Bijlage 5 - Inventarisatie archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) Plangebied Dorst-Oost te Dorst, gemeente Oosterhout
projectnummer 455905 revisie 02 15 juni 2020
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) Plangebied Dorst-Oost te Dorst, gemeente Oosterhout projectnummer 455905 revisie 02 15 juni 2020
Auteur
Opdrachtgever Ruimte voor Ruimte II C.V. Brabantlaan 3 5216 TV 's-Hertogenbosch
datum vrijgave 15 juni 2020
beschrijving revisie 02 Goedgekeurd door bevoegd gezag
goedkeuring
vrijgave
Inhoudsopgave
Blz.
Samenvatting
2
1
Inleiding
4
2
Bureauonderzoek
5
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Begrenzing plangebied Huidig en toekomstig gebruik Landschappelijke situatie Historische situatie en mogelijke verstoringen Archeologische waarden Gespecificeerde archeologische verwachting
5 6 6 9 14 18
3
Veldonderzoek
20
3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2
Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodemopbouw Archeologie
20 20 22 23 24
4
Conclusies en advies
25
4.1 4.2
Conclusies (Selectie)advies
25 25
Literatuur en geraadpleegde bronnen
28
Lijst met afbeeldingen
30
Bijlagen 1 2 3
Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen
Kaartbijlagen 455905-ARCHIS 455905-S1 455905-S2
Gegevens uit ARCHIS Situatiekaart met ligging boorpunten Advieskaart met ligging boorpunten
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem
455905 4796232100 Noord-Brabant Oosterhout Dorst Dorst-Oost
Kaartblad 44D Coördinaten 118765/400565 119336/400425 118891/400263 119340/400351 Opdrachtgever Ruimte voor Ruimte II C.V. Uitvoerder Antea Group Datum uitvoering maart 2020 Projectteam (projectleider) (senior KNA prospector) Vrijgave conform KNA (senior KNA-prospector) Bevoegd gezag Gemeente Oosterhout Deskundige bevoegd gezag regioarcheologen RWB Beheer documentatie Antea Group Vondstdepot n.v.t.
Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met in rood de ligging van het plangebied. Grijs gearceerd het gedeelte van het plangebied dat al eerder door is onderzocht.
Blad 1 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Samenvatting In opdracht van Ruimte voor Ruimte II C.V. heeft Antea Group een archeologisch inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase uitgevoerd voor het plangebied Dorst-Oost in Dorst, gemeente Oosterhout. Ruimte voor ruimte II C.V. is voornemens tegen de bestaande dorpskern van Dorst een nieuw woongebied van maximaal 160 woningen te ontwikkelen. Eerder werd al een gedeelte van het plangebied onderzocht door Becker en van de Graaf. Dit gedeelte is nu niet meegenomen in het booronderzoek. Er is in een eerder stadium al een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door Becker & Van de Graaf voor het westelijk gedeelte van het plangebied. 1 Voor dat gedeelte is in 2009 ook al een inventariserend veldonderzoek met verkennende boringen uitgevoerd. Het advies was destijds geen vervolgonderzoek uit te voeren. In het kader van het huidige plangebied in 2020 heeft overleg plaatsgevonden met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Afgesproken is dat voor het oostelijk deel van het plangebied geen nieuw bureauonderzoek wordt uitgevoerd. Het bureauonderzoek uit 2008 wordt als uitgangspunt genomen. In het Plan van Aanpak dat nu is opgesteld, 2 is voorzien in een actualisatie van het 2008 uitgevoerde bureauonderzoek voor het oostelijk deel van het plangebied. Het PvA is voorafgaand aan het veldwerk in 2020 door opdrachtgever en de bevoegde overheid goedgekeurd.
Verwachtingsmodel Voor het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied geldt op basis van het bureauonderzoek een brede archeologische verwachting. Er hebben echter in het verleden ook ontgrondingen plaatsgevonden die de bodem hebben verstoord. Het is echter niet mogelijk om op basis van het bureauonderzoek in te schatten in welke mate en tot welke diepte de bodem verstoord is door deze ontgrondingen. Resultaten booronderzoek Antea Group 2020 Bij de boringen in de bosschages ( boring 1, 2, 10 en 11) is sprake van een A-horizont, gevolgd door een geroerde mix A/C horizont op het uitgangsmateriaal. Dit betekent dat de bodemopbouw ter plaatse van deze vier boringen geroerd is, waarschijnlijk tot voorbij de oorspronkelijke top van de C-horizont. De overige boringen op de westelijke en hooggelegen akker (boring 3 t/m 9) laten een opbouw zien die afwijkt van het beeld uit 1, 2, 10 en 11. De boringen op de akker beginnen logischgewijs met een duidelijke A-horizont. Deze wordt gevolgd door een gemengde laag, met brokken A-, B-, soms E- en C-horizont. Dit betreft een menglaag van verschillende bodemhorizonten die vaak geassocieerd wordt met het in agrarisch ontginning brengen van nieuwe akkergebieden. Alleen bij boring 6 ontbreekt deze menglaag en zal deze al zijn opgenomen in de A-Horizont.
Bij het bestuderen van de boringen uit 2009 valt op dat de nu waargenomen menglaag ook is waargenomen, maar niet als ontginningslaag is geïnterpreteerd. Antea Group concludeert op basis van de aangetroffen bodemopbouw van boring 3 tot en met 9 dat de oorspronkelijke podzol horizonten weliswaar deels gemengd zijn, maar dat de oorspronkelijke top van de C-horizont deels nog archeologisch zinvol intact kan zijn. Dit wil niet , 2008 en 2
2009
2019.
Blad 2 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
zeggen dat er archeologische vindplaatsen in het gebied aanwezig zijn. Wel betekent dit dat ze theoretisch gezien aanwezig kunnen zijn. Antea Group interpreteert de bodemopbouw van boring 12 t/m 18 vervolgens als mogelijke ontgronding. Daarbij is de ’zwarte grond’ weggehaald, is vervolgens zand gewonnen en is vervolgens weer ‘zwarte grond’ teruggebracht. Dit gebeurde uiteraard machinaal (bijvoorbeeld met een shovel), waardoor deels een bodemprofiel ontstaat met een strakke overgang naar de Chorizonten deels een geroerde laag tussen de ‘zwarte grond’ en de C-horizont, bijvoorbeeld door het rondrijden van de shovel. Dit is in 2005 bij een proefsleuvenonderzoek van Ingenieursbureau Oranjewoud BV op een nabijgelegen perceel in Dorst ook vastgesteld. Advies en besluit Het advies luidt om een deel van het voorliggende plangebied vrij te geven en ontwikkeling mogelijk te maken zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit gaat om de bosschages bij boringen 1,2, 10 en 11 en de oostelijke akker bij boringen 12 t/m 18. Voor het hoger gelegen westelijke deel van het plangebied is ons inziens niet uit te sluiten dat onder de ontginningslaag nog archeologische sporen aanwezig zijn. Volledigheidshalve kan dit ook gelden voor het in 2009 middels boringen onderzochte deel.
