Def. Nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening 2021 -april 2021
Tekst van het document
Artikel 2.11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Deze vergunning is afgeschaft in navolging van het project Administratieve Lastenverlichting. Artikel 2.12 Maken, veranderen van een uitweg De VNG heeft voorgesteld de vergunningplicht voor een uitweg te vervangen door algemene regels. In Oosterhout is de praktijk dat de gemeente zelf na vergunningverlening de uitweg aanlegt, om grip te houden op de locatie, de afmetingen en de kwaliteit van de uitvoering. In 2012 is als weigeringsgrond expliciet opgenomen de situatie dat al een uitweg op een perceel aanwezig is. Bij een aanvraag voor een tweede uitweg zal in ieder geval worden gekeken naar de noodzaak om deze tweede uitrit te hebben. De achterliggende gedachte is dat elke uitweg een reservering is van de openbare ruimte, waar geen parkeergelegenheid, groenvoorziening of verkeersmeubilair meer kan worden geplaatst. Daarnaast betekent elke uitweg een extra kruising van verkeer en dus een toename van verkeersonveiligheid. Deze vergunning valt onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid. In navolging van de model-APV is dit artikel verwijderd omdat het onderwerp is geregeld in artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Dit artikel is met de actualisatie van de APV in 2019 weer opnieuw opgenomen in de APV. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen In het proces van deregulering van de APV in december 2016 is dit artikel vervallen. De meeste bossen en terreinen zijn privéterrein, eigenaren hebben dus een verantwoordelijkheid om zelf een verbod regelen. In de andere gevallen is Staatsbosbeheer beheerder, in tijden van droogte hebben zij de mogelijkheid om een verbod in te stellen. Daarnaast is het verbod al deels geregeld in het strafrecht: artikel 429 lid 3º.
43
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Dit onderwerp is geregeld in artikel 2.10. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Het verbod om te bouwen onder hoogspanningslijnen is in Oosterhout geregeld in het bestemmingsplan en is om die reden verwijderd uit de APV.
Afdeling 7 Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling Onder artikel 2.24 lid 2 sub e wordt in ieder geval bedoeld een vorm van een vechtsport, zoals Mixed Martial Arts, ook wel genoemd gemengde vechtkunst. Hieronder vallen in ieder geval ‘free fight’ (het vrije vechten), ‘vale tudo’ (Braziliaans Mexed Martial Arts) en ‘cage fight’ (kooivechten). Ook kickboksen en Muay Thai (Thaiboksen) in al hun varianten, vallen onder dit artikel. In het geval van een aanvraag voor een vorm van vechtsport wordt artikel 1.8 lid 3 toegepast. Hiermee geven we inhoud aan de oproep van de Nederlandse Vechtsportautoriteit van oktober 2017 en handelen we volgens de ‘Handreiking vechtsportgala’s’. Artikel 2:25 Evenement Voor de evenementenvergunning is voor grootschalige of risicovolle evenementen een ruimere aanvraagtermijn van 12 weken opgenomen, omdat in de praktijk is gebleken dat de termijn van 8 weken, o.a. met het oog op het organiseren van de politie-inzet, niet haalbaar is. Daarnaast is ten opzichte van de model-APV de beperking aangebracht dat er bij evenementen waarvoor geen vergunning hoeft worden aangevraagd, maar waar wel een melding voor moet worden gedaan slechts achtergrondmuziek ten gehore mag worden gebracht. Voor een tent waar meer dan 50 mensen in kunnen moet een gebruiksvergunning worden aangevraagd op grond van de Brandbeveiligingsverordening.
Artikel 2.26 Ordeverstoring Als een vereniging (zoals deze OMG’s) verboden is, mogen haar leden hun clubkleding niet meer in het openbaar dragen. Ook kan een dergelijke OMG organisatie / vereniging op een legale wijze geen overeenkomsten meer sluiten, huurcontracten meer aangaan of werknemers in dienst nemen / hebben. Ook bestuursrechtelijk hebben ze geen bestaansrecht meer. Ze kunnen hierdoor ook niet meer beschikken over een drank- of horecavergunning of deze nog langer aanvragen. Eerst op het moment, dat het door de rechter uitgesproken verbod (mogelijk in beroep) onherroepelijk is geworden, kan het voortzetten van een dergelijke verboden organisatie ook strafrechtelijk worden aangepakt (artikel 140 lid 2 WvSr, voortzetten werkzaamheid verboden organisatie).
Afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en gebruik van terras Artikel 2.27 en 2.28 a tot en met 2.28 h In de begripsbepaling is toegevoegd ‘aan derden’ omdat anders alle bedrijfskantines onbedoeld onder de vergunningplicht komen te vallen. Zaken waar overwegend etenswaren worden verkocht of bereid die direct voor consumptie geschikt zijn maar waarin het niet mogelijk is om die etenswaren ter plekke te consumeren, vallen niet onder de definitie van ‘openbare inrichting’ in artikel 2:27, eerste lid. Het gaat bijvoorbeeld om traiteurs, pizzabakkers, sushi- of shoarmazaken die louter maaltijden op bestelling thuis afleveren of waar de maaltijden kunnen worden afgehaald. Dergelijke 44
bedrijven vallen onder de Winkeltijdenwet en de lokale Winkeltijdenverordening. Voor deze zaken is dus geen horeca-exploitatievergunning nodig. Een horecaexploitatievergunning is wel nodig in het geval dat ter plaatse genuttigd kan worden, waarbij het gaat om afhaal- en bezorgrestaurants, zoals pizzeria’s, shoarmazaken, snackbars. In die situaties is geen sprake van een nevenactiviteit van de hoofdactiviteit. Oosterhout heeft terrassenbeleid vastgesteld. Daarin staan de spelregels voor zowel een terras bij een winkel, zoals bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet als voor een horecabedrijf. Wanneer sprake is van een horecabedrijf maakt het terras onderdeel uit van het horecabedrijf. Daar waar het terras is gelegen op gemeentegrond wordt de aanvraag getoetst aan het terrassenbeleid en aan de eisen die gelden voor het in gebruik nemen van gemeentegrond. In het geval van een horecabedrijf wordt de ontheffing en de daarbij behorende voorwaarden opgenomen in de exploitatievergunning. Artikel 2.28 c is uitsluitend van toepassing op leidinggevenden van droge horecainrichtingen. Voor leidinggevenden van natte horeca-inrichtingen gelden al gedragseisen op grond van de drank- en Horecawet en het daarop berustende “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999”.
Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren, dat de leidinggevenden van voldoende “kaliber” zijn om de inrichting op een goede wijze te exploiteren. Zie toelichting artikel 1.8 wat betreft ‘slecht levensgedrag’ De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de straat, wijk of buurt zullen aantasten, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. De weigeringsgrond woon- en leefmilieu en slecht levensgedrag valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd. De bibob toets is geen dwingende weigeringsgrond of intrekkingsgrond, maar een facultatieve. De bibob toets staat in beginsel los van de “ levensgedrag toets” en staan elkaar niet in de weg, maar kunnen elkaar versterken.
De Bibob toets zal bij een aanvraag voor een vergunning plaatsvinden. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd De bevoegdheid om afwijkende sluitingsuren vast te stellen of inrichtingen tijdelijk te sluiten vindt zijn grondslag in artikel 174 Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester belast met het toezicht op openbare samenkomsten, maar ook op “voor het publiek openstaande gebouwen”, zoals horeca-inrichtingen. Op grond van lid 1 kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf van het sluitingstijdstip worden afgeweken. Dit kan zowel een verruiming als een beperking zijn. De burgemeester kan hiervoor (beleids-)regels opstellen. Op grond van lid 2 kan de burgemeester voor één of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen dan de geldende. Te denken is b.v. aan de situatie, dat er bij een bepaalde inrichting sprake is van een overlastpatroon, dat zich met name na twaalf uur ‘s nachts manifesteert. De burgemeester kan dan gedurende een bepaalde periode de sluitingstijd vaststellen op 24.00 uur.
45
Ook geeft dit lid de burgemeester de bevoegdheid inrichtingen gedurende een bepaalde tijd volledig te sluiten. Dit artikel is gericht op het handelen van de leidinggevenden, zoals beschreven in artikel 2.27, lid e. In aanvulling op dit artikel heeft de burgemeester op grond van artikel 2.80 nog nadere bevoegdheden om een pand te sluiten. De in artikel 2.80, lid 1 genoemde overtredingen kunnen redenen zijn om lid 2 van artikel 2.30 toe te passen. Immers door deze overtredingen kan de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid in het geding zijn. Artikel 2:31 a Toegang toezichthouders van politie Artikel is toegevoegd, omdat hier discussies over ontstaan op momenten dat dit speelt in de praktijk, ondanks dat artikel 6:2 de bevoegdheid al regelt. Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven De Drank- en Horecawet verbiedt al het uitoefenen van kleinhandel in een horeca-inrichting (artikel 14). In het Wetboek van strafrecht is al geregeld dat handelen in de zin van artikel 437, lid 1 strafbaar is. Daarbij is een verbod reeds geregeld in bestemmingsplan. Om deze redenen is het artikel tijdens de deregulering van de APV in december 2016 geschrapt.
Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Deze afdeling bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4, 25a en 25d van de Drank- en Horecawet (DHW). Hoewel de APV voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat is er voor gekozen om deze medebewindbepalingen daarin op te nemen, omdat dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is. Immers, de APV regelt al aanverwante zaken zoals de horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke. Oneerlijke mededinging De op basis van artikel 4 van de DHW door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. Concreet komt het er op neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging.
Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden. Verplichte en niet verplichte bepalingen Een regeling op grond van artikel 4 van de DHW, in deze modelverordening uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen 2:34c en 2:34d, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a en 25d van de DHW. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. 46
Artikel 2:34a Begripsbepaling De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen, waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A gelden. Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen: - alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat. - horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. - horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. - inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte.
- paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. - sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn. - slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen. - zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke drank. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen Artikel 4 van de DHW verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken.
Op grond van artikel 4, eerste en derde lid, onder a, van de DHW moet geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste en derde lid, onder b en c, van de DHW moeten regels gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële rechtspersoon. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de DHW heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van de hier door de raad gestelde regels voor schenktijden en voor de verschillende soorten bijeenkomsten. Het gaat om bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer terughoudend mee moet worden omgegaan. Te denken valt aan 47
kampioenschappen en dergelijke grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om feestelijkheden die wel te voorzien zijn, zoals carnaval en Koningsdag. Omdat de burgemeester deze bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, kan de raad hier verder geen beperkingen aan stellen. De burgemeester kan hiervoor zelf uiteraard wel beleidsregels opstellen (artikel 4:81 van de Awb). Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven Deze modelbepaling is een uitwerking van artikel 25a van de DHW. Het verbiedt de verstrekking van sterke of alcoholhoudende drank in inrichtingen die gelegen zijn in bepaalde aangewezen gebieden en/of die beschikken over nader aangegeven aard en/of gedurende nader bepaalde tijdsruimten. De nadere invulling van een verbod dient, in zoverre daar voor gekozen wordt, in de verordening zelf te gebeuren en kan niet aan de burgemeester gedelegeerd worden. In het tweede lid wordt overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de DHW de burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften aan de vergunning te verbinden of deze te beperken tot zwakalcoholhoudende drank, als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is.
Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Afdeling 9 is bedoeld om de gemeente een overzicht te verschaffen van de in de gemeente aanwezige inrichtingen voor nachtverblijf. De artikelen zijn in het proces van deregulering van de APV in december 2016 vervallen, omdat misbruik van dit onderwerp al beschreven is in het Wetboek van strafrecht.
Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:40 Speelautomaten In Oosterhout geldt een aparte verordening met betrekking tot speelautomaten en speelautomatenhallen.
Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Dit artikel regelt de rechtsgevolgen van een op basis van artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet opgelegd verbod. Artikel 2:42 Plakken en kladden Met het middel ‘krijt’, zoals genoemd in lid 2 van dit artikel bedoelen we niet stoepkrijt gebruikt in onschuldige situaties, zoals door kinderen bij het spelen op straat. Artikel 2:44 Inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal De toegevoegde waarde van deze bepaling is dat hiermee het tegengaan van winkeldiefstal niet alleen bij de winkeliers wordt neergelegd, maar dat ook de gemeente (en de politie) hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Handhaving hierop vindt in principe alleen plaats door de politie. In overleg met de politie zijn bij de herijking van de APV in 2014 de bedoelde inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal nader omschreven. Ook de handelingen die met deze werktuigen en hulpmiddelen verricht kunnen worden zijn 48
omschreven. Deze nadere omschrijving vergroot de mogelijkheden om in dergelijke gevallen op te treden. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Om preventief te kunnen optreden wanneer een vechtpartij dreigt is het vechtverbod opgenomen in de APV (art 2.1). Daarnaast is het wenselijk dat de politie de bevoegdheid krijgt om, analoog aan de bevelsbevoegdheid van artikel 2.1 lid 2, die geldt bij samenscholingen, personen die zich hinderlijk gedragen op een bepaalde plaats te bevelen zich te verwijderen. In een brief van 2 december 2009 hebben de ministers van Binnenlandse zaken en Justitie de burgemeesters verzocht een bevelsbevoegdheid op te nemen omdat dit volgens een uitspraak van de Hoge Raad van 29 januari 2008 (LJN BB4108), niet onder de algemene taakomschrijving van de politie valt. Om bevelen te kunnen geven ter voorkoming van een vechtpartij stellen de ministers voor de artikelen in de APV die gaan over hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (artikel 2.47), bij of in gebouwen (artikel 2.49) en in voor het publiek toegankelijke ruimten (artikel 2.50) aan te vullen met een bevelsbevoegdheid voor de politie.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Lid 1 Er zijn diverse gebieden aangewezen: - de wegen binnen de tangenten; - de parkeerplaatsen aan de Patrijslaan tussen het jongerencentrum de Toonzaal en het winkelcentrum; - de Lodewijk Napoleonlaan ter hoogte van dagverblijf Het Heem; - de Kruidenlaan ter hoogte van het pand van de GGD; - de Vondellaan ter hoogte van Hortensiahof; - het Lukwelpark ter hoogte van het parkeerterrein van het Mgr. Frenckencollege en op genoemde parkeerterrein; - de parkeerterreinen om en nabij Slotjesveste tot en met het hertenkamp, gelegen aan de van Oldeneellaan / Slotlaan; - de Ganzendonk/Hameldonk / Eendendonk in directe omgeving van de JOP Ganzendonk en rondom basisschool de Regenboog; - het voorplein en het parkeerterrein voor het gemeentehuis, inclusief de toegangspaden naar het gemeentehuis gelegen aan het Slotjesveld. - speelterrein aan de Erik Pinksterblomstraat - speelterrein aan de Kruidenlaan nabij de basisschool De Hobbit Check voor de laatste versie altijd www.overheid.nl. Artikel 2.48a Lachgas Niet alleen overmatig drankgebruik, ook oneigenlijk gebruik van lachgas (als roesmiddel) leidt vaak tot overlastsituaties. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen.
Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Artikelen 2.49, 2.50 en 2.74 geven ook handvatten om overlast van gebruik lachgas aan te pakken. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Zie toelichting artikel 2.47.
49
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Zie toelichting artikel 2.47. Artikel 2:57 Het uitlaten van honden In het gemeentelijk hondenuitlaatbeleid zijn in de openbare ruimte hondenuitlaatplaatsen en losloopgebieden aangewezen, die door de gemeente zijn aangelegd en worden onderhouden en schoongehouden.
Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen De afdeling over het tegengaan van heling is opgenomen als aanvulling op de desbetreffende bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Volgens artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht is het verplicht voor handelaren van bepaalde goederen om een inkoopregister bij te houden. In de APV kan worden geregeld dat er ook een verkoopregister moet worden bijgehouden. Artikel 2:66 Begripsbepaling Bij de herijking van de APV in 2014 is het begrip verkoopregister opgenomen in de begripsbepaling. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Het Digitaal Opkopers Register (DOR) is middels een aanwijzingsbesluit aangewezen als doorlopend en gewaarmerkt register voor de in- en verkoop van gebruikte of ongeregelde goederen zoals gesteld in lid 1 (gepubliceerd op 11 april 2018). Handelaren kunnen zich via de website www.ikbenhandelaar.nl zelf aanmelden en krijgen dan inloggegevens voor het DOR om goederen te registreren. In lid 2 is opgenomen dat de burgemeester voor bepaalde categorieën van goederen kan bepalen dat deze niet in het verkoopregister hoeven te worden opgenomen met als doel het verkoopregister te beperken. Bij toepassing hiervan dient door de burgemeester een afzonderlijk besluit te worden genomen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan over goederen met een waarde van minder dan vijftig euro.
Het DOR is gekoppeld aan een landelijk systeem waarin gestolen goederen worden geregistreerd; Indien een handelaar een gestolen goed registreert maakt het systeem hiervan een melding waardoor gestolen goederen snel worden getraceerd en heling op effectieve wijze kan worden tegengegaan. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Bij de herijking van de APV in 2014 is dit artikel tekstueel aangescherpt en de termijn van bewaring is van drie dagen verhoogd vijf dagen.
Afdeling 13 Vuurwerk Deze afdeling is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet en bevat aanvullende bepalingen op het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:71 Begripsbepalingen Deze definitie is ontleend aan het Vuurwerkbesluit van 22 januari 2002. Het Vuurwerkbesluit is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en regelt de gehele keten van productie tot het gebruiken van alle vuurwerk. Voor de APV zijn alleen de regels voor
50
consumentenvuurwerk van belang. Het consumentenvuurwerk moet voldoen aan de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk 2010. Iemand die buiten de tijden waarop rond oud en nieuw vuurwerk mag worden afgestoken wordt betrapt op het afsteken van professioneel of theatervuurwerk, is strafbaar voor overtreding van het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen en Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling De vergunningplicht voor het verkopen van vuurwerk biedt het college de mogelijkheid een spreidingsbeleid te voeren en het aantal verkooppunten te reguleren. Op 16 december 2013 is het ‘Aanwijzingsbesluit verbod op bezigen consumentenvuurwerk’ in werking getreden. Met dit besluit wijst het college de Klappeijstraat aan als plaats waar het verboden is om consumentenvuurwerk te bezigen. Dit in verband met onveilige situaties die kunnen ontstaan als daar tijdens de jaarwisseling vuurwerk wordt gebezigd, omdat de straat nauw is en er tijdens de jaarwisseling veel publiek op straat aanwezig is. De ondernemers van de Klappeijstraat ondersteunen dit.
