CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Proefsleuvenonderzoek archeologie [noordwest]

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Bespreekstuk raadsvoorstel 318898 Vaststelling bestemmingsplan 'Dorst, herziening 3 (Dorst Oost)'6.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport 5421

PROEFSLEUVEN AAN DE RAND VAN DORST

Proefsleuven aan de rand van Dorst Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven te Dorst-Oost (gemeente Oosterhout)

.

Colofon ADC Rapport 5421 Proefsleuven aan de rand van Dorst Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven te Dorst-Oost (gemeente Oosterhout) Auteurs: In opdracht van: Ruimte voor Ruimte II C.V. Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, maart 2021 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autorisatie:

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033 299 8181 Email info@archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden 3 Resultaten 3.1 Fysisch geografisch onderzoek 3.1.1 Landschappelijke setting 3.1.2 Bodemopbouw in het onderzoeksgebied 3.1.3 Conclusie 3.2 Sporen en structuren 3.2.1 Algemeen 3.2.2 Beschrijving van de sporen 3.3 Vondstmateriaal 4 Synthese 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 5 Selectieadvies 5.1 Waardering van de vindplaats 5.2 Selectieadvies Literatuur Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Bijlage 1 Sporenkaarten per werkput Bijlage 2 Vlakhoogtekaarten per werkput Bijlage 3 De profielkolommen per werkput Bijlage 4 Sporenlijst Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

4 5 7 7 7 8 8 9 10 10 10 10 12 13 13 13 16 17 17 17 19 19 19 20 20 20 21 28 35 42 43 45

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie:

Noord-Brabant

Gemeente:

Oosterhout

Plaats:

Dorst

Toponiem:

Dorst-Oost

Kaartblad:

44D

Coördinaten:

118.765/ 400565 , 119.336/400425, 118891/400263, 119340/400351

Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid:

Gemeente Oosterhout

Deskundige namens de bevoegde overheid:

(Regioarcheologe Programmabureau RWB).

Goedkeuring rapport door bevoegde overheid:

Ja, goedgekeurd op 8-2-2021

Archiszaaknummer:

4927217100

ADC-projectcode:

4220929

Complex en ABR codering:

Landbouw (ELX)

Periode(n):

Nieuwe tijd

KNA versie:

4.1

Geomorfologische context:

Dekzand

NAP hoogte maaiveld:

7,5 – 8 M +NAP

Maximale diepte onderzoek:

0,5 – 0,8 M – MV

Uitvoering van het veldwerk:

14-12-2020

Beheer en plaats documentatie:

Provinciaal depot bodemvondsten Noord-Brabant Brabantlaan 1 5200 MC ‘s- Hertogenbosch

5

Samenvatting In opdracht van Ruimte voor Ruimte II C.V. heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Dorst-Oost in de gemeente Oosterhout. In het plangebied zullen maximaal 165 woningen gerealiseerd worden tegen de dorpskern van Dorst. Bij deze geplande ontwikkelingen zullen bodemingrepen gaan plaatsvinden die de grond zullen verstoren, waarbij mogelijk aanwezige archeologische resten verloren zullen gaan. Vooronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw enkel binnen het noordwestelijk deel van het onderzoeksgebied naar verwachting nog intact is. Naar aanleiding van dit vooronderzoek is geadviseerd om vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven in deze zone (met een oppervlakte van ca. 1,2 ha) uit te voeren om zo tot een waardestelling van het gebied te komen. De bevoegde overheid heeft dit advies over genomen. De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het proefsleuvenonderzoek grotendeels worden bevestigd. Het onderzoeksgebied kent een dekzandbodem met een relatief intacte top van de C-horizont, ongeveer 0,5 m onder maaiveld. Enkel ter hoogte van proefsleuf 2 is de ondergrond dieper omgespit. De bodemopbouw boven deze C-horizont bestaat uit een plaggendek met daarop de bouwvoor.

In het onderzoeksgebied zijn enkel vier greppels waargenomen, waarvan twee zijn geïnterpreteerd als esgreppels. Uit één greppel uit sleuf 2 komt de enige vondst van het onderzoek: een roodbakkende scherf met aan de binnenzijde glazuur. De bodemopbouw in het onderzoeksgebied lijkt dus relatief intact te zijn, maar er zijn geen sporen aanwezig die wijzen op een (behoudenswaardige) vindplaats. Ook tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Door de afwezigheid van een vindplaats adviseert ADC ArcheoProjecten het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode

Tijd in jaren

Nieuwe tijd:

1500 - heden

Nieuwe tijd C

1850 - heden

Nieuwe tijd B

1650 - 1850 na Chr.

Nieuwe tijd A

1500 - 1650 na Chr.

Middeleeuwen:

450 - 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen B / Late Middeleeuwen

1250 - 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen A / Volle Middeleeuwen

1050 - 1250 na Chr.

Vroege Middeleeuwen D / Ottoonse periode

900 - 1050 na Chr.

Vroege Middeleeuwen C / Karolingische tijd

725 - 900 na Chr.

Vroege Middeleeuwen B / Merovingische tijd

525 - 725 na Chr.

Vroege Middeleeuwen A / Volksverhuizingstijd

450 - 525 na Chr.

Romeinse tijd:

12 voor Chr. - 450 na Chr.

IJzertijd:

800 - 12 voor Chr.

Bronstijd:

2000 - 800 voor Chr.

Neolithicum (Jonge Steentijd):

5300 - 2000 voor Chr.

