Bouwstenen voor beleid IHP Oosterhout ref 1699201-0090 dd 24-5-2022
Tekst van het document
HEVO
Bouwstenen van Beleid (Concept) IHP gemeente Oosterhout
Opdrachtgever Gemeente Oosterhout Datum 24 mei 2022
Referentie 1699201-0090.2.0 Auteur(s) 10.2.e 10.2.e
- HEVO B.V. - HEVO B.V.
gemeente
Statenlaan 8
Postbus 70501
T +31 (0)73 6 409 409
5223 LA 's-Hertogenbosch
5201 CB 's-Hertogenbosch
info@hevo.nl
Oosterhout www.hevo.nl
ISO 9001-gecertificeerd
HEVO
Voorwoord bouwstenen notitie In opdracht van de gemeente Oosterhout begeleidt HEVO de gemeente en de schoolbesturen van het Primair Onderwijs (PO), Voortgezet Onderwijs (VO) en Speciaal Onderwijs (SO) om te komen tot een Integraal Huisvestingsplan (IHP).
Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders voor investeringen in onderwijshuisvesting. Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken en een proactief (investerings-) beleid te voeren. Het IHP geeft voor de eerste vier jaar (2022-2026) concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn van circa 20 jaar (2022-2040). Het IHP wordt in vier fasen gerealiseerd met vier deelproducten, namelijk: 1. Visie en ambitie: notitie bouwstenen van beleid 2. Inventarisatie van het scholenbestand 3. Scenario-ontwikkeling 4. Financiële vertaling Voorliggende rapportage betreft het eerste deelproduct: de notitie bouwstenen van beleid. Deze notitie beschrijft de visie en ambitie van de gemeente en de schoolbesturen op onderwijshuisvesting.
De concept visie is tot stand gekomen tijdens de diverse bijeenkomsten in de periode februari tot en met mei 2022. Tijdens deze bijeenkomsten is aan de hand van diversie thema’s gediscussieerd over het onderwijs en onderwijshuisvesting in de gemeente Oosterhout. De laatste controleronde en bespreking met diverse personen/ gremia zal nog plaatsvinden, alvorens de notitie definitief is.
Referentie: 1699201-0090.2.0.
Pagina 2 van 15
HEVO
Inhoudsopgave 1.
Bouwsteen Regie en Beleid
4
2.
Bouwsteen Samenwerking
6
3.
Bouwsteen Vraag & Aanbod
9
4.
Bouwsteen Kwaliteit & Duurzaamheid
11
Bijlage A: Matrix kwaliteitsniveau voor nieuwbouw onderwijshuisvesting
Referentie: 1699201-0090.2.0.
14
Pagina 3 van 15
HEVO
1. Bouwsteen Regie en Beleid Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting. Het zegt iets over het beleid dat zij willen vastleggen in het IHP en hoe zij hier uitvoering aan gaan geven.
1.
Dit IHP is in lijn met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als lange termijnplan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Met name voor de projecten op korte termijn is de commitment van belang.
2.
De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie over de schoolgebouwen. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van schoolgebouwen. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG. (zie https://vnq.nl/publicaties/huisvestinqsvoorstel-vnq-po-raad-vo-raad) Renovatie is wettelijk momenteel nog niet geregeld. In de bouwsteen Kwaliteit & Duurzaam wordt verder ingegaan op de term renovatie. De schoolbesturen zijn tevens ook verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en de kwaliteit daarvan. In het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) of bestuurlijk overleg vindt de afstemming van deze verantwoordelijkheden plaats door middel van gezamenlijk overleg (minimaal 2-jaarlijks). Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de Verordening onderwijshuisvesting. Voor het onderwijshuisvestingsbeleid wordt daarom in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de Verordening. Deze wijze van samenwerking dient, in afwachting van de wettelijke regeling, juridisch vastgelegd te worden.
In het geval dat huisvestingsvraagstukken een regionaal karakter hebben vindt, indien noodzakelijk, afstemming plaats met het regionale OOGO en/of het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs.
Referentie: 1699201-0090.2.0.
3.
Het IHP wordt vastgesteld door de Gemeenteraad. Het IHP wordt opgesteld in nauwe samenwerking tussen schoolbesturen en gemeente. Op onderdelen is een afvaardiging van kinderopvang betrokken.
4.
Het IHP werkt met termijnen (cycli) van 5 jaar en een scope van 20 jaar. Het IHP geeft inzichten in de plannen per school per termijn van vijf jaar, waarbij de eerste periode het meest concreet is en de latere termijnen steeds meer indicatief zijn. Het actualiseren van het IHP duurt circa een jaar (2022) voor voorbereiding, ontwikkeling IHP en besluitvorming. De eerste termijn is dus de periode eind 2022 tot eind 2027. Vier jaar na vaststelling van het IHP (2026) dient opnieuw gestart te worden met het actualiseren van het IHP. Daarbij worden de randvoorwaarden (inclusief effecten van wetswijzigingen) en de leerlingenprognoses geactualiseerd en wordt de staat van de schoolgebouwen opnieuw beoordeeld.
5.