Het is aan de bevoegde overheid om het in 2009 onderzochte deel wel of niet mee te nemen in het selectiebesluit voor het in 2020 door Antea Group onderzochte deel. Het advies voor dit deel van het plangebied luidt dan ook om proefsleuvenonderzoek uit te voeren ter plaatse van boring 3 tot en met 9 om in het archeologisch vlak van de proefsleuven in beeld te brengen of er wel of niet een archeologische vindplaats aanwezig is. Indien er sprake is van een vindplaats kan middels de proefsleuven ook in beeld gebracht worden of deze vindplaats conform de KNA 4.1 als behoudenswaardig moet worden aangemerkt. Voor gravend onderzoek dient vooraf een Programma van eisen te worden opgesteld. Voor de start van het veldwerk dient dit te zijn goedgekeurd door de opdrachtgever en de bevoegde overheid (gemeente Oosterhout). Bovenstaande is een selectieadvies; het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan bevoegde overheid, de gemeente Oosterhout. Deze stemt in met het advies om in het hoger gelegen, niet verstoorde deel van het plangebied én in het gebied dat al in 2009 is onderzocht een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Bij de uitvoering van dit vervolgonderzoek dient ca. 8 tot 10% van het gehele plangebied middels de aanleg van proefsleuven onderzocht te worden.
Voor de ontgronde delen geldt vanuit de Regio West-Brabant het advies om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden is hier zeer klein. Geadviseerd wordt om de Archeologische Monumentenzorg in dit deel van het plangebied conform het advies uit het rapport af te ronden en vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. De dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ in het bestemmingsplan kan voor dit deel van het plangebied verwijderd worden. 3 Dit rapport is op 12 mei 2020 goedgekeurd door de Regio West-Brabant, adviseur van het bevoegd gezag. 3
Selectieadvies Regio West-Brabant (12 mei 2020) en selectiebesluit Gemeente Oosterhout (13 mei 2020).
Blad 3 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
1
Inleiding In opdracht van Ruimte voor Ruimte II C.V. heeft Antea Group een archeologisch inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase uitgevoerd voor het plangebied Dorst-Oost in Dorst, gemeente Oosterhout. Ruimte voor ruimte II C.V. is voornemens tegen de dorpskern van Dorst een nieuw woongebied van maximaal 160 woningen te ontwikkelen. Eerder archeologisch onderzoek In juni 2009 is reeds een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd in het (zuid)westelijke deel van het plangebied. Dit terrein werd op basis van het resultaat van dit onderzoek vrijgegeven. Er is in 2009 een advies selectiebesluit opgesteld (13-10-2009), maar in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2014 is een dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ op het gehele onderhavige plangebied gelegd. Dit houdt in dat de gemeente geen officieel akkoord heeft gegeven op het advies selectiebesluit. 4 Op de gemeentelijke beleidskaart archeologie staat voor het gebied een ontgrondingscontour aangegeven. Beleidsuitgangspunt is de onderliggende verwachting, waarbij eerst bepaald dient te worden of de ontgrondingsvergunning geëffectueerd is.
Op grond van de dubbelbestemming geldt voor het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied een verplichting op archeologisch onderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden groter dan 100m² en dieper dan 0,5m –mv. Dit deel van het plangebied is circa 6 hectare groot. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor het KNA-protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).
4
De gemeente Oosterhout heeft aangegeven dat ze op basis van het onderhavige rapport van Antea Group een selectiebesluit zullen nemen het gehele plangebied, inclusief het in 2009 onderzochte deel. Mail van op 23-4-2020.
Blad 4 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
2
Bureauonderzoek Er is in een eerder stadium al een bureauonderzoek uitgevoerd door Becker & Van de Graaf. 5 Dit archeologisch bureauonderzoek betreft het westelijk gedeelte van het huidige plangebied en staat in afbeeldingen 1 en 2 gearceerd weergegeven. Voor dat gedeelte is in 2009 ook al een inventariserend veldonderzoek met verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het huidige plangebied heeft overleg plaatsgevonden met bevoegde overheid. Afgesproken is dat voor het oostelijk deel van het plangebied geen nieuw archeologisch bureauonderzoek wordt uitgevoerd. In plaats daarvan is een Plan van Aanpak opgesteld, 6 waarin een aanvulling op het bureauonderzoek uit 2008 is opgenomen voor het oostelijk deel van het plangebied. In het onderstaande volgt informatie uit het bureauonderzoek uit 2009 en het PvA. Deze werkwijze is afgestemd en akkoord bevonden door de bevoegde overheid, de gemeente Oosterhout. 7
2.1
Begrenzing plangebied Het huidige plangebied wordt in het westen begrensd door de Heiningen, in het noorden door het spoor, in het oosten door aanpalende akkers/weilanden en in het zuiden door de Oude Tilburgsebaan.
Afbeelding 2. Detail van de topgrafie uit afbeelding 1 met gearceerd het plangebied uit 2009.
, 2008 en , 2009 2019. Dit PvA is goedgekeurd door het bevoegd gezag. 7 Bevestiging hiervan nogmaal via mail van op 23-4-2020. 6
Blad 5 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Afbeelding 3. Het plangebied op luchtfoto, met gearceerd het in 2009 onderzochte deel van het gebied.
2.2
Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het plangebied is grotendeels in gebruik als landbouwgrond. Op enkele locaties zijn bosschages/ stukjes bos aanwezig. Consequenties toekomstig gebruik Voor toekomstige woningbouw zullen funderingen, wegcunetten en kabels en leidingen tot bodemroering leiden. Er zijn nog geen (definitieve) planontwerpen beschikbaar.
2.3
Landschappelijke situatie8 Geologie Het dal van Breda, waarin het plangebied ligt, is waarschijnlijk gevormd tijdens de overgang van het Vroege naar het Midden Pleistoceen (ongeveer 850.000 jaar geleden) als een estuarium in een kustnabije waddensituatie. Het dal en de afzettingen eromheen worden tegenwoordig gerekend tot de Formatie van Stramproy9. Tijdens de overgang van het Vroege naar het Midden Pleistoceen werden ten oosten van het dal van Breda, ter hoogte van Oosterhout, dikke lagen van matig grof tot uiterst grof grindhoudend zand en grind afgezet door de Rijn en Maas. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Sterksel. De rug langs de oostelijke rand van het dal van Breda vormt de grens tussen de beide formaties. Het plangebied bevindt zich op een 8 9
2009;
2019
2003.