Mesolithicum (Midden-Steentijd):

8800 - 4900 voor Chr.

Paleolithicum (Oude Steentijd):

tot 8800 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

6

Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied (rood omkaderd).

7

1 Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van Ruimte voor Ruimte II C.V. heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Dorst-Oost (afb. 1). Het archeologisch onderzoek valt binnen de geplande ontwikkeling van woningbouw binnen het plangebied. In het plangebied zullen maximaal 165 woningen gerealiseerd worden tegen de dorpskern van Dorst. Bij deze geplande ontwikkelingen zullen bodemingrepen gaan plaatsvinden die de grond zullen verstoren, waarbij mogelijk aanwezige archeologische resten verloren zullen gaan. Vooronderzoek (zie §1.2) heeft aangetoond dat de bodemopbouw enkel binnen het noordwestelijk deel van het plangebied naar verwachting nog intact is. Naar aanleiding van dit vooronderzoek is geadviseerd om vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven in deze zone (met een oppervlakte van ca. 1,2 ha) uit te voeren om zo tot een waardestelling van het gebied te komen. De bevoegde overheid heeft dit advies over genomen. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca.9,5 ha en is momenteel in gebruik als akkerland. Het gebied ligt tegen de dorpskern aan en wordt in het noorden begrensd door het treinspoor. In het westen wordt het gebied begrensd door een woonwijk en in het zuiden en oosten door akkerland en bos. In het geselecteerde onderzoeksgebied zijn zeven proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 1186 m2.

Het veldwerk is uitgevoerd op 14 december 2020. In die periode zijn de proefsleuven aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen (PvE), dat door Antea Group is opgesteld.1 Dit ontwerp is goedgekeurd door het team van Regioarcheologen Programmabureau RWB te ‘sHertogenbosch. De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens het IVO zijn verzameld, zijn gedeponeerd in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten te ’s-Hertogenbosch. Het veldteam bestond uit de volgende personen: (projectverantwoordelijke), (veldarcheoloog), (stagiair) en (kraanmachinist van de firma ). Senior archeoloog was De contactpersoon bij Ruimte voor Ruimte II C.V. is Het aardewerk is bestudeerd door Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door

1.2

Vooronderzoek

In verband met toekomstige ontwikkelingen in het plangebied is een eerste archeologische inventarisatie in het onderzoeksgebied uitgevoerd in 2008 door Becker & van der Graaf, in de vorm van een bureauonderzoek.2 Dit onderzoek wees uit dat er een brede archeologische verwachting geldt voor het plangebied, maar dat er ook ontgrondingen hebben plaatsgevonden. In 2009 heeft er een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen plaatsgevonden.3 Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied op een terrasafzettingswelving ligt. Vanaf de Late Middeleeuwen is door menselijk ingrijpen een plaggendek opgebracht waardoor een enkeerdgrond is ontstaan. Onder dat plaggendek kunnen zich dan archeologische resten bevinden vanaf het Paleolithicum tot in de Late Middeleeuwen . Uit de boringen die tijdens dit onderzoek zijn gezet, blijkt echter dat er geen sprake meer is van een plaggendek, maar dat de grond geroerd is geweest, waardoor de C-horizont, is aangetast. In maart 2020 heeft Antea Group nogmaals een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd door middel van boringen.4 Hieruit is gebleken dat een deel van het plangebied geroerd is in het verleden, echter is de verwachting dat in het westelijk deel van het plangebied de top van de Chorizont nog wel intact is.

Op deze akker kunnen dus nog archeologische resten aanwezig zijn en was het advies om vervolgonderzoek, in de vorm van proefsleuven, uit te voeren. De bevoegde overheid heeft dat advies overgenomen. 1 2 3 4

2020, 455905 2008 2009. 2020.

8

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Het IVO in de vorm van proefsleuven heeft tot doel de aanwezigheid, mogelijke aard, omvang en kwaliteit (gaafheid en conservering) vast te stellen van de vindplaats(en) in het gebied om te komen tot een definitief oordeel over de behoudenswaardigheid ervan. Daarnaast moeten gegevens verkregen worden om hetzij verder archeologisch onderzoek mogelijk te maken, hetzij adequate maatregelen voor behoud en beheer te kunnen treffen. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld. Deze worden in dit rapport beantwoord op basis van hetgeen in de proefsleuven is aangetroffen. Vraagstelling Zijn er binnen het onderzoeksgebied één of meerdere vindplaatsen aanwezig, en zo ja, zijn deze behoudenswaardig? De volgende onderzoeksvragen zijn in het PvE gesteld: 1. Wat is de aard (complextype), omvang en fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaats(en)? 2. Uit welke archeologische periode(n) dateert/dateren de vindplaats(en)? Kan er een fasering binnen de perioden worden aangebracht en, zo ja, welke? 3. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? 4. Zijn er tijdens het onderzoek archeologische vondsten aangetroffen? Zo ja, wat is de datering van de archeologische vondsten en tot weke materiaalcategorieën en/of vondsttypen behoren zij? 5.

