bijlage 2 Reactienota zienswijzen zonnepark A59
Tekst van het document
Geconcludeerd kan dus worden dat de stelling dat de Oranjepolder voor langere tijd verloren gaat voor recreatie en ontspanning onjuist is. Daarnaast is het opwekken van duurzame energie in het grootste belang van Nederland en dus ook voor Oosterhout. Juist ook om de klimaatverandering en de vergankelijkheid van onze natuur te stoppen. Dit zonnepark draagt dus juist bij aan het op lange termijn behoud van de leefbaarheid van onze leefomgeving. De stelling van reclamanten dat het plaatsen van een zonnepark ervoor zorgt dat een gebied, in dit geval de Oranjepolder, verloren gaat bestrijden wij dan ook. Zie beantwoording onder nr. 1.
Zie beantwoording onder nr. 1.
De locatiekeuze voor zonneparken is zorgvuldig uitgevoerd. Toen er steeds meer initiatieven kwamen voor de aanleg van zonneparken op verschillende locaties, door verschillende eigenaren/initiatiefnemers heeft de gemeenteraad het college opgedragen om het aantal locaties voor het opwekken van duurzame energie in onze gemeente te beperken en daarmee dus niet op elk bij de gemeente bekend initiatief ja te zeggen en hiermee versnippering van locaties te voorkomen. Uiteindelijk zijn alle bekende locaties beoordeeld op ruimtelijk-planologische aspecten. De Bavelse Berg en de Oranjepolder scoorden het hoogst als meest geschikte plaats voor een zonnepark. Hoe de score is opgebouwd kan worden teruggelezen op: https://www.energieparka59.nl/toelichting-locatiekeuze/. Zie beantwoording onder nr. 1 en 4.
24
gegaan aan de doelen van de ‘Groenblauwe mantel’. Reclamant benadrukt dat een goed alternatievenonderzoek de kwaliteit van de locaties dient te wegen. Een locatie met cultuurhistorische waarden of natuurwaarden zal dan als eerste afvallen. Dat is het geval op de beoogde locatie in de Oranjepolder. De locatie maakt onderdeel uit van de provinciale 'Groenblauwe mantel' waarvoor een aantal doelen geformuleerd zijn o.a. dat er een positieve ontwikkeling van de biodiversiteit dient plaats te vinden en dat de natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterkt dienen te worden. De gekozen locatie is de doorgang naar / aansluiting op de EVZ onder de A58 door en tevens de enige mogelijkheid om het NNB aan de Statendamweg in verbinding te houden om te voorkomen dat dit geïsoleerd komt te liggen. In de Beleidsdoelstellingen Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt gesteld dat de ecologische verbindingszones (EVZ) een essentiële bouwsteen van het Natuurnetwerk Brabant vormen. Door groene verbindingen te leggen tussen de natuurgebieden zorgen zij ervoor dat dieren en planten niet geïsoleerd raken en daardoor uitsterven. De ecologische verbindingszones functioneren als trekroutes en als (tijdelijk) leef- en voortplantingsgebied voor dieren en planten.
Door aanleg van het zonnepark wordt de functie van EVZ in dit gebied ernstig verstoord en ook daarom vindt reclamant aanleg van een zonnepark op deze locatie ongewenst. Als toch een vergunning wordt verleend voor het zonnepark, dan verzoekt reclamant hierin voorwaarden op te nemen voor het in stand houden van de EVZ-functie in het gebied en de inrichting van het zonnepark daarvoor te laten aanpassen.
Zie beantwoording nr. 1 en 4. Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat het landschappelijk inpassingsplan verplicht dient te worden gerealiseerd. Ook het biodiversiteitsplan dat in overleg met de Werkgroep biodiversiteit wordt vormgegeven en nader wordt ingevuld, dient bij de gemeente te worden ingediend. Tot slot is er ook een overeenkomst met Eneco en is dit punt ook privaatrechtelijk geborgd. Naar onze mening is op deze wijze voldoende geborgd dat de landschappelijke inpassing en de aan te leggen natuurstrook daadwerkelijk worden aangelegd. Datzelfde geldt ook voor de instandhouding ervan.
Stapeling van functies (natuuraantasting) 2
De opeenstapeling van projecten in dit gebied (herinrichting A59 snelweg, veranderde functie van Statendamweg, 380 KV project, bestaande windturbines Weststadweg, toename geluidsoverlast industrieterrein Weststad langs de Statendamweg) wordt volgens reclamant zeer onderschat. Er past geen grootschalig Zonnepark en Windpark = EnergieparkA59 meer bij.
