Bijlage 4 ZP A59 MEMO reactie zienswijzen MV
Tekst van het document
MEMO Van: Eneco Aan: Gemeente Datum: 12-04-2023 Naar aanleiding van de opmerking van de Milieuvereniging Oosterhout, tijdens de rechtszitting Zonnepark A59 d.d. 16 januari 2023, dat er niet is gereageerd op de opmerkingen die in hun zienswijze worden aangedragen wordt in dit memo door Eneco op verzoek van de gemeente nadere duiding verschaft in welke mate de zienswijzen MV reeds zijn meegenomen in de GROB en het doorlopen (vergunnings)proces. Zienswijze Milieuvereniging: Er dient ingezet te worden op innovaties In het project wordt op diverse manieren ingezet op innovatie, namelijk op de volgende drie manieren: 1. 2.
3.
Introductie Werkgroep Biodiversiteit, die een adviserende rol heeft gehad bij de uitwerking van het biodiversiteitsplan met hierbij ook aandacht voor innovatie. Instellen Raad van Advies, alwaar men initiatieven onder meer voor innovatieve projecten kan aandragen. Het in behandeling nemen van initiatieven is een doelstelling van de Raad van Advies, de borging hiervan is opgenomen in art. 12 van de AOK (zie onder). Mogelijkheden waarin het Duurzaamheidsfonds voorziet, geborgd in art. 11 van de AOK (zie onder).
Zo geldt bijvoorbeeld dat - onder meer op aandragen van de milieuvereniging - wordt onderzocht of de toepassing van een aantal lichtdoorlatende/bificial panelen tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast wordt rondom de toename van biodiversiteit en natuur, gezocht naar mogelijkheden die daar extra aan bijdragen, zoals bijvoorbeeld het verhogen van het grondwaterpeil. De Milieuvereniging kan haar voorstellen dus ofwel aandragen aan het Duurzaamheidsfonds…
…dan wel haar voorstellen aandragen aan de Raad van Advies, zie tevens het mechanisme wat wordt geborgd in artikel 12 en in bijlage 8 AOK.
1
Aanbeveling aan gemeente voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
Aankondiging op website EP A59 oprichting Raad van Advies met doel en (basis)regelement plus uitnodiging inbreng ideeën aan de brede omgeving.
2
Zienswijze Milieuvereniging: Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er geen alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden op basis van de kwaliteiten en kenmerken van locaties. Het is niet aan de initiatiefnemer dan wel gemeente alternatieven aan te dragen. Enkel wanneer een aangedragen alternatief aanmerkelijk minder bezwaren kent kan gemeente anders doen besluiten. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2023:414) van 1 februari 2023, en uit de vaste jurisprudentielijn daaromtrent. De standaard overweging van de Afdeling is als volgt: “Ten aanzien van de omgevingsvergunning geldt verder dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Voorts geldt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is - het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.” Een alternatievenonderzoek dient dus gericht te zijn op: 1. Een concreet alternatief project (zoals een ingediende aanvraag om omgevingsvergunning) 2. Waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt 3. Én waar aanmerkelijk minder bezwaren tegen zijn.
Dergelijke initiatieven – die voldoen aan de genoemde vereisten - zijn niet aangedragen. Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
Een verwijzing opnemen in de GROB dat het niet aan de initiatiefnemer is een alternatieve afweging te maken en dat alternatieven die voldoen aan de vereisten uit de vaste rechtspraak, ten tijde van de besluitvorming niet aan de orde waren. Status: verwerkt in paragraaf 3.3, p. 35-36.