Prognose leerlingaantallen. Uitgangspunt voor het IHP is het hanteren van de leerlingenprognoses van de oktobertelling van het vorige jaar. De leerlingenprognose van PrimosLokaal (2020) vormt het uitgangspunt voor het IHP voor het Primair Onderwijs. Voor het Voortgezet Onderwijs vormt de Voion prognose (2021) het uitgangspunt. Bij de actualisatie van de prognoses geeft de gemeente aan of er nog ontwikkelingen te verwachten zijn, bijvoorbeeld vanwege de realisatie van nieuwe woongebieden/ woonwijken, die mogelijkerwijs niet correct zijn opgenomen in de prognoses. Ook de scholen geven dit aan, bijvoorbeeld bij een nieuwe onderwijsstroom. Gezien de onzekerheid in de voorspelling van de leerlingenontwikkelingen wordt bij aanvang van ieder concreet huisvestingsproject voor een school een toetsing gedaan aan de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het IHP.
6.
Het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting. Het IHP geeft voor de gehele looptijd inzicht in de, naar verwachting, benodigde investeringen. In het IHP wordt de prioritering van huisvestingsprojecten in de eerste termijn bepaald. Het IHP wordt opgesteld met het prijspeil van het moment van opstellen. Bij de start van een project (initiatieffase) wordt het bedrag voor het project als opgenomen in het IHP geïndexeerd conform de
Pagina 4 van 15
HEVO
methodiek uit de verordening (indexcijfer = CPI). Er worden in de gemeentelijke begroting reserveringen getroffen voor de financiering van de projecten in de eerste termijn.
7.
Na vaststelling van het IHP wordt een uitvoeringsprogramma opgestart voor de eerste termijn van vijf jaar. In het uitvoeringsprogramma worden afspraken gemaakt over de samenwerking op programma- en projectniveau. Dit kan, afhankelijk van de betrokken partijen, in het overkoepelde OOGO of afvaardiging van de betrokken besturen gedaan worden. Zodra het project actueel is in het uitvoeringsprogramma, zal het project getoetst worden aan de randvoorwaarden als omschreven in het vastgestelde IHP. Dit wordt middels een haalbaarheidsstudie (ofwel businesscase genoemd) uitgevoerd. Daarbij worden de randvoorwaarden uit het IHP indien nodig nog geactualiseerd, zoals bij tussentijdse wijzigingen in de wet, in de bouwregelgeving, in het beleid, bijzondere prijsontwikkelingen of anderszins De projecten worden verder geconcretiseerd omtrent de omvang van het gebouw, kwaliteitsniveau en benodigde ingrepen. Hiervoor worden stichtingskostenramingen gemaakt op prijspeil einde werk. Het uitvoeringsprogramma betreft een bindende afspraak die zekerheid geeft voor gemeente en schoolbesturen.
8.
De Raad geeft krediet af voor de looptijd van het uitvoeringsprogramma van het IHP, middels een bestemmingsreserve.. Op basis van het uitvoeringsprogramma wordt de bestemmingsreservering in de begroting van de gemeente vastgelegd, (nog te besluiten door gemeente) De uitkomst van de haalbaarheidsstudie (businesscase) van projecten uit het Uitvoeringsprogramma worden met een definitieve budgetaanvraag ter besluitvorming voorgelegd bij de gemeenteraad. De Raad kan een definitief krediet alleen nog onder uitzonderlijke omstandigheden afwijzen, indien deze niet afwijken van hetgeen vastgesteld is in het uitvoeringsprogramma.
9.
Het IHP prevaleert voor het aanvragen van voorzieningen boven de verordening en vervangt daarmee, in de toekomst, de aanvraagprocedure voor nieuwbouw of renovatie en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening), (reeds ingediende en lopende procedures tijdens de ontwikkeling van het IHP blijven
Referentie: 1699201-0090.2.0.
gehandhaafd). Er zijn echter uitzonderingen zoals het voorzien in huisvesting voor een nieuw te stichten school, kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (artikel 2.a lid 1, lid 6 en lid 7 van de verordening) of spoedaanvragen door onvoorziene omstandigheden. Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. Wel dient er op de gemeentelijke begroting rekening gehouden te worden met dergelijke uitzonderingen. Hiervoor dient een ander budget beschikbaar gesteld te worden en zal niet uit de bestemmingsreserve van het IHP komen.
Pagina 5 van 15
w HEVO
2. Bouwsteen Samenwerking
moet goed nagedacht worden over de schaal van de campus en de behoefte van de leerlingenpopulatie. Voor de VO-scholen in de gemeente is de regionale positie een belangrijk aspect. Opgemerkt wordt dat er aantrekking is van leerlingen naar scholen buiten de gemeente. De aantrekking wordt mede veroorzaakt door nieuwbouw van deze scholen. Het is voor alle partijen belangrijk om alert blijven op de ontwikkelingen in leerlingenaantallen in het VO. Tijdens het OOGO dient dit onderwerp op de agenda te staan.
Binnen deze bouwsteen wordt de visie op samenwerking beschreven tussen de onderwijspartijen onderling en de overige (kind)partners, die raakvlakken hebben met het onderwijs.
1. Samenwerking tussen schoolbesturen Schoolbesturen en gemeente streven naar samenwerking tussen de schoolbesturen in de gemeente Oosterhout ten gunste van het onderwijs, de leerling en de medewerkers, rekening houdend met de diversiteit van het aanbod van onderwijs en de identiteit van de besturen & scholen. De kwaliteit van het onderwijs staat hierbij centraal. Samenwerking kan zowel inhoudelijk (kennis) of gebouwelijke (faciliteiten) worden vormgegeven, waarbij gebouwelijke samenwerking volgt op de inhoudelijke samenwerking. Gebouwelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van het faciliteren van ontmoetingen, de beschikbaarheid van faciliteiten, het efficiënter/ optimaler gebruiken van beschikbare m2 gebouw en faciliteiten en het beperken van exploitatielasten. Per situatie dient te worden verkend hoe vorm en inhoud kan worden gegeven aan deze samenwerking. De overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs wordt als belangrijk moment beschouwd. De doorlopende leerlijn loopt hier idealiter zo soepel mogelijk over waarbij het ontstaan van een ‘knip’ in de leerlijn zoveel als mogelijk voorkomen wordt. Aan de oprichting van een nieuwe fysieke tussenschool (tienercollege) is momenteel geen behoefte.