Blad 6 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
hooggelegen dekzandgebied. Door deze hoge ligging heeft hier nooit veenvorming plaatsgevonden, in tegenstelling tot andere gebieden in de omgeving (zie ook afbeelding 4). 10
Afbeelding 4. De locatie van het plangebied (rode stip) op de paleokaarten (bron: Vos en De Vries, 2013).
10
Tebbens, 2016.
Blad 7 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
In de koudste periode van de laatste ijstijd, het Weichselien (ongeveer 120.000 tot 10.000 jaar geleden), was het erg droog en was het landschap onbegroeid. Hierdoor kon zand makkelijk door de wind verstuiven en elders worden afgezet. In grote delen van Brabant werd door de wind voornamelijk matig fijn zand afgezet. Deze eolische zandlagen worden gerekend tot de Formatie van Boxtel en zijn afgezet in de vorm van ruggen, losse duinen of vlakten. In dit zandpakket kunnen zich ook lössachtige leemlagen voordoen, het zogenaamd Brabants leem. Dit soort afzettingen uit deze periode worden Oud Dekzand genoemd. 11 De laatste fase van het Pleistoceen werd gekenmerkt door afwisselende perioden van een relatief warm klimaat (de interstadialen) en perioden waarin een koud klimaat nog overheerste (de stadialen). Tijdens die koude perioden (Vroege en Late Dryas) is het Jonge dekzand afgezet. Deze afzetting is net als het Oude Dekzand door de wind en (smelt)water geformeerd en heeft de vorm van langgerekte noordoost-zuidwest georiënteerde dekzandruggen. In een groot deel van de Brabantse zandgronden ligt het Jonge Dekzand aan de oppervlakte. In het noordwestelijke deel van de provincie dagzomen echter ook oudere geologische formaties uit het Pleistoceen die bestaan uit fijne zanden en zware kleien.
Bij Dorst ligt daarentegen een noordwestzuidoost georiënteerde strook waar wel dekzand wordt aangetroffen. Het betreft echter een dunne laag en op ongeveer 1 meter diepte kunnen reeds terrasafzettingen van de Formatie van Sterksel worden waargenomen. Deze kenmerken zich door een hoog gehalte aan gangkwarts in het fijne grind (3-5 mm). Ze bestaan voor het grootste gedeelte uit zand. 12 Geomorfologie Landschappelijk ligt Dorst op de noordelijke punt van een rug met een noordwest-zuidoostelijke strekking (de rug van Sterksel). Deze rug vormt de scheiding tussen de riviertjes in westelijk Noord-Brabant en de riviertjes in het afwateringsgebied van de Roerdalslenk. Volgens de geomorfologische kaart komen in het plangebied terrasafzettingswelvingen voor die zijn bedekt met dekzand (code: 3L41d). In de nabije omgeving (ten noorden, oosten en zuid(oost)en van het plangebied) komen ook holocene landduinen met bijhorende vlakten en laagten (code 4L54) voor. Bodem en veenvorming Volgens de bodemkaart komen in het het plangebied (dikke) zwarte enkeerdgronden (code zEZ21) voor. Enkeerdgronden zijn gronden met een onvergraven humeuze bovengrond die dikker is dan 50 cm. Een dergelijk (opgebracht) humeus dek wordt ook wel een esdek of een plaggendek genoemd.
Dit dek is ontstaan door het langdurig bemesten van arme zandgronden met potstalmest, bestaand uit een mengsel van plaggen, dierenmest en huisafval. Middels deze methode bleef een akker in deze nutriëntarme omgeving langdurig vruchtbaar. De enkeerdgronden in het plangebied zijn zeer goed ontwaterd. Voor de beide plangebieden is grondwatertrap VII aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper voorkomt dan 80 cm –mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm –mv. Zoals in de paragraaf over de geologie reeds is opgenomen, is er hoogstwaarschijnlijk geen sprake geweest van veenvorming binnen het plangebied. Dit wordt bevestigd door de kaart van Karel Leenders. Ook hierop is geen voorkomen van veen aangegeven. 13
11 12
2008. 2003.
13
http://geoloket.provincieantwerpen.be/geoloketten/?viewer=extern&LayerTheme=12&extent=371183.1034793,661982 6.820527,643298.9241744,6793491.748791,102100
Blad 8 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
AHN Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat het oostelijke deel van het plangebied beduidend lager ligt dan de omgeving. De hoogte ligt tussen circa 6,58m tot 7,14m +NAP tegenover circa 8,12m +NAP buiten het oostelijke deel van het plangebied. Dit doet vermoeden dat hier in het verleden ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Het noordwestelijke deel van het plangebied, ten noorden van het eerder door Becker & Van de Graaf onderzochte deel, lijkt op basis van het AHN niet te zijn ontgrond.
2.4
Historische situatie en mogelijke verstoringen Bewoningsgeschiedenis Dorst ligt aan de zuidzijde van de gemeente Oosterhout en kent een opbouw die typisch past bij de ontwikkelingstypologie van dorpen van de Brabantse zandgronden. Het dorp lag bij diverse beken en werd er ook door doorsneden en bezat twee open akkergebieden: de Dorste Akker ten westen van het dorp en de Hoge Akkers ten zuiden ervan. Het dorp ligt tussen het akkercomplex aan de zuidzijde en de heide- en bosgebieden aan de noodzijde. Het kenmerkende driehoekige plein met daarop (meestal) de kerk is verdwenen. In 1912 werd een nieuwe kerk gebouwd ten noorden van de oudere, vervallen kerk. 14 Historische situatie Op de kadastrale minuut van 1811-1832 is te zien dat het plangebied op dat moment onbebouwd is en dat het ook behoorlijk ver afligt van de kern van Dorst (afbeelding 5 en 6). Volgens de bijbehorende oorspronkelijke aanwijzende tafels bestonden de percelen aan de oostzijde van het plangebied (afbeelding 5) voornamelijk uit bouwland. Twee percelen zijn op dat moment in gebruik voor hakhout. Aan de westzijde van het plangebied wisselt het gebruik van de grond wat meer (afbeelding 6). Hier is sprake van bouwland, weiland en hakhoutpercelen. Op de historische topografische kaart van 1900 zien we dat plangebied overwegend in gebruik is als bouwland (afbeelding 7). Het zuidelijke gedeelte is bebost (hakhout).