Door de aanwezigheid van het zonnepark zal het geluidsniveau in het gebied niet significant toenemen. Een zonnepak bestaat uit zonnepanelen, draagconstructies, kabels en omvormers die nauwelijks geluid produceren. Een geluidsstudie voor het vergelijkbare zonnepark in Moerdijk heeft dit laten zien. Daarnaast is het niet aannemelijk dat het zonnepark het geluid van de A59 en de windturbines waarneembaar zal versterken. Een studie in Overbetuwe naar de geluidsoverdracht van wegverkeersgeluid heeft geconcludeerd dat versterking van het geluid door het zonnepark met menselijk oor niet waarneembaar is. Daarnaast is het zonnepark ook geen Wm-inrichting. Het zonnepark zal dan ook niet voor een toename van de geluidsoverlast zorgen. Verwezen wordt naar pagina 66 en 67 van de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast maakt juist de aanwezigheid van snelweg, RWZI, en industrie deze locatie zeer geschikt voor een zonnepark. Een van de landelijke eisen is immers ook om aan te sluiten bij bestaande grootschalige infrastructuur. De afstand tot de bebouwde kom en de ligging achter de RWZI en in de oksel van de oprit naar
en langs de snelweg zorgen ervoor dat het zonnepark uit het zicht staat.
Natuuraantasting 7
Reclamant geeft aan dat niet is aangetoond dat de natuur er daadwerkelijk op vooruit gaat, dan wel dat de natuur van eenzelfde kwaliteit blijft. Er worden immers bijzonder veel panelen geplaatst, die voor schaduwwerking zullen zorgen en de bodem volledig zullen bedekken. Uit onderzoek van de WUR blijkt dat niet vaststaat dat de bodemkwaliteit niet achteruitgaat. Niet aangetoond is dat er geen achteruitgang plaats zal vinden van de natuur. Reclamant verwijst naar het WUR-rapport. De gemeente volstaat met een algemene overweging dat natuuraantasting nog onderzocht zal worden. Dit standpunt is volgens reclamant onvoldoende. De biodiversiteit in de Oranjepolder is nu hoog en de kans is reëel dat dit verloren gaat.
In paragraaf 2.5 van de ruimtelijke onderbouwing, is aandacht besteed aan het aspect biodiversiteit. Kansen voor biodiversiteit volgen vooral uit de zeer verarmde situatie van het huidige landelijk gebied. Het huidige gebruik als agrarisch landbouwgrond biedt, in tegenstelling tot wat indieners stellen, weinig tot geen ecologische waarde. Hier tegenover kunnen zonneparken juist een impuls voor biodiversiteit betekenen, aangezien bodems in principe 25 jaar rust krijgen, bemesting of bestrijdingsmiddelen niet worden toegepast, het beheer heel extensief kan zijn en waterpeilen niet kunstmatig laag hoeven te worden gehouden. Het hoofdthema voor biodiversiteit is hier de rijke kleibodem, de Donge en de waaier van voormalige kreken. Natuurtypen die passen bij deze bodem zijn zeldzaam omdat deze bodems voor vrijwel 100% in gebruik zijn als landbouwgrond. Natuurtypen die op dergelijke bodems goed tot hun recht komen, zijn bijvoorbeeld verschillende typen Essenbos, potentieel zeer structuur- en soortenrijke bossen. Een zonnepark op deze basis van kleibodem biedt mogelijkheden om een deel van deze natuurpotentie tot uiting te laten komen. Een en ander is nader uitgewerkt in de betreffende paragraaf van de ruimtelijke onderbouwing. In de basis ligt er een plan dat voldoende houvast en ook ruimte biedt voor de verdere detailuitwerking.
Om die nadere uitwerking verder handen en voeten te geven en te laten landen in het biodiversiteitsplan, is onder andere aan de werkgroep biodiversiteit gevraagd mee te denken. Eneco Solar committeert zich voorts aan de gedragscode van Holland Solar ten aanzien van de gewenste verhoudingen groen ten opzichte van zon en gaat hier ruimschoots overheen. Waar conform de gedragscode een dekkingsgraad van maximaal 75% zonnepaneel (en overige technische toepassingen) wordt gewenst, komt de dekkingsgraad in dit plan op 63%. Dit betekent dat in plaats van 25% onbedekte oppervlakte, een gebied van in totaal 37% wordt ingezet voor het groenplan. Daartoe behoort ook de groene ruimte tussen de panelen, zodat de bodem niet volledig met panelen wordt bedekt. Bij de uitwerking van het groenplan wordt bovendien rekening gehouden met de schaduwwerking als gevolg van de panelen. Er wordt dan ook gekozen voor (een mix van) schaduwminnende groensoorten die onder de zonnepanelen kan groeien. Tot slot wordt gewezen op het rapport van Van der Goes & Groot, dat is toegevoegd aan de bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing. Daarin is aangegeven dat door bepaalde werkzaamheden of planuitwerkingen te voorkomen, geen sprake is van negatieve effecten op natuur, zowel bezien vanuit soortenbescherming als vanuit gebiedsbescherming.