Zienswijze Milieuvereniging: Er wordt niet onderbouwd waarom niet eerst invulling gegeven wordt aan realisatie op daken of andere mogelijkheden zoals in fietspaden, bermen of boven parkeerplaatsen. Zon op daken is aan de eigenaren van de daken zelf, alleen zij kunnen over hun eigendommen beslissen. Hier gaat de overheid en ook Eneco niet over. Fietspaden, bermen en parkeerplaatsen kan altijd maar zal financieel niet altijd haalbaar zijn en ligt bovendien buiten de invloedssfeer van initiatiefnemer en van de aangevraagde omgevingsvergunning. Meer van belang, is dat geen sprake is van een verplichte volgordelijkheid. Dit wordt maar weer eens benadrukt door de minister van EZK in de ‘Zonnebrief1’, waarin hij schrijft: “Op die manier wil dit kabinet zonPV zo veel mogelijk realiseren op daken en andere objecten en op die manier landbouwen natuurgronden zo veel mogelijk ontzien. De aard van de voorkeursvolgorde, namelijk dat deze geen volgtijdelijkheid inhoudt, blijft daarbij behouden. Dit betekent dat de Voorkeursvolgorde leidend is bij het verkennen van de mogelijkheden voor zon-PV, maar dat in de realisatie niet eerst alle daken en objecten benut hoeven te worden voordat er gewerkt kan worden aan grondgebonden zon-PV.2 Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
1
Een verwijzing opnemen in de GROB dat zon op land naast zon op dak zijn positie heeft en de volgorde daarbij geen aanwijzingen tot voltijdelijkheid kent. Status: verwerkt in paragraaf 4.3.3.3, onder ‘Motie voorrang zon op daken’, p. 49.
Kamerbrief over rol zonne-energie in energietransitie (kenmerk: DGKE-WO / 22119653)
2 Kamerbrief over rol zonne-energie in energietransitie (kenmerk: DGKE-WO / 22119653), p.
2
3
Zienswijze Milieuvereniging: Ook in de RES wordt uit gegaan van de volgorde eerst daken, dan meervoudig ruimtegebruik, voordat natuur- en landbouwgrond wordt opgegeven. Op de gekozen locatie is geen sprake van meervoudig ruimtegebruik. Voor wat betreft de volgorde, wordt verwezen naar bovenstaand fragment uit de ‘Zonnebrief’ van de minister van EZK t.a.v. de volgtijdelijkheid. Verder geldt nadrukkelijk dat het streven is dat er na realisatie van het ZP een toename van de biodiversiteit wordt gerealiseerd. Het biodiversiteitsplan – dat een nadere detaillering/uitwerking van het landschappelijk inpassingsplan betreft - is hiervan het bewijs. De Milieuvereniging heeft meegesproken en op vele onderdelen inbreng gehad in dit plan. Conclusie is dat er door de ontwikkeling van het zonnepark meer ruimte is voor de ontwikkeling van flora en fauna in vergelijking met het huidige gebruik als landbouwgrond, en bovendien dat er middels soortenkeus ook actief op wordt gestuurd dat de aan te brengen landschappelijke elementen ook in lijn zijn met de soorten die van nature in het gebied voorkomen.
Voorts wordt – ter bevestiging van het bovenstaande - gewezen op de memo van Van der Goes & Groot3, waaruit nadrukkelijk blijkt dat indien de voorgestelde maatregelen in het kader van de landschappelijke inpassing daadwerkelijk worden verwezenlijkt, sprake is van een verbetering van de biodiversiteit aldaar. Dit is dus nog zonder de detaillering die het biodiversiteitsplan heeft aangebracht! Het landschappelijk inpassingsplan biedt op zichzelf ruim voldoende om te concluderen dat een versterking plaatsvindt. De verdere vertaalslag naar een biodiversiteitsplan, brengt daarop enkel een (waardevolle) plus. In aanvulling op de toe te voegen biodiversiteit/natuurwaarden in het gebied, geldt voorts dat de combinatie van het zonnepark met het windmoleninitiatief eveneens tot meervoudig ruimtegebruik leidt. De omgevingsvergunning voor de realisatie van twee windturbines, is op 6 april 2023 verzonden aan Eneco (initiatiefnemer windpark). Daarmee is de realisatie ervan voldoende concreet om in aanmerking te nemen als meervoudig ruimtegebruik. Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
-
In GROB opnemen dat indien Wind wordt gerealiseerd dit nog een extra bijdrage levert aan meervoudig ruimte gebruik. Status: verwerkt in nieuw geïntroduceerde paragraaf 2.4.4 ‘Meervoudig ruimtegebruik’, p. 16 In GROB expliciteren dat naast realisatie zonnepark de realisatie van meer biodiversiteit een vorm van meervoudig ruimte gebruik betreft. Status: verwerkt in nieuw geïntroduceerde paragraaf 2.4.4 ‘Meervoudig ruimtegebruik’, p. 16
Zienswijze Milieuvereniging: Wij zijn van mening dat het te gemakkelijk is om te stellen dat voor dit project geen m.e.r.-(beoordelings)plicht zou gelden omdat er geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zou zijn. Initiatiefnemer blijft van mening dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is op de realisatie van het zonnepark. Desalniettemin is alsnog een Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (kenmerk: 21433.AN/MER). Enerzijds om de vrees van de Milieuvereniging weg te nemen/tegemoet te komen aan diens wens. Anderzijds ten behoeve van een extra waarborg van een goede ruimtelijke ordening. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat geen sprake is van significant negatieve effecten op de milieuomstandigheden ter plaatse. Gelet op die conclusies, rechtvaardigt de realisatie van het zonnepark geen volwaardige m.e.r.beoordeling of MER-procedure. Aanbeveling voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
3
Opstellen Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.. Status: opgesteld, te delen met gemeente en opgenomen in bijlage 12 GROB.