Er zijn een aantal perceelsgrenzen zichtbaar. In 1950 is de perceelsindeling gewijzigd: er is sprake van meerdere perceelsgrenzen (afbeelding 8). Hierop zijn nog steeds percelen met bebossing zichtbaar, maar het grootste gedeelte is in gebruik als bouwland. Er is tot aan deze periode geen sprake van bebouwing binnen of direct aangrenzend aan het plangebied. Op de kaart van 1975 (afbeelding 8) zien we dat de perceelsindeling weer is gewijzigd en dat er sprake is van grotere percelen. Wel is nog steeds overwegend sprake van bouwland. Ook zien we op deze kaart zogenaamde ‘steilrandjes’. Dit is een indicatie voor hoogteverschillen in het landschap en is een indicatie voor ontgronding. Deze steilrandjes komen overeen met de ontgrondingscontour zoals deze is opgenomen op de kaart van de provincie Noord-Brabant met ontgrondingscontouren (zie alinea mogelijke verstoringen). Op afbeelding 10 is de situatie rond 2000 weergegeven. Hierop zien we de bebouwing van de kern van Dorst zich langzaam uitbreiden richting het plangebied en zien we de spoorlijn aan de noordzijde.
14
2011.
Blad 9 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Afbeelding 5. Uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832 met in rood bij benadering de oostelijke helft van het plangebied (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Blad 10 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Afbeelding 6. Uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832 met in rood bij benadering de westelijke helft van het plangebied (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Blad 11 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Afbeelding 7. Uitsnede van de topografische kaart van 1900 met in rood het plangebied (bron: www.topotijdreis.nl).
Afbeelding 8. Uitsnede van de topografische kaart van 1950 met in rood het plangebied (bron: www.topotijdreis.nl).
Blad 12 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Afbeelding 9. Uitsnede van de topografische kaart van 1975 met in rood het plangebied (bron: www.topotijdreis.nl).
Afbeelding 10. Uitsnede van de topografische kaart van 2000 met in rood het plangebied (bron: www.topotijdreis.nl).
Blad 13 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Mogelijke verstoringen Op basis van historische gegevens worden geen andere verstoringen verwacht dan die door regulier gebruik als landbouwgrond. Op grond van het opvallende hoogteverschil tussen het oostelijk deel van het plangebieden de omgeving is de verwachting dat de voor dit gebied verleende ontgrondingen vergunning daadwerkelijk geëffectueerd is. Dit is dus ook te zien aan de steilrandjes zoals deze zijn opgenomen op de historische kaart van 1975. De contour van de ontgronding is te zien op afbeelding 11. Er zijn geen verdere gegevens bekend over datum van ontgronden, oppervlakte en/of ontgravingsdiepten. 15
Afbeelding 11. Weergave van de mogelijke ontgronding binnen het plangebied (bron: Provincie NoordBrabant, https://www.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=1c267643996b4e849ec644ad42c3006c)
2.5
Archeologische waarden In het rapport van Berkhout en Moerman staan de archeologische gegevens uit de omgeving van het plangebied weergegeven. De genoemde nummers zijn die zoals ze destijds in Archis II zijn opgenomen, met daarachter het nieuwe zaakidentificatienummer. Archeologische monumenten en waarnemingen De archeologische waarneming, die het dichtst bij het plangebied is verricht, ligt circa 450 meter ten zuidwesten van de plangebieden (nummer 34696). Het betreft een vage melding uit 1943 van mogelijke grafheuvels die nooit zijn onderzocht en ook als oude verstuivingen 15
https://www.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=1c267643996b4e849ec644ad42c3006c
Blad 14 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
geïnterpreteerd zouden kunnen worden. Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) is op het betreffende perceel geen verhoging (meer) te zien. Ongeveer twee kilometer ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een archeologisch monument (monumentnummer 4885, waarneming 47351). Het betreft een terrein met bewoningssporen uit het Late Paleolithicum en het Mesolithicum. Op een vergelijkbare afstand ten noordwesten van het plangebied, op het militaire terrein Cadettenkamp, bevindt zich waarnemingsnummer 14147. Dit betreft de vondst van 164 stuks bewerkt mesolithisch vuursteen. Overige waarnemingen liggen weer ten noordwesten van de zojuist beschreven waarnemingsnummers. Het betreft in alle gevallen de vondst van mesolithisch vuursteen (waarnemingsnummers 33121, 33122, 33123,14149 en 13926). Onderzoeksmeldingen Ten westen van het plangebied, in het aangrenzende perceel, heeft een archeologisch bureau- en proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 9848/2039307100). Voor dat perceel werd geen vervolgonderzoek geadviseerd omdat de bodem tot op de ondergrond verstoord was en er ook geen intacte archeologische resten in het onderzoeksgebied zijn aangetroffen. Op de ontgrondingenkaart staat dit gebied als ontgrond aangegeven.
Circa 250 meter ten westen van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 20592/2142014100) welke tot een proefsleuvenonderzoek geleid heeft (onderzoeksmelding 21336/2147442100). De resultaten van beide onderzoeken zijn niet openbaar gemaakt. Op een afstand van circa 600 meter ten noordwesten van het plangebied heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een bureau- en booronderzoek en terreininspectie (onderzoeksmelding 14061/2095708100). Ook hier werd geen vervolgonderzoek geadviseerd. De reden hiervoor was het ontbreken van archeologische indicatoren, het grotendeels ontbreken van een esdek en de aangetroffen verstoorde bodemprofielen. Aanvulling op het eerder uitgevoerde bureauonderzoek Hieronder zijn in aanvulling op bovenstaande gegevens de gegevens uit de afgelopen elf jaar opgenomen. Op bijna 1 km ten noordoosten van het plangebied is een oude cultuurlaag daterend uit de bronstijd aangetroffen (Zaakid. 1032411). Op circa 800m ten westen van het plangebied werden in 2016 tijdens graafwerkzaamheden menselijke resten aangetroffen (Zaakid. 4018672100). Het betreft hier begravingen vlakbij de locatie waar ooit een kapel en een kerk hebben gestaan. In de omgeving van het plangebied is sinds het bureauonderzoek uit 2009 nog een enkel onderzoek uitgevoerd en/of gepubliceerd. Dit is opgenomen in het PvA.