6
De omgeving van Dommelbergen-Noord is al ruimschoots belastend voor de inwoners en
Zie ook beantwoording onder nr. 1 Zie beantwoording onder nr. 1 en 7.
dieren die leven in de polder. De geluidshinder van de snelwegen en Statendamweg naast de geluidshinder van het industrieterrein, de bestaande windmolens en de elektriciteitsmasten. Reclamant vindt dat de natuur van de Oranjepolder bijdraagt aan het geluksniveau van de bewoners en het zou niet verder mogen worden aangetast.
Landbouwgrond 8
Reclamant pleit om zeker op dit moment niet te kiezen voor de inzet van landbouwgrond voor het realiseren van een grootschalig zonnepark aan de A59. Ook de extra inzet van gronden om negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld de biodiversiteit te compenseren vindt reclamant een negatieve keuze voor de toekomstmogelijkheden van de agrarische sector in Oosterhout. Deze inzet van landbouwgronden leidt tot prijsopdrijving van landbouwgronden en komt boven op de recente grootschalige onttrekking van landbouwgronden voor het realiseren van bijvoorbeeld de woonwijk Vrachelen en industrieterreinen zoals Everdenberg-Oost en de aanleg van extra infrastructuur. Gronden welke door onze leden hard nodig zijn voor de toekomstige ontwikkelingen van de sector. De betrokken gronden staan bekend als goede agrarische gronden met ruime teeltmogelijkheden in de akker- en weidebouw. Volgens reclamant wordt deze agrarische waarde in de berichtgeving menigmaal onterecht geminimaliseerd.
In West-Brabant is in de RES 1.0 afgesproken dat alle achttien gemeenten zorgvuldig met de beschikbare landbouwgronden om gaan. In de RES 1.0 is afgewogen hoe West-Brabant de energietransitie het beste vorm kan geven. Daarbij is in deze regio afgesproken dat de regio in 2030 2,0 TWh met wind- en zonne-energie opwekken en 0,2 TWh met innovatieve technieken. Een groot deel van deze opgave wordt gerealiseerd met zon op dak, maar daarnaast is ook nog steeds noodzakelijk dat een deel van de opgave met zonnevelden en windturbines wordt opgewekt. De RES 1.0 geeft inzicht in de totale regionale behoefte aan duurzame energie en bevat de zorgvuldige regionale afweging hoe de regio omgaat met het behalen van de doelstelling. Dit is ook een van de voorwaarden van de zonneladder. De zonneladder geeft geen sturing aan de volgtijdelijkheid van de realisatie van zonprojecten. De zonneladder verplicht niet om eerst alle (geschikte) daken worden voorzien van zonnepanelen, voordat zonneparken gerealiseerd mogen worden. Dit houdt in beginsel in dat in de regio het aantal hier te realiseren Mw middels een zonnepark niet elders ook middels een zonnepark gerealiseerd kan worden. Door op deze manier gezamenlijk naar de opgave te kijken en gezamenlijk naar oplossingen te zoeken wordt in regionaal verband zorgvuldig met de beschikbare landbouwgrond omgegaan.