D.d. 24 maart 2023
4
-
Uit de Aanmeldnotitie blijkt geen mer beoordelingsplicht/MER-plicht en op basis daarvan is/wordt door het bevoegd gezag besloten dat een dergelijke procedure niet gedraaid hoeft te worden. De aanmeldnotitie en het m.e.r.-beoordelingsbesluit dient aan het dossier te worden toegevoegd.
Zienswijze Milieuvereniging: De gronden waarop het zonnepark wordt gerealiseerd, dienen na de periode van 25 jaar weer in oorspronkelijke staat te worden overgedragen aan de eigenaar. Hiermee gaan alle inspanningen verloren die nu in de biodiversiteit worden gedaan. In de vergunning zouden voorwaarden opgenomen moeten worden dat ontwikkelde natuurwaarden in het gebied na 25 jaar behouden dienen te blijven. Op grond van de Interim Omgevingsverordening geldt de verplichting de gronden na 25 jaar terug te brengen in oorspronkelijke staat (zie art. 3.41, lid 3, onderdeel a van de IOV). Aan deze verplichting dient gemeente (en initiatiefnemer) te voldoen, hetgeen is geborgd door opname van voorschrift 1 bij de verleende omgevingsvergunning. Voorts geldt op basis van de IOV géén verplichting om de maatregelen ook na de exploitatietermijn in stand te laten, niet op basis van de specifieke regeling met betrekking tot zonneparken in landelijk gebied, noch op grond van het algemene art. 3.9 IOV met betrekking tot de verplichte investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Dat doet er echter niets aan af dat wel degelijk overwogen wordt om de maatregelen waar mogelijk duurzaam in stand te houden en daarmee een permanent karakter te geven. Gemeente onderzoekt de mogelijkheden die hiertoe open staan, maar is daarin ook afhankelijk van derden.
Het doel is evenwel om middels grondruil de aangebrachte toename van de biodiversiteit/natuurwaarden (Kromgat, Statendamseweg en compensatiebosje) over te nemen na afloop van de exploitatietermijn, en als zodanig in stand te houden. Om dit mogelijk te maken dienen echter zakelijke rechten te worden gevestigd. Weliswaar zijn zakelijke rechten vastgelegd voor de exploitatietermijn van 25 jaar, maar deze komen conform overeenkomst te vervallen na afloop daarvan. Omdat het duurzaam in stand houden van de investeringen ziet op de periode ná afloop van de vergunningstermijn, vallen de maatregelen buiten de invloedssfeer van initiatiefnemer en behoren ze niet als voorwaarden aan de omgevingsvergunning te worden verbonden. Aanbeveling voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
Nader toelichten wat opties zijn na 25 jaar en de rol en verantwoordelijkheden tussen initiatiefnemer, gemeente en grondeigenaar in wettelijke context en de vergunning expliciteren
Zienswijze Milieuvereniging: Wij vinden dat de Quickscan Wet natuurbescherming van Van der Goes & Groot van 12 mei 2020 te beperkt is omdat het gebaseerd is op maar één veldbezoek. Desondanks zijn toch natuurwaarden gerapporteerd en blijkt dat het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten vissen, amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. De ecologische quickscan betreft een potentiebeoordeling waarbij met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Anders dan de Milieuvereniging stelt, geldt hiervoor niet dat aan een vooraf vastgesteld aantal bezoekrondes dient te zijn voldaan (i.t.t. soortgerichte nadere onderzoeken). Zekerheidshalve is in november 2022 een Natuurtoets uitgevoerd, waarin de conclusies uit de quickscan zijn bevestigd en tevens extra is gekeken naar de effecten op het naastgelegen NNB-gebied. Verder is een second opinion/expert judgement op een aantal gronden van de milieuvereniging gevraagd. De bevindingen zijn opgenomen in het memo van 24 maart 2023. Naar aanleiding hiervan is besloten alsnog een onderzoek uit te laten voeren naar de alpenwatersalamander en de grote modderkruiper.