Wat is de conserveringstoestand van de verschillende aangetroffen materiaalcategorieën, inclusief eventueel aanwezig archeobotanisch en zoölogisch materiaal? 6. Kunnen de aangetroffen sporen worden toegeschreven aan structuren? En zo ja, wat voor structuren en wat is de datering van deze structuren? 7. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Zijn de onderzoeksresultaten in lijn met de verwachting, of wijken deze hiervan af? 8. Bij aantreffen van één of meer vindplaatsen: wat is de waardestelling middels de KNAwaarderingscriteria en zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? 9. Indien het onderzoek geen of beperkte acheologische fenomenen oplevert, bijvoorbeeld alleen losse vondsten, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er bijvoorbeeld sprake van: - Aantoonbare afwezigheid van bewoning en /of actief landgebruik; - Verstoring van recente antropogene aard; - Beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen; - Beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden?

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 -specificatie VS05). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Dit onderzoek vormt geen eindstation, maar de basis van waaruit verder synthetiserend onderzoek kan plaatsvinden. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. Allereerst zullen de resultaten van de verschillende deelaspecten van het onderzoek aan bod komen: het fysisch geografisch onderzoek (3.1), vervolgens sporen en structuren (3.2) en het eventueel aangetroffen vondstmateriaal (3.3). In hoofdstuk 4 zal de synthese volgen en zullen de onderzoeksvragen beantwoord worden. Ter afsluiting zal in hoofdstuk 5 een advies volgen.

9

2 Methoden Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 en het PvE.5 Tijdens het IVO zijn zeven proefsleuven (of putten) aangelegd. De ligging van deze proefsleuven was oost-west georiënteerd, met uitzondering van proefsleuf 3, welke noord-zuid was georiënteerd. In het PvE werd een werkwijze voorgesteld waarbij één vlak werd aangelegd, in de top van de Chorizont. De proefsleuven waren 4 m breed en 25 tot 50 m lang. De aangelegde proefsleuven staan afgebeeld in afbeelding 2. In totaal is een oppervlakte van 1.186 m2 onderzocht, ongeveer 10% van het onderzoeksgebied.

Afb. 2. De aangelegde proefsleuven binnen het onderzoeksgebied. De vlakken zijn machinaal aangelegd, zonder schaafbak, omdat het een zandgrond betreft. Het gebruikt van een schaafbak heeft dan geen toegevoegde waarde. Grondsporen zijn direct ingekrast. De vlakken en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht. Vervolgens is het vlak en ieder spoor daarin gefotografeerd en ingemeten met behulp van een GPS, waarbij om de 3 m een NAP-hoogte is bepaald. De aangetroffen grondsporen zijn met de hand gecoupeerd. Alle coupes zijn gefotografeerd en indien nodig getekend op schaal 1:20. Het restant van de gecoupeerde sporen is vervolgens met de schep of troffel afgewerkt. Er zijn geen monsters genomen. In geen van de proefsleuven was het nodig om een tweede vlak aan te leggen. Langs de langste zijde van elke proefsleuf is om de 5 m een NAP-hoogte van het maaiveld ingemeten. In de proefsleuven van 50 m lengte zijn telkens drie profielkolommen van één meter breed opgenomen. In de twee proefsleuven die 25 m lang zijn, zijn telkens twee profielkolommen van elk één meter breed opgenomen. Deze zijn gefotografeerd, getekend op schaal 1:20 en beschreven door de senior KNA-Archeoloog.

5

2020, 455905.

10

3 Resultaten 3.1

Fysisch geografisch onderzoek 6

3.1.1 Landschappelijke setting Het plangebied bevindt zich in het dal van Breda, welk waarschijnlijk is gevormd tijdens de overgang van het Vroege naar het Midden Pleistoceen, ongeveer 850.000 jaar geleden. Tijdens deze overgang werden ten oosten van het dal van Breda, ongeveer ter hoogte van Oosterhout, dikke lagen van matig grof tot uiterst grof grindhoudend zand en grind afgezet door de Rijn en de Maas. Tegenwoordig wordt het dal en de afzettingen eromheen gerekend tot de Formatie van Stramproy en worden de afzettingen ten oosten van het dal gerekend tot de Formatie van Sterksel. De rug langs de oostelijke grens van het dal vormt de grens tussen beide formaties. Het plangebied bevindt zich op een hoger gelegen dekzandgebied. Tijdens de koudste periode van de laatste ijstijd, het Weichselien ( ongeveer 120.000 tot 10.000 jaar geleden) was het landschap niet begroeid en was het erg koud. Zand kon daardoor makkelkijk door de wind verstuiven en elders worden afgezet. In grote delen van Brabant werd daardoor voornamelijk matig fijn zand afgezet, welke worden gerekend tot de Formatie van Boxtel en zijn afgezet in de vorm van ruggen, losse duinen of vlakten. In dit zandpakket kan zich ook het zogenaamde Brabants Leem voordoen; dit zijn lössachtige leemlagen. Dit soort afzettingen worden het Oude Dekzand genoemd.

In de laatste fase van het Pleistoceen komen afwisselend van elkaar perioden van een relatief warm klimaat (de interstadialen) en perioden met een koud klimaat (de stadialen) voor. Die koude perioden, de stadialen, worden ook wel de Vroege en Late Dryas genoemd. Tijdens deze perioden is het Jonge Dekzand afgezet. Dit dekzand is net als het Oude Dekzand, voornamelijk door de wind afgezet. Ook dit Jonge Dekzand heeft de vorm van langgerekte noordoost-zuidwest georiënteerde dekzandruggen. In een groot deel van Brabant komt dit dekzand voor aan de oppervlakte. Echter in het noordwesten van Brabant komen ook oudere geologische formaties uit het Pleistoceen voor aan het oppervlakte. Deze bestaan uit fijn zand en zware keien. Bij Dorst, waar het plangebied zich bevindt, ligt echter wel een dekzandrug. Dit is echter maar een dunne laag, en op ongeveer 1 meter diepte kunnen terrasafzettingen van de Formatie van Sterksel worden waargenomen. Op de AHN kaart van Nederland is te zien dat het plangebied in een lager deel ligt. 3.1.2 Bodemopbouw in het onderzoeksgebied Volgens de bodemkaart komen in het gebied zwarte enkeerdgronden voor. Dit zijn gronden met een humeuze bovengrond die dikker is dan 50 cm.