Zon op daken 9
Conform de RES 1.0, conform de Provinciale interim verordening, de landelijke politiek (motie Faber) en lokale politiek moeten daken eerst bekeken moeten worden om te bekijken welke winst daar behaald kan worden. Buiten de bebouwde kom zal een combinatie van functies gerealiseerd moeten worden, zoals het combineren van zonnepanelen op bijvoorbeeld afval brengstations en in de bermen van spoor- en autowegen. In de allerlaatste plaats kan pas gekeken worden naar de mogelijkheden om de panelen op landbouw- en natuurgrond te leggen. Het kabinet zet vol in op het ontzien van natuur- en landbouwgrond. Duidelijk is evenwel dat in de ruimtelijke onderbouwing slechts wordt aangegeven dat ‘veel daken benodigd zijn’ om hetzelfde effect te sorteren als middels onderhavig zonnepark. Reclamant vindt echter dat niet duidelijk wordt gemaakt waarom dit niet mogelijk zou zijn, waarom combinatie van functies (zoals de berm en panelen bij een afval brengstation) niet tot de mogelijkheden behoort. Reclamant kan dan ook niet anders
Het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord van het Rijk is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% te verminderen vergeleken met 1990. In het Klimaatakkoord zijn landelijk afspraken gemaakt over de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Een van de belangrijkste pijlers uit dit Klimaatakkoord betreft de transitie van fossiele naar duurzame energie. De totale energiebehoefte in Nederland is veel groter dan alleen het elektriciteitsverbruik van huishoudens. Denk aan onder meer de energiebehoefte van industrie, winkels, openbare gebouwen, landbouw en verkeer & vervoer. Voor de sectoren gebouwde omgeving, elektriciteit, mobiliteit, industrie en landbouw zijn afspraken gemaakt hoe deze gaan bijdragen aan de CO2-reductie. Concreet moet 192 GWh duurzame elektriciteitsproductie voor 2030 in bedrijf zijn voor de gemeente Oosterhout. De regering heeft aangegeven dat: 1. Er alleen bestaande, uitontwikkelde technologieën mogen worden toegepast, dit betekent concreet: zonnepanelen en windmolens;
dan zich op het standpunt stellen dat het ontwerpbesluit in strijd is met de zonneladder.
2. De bijdrage die bewoners leveren door zonnepanelen op woningen niet meegeteld mogen worden; 3. Grootschalige opweklocaties langs bestaande infrastructuren gezocht moeten worden; 4. Locaties afgewogen moeten worden langs de zonneladder; 5. Iedere gemeente de opgave op eigen grondgebied moet realiseren; 6. Uiterlijk 31-12-2024 alle vergunningen verstrekt moeten zijn. RES Voor de sector Elektriciteit is Nederland vervolgens verdeeld in 30 energieregio’s. Per regio beschrijft de Regionale Energiestrategie (RES) de regionale keuzes voor de grootschalige opwekking van duurzame energie en de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Meer informatie over afspraken en proces van de Nederlandse energie- en warmtetransitie is te vinden op www.regionale-energiestrategie.nl. Voor de RES-regio West-Brabant, waar Oosterhout deel van uitmaakt, zijn de regionale keuzes en de bijdrage per gemeente vastgelegd in de RES 1.0 die op 31 maart 2021 door de gemeenteraad is aangenomen. Iedere RES-regio draagt bij aan de landelijke doelstelling voor het opwekken van 35 TeraWattuur (TWh) duurzame energie in 2030. De bijdrage van onze regio is vastgesteld op 2,0 TWh aan gangbare technieken (zon/wind) en 0,2 TWh aan innovatieve technieken. Deze regionale opgave is onderverdeeld naar een opgave per gemeente.
Voor de gemeente Oosterhout komt deze opgave neer op 0,192 TWh ofwel 192 Gigawattuur (GWh) tot 2030. In de RES zijn de duurzaamheidsambities van Oosterhout (zoals hieronder uiteengezet) één op één overgenomen. Duurzaamheidsambities Oosterhout De gemeente Oosterhout heeft al in 2018 de Routekaart energietransitie 2019-2022 vastgesteld. Toen is al aangegeven op welke wijze de gemeente Oosterhout de verantwoordelijkheid neemt en hoe de gemeente Oosterhout samen met inwoners en ondernemers in actie komt door te starten met de energietransitie. Wij voelen onze verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een leefbare wereld voor toekomstige generaties en voor de leefbaarheid en de toekomst van Oosterhout. Onze ambities vallen grofweg uiteen in twee delen: 1) het besparen van energie, en; 2) het opwekken van duurzame energie. In het document ‘Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030’ en de bijbehorende Routekaart energietransitie 2019-2022 zijn deze ambities verder uitgewerkt. In de Routekaart zijn de concrete projecten opgenomen waarmee we de ambities op het gebied van duurzame opgewekte energie gaan realiseren tot en met 2022. Het zonnepark A59 maakt deel uit van deze Routekaart. Beide documenten zijn in oktober 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Energiepark A59 Over het Energiepark A59 (windpark en zonnepark) is in de ‘Routekaart Energietransitie 2019-2022’ het
volgende opgenomen: ‘In samenwerking met de grondeigenaren, Shell en Eneco gaan we langs de A59 3 tot 4 windturbines plaatsen (Oranjepolder).’ En: ‘Hoewel het uitgangspunt is dat eerst zonnepanelen op daken van bedrijven en woningen worden geplaatst, biedt het plaatsen van ca 29 hectare aan zonnepanelen op deze locatie een unieke mogelijkheid om de ambitie tot 2030 in één keer te realiseren . Door dit op dezelfde locatie te combineren (met een zonneweide) ontstaat er een Energiepark.’ Mix aan energiebronnen noodzakelijk Om het totaal aan benodigde duurzame energie in 2030 en 2050 te realiseren, is een mix aan nieuwe duurzame energiebronnen van wind en zon nodig. Een goede mix van wind- en zonenergie draagt bij aan een voldoende en constante duurzame energielevering. Vaak waait het als de zon niet schijnt en andersom. Zonenergie wordt dan ook vooral in de lente en zomer opgewekt, windenergie heeft juist een piek in de herfst en winter. Die twee samen leveren over het jaar heen een redelijk constante productie. Ook vanuit de netbeheerder Enexis en benutting van netcapaciteit is deze mix van bronnen gewenst. Om uiterlijk in 2030 voldoende duurzame opwekcapaciteit binnen onze gemeente beschikbaar te hebben zijn locaties met grootschalige opwekking van duurzame energie, zoals Energiepark A59, onmisbaar.