Huidige initiatieven krijgen idealiter vorm binnen bestaande huisvesting, maar in de toekomst kan het interessant zijn om te verkennen of er fysiek een verbinding kan worden gemaakt tussen PO en VO.
2. Samenwerking Voortgezet Onderwijs-scholen onderling In de gemeente Oosterhout zijn in 2022 zes VO-scholen aanwezig. De scholen bieden verschillende onderwijsniveaus aan en hebben eigen speerpunten (bijv, een techlab). De VO-scholen zien de mogelijkheden van samenwerking op inhoudelijk en mogelijk fysiek vlak (huisvesting en/of faciliteiten). Wanneer er op fysiek vlak samengewerkt wordt, is het van belang om op voorhand zaken vast te leggen, o.a. over exploitatie en ruimtegebruik. Een “Compacte Campus” ontwikkeling kan mogelijkheden bieden voor het medegebruik van ruimtes en kennisdeling. Hierbij
Referentie: 1699201-0090.2.0.
3.
(Voortgezet) speciaal onderwijs in relatie tot regulier onderwijs De samenwerking tussen regulier onderwijs en (V)SO draagt bij aan het speerpunt Passend Onderwijs, wat inhoudt dat kinderen de gemeente niet uit hoeven om onderwijs te krijgen. In het speciaal onderwijs wordt een druk aan leerlingenaantallen ervaren. Hierdoor komt het speerpunt Passend Onderwijs in de gemeente onder druk te staan. Door de samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs te versterken kan de hoeveelheid doorverwijzingen dalen. Deze samenwerking kan op een inhoudelijke of gebouwelijke wijze vormgegeven worden. Een gebouwelijke samenwerking kan voordelen bieden bij eventuele terugplaatsing van kinderen vanuit het S(B)O naar het regulier onderwijs. Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs is het wenselijk om netwerkpartners (o.a. zorg specialisten en potentiële werkgevers voor de leerlingen) te betrekken in het onderwijsgebouw. Een eventuele ontwikkeling tot (Integraal) Kind- en Expertisecentrum (KEC) is hierbij een mogelijkheid. Leerlingen krijgen hierdoor betere zorg en begeleiding in hetzelfde gebouw als waar zij onderwijs volgen. Het speciaal onderwijs heeft naast een gemeentelijk functie ook een regionale functie. Indien er vraagstukken komen met een regionaal karakter, zal er ook afstemming plaats vinden met het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs.
Samenwerking tussen Gemeente, Schoolbesturen Primair Onderwijs en kinderopvang Gemeente, schoolbesturen en kinderopvang (o.a. voorschool, kinderopvang en buitenschoolse opvang) zetten in op het behoud en waar nodig het versterken en uitbreiden van samenwerking tussen PO en kinderopvang. De gemeente Oosterhout heeft als beleid dat elke basisschool voorschoolse educatie aanbied voor kinderen vanaf 2,5-jarige leeftijd. Het creëren en behouden van de doorlopende 4.
Pagina 6 van 15
HEVO
leerlijn is daarbij van belang. De gemeente ziet het als haar verantwoordelijkheid om voldoende voorschoolse kindplekken te hebben in haar gemeente. Kinderopvang en buitenschoolse opvang wordt op dit moment door de wetgever gezien als een commerciële activiteit. De gemeente Oosterhout is bereid om, onder voorwaarden, bij de realisatie van dergelijke vierkante meters. Deze voorwaarden worden nader geconcretiseerd voorafgaand aan de start van een huisvestingsproject.
Daarnaast zijn er enkele andere uitgangspunten voor de samenwerking tussen PO en kindpartners geformuleerd: a. De samenwerking tussen het primair onderwijs en kinderopvang richt zich op afstemming van pedagogiek en didactiek. b. De samenwerking kan verschillende vormen aannemen, met verschillende vormen van integratie (o.a. een kindcentrum). Gezamenlijke huisvesting wordt als pré gezien, maar is geen voorwaarde voor de samenwerking. Per project dient gekeken te worden naar de specifieke situatie. De gemeente ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om bij elke school faciliteiten te realiseren voor kinderopvang, zolang er voldoende plekken beschikbaar zijn in de buurt waar de leerlingenpopulatie woont (thuis nabij). Indien bij projecten sprake is van een situatie waarin kinderopvang aanwezig is, in de bestaande scho(o)l(en), wordt er naar gestreefd om dit ook in de nieuwe situatie te behouden. c. De gemeente is verantwoordelijkheid om ruimte voor voorschoolse educatie te faciliteren. Per PO-school (lees: brinnummer) is/komt 55 m2 beschikbaar voor de huisvesting van de voorschool, aanvullend aan de normatieve m2 voor het onderwijs.