Dit (opgebrachte) dek wordt ook wel een esdek of een plaggendek genoemd en is ontstaan door het langdurig bemesten van arme zandgronden met potstalmest, bestaand uit een mengsel van plaggen, dierenmest en huisafval. Hierdoor bleef een akker langdurig vruchtbaar. In het plangebied zijn verschillende booronderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bodem bestaat uit een Ap-horizont, welke wordt gevolgd door een gemengde laag met brokken A-, B-, soms E- en Chorizont. Onder deze menglaag is een laag aanwezig die het gevolg is van het in ontginning nemen van het gebied en het daardoor ‘breken’ van de B-horizont. Dit betekent dat de podzolhorizonten weliswaar gemengd zijn, maar dat de top van de oorspronkelijke C-horziont nog wel intact kan zijn. In elke proefsleuf zijn twee (sleuf 1 en 4) en drie (sleuf 2,3,5,6 en 7) profielkolommen van elk 1 meter breed opgenomen (zie afb. 3 en bijlage 3). De natuurlijke ondergrond komt in het plangebied op een gemiddelde diepte tussen de 30 en 80 cm – MV voor. De NAP-hoogte van het vlak, dat op de natuurlijke ondergrond is aangelegd, ligt tussen de 7 en 7,6 m +NAP. Er is daarmee nauwelijks sprake van hoogteverschil binnen het onderzoeksgebied. Ten opzichte van het afgegraven deel van het plangebied, ten oosten van de huidige onderzoekszone, is wel een behoorlijk hoogteverschil aanwezig.

De ondergrond bestaat in het gehele plangebied uit een geel tot lichtbruine zandlaag, de CHorizont (S5000). Deze bestaat uit matig tot fijn zand, met ijzervlekken. In overeenstemming met het booronderzoek lijkt de top van C-horizont in het onderzoeksgebied nog relatief intact. 6

Overgenomen uit

2020.

11

Regelmatig is nog een restant van een (natte) B-horizont waargenomen (S 3000), van enkele centimeters dikte. Enkel ter hoogte van proefsleuf 2 is deze horizont dieper verstoord. Hier is ook een dikker plaggendek aanwezig, met een duidelijke plaggenstructuur (afb. 4, S 4000). Dit pakket heeft een dikte van ca. 30 tot 40 cm. Gezien de positie van de laag, direct op een afgetopte Chorizont, gaat het in deze proefsleuf duidelijk om opgebrachte plaggen. In de overige proefsleuven is slechts een restant van een plaggendek waargenomen, van hooguit 10 tot 15 cm dikte. Het pakket bestaat hier uit een donkergrijs gevlekt zand, waarin nauwelijks nog een plaggenstructuur te herkennen is (afb. 5). Boven het plaggendek is een in diverse proefsleuven een laag waargenomen die wit/grijs, bruin gevlekt is (S 2000), vermoedelijk een tweede plaggenlaag. Daarboven is een bouwvoor (S1000) van ca. 30 tot 40 cm dikte aanwezig.

Afb. 3. De locatie van de opgenomen profielkolommen per proefsleuf.

12

Afb. 4. Profielkolom is sleuf 2, met een dik plaggendek met duidelijke structuur.

Afb. 5. Profielkolom in sleuf 3. 3.1.3 Conclusie De waarnemingen tijdens het proefsleuvenonderzoek komen grotendeels overeen met de resultaten van het landschappelijk bodemonderzoek uitgevoerd in 2020. Tijdens dat bodemonderzoek werd binnen het onderzoeksgebied nog wel een grotendeels intacte C-horizont waargenomen.7 Met uitzondering van de profielen in werkput 2 laten de profielkolommen binnen het onderzoeksgebied eveneens een grotendeels intacte C-horizont zien, met soms daarop nog een restant van een (natte) B-horizont. Het sporenniveau binnen het onderzoeksgebied is daarmee goed bewaard gebleven. De eerder natte B-horizont geeft wel aan dat het terrein niet direct geschikt lijkt voor bewoning. 7

2020.

13

3.2

Sporen en structuren

3.2.1 Algemeen Het vlak is aangelegd in de top van de C-horizont (S5000). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal zestien sporen aangetroffen (tabel 2). Het merendeel daarvan betreft een verstoring; hetzij natuurlijk, hetzij recent. In afbeelding 6 is een allesporenkaart weergegeven. De sporenkaarten per werkput zijn terug te vinden in bijlage 1, de vlakhoogtekaarten in bijlage 2. In bijlage 4 is de sporenlijst weergegeven. Tabel 2. Aangetroffen sporen tijdens het proefsleuvenonderzoek. Aardspoor Greppel Kuil Laag Natuurlijke verstoring Recente verstoring