Op dit moment zijn zon en wind de technisch meest haalbare, rendabele en bewezen duurzame energiebronnen om de duurzaamheidsambities van de gemeente te behalen. Om de tussendoelen te realiseren (in 2030 een CO2-reductie van 49% en het opwekken van 192 GWh elektriciteit) hebben we nu geen andere mogelijkheid dan gebruik te maken van deze twee hernieuwbare bronnen. Onderverdeling bronnen De voorkeur van de gemeente gaat allereerst uit naar het optimaal benutten van de mogelijkheden voor zon op dak. Met alleen zonnepanelen op daken halen we onze doelstellingen echter niet. Eigenaren van (grote) bedrijfsdaken, kunnen niet worden gedwongen om in zonnepanelen te investeren, niet alle daken zijn geschikt en bij vergunningverlening van nieuwe gebouwen is het afdwingen van het leggen van zonnepanelen op bedrijfsdaken niet mogelijk, wel stimuleert de gemeente dit uiteraard. De gemeente is groot voorstander van zonnepanelen op woningen en stimuleert dit ook. Zonnepanelen op woningen tellen echter op dit moment, conform eisen vanuit de rijksoverheid, niet mee in het behalen van de doelstelling. Grootschalige opwek van zonenergie is daarom, naast het beoogde windpark A59, noodzakelijk voor realisatie van onze doelstellingen. Onze doelstelling om in 2030 192 GWh aan duurzame energie op te wekken, hebben we in de Routekaart Energietransitie 2019-2022 onderverdeeld in een mix van bronnen: 1.
Windenergie (90 GWh) 2. Zon op Bedrijfsdaken (54 GWh) 3. Zonneparken (48 GWh) 4. Zon op woningen (telt niet mee in de doelstelling) Als het Energiepark A59 is gerealiseerd, alle beoogde bedrijfsdaken vol zijn gelegd, en de locatie voor het
zonnepark Dorst is benut, is er geen sprake een teveel aan duurzame energie voor onze gemeente. Windenergie In Oosterhout is er, vanwege het beperkte aantal geschikte locaties in de gemeente, voor gekozen 90 GWh met windenergie op te wekken. Windenergie is naast zonenergie één van de twee bewezen technieken waarmee we onze duurzaamheidsdoelstellingen moeten halen. Op dit moment produceren de 6 windmolens op Weststad sinds 2008 gemiddeld 36 GWh per jaar (19% van de opgave). De overige 54 GWh moesten worden behaald met 3 windmolens in de Oranjepolder en repowering (upgrading) van het bestaande windpark. Zon op bedrijfsdaken Met het project ‘Zon op Bedrijfsdaken’ stimuleert de gemeente Oosterhout ondernemers om zonnepanelen te gaan plaatsen. Doelstelling was oorspronkelijk om in 2030 54 GWh energie op te wekken met zon op bedrijfsdaken. Om dit te bereiken moeten circa 160.000 zonnepanelen op daken worden gelegd wat betekent dat circa 35% van het totale oppervlak aan bedrijfsdaken in Oosterhout met zonnepanelen worden vol gelegd. Hier is een extra opgave van 15 GWh bijgekomen. Deze extra opgave is ontstaan door het vervallen van de 3e windmolen in de Oranjepolder. Hierdoor stijgt de opgave voor zon op bedrijfsdaken naar een totaal van 69 GWh en wordt het percentage oppervlak aan bedrijfsdaken dat in 2030 vol moet liggen met zonnepanelen verhoogd naar 45-50%.