Afdeling 15. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Dit artikel schept voor de officier van justitie de mogelijkheid bagage en kleding van mensen te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens en munitie als daar aanleiding toe is. Artikel 276 a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Als een vereniging (zoals deze OMG’s) verboden is, mogen haar leden hun clubkleding niet meer in het openbaar dragen. Ook kan een dergelijke OMG organisatie/ vereniging op een legale wijze geen overeenkomsten meer sluiten, huurcontracten meer aangaan of werknemers in dienst nemen / hebben. Ook bestuursrechtelijk hebben ze geen bestaansrecht meer. Ze kunnen hierdoor ook niet meer beschikken over een drank- of horecavergunning of deze nog langer aanvragen. Eerst op het moment, dat het door de rechter uitgesproken verbod (mogelijk in beroep) onherroepelijk is geworden, kan het voortzetten van een dergelijke verboden organisatie ook strafrechtelijk worden aangepakt (artikel 140 lid 2 WvSr, voortzetten werkzaamheid verboden organisatie). Artikel 2:77 cameratoezicht op openbare plaatsen Eerste lid Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij APV de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in gebieden in het belang van de handhaving van de openbare orde.
Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn. Doel van het cameratoezicht Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene 51
bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid. Kenbaarheid In artikel 151c lid 4 van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden.
Tweede lid De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 van de Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doel gebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wet openbare manifestatie vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Het tweede lid van het wetsartikel regelt dat het instrument van de bestuursdwang of dwangsom alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als er sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d.
Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Denk bijvoorbeeld aan gevallen waarin ernstige of herhaaldelijke overlast is van geluid- of geurhinder, hinder van dieren, hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn, overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf of intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw en/of erven De burgemeester is ingevolgde artikel 174 Gemeentewet belast met het toezicht op openbare vermakelijkheden. In dit APV-artikel is door de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid gegeven om bij het vaststellen van feiten en omstandigheden die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid, voor het publiek openstaand gebouw en /of erven te sluiten. Het artikel geeft een aantal concrete overtredingen waarbij deze belangen in ieder geval in het geding zijn. Dit zijn overtredingen 52
van de Wet wapens en munitie, heling en illegaal gokken. Weliswaar betreft het ook strafbare feiten, maar het belang voor de burgemeester om in deze gevallen een bestuursrechtelijke maatregel te nemen is gelegen in het beschermen van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid. Doel met de sluiting is de loop er uit te halen en de bekendheid van het gebouw en/of erf als locatie waar de ongewenste activiteiten plaatsvinden te ontnemen. Daarbij zullen deze in ieder geval gedurende de periode van sluiting zich niet herhalen. De maatregel is gericht op het pand en of erf en niet op de exploitant. Bij sluiting geldt deze dus ook voor een eventuele rechtsopvolger.
Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluid en verlichting Op de meeste (milieu-)inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer zijn de algemene milieuregels van het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: Besluit) van toepassing. Bij niet reguliere activiteiten (festiviteiten) kan meestal niet worden voldaan aan de normen voor geluid (artikel 2.17 en artikel 2.20 van het Besluit) en verlichting (artikel 3.148 van het Besluit). In de APV mogen “collectieve” festiviteiten worden aangewezen waarvoor de genoemde normen niet gelden. Daarbij mogen wel voorwaarden worden gesteld. Voor die milieu-inrichtingen is in deze afdeling de uitwerking opgenomen van de zogenaamde 12dagenregeling uit het Besluit, dat is gebaseerd op de Wet milieubeheer. In afwijking van de model-APV is ervoor gekozen om geen geluidnormen op te nemen in de APV. In de eerste plaats zou dit juist voor het gebied waar het meeste geluid vandaan komt (het zgn. KLM gebied, zie de toelichting bij 4.3) niet meetbaar zijn vanwege het achtergrondgeluid. In de tweede plaats is het streven erop gericht om administratieve lasten te verlichten. Artikel 4:1 Begripsbepalingen In het Besluit wordt onderscheid gemaakt tussen type A- en B-inrichtingen.
De genoemde artikelen 2.17, 2.19, 2.20 en 3.148 van het Besluit gelden alleen voor type A- en Binrichtingen. Daarom heeft de 12-dagenregeling in deze afdeling alleen betrekking op deze inrichtingen. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Aangezien allerlei soorten inrichtingen onder het Besluit vallen is voor wat betreft de aangewezen collectieve festiviteiten bepaald dat deze alleen gelden voor het type inrichtingen die onder het oude Besluit Horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen ook onder de toenmalige 12-dagenregeling vielen. Dit om te voorkomen dat andere soorten inrichtingen met geraasmakende activiteiten tijdens deze collectieve dagen ook ontheffing van de geluidsnormen krijgen. Artikel 4:3 Kennisgeving individuele festiviteiten Hierin is bepaald dat naast de collectieve festiviteiten er voor individuele festiviteiten door iedere inrichting voor nog maximaal zes dagen per kalenderjaar een ontheffing van de geluid- en verlichtingsnormen van het Besluit kan gelden. Bij het houden van individuele festiviteiten is het voor het gebied gelegen aan de Klappeijstraat, Leijsenhoek, Mathildastraat en Markt (KLM-gebied) vanwege het aantal horeca-inrichtingen niet wenselijk dat elke horeca-inrichting afzonderlijk zes individuele festiviteiten kan organiseren.
