: Het is mogelijk dat incidenteel een Bunzing of andere kleine marterachtige het plangebied gebruikt als jachtterrein of om langs te trekken. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. Het plangebied biedt, onder andere vanwege deze redenen, geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen en de dieren kunnen gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

Vleermuizen: In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat ter plaatse geen geschikte bebouwing is en omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bomen. Het plangebied is wel geschikt voor foeragerende vleermuizen. Omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is, worden geen negatieve effecten verwacht. Na uitvoer van de plannen zal het gebied opnieuw kunnen dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Vanwege het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen of brede rietkragen binnen het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen. Men dient wel rekening te houden met de aanwezige vliegroute naast het plangebied (de bomenrij ten oosten van

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 74

het plangebied) als er eventueel verlichting op het terrein wordt gerealiseerd, maar daarvan is geen sprake en indien dergelijke (nacht)verlichting wel noodzakelijk is, kan deze vleermuisvriendelijk worden uitgevoerd. Nader onderzoek is niet vereist. Grote modderkruiper: In de omgeving van het plangebied is in het verleden een Grote modderkruiper aangetroffen. Vanwege het voorkomen van Grote modderkruiper in de omgeving in vergelijkbaar water als aanwezig langs een aantal van de percelen in het plangebied, is niet uit te sluiten dat deze soort kan voorkomen. Omdat het doel is stuwen te plaatsen zodat daarmee het waterpeil wordt verhoogd, geldt wel dat wateren ‘substantieel’ kunnen wijzigen, zodat nader onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is niet eerder uitgevoerd, omdat de peilverhoging eerder geen integraal onderdeel uitmaakte van de planvorming. Ook nu is de peilopzet nog onderwerp van een integrale belangenafweging tussen niet alleen het natuuraspect, maar zeker ook de waterbelangen van het waterschap in relatie tot de waterkeringen. Om inzicht te krijgen op de effecten van de mogelijke peilverhoging op de Grote modderkruiper, is nader onderzoek in gang gezet. De resultaten worden omstreeks eind april verwacht.

Alpenwatersalamander: Voor de Alpenwatersalamander geldt hetzelfde als voor de Grote modderkruiper. Daarnaast is het verwijderen van het bosje mogelijk van invloed op salamanders die het bosje als landbiotoop gebruiken. De resultaten hiervan worden omstreeks eind april verwacht. IJzer- en kalkrijke kwel Op de locatie komt ijzer- en kalkrijke kwel naar boven, waardoor dit mogelijk de plek is voor zeldzame plantengemeenschappen. In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen. Tevens werden binnen het plangebied geen rode lijstsoorten en SNL soorten waargenomen (NDFF 2008-2023). In de huidige situatie heeft het plangebied voornamelijk een landbouwfunctie. Tijdens de aanwezigheidsfase van het zonnepark zal waarschijnlijk geringere uitstoot zijn, doordat het land niet meer door landbouwvoortuigen wordt bewerkt. Wanneer de vermesting afneemt zal dit een positief effect hebben op plantgemeenschappen met een voorkeur voor een voedselarmere situatie.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het meest dichtstbijzijnde gebied betreft de Biesbosch op ca. 3,8 km. Gelet op deze afstand en de aard van de ontwikkeling, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht als gevolg van de plannen als gevolg van lichthinder, optische verstoring of anderszins. figuur 26. Natura 2000-gebieden omgeving projectgebied (https://www.synbiosys.alterra.nl/) A27

Nationag:

Purk oBlesbosch

ƒ

Bjesbosch

A27 N283 21-

A27

---- 35=

-36—

*2

Langstraat

A27

0

A59

A59

-31

Kaatsheuv

I 9

Oosterhout

N285

Mees Ruimte & Milieu | 21433

A27

17

Dongen

Pagina | 75

Ten aanzien van stikstof is door Cauberg-Huygen een stikstofdepositieberekening uitgevoerd van zowel de aanleg- als van de gebruiksfase. Daarbij geldt dat voor de gebruiksfase, naast de gebruikelijke gegevens ten aanzien van technisch onderhoud en beheer, ook het beheerplan van de groenelementen binnen het plan als input heeft gediend. De berekeningen tonen dat in beide fases geen overschrijding plaatsvindt van de grenswaarde voor stikstof (0,00 mol/ha/jr). De notities zijn toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Natuurnetwerk Nederland De Natuurtoets gaat dieper in op de externe werking van de ontwikkeling op het natuurnetwerk en de storingsfactoren die daarbij een rol kunnen spelen, zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, optische verstoring of anderszins. De Natuurtoets is uitgevoerd omdat de quickscan onvoldoende informatie bevatte rondom dit onderwerp. De conclusies uit de quickscan blijven echter ook na uitvoering van de Natuurtoets - onverminderd overeind, zie p. 33 van de Natuurtoets:

“Aanleg en aanwezigheid van Zonnepark A59 te Oosterhout zal de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen NNN-gebied niet aantasten. De getoetste storingsfactoren hebben geen of geen belangrijk negatief effect op de beheertypen van de naastgelegen NNN-gebieden. De aanleg van het zonnepark heeft geen of geen belangrijk negatief effect op de bodem en watercondities en de belevingswaarden van het nabijgelegen NNN-gebied." figuur 27. NNN t.o.v. projectlocatie (rood) (bron: uitsnede natuurtoets Van der Goes & Groot d.d. 13 december 2022)

5 3

\ \ \\ --

NNB Ecologische Verbindingszones

Rijksbeleidskaart - Natura2000

7 5

.. —e

Natuur Netwerk Brabant

__ L___ 5.11.3

Conclusie

Gelet op de aard van de ontwikkeling is geen sprake van negatieve effecten op beschermde gebieden zoals het NNN en Natura 2000. Van depositiewaarden van meer dan 0,00 mol/ha/jr en een vergunningplicht in het kader van de Wnb is geen sprake. Het plangebied is mogelijk geschikt voor een aantal beschermde soorten. Niet voor alle soorten is nader onderzoek vereist, omdat de ingrepen geen negatieve invloed op de soorten teweeg brengen. Voor de grote modderkruiper en de alpenwatersalamander is dit onderzoek wel in gang gezet. De resultaten worden omstreeks eind april verwacht. Mogelijk leidt dit tot de noodzaak een ontheffing in het kader van de Wet

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 76

natuurbescherming aan te vragen, maar dit staat de uitvoerbaarheid van het initiatief, mede gelet op het groot openbaar belang dat ermee wordt gediend, niet in de weg. Het aspect ecologie vormt gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.12

Bodem

5.12.1 Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voorde bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

5.12.2

Relatie tot ontwikkeling Het huidige gebruik van de betreffende locatie is agrarisch. Het toekomstig gebruik van de gronden is voor een zonnepark en betreft geen bodembedreigende activiteit. De gronden zijn geschikt voor het beoogde gebruik, er is immers geen sprake van toekomstige gebruikers (zoals bewoners) die in aanraking kunnen komen met eventueel vervuilde grond. In het kader van de planologische procedure is daarom geen bodemonderzoek noodzakelijk. In het kader van de bouwaanvraag wordt bovendien geconcludeerd, dat indien de gronden geschikt zijn om bieten en andere voor consumptie bestemde gewassen te verbouwen, de gronden tevens geschikt zijn om in te werken.

5.12.3

Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

5.13

(Vormvrije) m.e.r-beoordeling

5.13.1

Algemeen

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 77

5.13.2

Relatie tot ontwikkeling

De ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark op agrarische gronden. De realisatie van zonneparken wordt niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Desalniettemin is alsnog voorliggende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Enerzijds om de vrees weg te nemen dat belangrijke (negatieve) milieueffecten worden gemist. Anderzijds ten behoeve van een extra waarborg van een goede ruimtelijke ordening. De aanmeldnotitie geeft inzicht in de potentiële milieueffecten. Op basis van de aanmeldnotitie, neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Van significant negatieve effecten die een m.e.r.-beoordeling of MER-procedure rechtvaardigen, is geen sprake. De aanmeldnotitie is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 5.13.3

Conclusie

Op basis van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt het bevoegd gezag verzocht te besluiten dat de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet MER-plichtig is..

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 78

6

Beschrijving uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Eneco heeft de ambitie al in 2035 klimaatneutraal te zijn niet alleen in haar eigen activiteiten maar ook in de energie die Eneco levert aan haar klanten Vanuit deze missie werkt Eneco aan duurzame energieprojecten. Het Energiepark A59 (combinatie van wind en zon) draagt bij aan de realisatie van deze lange termijn strategische doelen. Eneco is een van Nederlands grootste energieleveranciers en heeft daardoor de benodigde kennis en kunde alsmede ruim voldoende financiële draagkracht om het zonnepark te ontwikkelen en exploiteren. Ten behoeve van de ontwikkeling van het zonnepark wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen gemeente Oosterhout en Eneco Solar. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer. Ook andere (financiële) zaken, zoals de onderlinge rolverdeling, verplichting tot ontmanteling bij beëindiging exploitatie en overige algemene verplichtingen worden daarin vastgelegd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Maatschappelijke meenvaarde en sociale participatie

Eneco Solar onderzoekt de mogelijkheden om zo veel mogelijk lokale bedrijven en waar mogelijk ook mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, te betrekken bij de aanleg en beheer van het zonnepark. Dat zou kunnen met sociale werkvoorziening.