Mocht uit dit onderzoek blijken dat een ontheffing benodigd is voor één of beide soorten, dient het zonnepark een groot openbaar belang en kan worden gesteld dat het verkrijgen van een ontheffing in de lijn der verwachting ligt. Voor het te nemen (herstel)besluit hoeft – voor zover deze noodzakelijk is – nog geen ontheffing verkregen te zijn.
5
Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
-
Memo Van der Goes & Groot d.d. 24 maart 2023 en natuurtoets Van der Goes & Groot d.d. 13 december 2022 (2022-242) toevoegen aan dossier (actie gemeente) en vermelden in GROB (actie MEES). Status: stukken zijn verwerkt in paragraaf 5.11 en opgenomen in bijlagen 13 en 14 GROB. Zodra gereed, nader onderzoek alpenwatersalamander en grote modderkruiper toevoegen aan dossier en GROB. Status: onderzoek loopt.
Zienswijze Milieuvereniging: Het gaat o.a. om beschermde vogels, grote modderkruiper, alpenwatersalamander, vleermuizen en marterachtigen. Ook bevindt zich er het leefgebied van een torenvalk. Hiervoor zal de procedure doorlopen moeten worden van de Wet Natuurbescherming voor een ontheffing. Als de noodzaak van een zonnepark op deze locatie niet aangetoond is, kan er geen ontheffing afgegeven worden. Verwezen wordt naar het memo van Van der Goes & Groot (d.d. 24 maart jl.) en de eerdere onderzoeken (natuurtoets 2022, quickscan 2020). Nogmaals wordt benadrukt dat het een potentiebeoordeling betreft en dat voorts geldt dat indien een plangebied wel geschikt zou zijn voor een specifieke soort, het nog steeds afhankelijk is van de specifieke ingrepen of daadwerkelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende soort optreden. In alle gevallen – met uitzondering van de grote modderkruiper en alpenwatersalamander, zie boven – geldt dat het plangebied geen essentieel leefgebied voor de betreffende soorten is en/of dat de geplande ingrepen geen negatieve effecten teweegbrengen. Daarmee wordt gedoeld op nesten van vogels (al dan niet jaarrond beschermd), kleine marterachtigen en vleermuizen. Nader onderzoek naar die soorten is dus niet nodig en gevolgtrekking is dan ook dat ook een ontheffing voor die soorten niet aan de orde is.
Concreet geldt per soort het volgende.
Vogels: Omdat geen geschikte bebouwing aanwezig is en er geen nesten of sporen werden aangetroffen in de aanwezige bomen binnen het plangebied, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten hun nest of vaste rustplaats hebben binnen het plangebied. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Buizerd. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Buizerd, Roek, Havik, Ooievaar), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en deze vogels kunnen gemakkelijk uitwijken. Indien rekening gehouden wordt met het broedseizoen (hetgeen goed in te passen is in de uitvoering), is geen nader onderzoek vereist. Omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen en geen (grote) nesten werden aangetroffen in de aanwezige bomen is binnen het plangebied geen potentie aanwezig voor categorie 5-soorten.
Voor de Torenvalk (cat.5) zijn op dit moment geen mogelijkheden om te broeden vanwege het ontbreken van grote nesten of speciale nestgelegenheden. Nader onderzoek naar de categorie 5-soorten is niet vereist.
Bever: Het plangebied is niet geschikt voor de Bever. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig.