Hier wordt geciteerd uit het PvA en worden de literatuurverwijzingen uit het PvA in voetnoten opgenomen, en uitzonderlijkerwijze niet in de literatuurlijst. Op 150m ten zuidwesten van het plangebied is in 2005 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd aan de Oude Tilburgsebaan (Zaakid. 2039307100). Hier werden
Blad 15 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
archeologische resten uit het laat paleolithicum/mesolithicum en uit de middeleeuwen verwacht. Bij het proefsleuvenonderzoek bleek de bodem tot in de C-horizont verstoord. 16 In de Spoorstraat, op 500m ten westen van het plangebied werd in 2007 een archeologische bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 2142014100). Er werden archeologische vindplaatsen uit de prehistorie, romeinse tijd en vroege middeleeuwen verwacht. Bij het veldwerk werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel werd in de meeste boringen de top van het dekzand intact aangetroffen. Geadviseerd werd om het terrein door middel van proefsleuven verder te onderzoeken. 17 Bij dit proefsleuvenonderzoek werd een restant van een natuurlijke afwateringsgeul aangetroffen en één fragment aardewerk uit de late middeleeuwen. Op basis hiervan werd het terrein vrijgegeven. 18 Voor de omlegging van de N282 werd in een groot gebied op circa 300m ten zuiden van het plangebied in 2010 een bureauonderzoek uitgevoerd (Zaakid. 2270765100). Geadviseerd werd om ter plaatse van de gekozen rondwegvariant inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren.
19 Voor de aanleg van een bergingsriool in de Baarschotsestraat en de Dennenlaan, op circa 400m ten westen van het plangebied werd een archeologische bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in 2010 (Zaakid. 2285361100). Op basis van het bureauonderzoek gold een middelhoge tot hoge verwachting op de periode paleolithicum tot vroeg neolithicum, een middelhoge op de periode midden neolithicum tot vroege middeleeuwen en een hoge verwachting op de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. Op basis van het booronderzoek kon niet worden uitgesloten dat er zich nog intacte archeologische waarden bevonden en werd geconcludeerd dat vervolgonderzoek noodzakelijk was. Geadviseerd werd de werkzaamheden onder een archeologische begeleiding uit te voeren. 20 Bij deze begeleiding in 2011 werden greppels, kuilen en muurwerk uit de nieuwe tijd aangetroffen. Deze bevonden zich in slechte staat, door de vele verstoringen. 21 In 2013 is in de Groenestraat 2, op circa 800m ten zuidwesten van het plangebied een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 2395732100). Het terrein kreeg een middelhoge tot hoge verwachting op de periode paleolithicum tot vroeg neolithicum, een middelhoge op de periode midden neolithicum tot vroege middeleeuwen en een hoge verwachting op de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd.
Tijdens het veldwerk werd een oude akkerlaag onder het plaggendek vastgesteld. Ter hoogte van de op het terrein geplande ontwikkelingen was de bodem echter reeds verstoord tot 1,5m –mv en op basis hiervan werd het terrein vrijgegeven. 22 Op circa 600m ten zuiden van het plangebied, bij de Molenschotseweg 3, werd in 2014 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 2444956100). Het terrein kreeg een middelhoge verwachten voor vuursteenvindplaatsen uit het laat paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Uit 16 17 18
20 21 22
2005. 2007a. 2007b. 2010. 2010. 2012. 2014.
Blad 16 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
het booronderzoek bleek de bodem op het terrein tot minstens 0,2m in de C-horizont verstoord, waarmee het merendeel van mogelijk aanwezige archeologische niveaus is verstoord. Derhalve werd geadviseerd dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht werd. 23 Op circa 800m ten zuidwesten van het plangebied, bij de Bavelstraat 7a werd in 2015 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 3977817100). Op basis van het bureauonderzoek kreeg het terrein een middelhoge verwachting. Het booronderzoek wees uit dat in een aantal boringen onder de dikke A-horizont een restant van een podzolbodem aanwezig is. Aangezien het een restant was, kon worden verwacht dat eventuele resten uit de steentijd niet meer intact waren. In de overige boringen was er onder de A-horizont sprake van een leemlaagje of sterk stiltige laag met lemige resten. Hieruit blijkt dat het terrein gedurende lange tijd te nat is geweest om aantrekkelijk te zijn voor bewoning. De verwachting kon hierom naar laag worden bijgesteld en verder archeologisch onderzoek was derhalve niet noodzakelijk. 24 Aan de Vliert, op circa 700m ten noordwesten van het plangebied, is in 2016 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 3994527100).
De middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek kon op basis van de bij het booronderzoek vastgestelde verstoring tot in de Chorizont, worden bijgesteld naar laag. 25 Op circa 500m ten zuidwesten van het plangebied, aan de Oude Tilburgsebaan is in 2016 een archeologische bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 3997346100). Op basis van het bureauonderzoek kreeg het terrein een middelhoge verwachting. Uit het booronderzoek bleek de bodem te bestaan uit een dikke Ap-horizont met daaronder de C-horizont. Omdat de Chorizont zich dusdanig diep bevond, zouden eventuele aanwezige resten uit de (late) middeleeuwen en nieuwe tijd bij de bodemingrepen waarschijnlijk niet verstoord worden. Geadviseerd werd verder geen archeologisch onderzoek uit te voeren. 26 Aan de Groenestraat 18, op circa 750m ten zuidwesten van het plangebied is in 2016 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 4014321100). Er gold een middelhoge verwachting voor archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Uit het booronderzoek bleek het grootste deel van het plangebied uit een natte laagte te hebben bestaan, die in de tweede helft van de twintigste eeuw opgehoogd is met zand. In het overige deel (zuidoosthoek) zijn evenmin archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van deze resultaten werd geen vervolgonderzoek geadviseerd.
27 Voor de aanleg van een fietspad werd vanaf circa 600m ten noordwesten van het plangebied een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd in 2017 (Zaakid. 4043214100). Het tracé van het fietspad kruiste enkele oude wegen. Bij het booronderzoek op deze locaties werden geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat hier in de middeleeuwen en nieuwe tijd sprake is geweest van bebouwing of agrarische activiteiten. Op basis hiervan werd het tracé vrijgegeven.28 Resultaten verkennend booronderzoek Becker en van de Graaf (2009) Uit het door Becker en van de Graaf uitgevoerde booronderzoek binnen het plangebied bleek dat er geen sprake meer was van een intact plaggendek. Tussen de bouwvoor en de gele dan wel lichtgrijze ondergrond bevindt zich bovendien een geroerde bruingele, deels lichtbruine laag. 23
2013. 2015.
24 25 26 27 28
2016. 2016. 2016. 2017.