5. Samenwerking onderwijs en overige maatschappelijke partners Per project kan onderzocht worden of een samenwerking met andere maatschappelijke partners (bibliotheek, jeugdzorg, sportorganisaties, dorpshuis etc.) meerwaarde biedt. De samenwerking met deze partners is geen doel op zich maar kan exploitatievoordelen bieden. Tegelijkertijd is de ervaring dat het ook juist kostenverhogend en complicerend kan werken. Opgemerkt wordt dat het vormen van Multifunctionele Accommodaties (MFA’s) niet nagestreefd wordt. Het uitgangspunt bij samenwerking met partners is dat het onderwijs centraal moet
Referentie: 1699201-0090.2.0.
staan in het gebouw. Om de volgende redenen kan een samenwerking met de maatschappelijke partners worden overwogen: a. Versterking van de ontwikkeling van de kinderen; b. Sociaal-maatschappelijke functie in de kern/wijk vervullen; c. Multifunctioneel gebruik van het gebouw bevorderen. Naast de samenwerking met maatschappelijke partners kunnen partners uit het bedrijfsleven bij de burgerschapsvorming van leerlingen in het VO (met name VMBO/praktijkscholen) een rol spelen.
6.
Afspraken over verhuur en/of medegebruik Multifunctioneel gebruik van een schoolgebouw leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzamer gebruik van gebouwen. Samenwerking met verschillende typen gebouwgebruikers onder één dak vergroot de flexibiliteit - als de ene gebruiker minder ruimte nodig heeft, kan de andere gebruiker deze ruimte wellicht gaan huren. Op die manier kan leegstand (tijdelijk) intern opgevangen worden. Dit vraagt wel om aandacht voor afspraken over zaken als; looptijd overeenkomst, eigendomsverhouding, beheersvorm en samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Bij de planvorming van nieuwe gebouwen dient men hier bij aanvang al over na te denken, te concretiseren en te formaliseren.
Indien ruimten in schoolgebouwen in gebruik worden gegeven aan partijen anders dan het onderwijs (bijvoorbeeld kinderopvang en/of andere maatschappelijke partners) wordt ofwel ‘verhuur’ ofwel ‘medegebruik’ toegepast.
Voorwaarde voor medegebruik is dat het bij medegebruik gaat om het gebruik door (uit de openbare kas bekostigd) onderwijs of voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het is aan het college van B&W om te bepalen welke activiteiten behoren tot culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden en of partijen vallen onder ‘verhuur’ of ‘medegebruik’. Medegebruik ontstaat alleen bij leegstand in bestaande schoolgebouwen. Bij medegebruik wordt geen vergoeding voor de investeringslasten in rekening gebracht, maar uitsluitend een gebruiksvergoeding. Bij medegebruik kan sprake zijn van exclusief gebruik van ruimten of volgtijdelijk gebruik van ruimten.
Pagina 7 van 15
HEVO
In het geval van ‘verhuur’ wordt een huurtarief afgesproken, wat voldoet aan de verplichtingen van de Wet Markt en Overheid. Indien dit in nieuwe projecten leidt tot een situatie waarbij geen enkele kinderopvangorganisatie een businesscase heeft, zal gezocht worden naar een maatwerkoplossing, waarbij het streven is om het bestaande aanbod aan kinderopvang te behouden in de omgeving.
Referentie: 1699201-0090.2.0.
Pagina 8 van 15
HEVO
3. Bouwsteen Vraag & Aanbod
Er is wel zorg bij de VO-scholen over de positionering in de regio. In nabijgelegen gemeente zijn onlangs nieuwe schoolgebouwen opgeleverd die leerlingen aantrekken, ook vanuit de gemeente Oosterhout. Mogelijkerwijs heeft dit een negatief effect op de leerlingenprognose in het VO, maar dit effect kan ook juist andersom gaan werken na realisatie van nieuwe gebouwen en zorgen voor meer leerlingen.
Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod aanwezig is en welke aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste versus beschikbare aanbod van onderwijs is (mede) bepalend voor de te ontwikkelen huisvestingsoplossingen.
1.
2.
Het huidige aanbod van Primair onderwijs. Er is een divers aanbod aan onderwijsconcepten in het primair onderwijs, namelijk Rooms-katholiek, Protestants- Christelijk, Openbaar, Montessori en Vrijeschool onderwijs, en aanbod aan speciaal onderwijs. Qua hoeveelheid en capaciteit is het huidige aanbod in het PO in principe dekkend. In het S(B)O is de situatie anders en gaan leerlingen in/ uit een grotere regio naar school. a. De wens vanuit het primair onderwijs is om het huidige onderwijsaanbod te behouden en waar nodig te versterken. Waarbij de kwaliteit van het onderwijs centraal staat. Er loopt een aanvraagprocedure voor het stichten van een Islamitische basisschool door een extern schoolbestuur. b. Enkele primair onderwijs scholen in de gemeente ervaren een stroom aan leerlingen van buiten de gemeente vanwege een uniek onderwijsconcept. Bij de scenario ontwikkeling in het IHP dient hier rekening mee gehouden te worden. Het huidige aanbod van Voortgezet onderwijs. Er is een divers aanbod aan onderwijsniveaus in het voortgezet onderwijs, namelijk praktijkonderwijs, VMBO, Havo, VWO inclusief gymnasium en aanbod aan speciaal voortgezet onderwijs (VSO). Qua hoeveelheid en capaciteit is het huidige aanbod in het VO in principe dekkend. In het VSO is de situatie anders en gaan leerlingen in/ uit een grotere regio naar school. a.
Het VO heeft een rijk aanbod aan verschillende onderwijsniveaus en speerpunten of bijzonderheden per school. Het is de wens om dit rijke aanbod te behouden en indien mogelijk de aantrekkingskracht van Oosterhout te versterken door te sturen op de beschikbaarheid van goede toekomstbestendige flexibele schoolgebouwen die aansluiten bij het onderwijsconcept, speerpunten en bijzonderheden van de scholen. Het VO heeft naast een gemeentelijk ook een regionale functie. Naast leerlingen vanuit de gemeente komen leerlingen elders uit de regio naar de VO-scholen.