Dit zou er in de praktijk toe kunnen leiden dat er elk weekend wel ergens een ontheffing zou gelden, wat ten koste zou gaan van de woon- en leefsituatie 53
in de omgeving. Daarom is in het verleden, in overleg met de horecaondernemers, besloten om de onderhavige regeling op te nemen. Dit betekent dat er bij alle horeca-inrichtingen gelegen in het KLM-gebied gezamenlijk in totaal maximaal zes individuele festiviteiten mogen worden gehouden, waarbij de geluidnormen van het Besluit niet gelden. Als gevolg van het proces om de APV te dereguleren is dit artikel beter leesbaar opgesteld. We hebben losgelaten dat twee of meer inrichtingen gezamenlijk een kennisgeving moeten doen. We hebben echter toegevoegd dat er maximaal 1 festiviteit per maand mag plaatsvinden. Daarentegen hebben we de sluitingstijden verruimd, waardoor de horecaondernemer meer ruimte krijgt om binnen die ruime sluitingstijden leuke activiteiten te kunnen ontwikkelen. Artikel 4:6 Overige geluid- en lichthinder In dit artikel wordt geluids- en lichtoverlast bedoeld waarin de andere regelingen niet voorzien.
Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden De VNG stelt voor de regeling voor de velvergunning te vereenvoudigen door een bomenlijst op te stellen en de vergunningplicht nog slechts te handhaven voor bomen op deze lijst. Het college heeft in het kader van het project Administratieve Lastenverlichting op 11 februari 2008 besloten om deze werkwijze te gaan hanteren. Dit besluit heeft echter nog niet geleid tot het opstellen van een bomenlijst. Wel bestaat er op dit moment een lijst met monumentale bomen, maar dat betreft slecht een klein deel van de beschermingswaardige bomen. Om die reden werd de oude regeling voor de velvergunning vooralsnog gehandhaafd. De gemeenteraad heeft echter na een initiatiefvoorstel van de raad op 1 november 2016 besloten om deze bomenlijst te hanteren en de artikelen 4.10 en 4.11 te wijzigen. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking getreden, waar de velvergunning sindsdien onder valt. Artikel 4.10 Algemeen Gelet op het initiatiefvoorstel tot het beperken van de velvergunning van gemeentelijke bomen zijn de bepalingen geschrapt die betrekking hebben op bomen die niet in gemeentelijk eigendom zijn. In artikel 4:10 lid 3 is aangegeven dat het alleen voor het college verboden is zonder vergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen.
Het verbod geldt tevens voor een particulier, waarbij een boom (bomen) op de lijst van monumentale bomen is (zijn) opgenomen. De bepaling over iepen is toegevoegd. Artikel 4.11 Velvergunning Gelet op het initiatiefvoorstel tot het beperken van de velvergunning tot gemeentelijke bomen zijn de bepalingen geschrapt die betrekking hebben op bomen die niet in gemeentelijk eigendom zijn. Artikel 4.12 Overige bepalingen Is vervallen. In artikel 4:12 was het volgende opgenomen: Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van de velvergunningplicht of de aan de velvergunning verbonden voorschriften of door herplant / instandhoudingsplicht, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 54
Deze bepaling is door het initiatiefvoorstel van de raad vervallen. De bepaling over iepen is vereenvoudigd en toegevoegd aan artikel 4:10 sub d bij de uitzonderingen. De inhoud van dit artikel kan vervallen.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen Dit artikel is geschrapt omdat het uitrijden van mest is geregeld in de Meststoffenwet. Artikel 4:15 Vergunningsplicht reclame Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaans een bouwvergunning nodig, waardoor al toetsing plaatsvindt. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden. Daarom is in het proces van deregulering van de APV in december 2016 dit artikel vervallen.
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Op 1 januari 2008 is de Wet op de openluchtrecreatie afgeschaft. Sindsdien wordt het inrichten van een kampeerterrein geregeld in het bestemmingsplan. Deze bepalingen zijn overbodig.
Afdeling 6. Geluidsvoorschriften in verband met de aanleg van walstroom Artikel 4:21 Verbod gebruik generator voor binnenvaartschip en geluidnorm generator Binnen de gemeente Oosterhout ligt het Wilhelminakanaal en het Markkanaal met twee sluizen en een groot aantal lig- en wachtplaatsen van Rijkswaterstaat. Aan een ligplaats mag, in de huidige situatie, een schip doorgaans maximaal 3 x 24 u aaneengesloten zijn aangemeerd. In de leefomgeving van ligplaatsen van binnenvaartschepen wordt regelmatig hinder ervaren van geluid afkomstig van schepen en verslechtert de luchtkwaliteit als gevolg van in werking zijnde scheepsmotoren. Daarom worden door de gemeente voorzieningen voor walstroom gefaseerd aangelegd bij ligplaatsen voor binnenvaartschepen. In de meeste gevallen kan een binnenvaartschip daar dan gebruik van maken. Het college wijst de locaties of gebieden aan waar walstroom beschikbaar komt waardoor snel kan worden ingespeeld op veranderingen. In het geval geen walstroom (nog) beschikbaar is geldt een geluidnorm voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig object. Daarbij wordt aangesloten bij de norm die voor bedrijven geldt zoals in het Activiteitenbesluit is bepaald. In die gevallen dat vanwege bijvoorbeeld de veiligheid of niet afgestemde technische voorzieningen een generator is vereist op het schip kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen.