Bunzing e.a.: Het is mogelijk dat incidenteel een Bunzing of andere kleine marterachtige het plangebied gebruikt als jachtterrein of om langs te trekken. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste
6
omgeving. Het plangebied biedt, onder andere vanwege deze redenen, geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen en de dieren kunnen gemakkelijk tijdelijk uitwijken.
Vleermuizen: In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat ter plaatse geen geschikte bebouwing is en omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bomen. Het plangebied is wel geschikt voor foeragerende vleermuizen. Omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is, worden geen negatieve effecten verwacht. Na uitvoer van de plannen zal het gebied opnieuw kunnen dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Vanwege het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen of brede rietkragen binnen het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen. Men dient wel rekening te houden met de aanwezige vliegroute naast het plangebied (de bomenrij ten oosten van het plangebied) als er eventueel verlichting op het terrein wordt gerealiseerd, maar daarvan is geen sprake en indien dergelijke (nacht)verlichting wel noodzakelijk is, kan deze vleermuisvriendelijk worden uitgevoerd. Nader onderzoek is niet vereist.
Grote modderkruiper: In de omgeving van het plangebied is in het verleden een Grote modderkruiper aangetroffen. Vanwege het voorkomen van Grote modderkruiper in de omgeving in vergelijkbaar water als aanwezig langs een aantal van de percelen in het plangebied, is niet uit te sluiten dat deze soort kan voorkomen. Omdat het doel is stuwen te plaatsen zodat daarmee het waterpeil wordt verhoogd, geldt wel dat wateren ‘substantieel’ kunnen wijzigen, zodat nader onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is niet eerder uitgevoerd, omdat de peilverhoging eerder geen integraal onderdeel uitmaakte van de planvorming. Ook nu is de peilopzet nog onderwerp van een integrale belangenafweging tussen niet alleen het natuuraspect, maar zeker ook de waterbelangen van het waterschap in relatie tot de waterkeringen. Om inzicht te krijgen op de effecten van de mogelijke peilverhoging op de Grote modderkruiper, is nader onderzoek in gang gezet. De resultaten worden omstreeks eind april verwacht.
Alpenwatersalamander: Voor de Alpenwatersalamander geldt hetzelfde als voor de Grote modderkruiper. Daarnaast is het verwijderen van het bosje mogelijk van invloed op salamanders die het bosje als landbiotoop gebruiken. De resultaten hiervan worden omstreeks eind april verwacht.
Tot slot wordt opgemerkt dat het zonnepark een groot openbaar belang dient als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Er wordt geen aanleiding gezien voor de conclusie dat het verkrijgen van de ontheffing niet mogelijk zou zijn. Bovendien staat het wel of niet verkrijgen van een eventuele ontheffing niet in de weg aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Mocht uit nader onderzoek blijken dat ontheffing nodig is, is het opnemen van een voorschrift aan de omgevingsvergunning dat deze uitsluitend mag worden uitgevoerd wanneer de ontheffing is verkregen, afdoende om de in de Wet natuurbescherming opgenomen belangen te beschermen. Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
-
Memo Van der Goes & Groot d.d. 24 maart 2023 en natuurtoets Van der Goes & Groot d.d. 13 december 2022 (2022-242) toevoegen aan dossier (actie gemeente) en vermelden in GROB (actie MEES). Status: stukken zijn verwerkt in paragraaf 5.11 en opgenomen in bijlagen 13 en 14 GROB. Zodra gereed, nader onderzoek alpenwatersalamander en grote modderkruiper toevoegen aan dossier en GROB. Status: onderzoek loopt. Voor zover noodzakelijk en als blijkt uit nader ecologisch onderzoek: opname voorschrift aan omgevingsvergunning dat deze niet eerder kan worden uitgevoerd dan dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verkregen.