Landelijk wordt ingeschat dat het volleggen van 20-25% van de bedrijfsdaken met zonnepanelen realistisch is. Oosterhout zit daar ruim boven. Met 45-50% aan bedrijfsdaken volleggen tot 2030 hebben we dus al een zeer ambitieuze doelstelling. Als gemeente hebben we geen mogelijkheid om zonnepanelen op bedrijfsdaken verplicht te stellen. Ook zijn lang niet alle bedrijfsdaken en dakconstructies geschikt om panelen (rendabel) op te leggen. De gemeente stimuleert dit echter wel zo veel mogelijk. Op bedrijfsdaken in Weststad, Statendam, Vijf Eiken, Heihoef, Everdenberg, bij agrariërs en bij gemeentelijk vastgoed zijn al ruim 60.000 PV panelen geplaatst, goed voor 19 GWh duurzame opwek (ca. 28% van de totale opgave). Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de (nieuw)bouw en uitbreiding van bedrijfspanden wijst de gemeente de eigenaren op het realiseren van een voor zonnepanelen geschikte dakconstructie. Landelijk wordt onderzocht of het Bouwbesluit aangepast kan worden, zodat een dak van nieuw te bouwen panden altijd geschikt dient te zijn voor de plaatsing van zonnepanelen. Dit is echter nog niet gebeurd en de gemeente heeft hier geen directe invloed op. Voor bedrijven blijft het hierdoor uiteindelijk een bedrijfseconomische afweging of een bedrijf kan en wil investeren in zonnepanelen op het dak. Zon op woningen
In Oosterhout is ca. 15-20% van de circa 25.000 woningen voorzien van zonnepanelen. Uitgaande van gemiddeld 12 panelen per woning zijn er nu ca. 50.000 zonnepanelen geplaatst. De opbrengst uit deze panelen mogen, vanuit de landelijke berekeningsmethodiek van het Nationaal Programma RES, echter niet meegerekend worden voor de opgave en realisatie van de 192 GWh in 2030. De realisatie van zon op woningen wordt op dit moment landelijk als te onzeker beschouwd. Uiteraard stimuleren we als gemeente de realisatie van zon op woningen, onder meer met de duurzaamheidslening. Ook voor de ontwikkeling van nieuwbouwwijken/projecten streeft de gemeente naar het zoveel als mogelijk benutten van de daken van woningen voor zonnepanelen. Er bestaat (helaas) ook nog geen mogelijkheid om projectontwikkelaars te verplichten tot het maximaal benutten van het dakoppervlak voor zonnepanelen. Zonneparken Van de beoogde 192 GWh duurzaam opgewekte energie in 2030 werd in de oorspronkelijke plannen dus 90 GWh met windenergie en 54 GWh met zon op bedrijfsdaken gerealiseerd. De resterende 48 GWh moet daarmee met zonnevelden worden gerealiseerd. Hiervoor zijn in de Routekaart Energietransitie 20192022 het zonnepark A59 (i.c.m. wind) en een zonnepark aan de Akkerweg in Dorst benoemd.
Bij het vaststellen van de Routekaart Energietransitie 2019-2022 is uitgebreid gesproken over grootschalige energieopwekking met zonneweiden. Mede omdat in Oosterhout geen grote braakliggende terreinen beschikbaar zijn. Daarbij heeft de gemeenteraad aangegeven dat ze in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik (geen versnippering/verrommeling) zo min mogelijk (landbouw)gronden en locaties willen benutten voor zonneparken. Om die reden zijn, op voorstel van het College, op dit moment slechts 2 locaties benoemd als geschikt voor grootschalige zonnepark. In 2018 zijn 16 locaties, door marktpartijen aangedragen, voor de grootschalige productie van duurzame energie met zonnepanelen in de gemeente Oosterhout beoordeeld. Daarvan lagen er 11 rondom Oosteind (6 langs A27, 3 ten noorden en 3 ten zuiden van Oosteind), 3 ten westen van Dorst, en 1 ten noorden van Oosterhout (Oranjepolder, Energiepark A59). Al deze locaties zijn intern afgewogen op mogelijke effecten op de omgeving (onder meer gevolgen voor natuur, water, ruimtelijke ordening, en historische betekenis). Ook zijn in deze beoordeling de richtlijnen van het Rijk betrokken dat deze locaties zoveel mogelijk moeten worden gecombineerd met bestaande infrastructuur. Bij Dorst is dat het zonnepark Bavelse Berg en bedrijventerrein Minervum, voor Oranjepolder zijn dat Weststad, de A59 en het Wilhelminakanaal.