Referentie: 1699201-0090.2.0.
3.
Het huidige aanbod van (Voortgezet) speciaal onderwijs. In de gemeente Oosterhout is één VSO-school aanwezig (Plein3), één SO-school (Muldersteeg) en één SBO-school (De Wissel). De VSO en SO-school bieden onderwijs aan voor kinderen die in cluster 4 geplaatst zijn (ofwel kinderen met gedragsproblemen/psychische stoornissen). Plein 3 betreft een kleinschalige pilot voor maximaal 55 leerlingen met een looptijd van 2 jaar (verlenging hiervan en de gebouwelijke consequenties is onderwerp van gesprek), gericht op leerlingen die uitgevallen zijn in het reguliere voortgezet onderwijs en is voor geheel west-Noord Brabant. In de gemeente Oosterhout wordt een druk aan leerlingen ervaren binnen het speciaal onderwijs.
4.
Het is van belang om een goede spreiding van onderwijs te hebben. Een goede spreiding van schoollocaties is belangrijk voor de bereikbaarheid van scholen. Schoolgrootte en spreiding moeten, vooral in het PO, aansluiten op het leerlingenaantal in het voedingsgebied. Echter is de geografische spreiding van de scholen momenteel niet optimaal. Bij het ontwikkelen van nieuwe scholen of herpositioneren van bestaande scholen dient hier aandacht voor te zijn. a. Een goede spreiding van het PO is van belang voor de leefbaarheid van de kerkdorpen en wijken. Een school functioneert als een “spil in de wijk”. Onderwijs in de nabijheid van het woonadres van de leerling vormt hierbij ook een uitgangspunt. b. Voor het VO is het van belang om op zowel plaatselijk schaal als de regionale schaal te kijken naar de optimale spreiding en bereikbaarheid. Het VO trekt immers ook leerlingen uit de regio aan.
Pagina 9 van 15
HEVO
5.
De schoolbesturen streven naar een omvang van de school die past bij de vraag. Hiermee wordt bedoeld dat er geen ‘ideale’ schoolgrootte bestaat. Het gaat niet zozeer om omvang maar om kwaliteit. Schoolbesturen maken daarbij zelf de afweging of de kwaliteit van hun onderwijs bij een bepaalde omvang (van de organisatie en de huisvesting) gegarandeerd kan worden.
6.
Het streven is naar een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het om het voorkomen van zowel ruimteoverschotten als ook ruimtetekorten. Daarvoor is een aantal instrumenten geformuleerd: a. Nieuwe gebouwen flexibel en aanpasbaar ontwerpen, om verbouwingen en uitbreidingen in de toekomst mogelijk te maken. Uitgangspunt daarbij is dat dragende wanden alleen op strategische plekken in een gebouw geplaatst worden gekoppeld aan blijvende gebouwfuncties (verticaal verkeer e.d.) Gebouwen dienen toekomstbestendig gemaakt te worden, waarbij eventuele functiewisselingen mogelijk zijn; b. Verhuur of medegebruik van ruimte kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. Eventueel kan er ook een deel van het gebouw afgestoten worden wanneer er een structureel ruimteoverschot is; c. Doorverwijzen van leerlingen biedt mogelijkheden bij ruimtetekorten, op de korte termijn. Deze situatie dient zo veel mogelijk voorkomen te worden, omdat het onderwijskundig minder wenselijk is. Ook komt hiermee de keuzevrijheid van ouders in het gedrang. Als er verwezen gaat worden, dient dit op basis te zijn van een realistische reisafstand en veilige route.
7.
Ruimte voor sport en beweging is onderdeel van de kwaliteit van het onderwijs. In dit IHP wordt er niet ingegaan op de capaciteit van de aanwezige gymvoorzieningen. Bij de gemeente Oosterhout is een separaat onderzoek uitgevoerd over de gymfaciliteiten en de capaciteiten daarvan. Van belang is het wel om bij aanvang van projecten te kijken of voldoende capaciteit beschikbaar is bij de dichtstbijzijnde gymvoorziening en dat de reisafstand hierbij realistisch en acceptabel is. Indien dit niet het geval is, is het noodzakelijk dat er aanvullende capaciteit gerealiseerd wordt. In de verordening staan de kaders hiervoor omschreven.
Referentie: 1699201-0090.2.0.
8.
Kinderen die vanuit het buitenland naar Nederland komen en de Nederlandse taal niet of weinig spreken, kunnen in Oosterhout bij Delta Onderwijs gebruik maken van de voorziening Nederlands voor anderstalige zij-instromers (NAZ) om de Nederlandse taal zo snel mogelijk te leren. In Oosterhout wordt deze voorziening op dit moment op twee locaties aangeboden: bij Kindcentrum De Ontdekking en in het voormalig schoolgebouw aan Slotjesveld 11 (de Biencorf). Ook leerlingen van andere scholen in Oosterhout kunnen hiervan gebruik maken. De NAZ voorziening bestaat al meer dan 14 jaar in Oosterhout. Delta onderwijs krijgt hiervoor een subsidie van de gemeente. Het is een voorziening waarbij leerlingen op één van de reguliere scholen worden ingeschreven en een gedeelte van de tijd (50%) doorbrengen op één van de twee locaties van de voorziening om extra taallessen te krijgen. De andere 50% zijn zij op een van de scholen in Oosterhout aanwezig. Het gaat om een wisselend aantal leerlingen, afhankelijk van externe omstandigheden.