Blad 17 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Deze gevlekte laag laat zien dat de bodem is omgezet, vermoedelijk door ploegwerkzaamheden, waarbij de humeuze bovengrond en het moedermateriaal uit de ondergrond vermengd zijn. Hierdoor is de C-horizont aangetast. Dit wordt verder ondersteund door het feit dat de diepte waarop deze top in de boringen is aangetroffen sterk varieert. Er werd geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren.29
2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Het plangebied is gelegen op terrasafzettingswelvingen, die afgedekt zijn door dekzand. Vanaf de late middeleeuwen is een plaggendek opgebracht waardoor een enkeerdgrond is ontstaan. In Brabant is dit plaggendek meestal pas vanaf de 15 e eeuw ontstaan, waarbij vooral pas later de grootste toename plaatsvond. Dit plaggendek heeft mogelijk sporen uit voorgaande perioden beschermd tegen latere bodemingrepen. Onder het plaggendek kunnen zich archeologische resten van het paleolithicum tot en met de late middeleeuwen/(vroege) nieuwe tijd bevinden. In het plaggendek kunnen (losse) vondsten aangetroffen worden uit de nieuwe tijd. Complextype Uit het paleolithicum tot en met het laat neolithicum kunnen resten verwacht worden die samenhangen met de mobiele leefwijze van de mens, zoals kleine kampementen die slechts tijdelijk en/of periodiek bewoond werden. Dergelijke vindplaatsen zijn te herkennen aan vuursteenconcentraties en haardkuilen. Vanaf het laat neolithicum tot en met de late middeleeuwen/nieuwe tijd kunnen resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals perceleringsgreppels.
Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters. Diepteligging Archeologische resten kunnen in en onder het plaggendek verwacht worden. Locatie Archeologische sporen en resten kunnen binnen het gehele plangebied voorkomen, aangezien de bodemopbouw in het plangebied grotendeels onbekend is. Uiterlijke kenmerken Paleolithicum tot laat-neolithicum: vuursteenspreiding, indicaties van de bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval, productiegereedschap. Indicaties voor kortdurende nederzettingen/kampen: haardkuilen, verbrand vuursteen. Indicaties voor jacht/voedselverzameling en –bereiding: werktuigen, spitsen, bijlen, schrabbers, stekers, etc.
29
2009.
Blad 18 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Laat-neolithicum tot en met nieuwe tijd: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan. Nederzettingen: paalgaten (huizen, spiekers, opstallen, schuren), greppels, waterputten en afvalkuilen. Middeleeuwen en nieuwe tijd: nederzettings- en ontginningssporen en resten van agrarische landinrichting. Mogelijke verstoringen Het plangebied is in het verleden nooit bebouwd geweest. Mogelijk hebben landbouwactiviteiten in het verleden voor enige verstoring gezorgd. Op de Erfgoedkaart Oosterhout staat het oostelijke deel van het plangebied aangegeven als terrein waar in het verleden ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Deze ontgrondingen hebben ongetwijfeld de bodem verstoord.
Afbeelding 12. Plangebied op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Oosterhout, met daarop ook de locatie waarvoor in het verleden een ontgrondingsvergunning is afgegeven (bron: Koopmanschap en Visser-Poldervaart, 2011).
Voor het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied geldt op basis van het bureauonderzoek een brede archeologische verwachting. Er hebben echter in het verleden ook ontgrondingen plaatsgevonden die de bodem hebben verstoord. Het is echter niet mogelijk om op basis van het bureauonderzoek in te schatten in welke mate en tot welke diepte de bodem verstoord is door deze ontgrondingen. Antea Group adviseerde daarom in het plangebied een inventariserend booronderzoek uit te voeren
Blad 19 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
3
Veldonderzoek
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen binnen het plangebied? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van het bureauonderzoek? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?
Zoals reeds eerder vermeld is een Plan van Aanpak opgesteld voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk. 30 Dit Plan van Aanpak is akkoord bevonden door bevoegde overheid. 31
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
16 maart 2020
Veldteam Weersomstandigheden
Zonnig met sluierwolken, ca 12° C
Boortype
Edelmanboor, Ø 7cm
Methode conform Leidraad SIKB 32 Motivatie methode
Niet van toepassing, het betreft verkennend onderzoek
30 31
(senior KNA-prospecto)
E-mail 32 Tol e.a. 2012
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek geldt een brede archeologische verwachting. Het is echter waarschijnlijk dat (een groot deel van) het noordelijke en oostelijk deel van het plangebied verstoord is door ontgrondingen.
2019 gemeente Oosterhout, d.d. 6-2-2020.
Blad 20 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Er is gekozen in het plangebied een booronderzoek uit te voeren met controleboringen om te bepalen of ontgrondingen plaatsgevonden hebben en in hoeverre deze de bodem verstoord hebben. Normaal zouden dergelijke controleboringen uitgezet worden in een 60 bij 70 grid, met 3 boringen per hectare. Aangezien op basis van het AHN en de Erfgoedkaart bekend is dat het oostelijke deel van het plangebied ontgrond is, is hier geopteerd om dit deel van het plangebied te onderzoeken door middel van 7 controleboringen om te bepalen in welke mate de ontgrondingen de bodem verstoord hebben. In het niet ontgronde gebied, ten noorden van het door Becker & Van de Graaf onderzochte terrein, worden 9 boringen in een 40 bij 50 grid geplaats, en 2 boringen in de smalle strook ten zuiden van het reeds onderzochte terrein.
Aantal boringen Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap Wijze inmeten boringen
Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA
Doelen en wensen opdrachtgever
Randvoorwaarden
Op deze manier kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de potentie op het aantreffen van archeologische vondsten. 18 Niet van toepassing, het betreft verkennend onderzoek
Uitgezet met Topcon dGPS, daarna voor z-waarde opnieuw ingemeten met horizontale afwijking max 1,5cm en verticaal max 3cm N.v.t. NEN5104 / ASB Brokkelen opgeboorde grond en waarneming op het blote oog N.v.t. Slecht: het betreft akkers waar nog maisstobben stonden met gras en onkruid. Daarnaast betreft het enkele bosschages Niet uitgevoerd. Vanwege de aanwezigheid van bomen / bosschage bij boring 1, 2 10 en 11 zijn de boringen niet exact op het vooraf bedachte coördinaat uitgezet. Wel is de uiteindelijke locatie met de hierboven benoemde nauwkeurigheid ingemeten. Opdrachtgever wil met het uitvoeren van het onderzoek in beeld krijgen of en zo ja welke risico’s de voorgenomen ontwikkeling loopt met betrekking tot archeologie. Het verkennend booronderzoek is daarmee een eerste stap om de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied zelf concreet te toetsen aan het verwachtingsmodel. n.v.t.
Blad 21 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
3.3
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage.
Afbeelding 13. Impressie van het plangebied tijdens veldwerk: links bosschage bij boring 1 en 2, rechts de maïsakker waar boringen 3 t/m 9 zijn gezet. Bij beide: blik naar het oosten.
Afbeelding 14. Impressie van het plangebied tijdens veldwerk: links bosschage bij boring 10 en 11, rechts de maïsakker waar boringen 12 t/m 18 zijn gezet. Bij beide: blik naar het oosten.