Het college kan niet afwijken van de geluidnorm. Voor het gebruik van de voorzieningen kunnen door de gemeente kosten in rekening worden gebracht. Dat wordt privaatrechtelijk geregeld. De gebieden of locaties en kosten worden namens het college duidelijk kenbaar gemaakt voor schepen.
55
Artikel 4:22 Verbod gebruik hoofd- en hulpmotor binnenvaartschip Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofd- of hulpmotor onnodig laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu (geluid en luchtkwaliteit) die als hinder voor omwonenden kan worden ervaren. Voor de aanwijzing wordt aangesloten bij de ligplaatsen die zijn gelegen binnen de door het college aangewezen locaties en gebieden waarvoor ook een generatorverbod gaat gelden (art. 4:21).
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen Het begrip weg is weggelaten omdat dit is opgenomen in artikel 1.1. De begrippen voertuig en parkeren sluiten aan de bij de wegenverkeerswetgeving. Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangers e.a. Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Voorheen was in de verordening bepaald dat het verbod slechts geldt voor door het college aan te wijzen wegen. Het college heeft op 20 februari 2001 de bebouwde kom aangewezen. Sindsdien is het niet nodig gebleken dit te wijzigen.
Daarom is er uit praktisch oogpunt voor gekozen de gebieden waarvoor het verbod geldt in de tekst van de APV op te nemen. Als gevolg van het proces van deregulering van de APV in december 2016 (vastgesteld januari 2017) is lid 3 vervallen, omdat daarin verwezen werd naar wanneer het verbod van artikel 5.6 niet geldig zou zijn, namelijk in die situaties dat hogere wetgeving van toepassing is. Het is overbodig om dit te vermelden in de verordening. Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen In 2012 is lid 3 aangepast in die zin dat het college de tijden waarop het parkeerverbod van lid 2 niet geldt kan verruimen. Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Dit verbod heeft betrekking op het parkeren in gemeentelijke groenvoorzieningen. Onder groenvoorzieningen wordt niet begrepen de berm van de weg omdat de berm onderdeel is van de weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Het parkeren in de berm wordt door de verkeerswetgeving gereguleerd. Volgens artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) mag er in principe op de rijbaan en op andere weggedeelten (dus ook de berm) worden geparkeerd. Op plaatsen waar dat onwenselijk is kan een parkeerverbod op grond van het RVV worden ingesteld. 56
Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om in aanvulling op de wegenverkeerswetgeving plaatsen aan te wijzen waar het verboden is fietsen en bromfietsen te plaatsen. De motieven voor deze aanvullende regeling zijn andere dan die van de wegenverkeerswetgeving. Volgens de wegenverkeerswetgeving kan het plaatsen van fietsen worden verboden als de veiligheid of de vrijheid van het verkeer in het gedrang komt. Op grond van de APV is dit mogelijk om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen.
Afdeling 2. Collecteren Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen De bepalingen inzake het collecteren zijn ongewijzigd ten opzichte van de vorige APV. Op 16 april 1989 heeft het college vrijstelling verleend voor inzamelingen die voorkomen op het collecterooster. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het collecterooster van het CBF (Centraal Bureau voor de fondsenwerving). De VNG heeft hiervoor een model gemaakt. Daarin zijn voorwaarden opgenomen zoals het melden bij de gemeente wanneer daadwerkelijk ingezameld gaat worden. Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt, voor de collectevrije periode, een vergunning voor bepaalde tijd afgegeven, mits zij beschikken over een verklaring van geen bezwaar of een certificaat van het CBF. Als het gaat om een plaatselijk doel wordt de controle op de betrouwbaarheid van de collectant onderzocht door deze achteraf een zgn. collectestaat te laten overleggen. Dat is een overzicht van inkomsten en uitgaven van de collecte waarvoor de vergunning was verleend. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een vergunning worden afgegeven. Om overlast te voorkomen mag slechts eenmaal per week huis-aan-huis worden gecollecteerd.