Aantal 4 1 3 4 4

3.2.2 Beschrijving van de sporen De twee greppels die in sleuf 1 zijn aangetroffen, S1 en S2, zijn beide donkergrijsbruin van kleur. Uit S2 is een roodbakkende scherf afkomstig. Spoor 1 (afb. 7) is gecoupeerd en bleek in de coupe over meerdere vullingen te beschikken. Vulling 2 is lichtgrijs, wit van kleur. Vulling 3 is bruin van kleur. De vullingen bestaan uit zand, verder zijn geen insluitsels aangetroffen. Beide greppels, S1 en S2, zijn noordwest – zuidoost georiënteerd. Omdat spoor 2 tegen de putwand lag, waarbij het spoor niet over de volledige breedte gecoupeerd kon worden, is besloten dit spoor niet te couperen, ook omdat het gelijkaardig was aan spoor 1. De twee greppels in werkput 6 (afb. 8), S6 en S7, komen direct onder de bouwvoor uit, en zijn donkerbruin-donkergrijs van kleur. Deze greppels zijn noord-zuid georiënteerd. Zeker bij spoor 6 vertoont de vulling een duidelijke verspitte podzolbodem. Daarmee zijn de greppels vermoedelijk te interpreteren als esgreppels en hebben ze te maken hebben met de ontginning van het terrein en het in gebruik nemen als akkerland. Hieraan zijn geen bewoningssporen te koppelen. Omdat de greppel met spoor 6 na enkele keren opschaven al niet meer zichtbaar was, is besloten geen coupe op deze sporen te zetten. Wat de exacte ouderdom is van deze greppels is lastig te bepalen, gezien het vrijwel ontbreken van vondsten.

De alle sporenkaart is geprojecteerd op de Bonnekaart van 1870 (afb. 10). Hierop is te zien dat de greppels met spoor 6 en 7 dezelfde oriëntatie hebben als de omliggende perceelsgreppels, en vrijwel exact tussen twee greppels in liggen. Mogelijk maken ze daarmee onderdeel uit van een verdere onderverdeling van de percelen in de tweede helft van de 19e eeuw. De greppels met spoor 1 en 2 komen qua oriëntatie niet overeen met zichtbare perceelsgrenzen en zijn daarom mogelijk ouder dan de 19e eeuw. Op basis van de scherf aardewerk uit spoor 2 dateren ze wel uit de Nieuwe tijd. In werkput 3 werden aanvankelijk twee sporen als kuil geïnterpreteerd, spoor 4 en 5. Ze hadden beide een zeer lichtgrijze en sterk uitgeloogde vulling. Spoor 4 is gecoupeerd en hieruit bleek dat het een natuurlijk spoor betrof (afb. 9). Gezien de gelijkaardige vulling van spoor 5, is dit spoor eveneens als natuurlijke verkleuring geïnterpreteerd, en daarom niet meer gecoupeerd.

Afb. 6

Allesporenkaart van het proefsleuvenonderzoek.

14

15

Afb. 7. De greppel spoor 1 in proefsleuf 1.

Afb. 8. De esgreppels, S6 en S7 in proefsleuf 6.

Afb. 9. De coupe van spoor 4 in werkput 3

16

Afb. 10. De allesporenkaart geprojecteerd op de Bonnekaart uit 1870.

3.3

Vondstmateriaal

Tijdens het proefsleuvenonderzoek is slechts één scherf aardewerk aangetroffen. Het vondstmateriaal is afkomstig uit proefsleuf 1, S2. Het is een roodbakkende scherf met aan de binnenzijde glazuur. Deze dateert uit de Nieuwe tijd.

17

4 Synthese 4.1

Algemeen

De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek grotendeels worden bevestigd. Het onderzoeksgebied kent een dekzandbodem met een relatief intacte top van de C-horizont, ongeveer 0,5 m onder maaiveld. Enkel ter hoogte van proefsleuf 2 is de ondergrond dieper omgespit. De bodemopbouw boven deze C-horizont bestaat uit een plaggendek met daarop de bouwvoor. In het plangebied zijn enkel vier greppels waargenomen, waarvan twee zijn geïnterpreteerd als mogelijke esgreppels/ verkavelingsgreppels op basis van de vulling van een verspitte podzolbodem. Uit één greppel uit sleuf 1 komt de enige vondst van het onderzoek: een roodbakkende scherf met aan de binnenzijde glazuur. Deze wordt gedateerd in de Nieuwe tijd. De greppels met spoor 6 en 7 lijken op basis van historisch kaartmateriaal vermoedelijk in de 19e eeuw gedateerd te kunnen worden. Daarnaast zijn er in proefsleuf 3 nog twee sporen aangetroffen, die aanvankelijk als kuil geïnterpreteerd zijn. Na het couperen van één van deze sporen werd het duidelijk dat het natuurlijke verkleuringen betrof. De bodemopbouw in het onderzoeksgebied lijkt dus relatief intact te zijn, maar er zijn geen sporen aanwezig die wijzen op een (behoudenswaardige) vindplaats. Ook tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren waargenomen.

Door de afwezigheid van een vindplaats adviseren wij het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het huidige onderzoek heeft geen consequenties voor de verwachtingskaart en de daaraan gekoppelde beleidsadvieskaart.

4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek. 1.

Wat is de aard (complextype), omvang en fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaats(en)?