Blad 22 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Afbeelding 15. Hoogteverschil tussen westelijk en oostelijk deel van het plangebied: links een blik vanaf boring 9 naar het oosten, rechts tegen de bosrand aan de Oude Tilburgsebaan.
3.3.1
Bodemopbouw Tijdens het veldwerk zijn 18 boringen uitgevoerd op de locaties die vooraf in het PvA akkoord zijn bevonden, buiten het reeds in 2009 onderzochte deel van het plangebied. Tijdens het veldwerk is waargenomen dat de bodem in algemene zin bestaat uit zwak siltig matig fijn zand. Dit komt overeen met de geomorfologie en algemene bodemopbouw uit het hiervoor opgenomen bureauonderzoek deel. Bij de boringen in de bosschages ( boring 1, 2, 10 en 11) is sprake van een Ap-horizont (van circa 0,45 tot 1,2 m dik), gevolgd door een geroerde mix A/C horizont (van circa 0,05 m dik) op het uitgangsmateriaal. Daarbij lag de gemiddelde NAP-waarde van het maaiveld op 7,75 m + NAP. De gemiddelde diepte waar hier dan de huidige top van de C-horizont werd aangetroffen lag tussen de 6,25 en 7,0 m + NAP (tussen 0,35 en 1,25 m – mv) . Dit betekent dat de bodemopbouw geroerd is, waarschijnlijk tot voorbij de oorspronkelijke top, de C-horizont. Ter vergelijking: bij de boringen 3 en 4 (dichtstbijzijnde boringen) ligt de top van de C-horizont op circa 7,25 m + NAP) en daar lag het maaiveld ook nog hoger. De boringen 10 en 11 liggen direct ten zuiden van het door Becker en van de Graaf onderzochte gedeelte van het gebied. In die boringen is echter sprake van een menglaag die het gevolg is van de ontginningen.
33 De door Antea Group beschreven verstoring in boring 10 en 11 lijkt dus niet verder door te lopen naar het noorden. De boringen op de westelijke, hooggelegen akker (boring 3 t/m 9), bestaan uit een Ap-horizont (van circa 0,5 m dik). Deze wordt gevolgd door een gemengde laag, met brokken A-, B-, soms Een C-horizont (van circa 0,10 tot 0,20 cm dik). Onder deze menglaag is een laag aanwezig, die het gevolg is van het in ontginning nemen van het gebied en het daarvoor ‘breken’ van de B-horizont (van circa 0,4 tot 0,5 m dik). Alleen bij boring 6 ontbreekt deze menglaag. Deze zal ter plaatse van
33
2009.
Blad 23 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
boring 6 al zijn opgenomen in de A-Horizont. Het maaiveld lag hier gemiddeld op 7,9 m + NAP en de top van de C-Horizont op 7,5 m + NAP (circa 0,5 m – mv). Dit betekent voor dit deel van het plangebied dat de oorspronkelijke podzol horizonten weliswaar gemengd zijn, maar dat de oorspronkelijke top van de C-horizont deels nog intact kan zijn. De boringen in de lager gelegen oostelijke akker (boring 12 t/m 18) kennen een bodemopbouw waarbij sprake is van een Ap-horizont (van circa 0,35 m dik) direct op de C-horizont, of waar tussen deze horizonten nog een geroerde laag aanwezig is (AC-mix, van circa 0,35 m dik). Het maaiveld lag hier gemiddeld op 6,6 m + NAP en de top van de C-Horizont hier op 6,25 m + NAP (op circa 0,5 m – mv). Voor het oostelijke deel van het plangebied betekent dit dat er zeker ontgrond is. Daarbij is de ’zwarte grond’ weggehaald, is vervolgens zand gewonnen en is vervolgens weer ‘zwarte grond’ teruggebracht. Dit gebeurde uiteraard machinaal (bijvoorbeeld met een shovel), waardoor deels een bodemprofiel ontstaat met een strakke overgang naar de C-horizonten deels een geroerde laag tussen de ‘zwarte grond’ en de C-horizont, bijvoorbeeld door het rondrijden van de shovel.
Interpretatie Antea Group De impact op de voorgenomen ontwikkeling is als volgt: naar onze opinie is ter plaatse van de bosschages en de laaggelegen oostelijke akker de trefkans voor archeologische resten laag tot zeer laag. Dit betreft de boringen uit 2020 nummers 12 tot en met 18. Bij de hoger gelegen akker, en naar onze mening ook bij het in 2009 onderzochte deel van het plangebied, ligt dat genuanceerder. Gezien de beperkte hoeveelheid vindplaatsen in de directe omgeving lijkt de kans op archeologische resten niet hoog. De bodemopbouw, met een kenmerkende menglaag die duidt op ontginning, is in de omgeving vaker waargenomen. Daarbij zijn onder deze menglaag in de top van de C-horizont soms nog archeologische sporen aangetroffen. Dat valt hier ook niet uit te sluiten.
3.3.2
Archeologie Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats.
Blad 24 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
4
Conclusies en advies
4.1
Conclusies In paragraaf 3.1 is een aantal onderzoeksvragen gesteld. Hier wordt voor zover mogelijk en relevant kort op deze vragen ingegaan. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? In paragraaf 3.3.1 staat de bodemopbouw beschreven. Het oostelijke deel van het gebied is ontgrond, de bosschages kennen een geroerde bodemopbouw. De hoger gelegen akker in het westen kent een ontginningslaag in de bodemopbouw, waar onder in de top van de C-horizont nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen binnen het plangebied? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? Nee, er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Er is nog geen vindplaats aangetoond. In het westelijk deel van het plangebied is die echter niet volledig uit te sluiten. De toekomstige bodemingrepen zijn nog niet bekend, maar voor de ontwikkeling van een woonwijk zullen voor wegcunetten, woningfunderingen etc. zeker bodemingrepen plaatsvinden dieper dan het archeologische vlak. Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Aangezien de plannen nog niet zijn uitgewerkt is hier niets over te zeggen.