Zienswijze milieuvereniging: Er is onduidelijkheid of de cultuurhistorische en archeologische waarden wel voldoende beschermd zijn. Wij lezen dat er naar een alternatief gekeken wordt voor de funderingspalen in de vorm van het PEG-systeem die op een maximale diepte van 80 cm zullen gaan omdat archeologische resten waarschijnlijk binnen de verstoringsdiepte liggen. Wij vinden dat in de omgevingsvergunning geborgd dient te
7
zijn dat de archeologische waarden niet aangetast worden. In de eerste plaats heeft voor het gehele projectgebied een bureauonderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit bureauonderzoek is geadviseerd enkel een strook langs de westzijde van het projectgebied, direct gelegen langs de Statendamweg, te onderzoeken middels een verkennend booronderzoek. Het betreft een strook van in totaal ca. 4,2 ha. In lijn met het advies van Laagland Archeologie, is vervolgens een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd ter plaatse van de aangegeven zone. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de kans klein is dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele sporen van bewoning of activiteiten uit de Late Middeleeuwen binnen een strook langs het oude havenkanaal van Oosterhout. Het voormalige landoppervlak uit die periode ligt op tenminste 130 cm diepte. Archeologische resten die mogelijk binnen de verstoringsdiepte liggen dateren waarschijnlijk van na 1700. Het archeologisch belang hiervan is laag. Voor de fundering van de panelen binnen zonneparken geldt in zijn algemeenheid bovendien dat de grondroering zodanig beperkt is, dat deze niet als significant te kwalificeren is en daardoor niet leidt tot een noodzaak nader onderzoek uit te voeren.
Daarvoor geldt in dit specifieke park bovendien dat de (beperkte) verstoring ten opzichte van de oppervlakte van het onderzoeksgebied en het plangebied als geheel, eveneens niet voor significante verstoringen van eventuele archeologische niveaus leiden. Nergens in de aanvraag is aangegeven dat fundering maximaal 80 centimeter de grond indrijft. Wel was in het verkennend archeologisch onderzoek aangegeven dat hiertoe de mogelijkheden werden onderzocht, dit anticiperend op de mogelijke uitkomsten van het archeologisch onderzoek. Uit het archeologisch onderzoek is echter gebleken dat de verwachting laag is, waarmee de noodzaak voor dergelijke toepassingen is komen te vervallen. Het selectieadvies dat vervolgens door het bevoegd gezag (Regio West-Brabant) is opgesteld, stemt in met de conclusies uit het rapport en stelt het gehele gebied, inclusief de zone met middelhoge verwachting, vrij van verder archeologisch onderzoek. Het selectieadvies (d.d. 29 januari 2020) stelt: “Het advies betreffende het selectiebesluit is om in te stemmen met het advies van Laagland Archeologie om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Geadviseerd wordt om de Archeologische Monumentenzorg af te ronden en het plangebied vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. De dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ in het bestemmingsplan kan voor het plangebied verwijderd worden.” Het selectiebesluit (d.d.
30 oktober 2020) dat gemeente Oosterhout op basis van bovengenoemd selectieadvies heeft genomen volgt het selectieadvies en geeft het projectgebied vrij. Daarmee is nu ook door het bevoegd gezag bevestigd dat de noodzaak is komen te vervallen de funderingsdiepte binnen de genoemde zone te maximaliseren tot een diepte van maximaal 80 cm -mv. Dientengevolge is er geen noodzaak archeologie nog verder te borgen in de omgevingsvergunning. Onderzoek wijst immers uit dat van (aantasting van) archeologische waarden aldaar geen sprake is. Ten aanzien van cultuurhistorie geldt dat de projectlocatie op basis van de Erfgoedkaart van Oosterhout inderdaad een hoge cultuurhistorische waarde kent. Echter, met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen afbreuk gedaan aan deze waarden. Sterker nog, ze worden door de gekozen opzet van het zonnepark enkel versterkt. De ruimtelijke onderbouwing gaat hier in paragraaf 5.2 uitgebreid op in. De cultuurhistorische waarden van het landschap zijn geborgd in het landschappelijk inpassingsplan, door met deze waarden rekening te houden in het ontwerp en ze door de gekozen opzet verder te versterken. Aangezien het plan uitgevoerd dient te worden conform omgevingsvergunning en het landschappelijk inpassingsplan (zie voorschrift 3 en 4 van het vernietigde besluit), zijn de waarden afdoende beschermd.
Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
Duidelijker motiveren in GROB. Status: verwerkt in paragraaf 5.1. Geactualiseerde GROB toevoegen aan vergunningsdossier Selectieadvies en selectiebesluit t.a.v. archeologie als bijlagen toevoegen aan GROB en vergunningdossier. Status: advies en besluit als bijlage 9 en 10 opgenomen in GROB
8
Zienswijze Milieuvereniging: Wij zijn van mening dat er wel een stikstof berekening gemaakt had moeten worden omdat er op voorhand niet zomaar van uitgegaan kan worden dat vanwege de tijdelijkheid van de aanlegfase het niet noodzakelijk is de stikstofuitstoot te berekenen. Stikstofberekeningen zijn wel gemaakt en worden opnieuw gemaakt (geactualiseerd) voor het herstelbesluit. De reden dat ze geen onderdeel zijn van het vernietigde besluit, was gelegen in enerzijds de bouwvrijstelling voor stikstof (waardoor de bouwfase op grond van de 'Stikstofwet' langere tijd niet berekend hoefde te worden) en anderzijds in de aanname dat landbouwactiviteiten meer stikstof uitstoten dan de exploitatie van een zonnepark (en dat dus gedurende minstens 25 jaar een verbetering optreedt ten opzichte van de huidige situatie). Op dit laatste punt is uiteindelijk besloten voor de volledigheid toch een stikstofberekening uit te laten voeren. Daaruit blijkt dat in het eerste jaar na ingebruikname van het zonnepark – waarin verreweg de meeste vervoersbewegingen plaatsvinden t.a.v. beheer en onderhoud – geen sprake is van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mo/ha/jr op daartoe gevoelige natuurgebieden. Als gevolg van de Porthos-uitspraak is de bouwvrijstelling bovendien komen te vervallen, zodat nu ook die fase (opnieuw) berekend moet worden.
De berekeningen waren aldus reeds beschikbaar en worden nu geactualiseerd met de nieuwe AERIUS-tool zoals deze eind januari 2023 is gelanceerd. Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
Geactualiseerde stikstofberekeningen toevoegen aan dossier en verwerken in GROB. Status: verwerkt, opgenomen als bijlage 15 bij GROB. Tevens benoemd in paragraaf 5.11, p. 76
Zienswijze Milieuvereniging: De gemeenteraad van de gemeente Oosterhout heeft nadrukkelijk vastgesteld (d.d. 26-01- 2021) dat de mogelijkheden voor “sociale participatie sterk verhoogd” dient te worden. Waarbij financiële participatie voor omwonende / belanghebbende en hogere afdracht aan het duurzaamheidsfonds specifiek benoemd zijn. Wij constateren dat dat nog steeds niet het geval is. Dit is wel degelijk het geval. Er is sprake van een omgevingsdialoog, inspraakprocedure als onderdeel vergunningsprocedure, werkgroep biodiversiteit (verhogen biodiversiteit ten opzichte van situatie voor realisatie) en een duurzaamheidsfonds (afdracht 1€/Mwh waar normaliter als norm 0,5 €/MWh wordt gehanteerd) en een Raad van Advies (waaraan gemeente middelen ter beschikking stelt voor onder andere innovatie). Daarmee is de geleverde inspanning vanuit en rondom het project ten behoeve sociale participatie veel omvangrijker dan gebruikelijk, zowel naar kwalitatieve als naar financiële maatstaven. Actie voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: -
Aanvullende duiding in GROB wat is gedaan aan sociale participatie. Status: verwerkt in paragraaf 6.2.1, p. 79 Duiding duurzaamheidsfonds en Raad van Advies op website EP A59 met doel en regelement plus uitnodiging inbreng ideeën aan de brede omgeving.
Zienswijze Milieuvereniging: De landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap zijn niet geborgd. Dit is wel geborgd en wel door voorschriften 3 en 4 (van het vernietigde besluit): 3. Het landschappelijk inpassingsplan zoals genoemd onder 2. dient uiterlijk binnen 1 jaar na ingebruikname van het zonnepark te zijn gerealiseerd en in stand te worden gehouden; 4. Vergunninghouder is verplicht om het bouwplan uit te voeren overeenkomstig deze omgevingsvergunning en de eisen gesteld in het Bouwbesluit en de bouwverordening; Aanbeveling voorafgaand aan het herstelbesluit dan wel op te nemen in het herstelbesluit: - Geen aanvullingen vereist naar ons inzicht.
9