9.
Techlab: techeXperience Oosterhout; In de toekenning van de Sterk Techniek Subsidie voor de regio Amerstreek is een deel van de subsidie geoormerkt op de realisatie van 4 techlabs in de regio Amerstreek. Een daarvan is op het Hanze College, twee zijn er voor het Dongemond en een voor het Effent. Deze laatste is omgezet in een technieklokaal voor het Effent. Het Hanze College heeft dit momenteel gerealiseerd. Het is onderdeel van de school en wordt gebruikt voor groep 7 en 8 van het PO en voor klas 1 en 2 van het Hanze College. Doelstelling is leerling kennis te laten maken met techniek en technologie. Per jaar komen er zo’n 40 scholen hier gebruik van maken.
10. Time In/Time out voorziening; In samenwerking met het RSV Breda is op het Hanze College een time in voorziening gemaakt. Deze wordt gebruikt voor leerlingen die de les tijdelijk niet in kunnen. Vaak heeft dit te maken met ontwikkelings- of gedragsstoornissen. De voorziening is bedoeld om leerlingen niet te snel te verwijzen naar het speciaal onderwijs maar juist door individuele begeleiding binnen de school te houden. De voorziening is ook beschikbaar voor andere scholen binnen het RSV Breda.
Pagina 10 van 15
HEVO
4. Bouwsteen Kwaliteit & Duurzaamheid De gemeente Oosterhout en de schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke, gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft tenslotte een positief effect op het onderwijs en op het leefklimaat van toekomstige generaties. In deze bouwsteen worden de kwaliteits- en duurzaamheidsambities gemeente en schoolbesturen omschreven.
1.
2.
c.
Het IHP sluit aan bij de doelstellingen die geformuleerd zijn in het landelijke klimaatakkoord en de sectorale routekaart. Middels het IHP wil de gemeente invulling geven aan de verduurzamingsopgave voor het onderwijs. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt om gasloze gebouwen te realiseren met de ambitie van energieneutrale (school)gebouwen (ENG) (het procesgebonden energieverbruik valt hier buiten). renovatie Bij (Vernieuwbouw) van bestaande schoolgebouwen (na 40 jaar levensduur) wordt beoogd deze gasloos te maken en de energieprestatie zo goed mogelijk te krijgen; dit dient per situatie bekeken te worden op basis van een kostenbatenanalyse van de mogelijke maatregelen.
Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2-reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, een gezond leer- en werkklimaat, een gezonde financiële exploitatie, circulariteit en toekomstbestendigheid. Hieronder worden deze thema’s kort toegelicht: a. Ten aanzien van goed onderwijs gaat het om onderwijskundige functionaliteit: zowel nieuwe als gerenoveerde schoolgebouwen dienen onderwijsconcepten goed te faciliteren. Het gebouw dient aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school. Daarnaast dienen ook andere functies in samenhang met onderwijs goed gefaciliteerd te worden, bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg en andere maatschappelijke partners. b. Ten aanzien van gezondheid wordt er rekening gehouden met Frisse Scholen-thema’s (naast energie): lucht, temperatuur, licht en geluid om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor Frisse Scholen wordt gekozen voor een mix van eisen per subonderdeel,
Referentie: 1699201-0090.2.0.
d.
e.
3.
waarbij er bij nieuwbouw en bij renovatie voor de thema’s lucht en temperatuur minimaal klasse B wordt aangehouden. Zie hiervoor bijlage A. Ten aanzien van circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit zoals de losmaakbaarheid van elementen. Bij de sloop en renovatie van schoolgebouwen wordt het uitgangspunt van circulariteit toegepast en wordt er in kaart gebracht welke gebouwelementen mogelijk nog bij andere projecten gebruikt kunnen worden of opnieuw in de bouwketen geïntegreerd kan worden voor hoogwaardig hergebruik. Bij nieuwbouw wordt gedocumenteerd welke materialen en hoeveelheden er aanwezig zijn in het gebouw. Ten aanzien van toekomstbestendigheid wordt er ingezet op maximale flexibiliteit, o.a. door het realiseren van een gunstige BVO/FNO factor, het vermijden van dragende binnenwanden en door “groeiruimte” te definiëren in bestemmingsplannen. Bij tijdelijke pieken in de geografische omvang van kernen slim omgaan met Semi-permanente modulaire oplossingen, gecombineerd met een permanente vaste kern die hierop is voorbereid. Gebouwen kunnen op deze manier meebewegen met groei en krimp van scholen.
Intern biedt flexibiliteit ook transformatiemogelijk van het vastgoed. Ten aanzien van de buitenruimte is de ambitie er om groenblauwe schoolpleinen te realiseren. Dit zijn schoolpleinen waar veel groen is geïntegreerd ter stimulering van de biodiversiteit en waar extra aandacht wordt besteed aan waterinfiltratie.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, schoolbesturen zijn in alle situaties verantwoordelijk voor het goed onderhouden en exploiteren van gebouwen. Renovatie (lees: vernieuwbouw) van een schoolgebouw aan het einde van de levensduur (40 jaar) is wettelijk nog niet geregeld. Renovatie (vernieuwbouw) kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw, doordat de bestaande (hoofd)draagstructuur hergebruikt wordt. Ook om andere redenen, zoals bij beeldbepalende gebouwen (monumenten e.d.) kan het wenselijk zijn om een gebouw te gaan renoveren. Ten aanzien van renovatie wordt in dit IHP aangesloten op het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG.