Zowel het gebied van het Energiepark A59, als dat van de Dorst, wordt agrarisch gebruikt en ligt op ruime afstand van woningen zodat de overlast voor inwoners zoveel als
10
11
12
Zonnepanelen horen in de ogen van de reclamant op de eerste plaats op daken van woningen en bedrijven te liggen en niet op goede landbouwgrond. Reclamant vindt het initiatief extra wrang, omdat vanwege oorlog en droogte in diverse landen een voedseltekort dreigt. Daarbij heeft de coronacrisis het belang onderstreept hoe belangrijk het is voor het welbevinden van mensen om te kunnen recreëren in de natuur. Reclamant vindt de omschakeling naar duurzame energie van belang, ziet eerst graag de voor de hand liggende mogelijkheden op daken van woningen, boerderijen en bedrijven benut. Reclamant weet uit berichten in de media dat er in Nederland boeren zijn die voor veel geld zonnepanelen aangeschaft hebben, maar dit niet kunnen aansluiten op het energienetwerk, omdat sommige bedrijven en beleggers hier al op voorhand een claim op gelegd hebben en goede landbouwgrond geclaimd wordt om energieparken aan te leggen. Reclamant vindt Oosterhout op deze manier steeds minder aantrekkelijk worden voor zijn bewoners en toeristen rijden er straks aan voorbij. Er zijn volgens reclamant veel betrouwbaardere creatievere oplossingen zijn. Zonne-energieopwekking op onze breedtegraad is tegenstrijdig is aan de huidige energiebehoefte. In de winter is er geen stroomproductie.
Het elektrisch netwerk is opgezet om vermogen te leveren van producent (centrale), en niet voor kleinschalige opwekking met gigantische aansluitkosten op het middenspanningsnet. Zolang er daken in overvloed zijn, horen zonnepanelen niet op de grond te worden geplaatst. Kortom, volgens reclamant is grond te kostbaar voor een dergelijk inferieur energiesysteem, omdat in Oosterhout daken in overvloed zijn. Reclamant geeft aan dat uit de ruimtelijke onderbouwing bij de vergunningaanvraag blijkt dat er geen zorgvuldig alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden op basis van de kwaliteiten en kenmerken van locaties. Zowel de landelijke overheid als de Provincie NoordBrabant verplichten eerst de mogelijkheid op daken te benutten. Uit bladzijde 44 van de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er in Oosterhout ruim 650 daken groter dan 1.000 m2 aanwezig zijn met een gezamenlijk oppervlak van ca. 200 hectare. De Atlas voor de leefomgeving van het RIVM geeft aan dat er in Oosterhout 493 ha totaal aan dakoppervlakte aanwezig is op daken, waarvan 62% op platte daken, terwijl er volgens de berekening van het college totaal 105 ha nodig zijn. Toch wordt gesteld dat het niet haalbaar is om in 2030 voldoende vermogen via PV-panelen op daken op te wekken hebben? Er wordt niet onderbouwd
mogelijk wordt beperkt. Besloten is daarom door het gemeentebestuur de 2 locaties Oranjepolder en Bavelse Berg in de Routekaart energietransitie te benoemen als geschikte locaties voor grootschalige opwekking van zonne-energie (in totaal 29% van de opgave). Zie beantwoording nr. 9.
Zie beantwoording nr. 9.
Zie beantwoording nr. 9.
13
14
15
16
17
dat waarom niet eerst invulling gegeven wordt aan realisatie op daken of andere mogelijkheden zoals in fietspaden, bermen of boven parkeerplaatsen. Uit bovenstaande overwegingen concludeert reclamant dat er geen zonnepark nodig is om in de bijdrage van gemeente Oosterhout voor duurzame energie voor 2030 te voorzien. Er ontbreekt een zorgvuldig alternatievenonderzoek. Reclamant vindt het onbegrijpelijk dat deze locatie met cultuurhistorische en natuurwaarden zonder meer als locatie voor windmolens van 235m hoog en een zonnepark gekozen wordt. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er geen alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden op basis van de kwaliteiten en kenmerken van locaties. Er zijn alleen locaties door marktpartijen aangedragen. Er wordt wel gemeld dat al deze locaties door de gemeente Oosterhout afgewogen zijn op mogelijke effecten op de omgeving. Reclamant mist het rapport waarin deze weging van locaties is opgenomen en vindt dat een alternatievenonderzoek eerst de noodzaak van een energiepark dient aan te tonen op landbouwgrond. Reclamant vindt dat er betere opties zijn dan landbouwgrond opofferen voor zonneweides en er zijn voorbeelden van andere gemeenten, die wel creatief om gaan met bermen van de snelwegen voor plaatsen van zonnepanelen en daken (van industrie) en op die manier de natuur en landbouwgrond sparen.