Tijdens het onderzoek is zijn enkel vier greppels aangetroffen. Er kan enkel in de breedste zin van het woord over een vindplaats worden gesproken. De sporen zijn waarschijnlijk te relateren aan ontginningen en verkavelingen (complextype Landbouw (ELX)), die in de Nieuwe tijd, mogelijk zelfs nog de 19e eeuw, hebben plaatsgevonden. De sporen zijn goed zichtbaar in het vlak. De coupe van spoor 2 toont aan dat de greppels in sleuf 1 goed bewaard zijn gebleven. De greppels in werkput 6 verdwenen al na enkele keren opschaven, dus de fysieke kwaliteit van deze sporen is matig. 2.

Uit welke archeologische periode(n) dateert/dateren de vindplaats(en)? Kan er een fasering binnen de perioden worden aangebracht en, zo ja, welke?

De sporen die zijn aangetroffen zijn te dateren in de Nieuwe tijd. Dit op basis van het aardewerk dat is aangetroffen en de gelijkaardige oriëntatie en positie van de greppels binnen de aanwezige percelen op de Bonnekaart van 1870. 3.

Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?

Het plangebied kenmerkt zich door een relatief intacte C-horizont. Deze C-horizont wordt afgedekt door een plaggendek, dat varieert in dikte, en een bouwvoor. Ter hoogte van proefsleuf 2 is de bodem dieper omgespit en is het plaggendek dikker. Er zijn geen aanwijzingen voor grootschalige bodemverstoringen. De aanwezige verstoringen betreffen enkele drainagebuizen.

18

4.

Zijn er tijdens het onderzoek archeologische vondsten aangetroffen? Zo ja, wat is de datering van de archeologische vondsten en tot weke materiaalcategorieën en/of vondsttypen behoren zij?

Tijdens het onderzoek is er één scherf aardewerk aangetroffen. Dit betreft een roodbakkende scherf met glazuur en dateert uit de Nieuwe tijd 5.

Wat is de conserveringstoestand van de verschillende aangetroffen materiaalcategorieën, inclusief eventueel aanwezig archeobotanisch en zoölogisch materiaal?

Op basis van één scherf aardewerk is het niet mogelijk om gefundeerde uitspraken te doen over de conserveringstoestand van de vondsten. 6.

Kunnen de aangetroffen sporen worden toegeschreven aan structuren? En zo ja, wat voor structuren en wat is de datering van deze structuren?

De aangetroffen greppels staan in relatie tot de ontginning en percelering van het terrein. Ze dateren uit de Nieuwe tijd. 7.

Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Zijn de onderzoeksresultaten in lijn met de verwachting, of wijken deze hiervan af?

De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek grotendeels worden bevestigd. Het onderzoeksgebied kent een dekzandbodem met een relatief intacte top van de C-horizont, ongeveer 0,5 m onder maaiveld. Enkel ter hoogte van proefsleuf 2 is de ondergrond dieper omgespit. De bodemopbouw boven deze C-horizont bestaat uit een plaggendek met daarop de bouwvoor. Uit het vooronderzoek is gebleken dat in het terrein door menselijk ingrijpen een plaggendek is ontstaan, waaruit vondstmateriaal uit de Late Middeleeuwen te verwachten is. Onder dit plaggendek was het mogelijk dat er archeologische resten daterend vanaf het Paleolithcum tot de Late Middeleeuwen aanwezig konden zijn. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn echter weinig archeologische resten aangetroffen. Het gaat enkel om een viertal greppels uit de Nieuwe tijd. 8.

Bij aantreffen van één of meer vindplaatsen: wat is de waardestelling middels de KNAwaarderingscriteria en zijn de vindplaatsen behoudenswaardig?

Een uitgebreide waardestelling is te lezen in hoofdstuk 5. Op basis van de KNA waarderingscriteria wordt deze vindplaats als niet behoudenswaardig geacht. 9.

Indien het onderzoek geen of beperkte acheologische fenomenen oplevert, bijvoorbeeld alleen losse vondsten, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er bijvoorbeeld sprake van: - Aantoonbare afwezigheid van bewoning en /of actief landgebruik; - Verstoring van recente antropogene aard; - Beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen; - Beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden?

Het archeologisch onderzoek heeft nauwelijks archeologische fenomenen opgeleverd. Dat komt omdat er een aantoonbare afwezigheid van bewoning en actief landgebruik is. Enkel ter hoogte van proefsleuf 2 is de ondergrond dieper verstoord, waardoor mogelijk sporen van bewoning vernietigd zouden kunnen zijn. In het plaggendek en tijdens het booronderzoek zijn echter geen indicaties voor menselijke activiteiten aangetroffen. Een mogelijke oorzaak hiervoor is dat de ondergrond te nat is, zichtbaar aan de (natte) B-horizont in de profielen.

19

5 Selectieadvies 5.1

Waardering van de vindplaats

De waardestelling, zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1, (specificatie VS06) gebeurt op drie niveaus: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. De eerste is niet van toepassing omdat de vindplaats niet bovengronds zichtbaar is. Alleen de laatste twee niveaus zijn op deze vindplaats van toepassing. De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op haar conservering en gaafheid. De conservering geeft aan de mate waarin het archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven, de gaafheid in hoeverre de vindplaats nog compleet is. De beoordeling is voor zowel gaafheid als conservering: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. De vindplaats is ruimtelijk matig tot goed bewaard gebleven en kan dus worden beschouwd als zijnde van middelhooge kwaliteit. Het sporenvlak is nog grotendeels intact, maar de conservering van de sporen varieert: van goed in sleuf 1 tot matig in sleuf 6. Met het aantreffen van slechts vier greppelelementen is het duidelijk dat het niet een representatief deel van een nederzetting betreft. De gaafheid van de grondsporen is redelijk. De archeologische sporen zijn duidelijk zichtbaar in het vlak. Het gecoupeerde spoor in sleuf 1 vertoont ook een goed leesbare gelaagdheid.