Pagina 11 van 15
HEVO
a. Renovatie (Vernieuwbouw) wordt in de verordening opgenomen als voorziening. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere artikel 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie (vernieuwbouw) toe te passen, b. Renovatie (Vernieuwbouw) is daarbij een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. Dit betekent dat renovatie alleen een overweging is wanneer aangetoond kan worden dat de betreffende school en het schoolbestuur weerten minste 25 jaar op een goede en betaalbare manier met het gebouw vooruit kunnen. In specifieke situaties kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, als een tijdelijke oplossing noodzakelijk is. c. Uitgangspunt bij renovatie (vernieuwbouw) is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar1 voor rekening komen van de gemeente. Bij een levensduurverlenging van 40 jaar wordt hetzelfde budget toegekend als in een nieuwbouw situatie.
4.
Een bewuste afweging tussen renovatie (vernieuwbouw) en nieuwbouw. Voor een schoolgebouw dat aan het einde van de levensduur is (40 jaar gebruiksperiode), wordt een bewuste keuze gemaakt tussen een levensduur verlengende renovatie (vernieuwbouw) en nieuwbouw. Hierin gaat het om een continu afweging tussen financiële haalbaarheid, te bepalen kwaliteit en functionaliteit. Het scenario renovatie is aantrekkelijk wanneer na renovatie het schoolgebouw weer voldoet aan de huidige kwaliteitsnormen (bouwbesluit inclusief de ambities/eisen als opgenomen in het IHP) zonder dat dit voor buitensporig hoge exploitatie- en investeringskosten leidt. Indien het niet of nauwelijks mogelijk is om een gebouw te renoveren tot het overeengekomen kwaliteitsniveau, dan is het
1 In het concretiseringsvoorstel van de PO-VO Raad en VNG is opgenomen: ‘Renovatie is een grootschalige en integrale aanpak van een bestaand schoolgebouw waarmee de levensduur verlengd wordt met ten minste 25 jaar en het gebouw (weer) voldoet aan de functionele eisen en kwaliteitseisen zoals geformuleerd in het IHP (en ten minste aan vigerende eisen van het Bouwbesluit).’
Referentie: 1699201-0090.2.0.
scenario nieuwbouw passender (tenzij het bijvoorbeeld beeldbepalende/ monumentale gebouwen betreft). Op basis van het haalbaarheidsonderzoek, conform het uitvoeringsprogramma, wordt de definitieve keuze gemaakt. De keuze voor een voorkeursscenario wordt gemaakt op basis van de uitkomsten van het onderzoek naar onderstaande aspecten: a. De financiële consequenties van beide scenario’s (investering en exploitatie); b. De mate in hoeverre het schoolgebouw in beide scenario’s aansluit bij het onderwijsconcept (geschiktheid van het gebouw) passend bij het aantal leerlingen; c. De toekomstbestendigheid van het schoolgebouw in beide scenario’s; d. De kwaliteit, functionaliteit, veiligheid en uitstraling van het schoolgebouw in beide scenario’s.
5.
Schoolbesturen en gemeente verkennen tijdens de haalbaarheidsstudie in het uitvoeringsprogramma de mogelijke bijdrage door het schoolbestuur op basis van het sturen op de optimale Total Cost of Ownership (TCO). De gescheiden verantwoordelijkheid tussen de investering en de exploitatie van een onderwijsgebouw kan leiden tot een suboptimale oplossing. Een lage investering kan daarbij hoge exploitatielasten veroorzaken. Bij het realiseren van projecten op basis van de optimale TCO wordt gezocht naar de balans in investeringskosten en exploitatiekosten. Bij het sturen op TCO dragen schoolbesturen mogelijk bij aan een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze extra investering moet de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede komen, waardoor een investering aan de voorkant een besparing gaat opleveren tijdens het gebruik van het gebouw. Een integrale afweging tussen investering en onderhouds- en exploitatiekosten is daarbij van belang. Schoolbesturen maken voor hun bijdrage gebruik van de vergoeding voor materiële instandhouding2, onderdeel van de lumpsumvergoeding, van het rijk. Per project dienen de mogelijkheden voor een bijdrage vanuit de
2 Vanzelfsprekend bestaat de mogelijkheid dat de hoogte van de Ml-vergoeding over tijd (negatief) wijzigt. Een verlaging van de Ml-vergoeding mag niet ten kosten gaan van de onderwijskundige onderdelen van de lumpsumvergoeding. Het uitgangspunt is dat een gedeelte van de Ml-vergoeding door schoolbesturen gebruikt kan worden voorfinanciering in exploitatie verlagende maatregelen dient bij een herijking van het IHP opnieuw besproken te worden en te worden geüpdatet op basis van de laatste inzichten.
Pagina 12 van 15
HEVO
schoolbesturen nader verkend te worden, gebaseerd op werkelijk te realiseren besparingen t.o.v. de werkelijke inkomsten van schoolbesturen voor het exploiteren van het gebouw. Ook kan het realiseren van een besparing op de onderhoudskosten direct voorafgaand aan het betrekken van een nieuw gebouw een mogelijkheid bieden hiervoor. Ook het samenwerken met ander partijen die een gedeelte van de bekostiging voor hun rekening nemen is hierbij een mogelijkheid. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn bij het meer technisch onderwijs waar een derde partij een samenwerking aan gaat met de school en bereid is daarvoor te investeren. Hierbij is het van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt en vastgelegd in overeenkomsten. In het IHP wordt rekening gehouden met het op dit moment nog geldende investeringsverbod voor het PO en de (exploitatie) tekorten die zij (net als de gemeente) ervaren in de bekostiging.