Eneco Solar zal daarnaast bijdragen aan een duurzaamheidsfonds, dat door de gemeente wordt ingesteld en beheerd. Doelstellingen zullen gericht zijn op duurzame, sociale en maatschappelijke projecten. In de anterieure overeenkomst wordt de afdracht in onderlinge afstemming overeengekomen. Voor het duurzaamheidsfonds is overeengekomen dat 1€/Mwh wordt afgedragen, waar normaliter als norm 0,5 €/MWh wordt gehanteerd. Ook wordt een Raad van Advies ingesteld, waar omwonenden en stakeholders innovatieve initiatieven kunnen aandragen. Concreet wordt binnen dit project het volgende gedaan om de omgeving op diverse wijzen te betrekken bij het plan:

Introductie Werkgroep Biodiversiteit, die een adviserende rol heeft gehad bij de uitwerking van het biodiversiteitsplan. Instellen Raad van Advies, alwaar men initiatieven onder meer voor innovatieve projecten kan aandragen. Het in behandeling nemen van initiatieven is een statutaire doelstelling van de Raad van Advies. Mogelijkheden die benut kunnen worden uit het Duurzaamheidsfonds.

Over de verdere uitwerking dan wel detaillering van de hoofddoelstellingen zijn in de anterieure overeenkomst afspraken gemaakt. 6.2.2

Omgevingsdialoog en inspraakprocedure

Op 10 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders de Richtlijn omgevingsdialoog vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat bij ontwikkelingsinitiatieven een omgevingsdialoog plaatsvindt. Hierbij dient de initiërende partij in een vroeg stadium van de planontwikkeling de dialoog met de omgeving aan te gaan. De omgevingsdialoog is bedoeld om de omgeving van het initiatief te informeren, maar ook om input uit de omgeving op te halen over de plannen en het draagvlak te peilen.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 79

Met het oog op het gewenste maatschappelijk draagvlak, heeft de gemeente Oosterhout bij de initiatiefnemers aangegeven dat een omgevingsdialoog dient plaats te vinden. Dit omgevingsdialoog heeft parallel gelopen aan het ontwikkel- en ontwerpproces van het zonnepark. Hiertoe zijn een aantal stappen doorlopen. Inspraakprocedure principeverzoek Voordat een formele vergunningprocedure in gang werd gezet voor het initiatief, zijn de plannen aan de gemeente voorgelegd aan de hand van een principeverzoek. Dit principeverzoek is in eerste instantie beoordeeld door de gemeente en na enkele aanpassingen vrijgegeven voor inspraak. Het principeverzoek heeft in totaal 8 weken ter inzage gelegen tot en met 22 april 2020, waarbij de inspraaktermijn met twee weken is verlengd in verband met de situatie rondom COVID-19. Door de ontwikkelingen rondom het virus was de gemeente genoodzaakt het eerder geplande fysieke energiecafé, dat plaats zou vinden in de wijk Dommelbergen, te annuleren. In plaats daarvan heeft op 2 april 2020 een virtueel energiecafé plaatsgevonden en is de inspraaktermijn met twee weken verlengd. Bij het virtuele energiecafé waren ruim 80 belangstellenden (digitaal) aanwezig. Gedurende de inspraaktermijn zijn in totaal 495 reacties binnengekomen. In het ‘Inspraakverslag Energiepark A59’ zijn de inspraakreacties gebundeld en gecategoriseerd, en voorzien van een reactie.

Individuele gesprekken belanghebbenden Naast het virtuele energiecafé dat heeft plaatsgevonden op 2 april 2020, hebben beide initiatiefnemers (zon en wind) gesprekken gevoerd met personen/organisaties die een aantoonbaar belang hebben bij de ontwikkelingen. Gesprekken zijn gevoerd met onder meer: • Waterschap Brabantse Delta • Grondeigenaren • Rij ksvastgoed bed rijf • Rijkswaterstaat • Provincie Noord-Brabant • Gemeente Geertruidenberg • Gemeente Drimmelen • Vertegenwoordiging bedrijvenvereniging Vijf eiken • Vertegenwoordiging bedrijvenvereniging Weststad • Windpark Weststad II • TNO/ Defensie • Enexis • Natuurplein de Baronie • IVN • Omwonenden uit wijk Dommelbergen • AGEL adviseurs Oosterhout - H2point Oosterhout Veldexcursie Energiepark A59 Op zaterdag 27 juni 2020 heeft de gemeente, ter afsluiting van de inspraakprocedure, een veldexcursie georganiseerd. De veldexcursie is goed bezocht en de diverse reacties en /of vragen van aanwezigen zijn ter plekke beantwoord of waar mogelijk meegenomen in het ontwerp van het Energiepark A59. Eén van de gevolgen daarvan is geweest dat het college op 9 juni 2020 heeft besloten de derde windmolen (buiten de grenzen van het zonnepark) te laten vervallen.

Panoramapaviljoen Op 12 september 2020 hebben initiatiefnemers een panoramapaviljoen georganiseerd. Het panoramapaviljoen biedt inzicht op het toekomstige landschap. Beide initiatiefnemers waren hierbij aanwezig om in gesprek te gaan met aanwezigen en vragen te beantwoorden.

Mees Ruimte & Milieu | 21433

Pagina | 80

6.2.3

Planologische procedure

Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ (artikel 2.1, eerste lid onder c Wabo). Hierop is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waardoor het in eerste instantie voor een ieder mogelijk is om door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage zal worden gelegd. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open.

6.2.4

Conclusie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=04244242-937f-435a-ad6d-d4091ddb7a06