De scherf aardewerk die verzameld is tijdens het aanleggen van de sporenvlakken is matig verweerd en gefragmenteerd. De gaafheid/conservering van sporen en vondsten wordt zodoende middelhoog gewaardeerd. De waardering van beide fysieke kwaliteitscriteria is in totaal 4 punten. Dit is een score die middelhoog is en die haar het predikaat ‘niet behoudenswaardig’ oplevert (tabel 3). Ook op inhoudelijke kwaliteit, uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie en ensemble, wordt de vindplaats beoordeeld met hetzelfde puntensysteem. Op deze punten scoort de vindplaats laag. Sporen van ontginningen en percelering worden op veel opgravingen aangetroffen. De informatiewaarde is beperkt omdat ze in een slechts binnen een klein deel van de onderzoekszone aanwezig zijn, en deels slecht bewaard zijn gebleven. Dit maakt het ook moeilijk ze in relatie tot gelijkaardige sporen op andere opgravingen te bestuderen, waarmee de vindplaats ook een lage ensemblewaarde heeft. De totale score voor de inhoudelijke kwaliteit is 3 en de vindplaats is daarmee ook op dit onderdeel te waarderen als zijnde niet behoudenswaardig. Tabel 3. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1). Waarden

Criteria

Scores

Beleving

Schoonheid

Wordt niet gescoord

Herinneringswaarde

Wordt niet gescoord

Fysieke kwaliteit

Gaafheid

2

Conservering

2

Hoog

Inhoudelijke kwaliteit

Laag

Totale score

4 = niet behoudenswaardig

Zeldzaamheid

1

Informatiewaarde

1

Ensemblewaarde

1

Representativiteit

5.2

Midden

3 = niet behoudenswaardig

N.v.t.

Selectieadvies

In het plangebied Dorst-Oost zijn op 14 december 2020 in het geselecteerde noordwestelijke deel zeven proefsleuven aangelegd om te onderzoeken of er in dit onderzoeksgebied archeologische resten aanwezig zijn. Tijdens het onderzoek zijn enkel een viertal greppels uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Deze zijn gewaardeerd als ‘niet behoudenswaardig’. ADC ArcheoProjecten adviseert de bevoegde overheid het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Het is onwaarschijnlijk dat het onderzoeksgebied in het verleden (intensief) is bewoond of in gebruik is geweest. ADC ArcheoProjecten wijst Ruimte voor Ruimte II C.V. er op dat de bevoegde overheid beslist of dit advies al dan niet wordt opgevolgd; indien deze een andere mening is toegedaan, dient u rekening te houden met vervolgonderzoek. Daarnaast wijst ADC ArcheoProjecten Ruimte voor Ruimte II C.V. er ook op dat ze een meldingsplicht hebben bij de bevoegde overheid bij het treffen van toevalsvondsten.

20

Literatuur 2020: Programma van Eisen. Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. Dorstoost te Dorst, Gemeente Oosterhout. Antea Group, project 455905. 2009: Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Oude Tilburgsebaan, Dorst. Gemeente Oosterhout. Becker en Van de Graaf Rapport 803. 2008: Archeologisch bureauonderzoek. Oude Tilburgsebaan, Dorst. Gemeente Oosterhout. Becker en Van de Graag bv, Noordwijk. 2020: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase). Plangebied Dorst-oost te Dorst, gemeente Oosterhout. Antea Group

Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Afb. 2. De aangelegde proefsleuven binnen het onderzoeksgebied. Afb. 3. De locatie van de opgenomen profielkolommen per proefsleuf. Afb. 4. Profielkolom is sleuf 2, met een dik plaggendek met duidelijke structuur. Afb. 5. Profielkolom in sleuf 3. Afb. 7. De greppel spoor 1 in proefsleuf 1. Afb. 8. De esgreppels, S6 en S7 in proefsleuf 6. Afb. 9. De coupe van spoor 4 in werkput 3 Afb. 10. De allesporenkaart geprojecteerd op de Bonnekaart uit 1870.

Lijst van tabellen Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Tabel 2. Aangetroffen sporen tijdens het proefsleuvenonderzoek. Tabel 3. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1).

21

Bijlage 1 Sporenkaarten per werkput

Sleuf 1

22

Sleuf 2

23

Sleuf 3

24

Sleuf 4

25

Sleuf 5

26

Sleuf 6

27

Sleuf 7

28

Bijlage 2 Vlakhoogtekaarten per werkput

Sleuf 1

29

Sleuf 2

30

Sleuf 3

31

Sleuf 4

32

Sleuf 5

33

Sleuf 6

34

Sleuf 7

35

Bijlage 3 De profielkolommen per werkput

Profielkolommen proefsleuf 1

36

Profielkolommen proefsleuf 2.