Afdeling 3. Venten In de deregulering van de APV in december 2016 (vastgesteld januari 2017) is besloten het ventverbod te schrappen. De gemeente beroept zich hiervoor op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en ondernemers. Een vergunningstelsel of uitzonderingen binnen de stad zal leiden tot hogere administratieve last. Door zowel burgers, ondernemers als interne adviseurs worden signalen afgegeven over overlast met betrekking tot venten. Hoewel dit soort signalen juist aanleiding zouden kunnen geven tot het opnemen van een ventverbod en/of ventvergunning in de APV vindt u deze niet terug. De ervaren overlast heeft voornamelijk betrekking op activiteiten waarbij kranten, flyers of andersoortig drukwerk aangeboden wordt met al dan niet de mogelijkheid tot inschrijven voor een abonnement. Deze activiteiten vallen juridisch gezien niet onder de definitie van venten en zijn ook nog eens grondwettelijk beschermd. Een verbod op deze activiteiten is dan ook niet toegestaan. Daadwerkelijke verkopen door bijvoorbeeld ‘Hello Fresh’ en vergelijkbare aanbieders vallen evenmin onder de noemer venten. Ook die activiteiten worden niet beperkt middels een ventverbod/vergunning. Op eventuele onregelmatigheden of overlast binnen deze laatste categorie kan gehandhaafd worden op grond van het standplaatsenbeleid.
De oplossingsrichting voor deze vorm van overlast moet veel eerder gezocht worden in, enerzijds, zelfredzaamheid van burgers en ondernemers bij eventuele overlast en anderzijds op de kunst van in gesprek gaan met burgers en ondernemers door de handhavers. 57
Dit laatste sluit goed aan bij de bestuurlijke wens de handhavers meer als ‘gastheren/vrouwen’ in te zetten.
Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5.17 Begripsbepaling In 2012 is ook het inkopen opgenomen onder de opsomming van activiteiten die kunnen plaatsvinden vanaf een standplaats aangezien dit in de praktijk bleek voor te komen. Bij de totstandkoming van het standplaatsenbeleid is een afweging gemaakt tussen de belangen van hen die in Oosterhout wonen en verblijven, en de belangen van hen die in Oosterhout ambulante handel uitoefenen. Door de economische recessie is de druk op de ambulante handel toegenomen, waardoor getracht is de (nadelige) effecten van dit geactualiseerde standplaatsenbeleid tot een minimum te beperken. Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.
Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de economische markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.
Afdeling 5. Snuffelmarkten In het proces van deregulering van de APV in december 2016 zijn deze bepalingen opgenomen in artikel 2.24 van de APV.
Afdeling 6. Openbaar water Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water In de praktijk doen situaties als geschetst in dit artikel zich nauwelijks voor. Dit voorschrift is uitsluitend van toepassing op het openbaar water van ‘De Zwaaikom’. Het overige water (de vaarweg) valt onder het beheer van de Rijksoverheid. Om deze redenen is het artikel tijdens de deregulering van de APV in december 2016 komen te vervallen. Artikel 5.25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Het college heeft op 29 november 1994 in dit verband het merendeel van het openbaar water binnen de gemeentegrenzen aangewezen als locatie waar het verboden is ligplaats in te nemen. Een algeheel verbod om ligplaats in te nemen is niet toegestaan. In Oosterhout worden enkele ligplaatsen ingenomen. 58
Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats Door in artikel 5.25 lid 2 het woord ‘veranderen’ toe te voegen is dit artikel als gevolg van het proces van deregulering van de APV in december 2016 komen te vervallen.
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.32 In het proces van deregulering van de APV in december 2016 is deze bepaling opgenomen in artikel 2.24 van de APV.
Afdeling 8. Verbod vuur te stoken Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Voor het verbranden van (afval)stoffen gelden verschillende wettelijke regimes. In de Wet milieubeheer is bepaald dat het stoken buiten een inrichting niet is toegestaan behalve wanneer daar een ontheffing voor is verleend (artikel 10.63, lid 2). Het stoken binnen een inrichting wordt meestal verboden in de milieuvergunning of in de op de Wet milieubeheer gebaseerde algemene voorschriften. Het doel van de Wet milieubeheer is het beschermen van het milieubelang. Het doel van het APV-voorschrift is het beschermen van de openbare orde, veiligheid, woon- en leefomgeving en flora- en fauna. Van de burger of de ondernemer verwachten we een proactieve houding als het gaat om overleg met de brandweer.
Artikel 5.34a Carbidschieten Dit artikel is ondergebracht in artikel 2.73a.
Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.2 Toezichthouders Volgens artikel 142, lid 1 sub c van het Wetboek van Strafvordering moeten de medewerkers met opsporingsbevoegdheid direct in de APV worden aangewezen. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) is gekoppeld aan deze aanwijzing als toezichthouder in de APV. Politieambtenaren zijn op grond van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten. Ter verduidelijking van het feit dat zij daarmee tevens met het toezicht op de naleving van de APV zijn belast, worden de betreffende ambtenaren na herijking van de APV in 2014 expliciet benoemd in dit artikel. Naast de opsporingsambtenaren kunnen volgens het tweede lid door het college personen worden aanwijzen als toezichthouder. Deze toezichthouders kunnen geen opsporingsbevoegdheid krijgen. Op 17 mei 2011 is dit artikel aangepast aan de laatste organisatiewijziging van januari 2011. +++++++++
59