6.
7.
Inclusieve en toegankelijke gebouwen Conform bouwbesluit dienen schoolgebouwen in de gemeente Oosterhout toegankelijk te zijn voor iedereen. De gebouwen dienen ruim van opzet te zijn en bij meerdere bouwlagen is de aanwezigheid van een lift noodzakelijk. Kinderen en medewerkers van de school met een beperking kunnen op deze manier zelfstandig door het gebouw bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen, hierbij hoort een streven naar bijvoorbeeld meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal onderwijs. Daarnaast moet de school ook veilig te bereik zijn hetzij met de fiets, lopend of met gemotoriseerde voertuigen. Minder valide personen kunnen het gebouw op een passende manier bereiken en op een acceptabele afstand tot de entree parkeren.
de voorzieningen waar het onderwijs aansluiting kan vinden, zoals sport- of wijkfuncties of een gevestigde kinderopvang. a. Voor het primair onderwijs geldt aanvullend dat de school zich in de wijk bevindt (thuis nabij onderwijs) waar kinderen leeftijdsgenoten kunnen ontmoeten. Er moet voorkomen worden dat er ‘slaapwijken’ ontstaan ofwel wijken waar veel verkeer is maar geen school. b. (Voortgezet) speciaal onderwijs heeft vaak een meer regionale functie, waardoor bereikbaarheid extra belangrijk is. c. Voor het voortgezet onderwijs zijn toegankelijke fietspaden en een goede ovverbinding belangrijk. De schoollocatie moet goed bereikbaar zijn voor het voedingsgebied. De definitie van een veilige omgeving verschilt per type VOschool. d. De doelgroep van de school is bepalend voor de geldende locatie-eisen. Per project dient ingezoomd te worden op de doelgroep, om te bepalen aan welke eisen de locatie moet voldoen. e. Om te bepalen wat een goede locatie is van een schoolgebouw, wordt ook gekeken naar huidige samenwerkingen en de impact die een potentiële verplaatsing van een school zou hebben.
Bijlage A: matrix kwaliteitsniveau voor nieuwbouw onderwijshuisvesting
Een goede schoollocatie is een locatie die veilig en gemakkelijk te bereiken is voor kinderen. Per project dient daarom, bij de haalbaarheidsstudie, bekeken te worden hoe een veilige route gerealiseerd wordt, eventueel met een “Kiss&Ride” zone. Tevens dient er ook verder gekeken te worden dan alleen de directe omgeving van de school. In het voedingsgebied van de school is het belangrijk dat er aandacht is voor een veilige route. Voor een goede schoollocatie kan er ook gekeken worden naar
Referentie: 1699201-0090.2.0.
Pagina 13 van 15
HEVO
IHP Oosterhout matrix kwaliteitsniveau voor nieuwbouw scholen
Bijlage A: Matrix kwaliteitsniveau voor nieuwbouw onderwijshuisvesting
deze eisen zijn van toepassing bij alle ruimtes waar lesgegeven wordt Versie,28-3-2022 Frisse Scholen - versie mei 2021
Keuze klasse
verklaring keuze
Energie Energieprestatie
Klasse B met ENG |vanuit klimaatdoelstelling / CO2
Lucht Luchtverversing
Klasse B
Spuiventilatie
Klasse C
Ruimtevolume
Klasse B
Kwaliteit van de toevoerlucht
Klasse B
Fijnstof
Klasse B
Emissies van materialen
Klasse B=A
let op bij locatiekeuze nieuwbouw
Emissies van apparatuur
Klasse A
indien er sprake is van schadelijke uitstoot van de apparatuur
Schoonmaakbaarheid
Klasse C=B=A
zie ook rapport 'Naar een schone school' van VSR&OSB
Tabaksrook
Klasse C=B=A
Toiletten
Klasse C
Legionella
Klasse C=B=A
bij PO is aandacht bij de jongste kinderen wenselijk ivm ongelukjes (spuimogelijkheid en vloerafwerking)
Temperatuur
Operatieve temperatuur winter
Klasse B
Operatieve temperatuur zomer
Klasse B
Individuele beïnvloeding
Klasse C=B
Ventilatieve koeling
Bouwbesluit
Tocht
Klasse C
Lokaal thermisch discomfort
Klasse C
Licht
Kunstlicht
Klasse B + 400 lux schakeling obv aanwezigheid & daglichtregeling
Daglicht
Klasse C
Helderheidswering
Klasse B
Individuele beïnvloeding
Klasse C
Geluid
Geluidswering van de gevel
Klasse C=B
Installatiegeluid
Klasse C
bij grenzend aan spoor of hoofdontsluitingsweg, Klasse A
Ruimteakoestiek
Klasse C met 0,8s
0,8s voor een niet ingericht lokaal
Luchtgeluidisolatie
Klasse C=B
bij lokalen onderling geldt eis Klasse A
Contactgeluidisolatie
Klasse C=B
Kwaliteitsborging
Referentie: 1699201-0090.2.0.
Energie
Klasse C
Lucht
Klasse C=B
Temperatuur
Klasse C=B
Licht
Klasse C=B=A
Geluid
Klasse C=B=A
Pagina 14 van 15
HEVO
A
Colofon Uitgave: Datum:
HEVO B.V. 24 mei 2022
Contact
Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch
Postbus 70501 5201 CB 's-Hertogenbosch
T +31 (0)73 6 409 409 info@hevo.nl
www.hevo.nl
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven
Referentie: 1699201-0090.2.0.
Pagina 15 van 15