37

Profielkolommen proefsleuf 3

38

Profielkolommen proefsleuf 4

39

Profielkolommen proefsleuf 5

40

Profielkolommen proefsleuf 6

41

Profielkolommen proefsleuf 7

42

Bijlage 4 Sporenlijst Opgravings- Put Vlak Spoor ID

Aard

Vorm

Vorm

Diepte Hoofd Neven Textuur Gevlekt Insluitsels

spoor

vlak

coupe

(cm)

OOST-20

1

1

999

REC

ONR

OOST-20

1

1

999

REC

ONR

OOST-20

1

1

2

GR

LIN

OOST-20

1

1

1

GR

LIN

KOM

26

kleur

kleur

DGR

BR

DGR

BR

BR

ZS2

Ja

FE AW FE AW

ZS2

Ja

ZS2

Ja

OOST-20

2

1

998

NV

ONR

OOST-20

2

1

998

NV

ONR

OOST-20

2

1

3

NV

ONR

OOST-20

3

1

4000

LG

ONR

OOST-20

3

1

999

REC

ONR

OOST-20

3

1

5

KL

OVL

OOST-20

3

1

4

NV

OVL

OOST-20

4

1

3000

LG

ONR

OOST-20

5

1

998

NV

ONR

DGR

BR

ZS2

Ja

OOST-20

6

1

999

REC

ONR

DGR

BR

ZS2

Ja

ONR

ONR

5

0

GR

BR

ZS2

Ja

GR

BR

ZS2

Ja

GR

BR

ZS2

Ja

DGR

BR

ZS2

Ja Ja

GR

BR

ZS2

LGR

BR

ZS2

Ja

BR

DBR

ZS2

Ja

ZO

HK

OOST-20

6

1

999

REC

ONR

OOST-20

6

1

7

GR

LIN

DGR

BR

ZS2

Ja

OOST-20

6

1

6

GR

LIN

DGR

BR

ZS2

Ja

OOST-20

7

1

999

REC

ONR

DGR

DBR

ZS2

Ja

OOST-20

1

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

OOST-20

2

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

OOST-20

3

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

OOST-20

4

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

OOST-20

5

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

OOST-20

6

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

OOST-20

1

101

1000

BV

XXX

DGR

DBR

ZS2

OOST-20

1

101

2000

LG

XXX

GR

LGR

ZS2

OOST-20

1

101

3000

LG

XXX

BR

DBR

ZS2

OOST-20

2

101

1000

BV

XXX

DGR

DBR

ZS2

OOST-20

2

101

2000

LG

XXX

DGR

LGR

ZS2

OOST-20

2

101

2500

LG

XXX

DGR

BR

ZS2

Ja Ja

OOST-20

2

101

3000

LG

XXX

BR

DBR

ZS2

FE

OOST-20

2

101

4000

LG

XXX

GR

BR

ZS2

ZO

OOST-20

3

102

1000

BV

XXX

DGR

DBR

ZS2

OOST-20

3

102

2000

LG

XXX

DGR

LGR

ZS2

OOST-20

3

102

3000

LG

XXX

BR

DBR

ZS2

OOST-20

4

101

1000

BV

XXX

DGR

DBR

ZS2

OOST-20

4

101

2000

LG

XXX

DGR

LGR

ZS2

OOST-20

4

101

2500

LG

XXX

DGR

BR

ZS2 ZS2

OOST-20

5

101

1000

BV

XXX

DGR

DBR

OOST-20

5

101

2000

LG

XXX

DGR

LGR

ZS2

OOST-20

5

101

2500

LG

XXX

DGR

BR

ZS2

Ja

OOST-20

5

101

3000

LG

XXX

BR

DBR

ZS2

OOST-20

6

101

1000

BV

XXX

GR

DBR

ZS2

OOST-20

6

101

2000

LG

XXX

DGR

LGR

ZS2

OOST-20

6

101

3000

LG

XXX

BR

DBR

ZS2

Ja

OOST-20

6

101

4000

LG

XXX

GR

BR

ZS2

Ja

ZO

OOST-20

7

101

1000

BV

XXX

DGR

DBR

ZS2

OOST-20

7

101

2500

LG

XXX

GR

DBR

ZS2

OOST-20

7

101

3000

LG

XXX

BR

DBR

ZS2

OOST-20

7

1

5000

LG

ONR

GL

BR

ZS2

Ja

FE

43

Verklarende woordenlijst Antropogene sporen Alle immobiele sporen van menselijke oorsprong, variërend van paalgaten of fosfaatvlekken tot muurresten. AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RCE en de provincies en wordt beheerd door de RCE. Archeologische indicatoren Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. 14

C Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering.

CMA Centraal Monumenten Archief. Conservering De mate waarin anorganische (aardewerk, vuursteen, metaal, glas etc.) en organische archeologische resten (bot, zaden, hout etc.) bewaard zijn gebleven. Ensemblewaarde De meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend op grond van de mate waarin sprake is van een landschappelijke en/of archeologische context. Ex situ Niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). Gaafheid De mate van (fysieke) verstoring van de bodem en/of de (eventueel aanwezige) archeologische waarden, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang). Herinneringswaarde De herinnering die een archeologisch monument oproept over het Verleden. IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden, een door de RCE geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. IVO Inventariserend VeldOnderzoek.

Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. Informatiewaarde De betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. De informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) het monument een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. NAP Normaal Amsterdams Peil (=officieel peilmerk). PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen.

Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk.

44

RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Representativiteit De mate waarin een bepaald type vindplaats typerend is voor een periode dan wel een gebied. RTS Robotic Total Station. Hiermee worden vlakken direct digitaal ingemeten. Schoonheid De esthetisch-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die vooral in zichtbaarheid tot uiting komt. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria. Zeldzaamheid De mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied.

45

Afkortingen in de database

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=8cae728f-574b-4d75-b5db-9beaedb70c29