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van het bureauonderzoek? In het bureauonderzoek is een brede verwachting uitgesproken, en werd een ontgronding verwacht. Deze kan nu voor het plangebied dat in 2020 onderzocht is door Antea Group met archeologische boringen nader genuanceerd kan worden. Ter plaatse van boring 1, 2, 10, 11 en 12 tot en met 18 is de bodemopbouw geroerd tot het niveau waar redelijkerwijs archeologische resten verwacht mogen worden. Voor het gebied van de boringen 3 tot en met 9 is dit nu niet aangetoond. Dit betekent dat voor het nu onderzochte plangebied de verwachtingswaarde naar laag kan worden bijgesteld met uitzondering van het gebied rondom boringen 3 tot en met 9. Het is afhankelijk van een eventueel gemeentelijk selectiebesluit uit 2009 hoe om te gaan met het reeds in 2009 met een archeologisch booronderzoek onderzochte deel van voorliggend plangebied. 34 Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2
4.2
(Selectie)advies Uit het booronderzoek is gebleken dat het oostelijke deel van het gebied is ontgrond en de zone rondom de bosschages kent een geroerde bodemopbouw waarbij naar verwachting het
34
De gemeente Oosterhout heeft aangegeven dat ze akkoord gaan met het nemen van een selectiebesluit voor het gehele plangebied, inclusief het in 2009 onderzochte deel. Mail van op 23-4-2020.
Blad 25 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
sporendragende deel van de oorspronkelijke top van de C-Horizont geheel is verdwenen. Eerder werd dit in 2005 op een nabijgelegen locatie al door Ingenieursbureau Oranjewoud BV vastgesteld in een proefsleuvenonderzoek. Dit deel behoeft geen nader vervolgonderzoek. De hoger gelegen akker ter plaatse van boring 3 tot en met 9 in het westen kent een ontginningslaag in de bodemopbouw, waar de oorspronkelijke top van de C-horizont nog deels aanwezig is en daardoor nog archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Het advies luidt om een deel van het plangebied vrij te geven en ontwikkeling mogelijk te maken zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit gaat om de bosschages bij boringen 1,2, 10 en 11 en om het ontgronde deel van het plangebied. Voor het hoger gelegen westelijke deel van het plangebied is ons inziens niet uit te sluiten dat onder de ontginningslaag nog archeologische sporen aanwezig zijn. Ook voor het in 2009 onderzocht deel geldt dit naar onze mening. Het advies voor dit deel van het plangebied luidt dan ook om met een proefsleuvenonderzoek aan te tonen of er wel of niet een archeologische vindplaats aanwezig is. Indien deze aanwezig is dan dient ook een archeologische waardestelling conform KNA 4.1 te worden uitgevoerd door de archeologisch certificaathouder.
Afbeelding 16. Advieskaart. Voor de gearceerde zone is het advies van Antea Group om ook hier proefsleuven aan te leggen.
Voor gravend onderzoek dient vooraf een Programma van eisen te worden opgesteld, dat goedgekeurd dient te worden door de bevoegde overheid (gemeente Oosterhout). Bovenstaande is een selectieadvies; het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan bevoegde overheid, de gemeente Oosterhout. Deze stemt in met het advies om in het hoger
Blad 26 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
gelegen, niet verstoorde deel van het plangebied én in het gebied dat al in 2009 is onderzocht een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en de volgende stap te nemen in de Archeologische Monumentenzorg. Bij de uitvoering van dit vervolgonderzoek dient ca. 8 tot 10% van het gehele plangebied middels de aanleg van proefsleuven onderzocht te worden. Doel van dit onderzoek is om de aan- dan wel afwezigheid van archeologische waarden vast te stellen alsook de aard en omvang daarvan. Voor de ontgronde delen geldt vanuit de Regio West-Brabant het advies om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden is hier zeer klein. Geadviseerd wordt om de Archeologische Monumentenzorg in dit deel van het plangebied conform het advies uit het rapport af te ronden en vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. De dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ in het bestemmingsplan kan voor dit deel van het plangebied verwijderd worden. 35 Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord.
Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
Antea Group Oosterhout, mei 2020
35
Selectieadvies Regio West-Brabant (12 mei 2020) en selectiebesluit Gemeente Oosterhout (13 mei 2020).
Blad 27 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Literatuur en geraadpleegde bronnen H.J.L.C., 2015: Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase). Bavelstraat 7a Dorst (gemeente Oosterhout). Antea Group Archeologie 2015/146. Antea Group, Oosterhout. 2008. Landschap in delen: overzicht van de geofactoren. Perspectief Uitgevers, Utrecht. S., 2009: Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Oude Tilburgsebaan, Dorst. Gemeente Oosterhout. B&G rapport 803. Becker & Van de Graaf bv, Noordwijk. 2012: Plangebied Bergingsriool in Dorst, Oosterhout. Een archeologische begeleiding. ADC ArcheoProjecten rapport 3026. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. van, 2017: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase. Fietspad Oosterhout – Dorst. Antea Group Archeologie 2017/54. Antea Group, Oosterhout. 2016: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase). Oude Tilburgsebaan fase III te Dorst. Antea Group Archeologie 2016/50. Antea Group, Oosterhout. 2016: Groenestraat 18, Dorst. Gemeente Oosterhout. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 16080. ArcheoPro, Eijsden. 2013: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Molenschotseweg 3 te Dorst. Aeres Milieu, Roermond.
2010: Bureauonderzoek ten behoeve van de MER omlegging N282 tussen Dorst en Bavel, gemeente Oosterhout en Breda (Noord-Brabant). Archeologische Rapporten Oranjewoud 2010/01. Oranjewoud, Oosterhout. 2005: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek aan de Oude Tilburgsebaan te Dorst (N.Br.). Oranjewoud Archeologische Rapport 151195. Oranjewoud, Oosterhout. 2011. Erfgoedkaart Oosterhout; Een verleden achter gevels en onder akkers. Oranjewoud, Oosterhout. 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen. 2008: Archeologisch bureauonderzoek. Oude Tilburgsebaan, Dorst. Gemeente Oosterhout. Becker & Van de Graaf bv, Noordwijk.
In:
2016. Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk.
Blad 28 van 30
Antea Group Archeologie 2020/38 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) projectnummer 455905 20 mei 2020 revisie 02 Ruimte voor Ruimte II C.V.
Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB. 2019. Plan van Aanpak Meelberg te Dorst, gemeente Oosterhout; inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen. Antea Group Oosterhout. 2010: Dorst Plangebied Bergingsriool. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase). BAAC rapport V-10.0119. BAAC, Deventer – ’s Hertogenbosch. 2014: Plangebied Groenestraat 2 te Dorst Gemeente Oosterhout. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC Rapport V13.0010. BAAC, Deventer – ’s Hertogenbosch. 2013. 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. 2016: Dorst, De Vliert Gemeente Oosterhout (Noord-Brabant). Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO; verkennende fase). Transect-rapport 879. Transect, Utrecht. 2007: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen locatie Spoorstraat, Dorst, Gemeente Oosterhout. SOB Research, Heinenoord. 2007: Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven Bouwlocatie Spoorstraat, Dorst, Gemeente Oosterhout. SOB Research, Heinenoord.