Langs de A27 zijn geluidswallen geplaatst waar volgens reclamant plaatsing van zonnepanelen zeker mogelijk zou zijn, zie de plaatsing bij Etten-Leur. Ook plaatsing op grond die niet aangemerkt wordt als natuur (industrie) zou overwogen moeten worden, vindt reclamant.
Reclamant is zich bewust van het belang van de energietransitie, maar dan energietransitie na zorgvuldige afwegingen, uitvoeriger onderzoek, putten uit ervaringen en via alternatieven, zoals daken en bermen. Het voor zovelen zo waardevolle landschap opofferen zou desastreus zijn. Een zonnepark zou een verminking betekenen van het natuurgebied. Reclamant wenst dan ook dat dit idee geen doorgang vindt. Reclamant is zich bewust dat er omschakeling nodig is naar een leven zonder fossiele brandstoffen, maar er zijn alternatieve locaties denkbaar die geen negatief effect hebben op het welzijn van de burgers van Oosterhout en omstreken.
Zie beantwoording nr. 9.
Zie beantwoording nr. 9.
Zie beantwoording nr. 1, 4 en 9. In Etten-Leur zijn in de bermen van de snelweg zonnepanelen geplaatst. Dit is daar ook mogelijk door de afstand van de snelweg tot aan de geluidswal. Gelet op het feit dat de afstand van de bermen langs de snelweg in Oosterhout kleiner is dan in Etten-Leur, staat Rijkswaterstaat in de gemeente Oosterhout de aanleg van zonnepanelen niet toe in verband met de veiligheid. Zie beantwoording nr. 1 en 9.
Zie beantwoording nr. 9.
RES 1.0 18
Reclamant geeft aan dat conform de thans vigerende RES, zonnepanelen zoveel mogelijk gelegd dienen te worden op daken en anders door middel van meerfunctiegebruik. De RES
Er is in dit project wel degelijk sprake van meervoudig ruimtegebruik. Namelijk de combinatie van opwek van elektriciteit (zon en wind als combinatie in het Energiepark A59) met natuur. Slechts ongeveer 2/3 van
gaat ervan uit dat eerst gekeken wordt naar daken, alsmede meervoudig ruimtegebruik, alvorens waardevolle natuur- en landbouwgrond wordt opgegeven. In onderhavig plan is echter geenszins sprake van meervoudig ruimtegebruik. De polder wordt voor 1/5e deel vol gelegd met panelen en vervolgens wordt de gewonnen elektra naar het net gebracht. Reclamant geeft aan dat het combineren van functies en zon op daken niet (voldoende) is onderzocht. Reclamant kan dan ook niet anders dan zich op het standpunt stellen dat het besluit in strijd is met de RES 1.0.
19
20
Uit de richtlijnen van RES 1.0 blijkt dat de landschappelijke inpassing en de goede ruimtelijke inpassing geborgd moet zijn. Dit is niet aan de orde en uit de Ruimtelijke Onderbouwing blijkt dat men dit 'later' wil onderzoeken en dat 'gekeken' gaat worden hoe het park kan worden ingebouwd. Uit niets blijkt dat gedegen is nagedacht over de ruimtelijke inpassing. Reclamant kan niet anders dan concluderen dat het besluit in strijd is met de RES. De RES 1.0 hanteert 3 principes, waaraan alle parken moeten voldoen: volgen van de provinciale zonneladder nieuwe zonneparken moeten passen binnen de totale regionale opgave zon op veld en waardevolle landschappen landbouw- en natuurgebieden ontzien. Reclamant vindt het duidelijk dat hier niet aan wordt voldaan. Het ontwerpbesluit kan daarom niet in stand kan blijven.
Aan de voorwaarden voor het realiseren van zonneparken volgens de voorgestelde plannen van de RES West-Brabant (zonneparken ontwikkelen in combinatie met bijvoorbeeld natuur, waterberging en/of landbouw) wordt volgens reclamant niet voldaan.
de oppervlakte van het gebied wordt gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen en overige voorzieningen. Het andere deel blijft behouden voor natuur(ontwikkeling), zoals ook beschreven in de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast hebben Gemeente en Eneco afgesproken dat aanvullende mogelijkheden voor het meervoudig gebruik en/of innovaties van het projectgebied mogelijk zijn. Ideeën en/of concrete projecten hiervoor kunnen worden aangedragen bij de Raad van Advies die wordt opgezet bij afgifte van de omgevingsvergunning. Gemeente en Eneco beoordelen dan samen of een dergelijk project past in het zonneveld. Voorstellen worden getoetst aan de: * juridische haalbaarheid; * financiële haalbaarheid; * technische haalbaarheid; * Meerwaarde voor ruimtelijke kwaliteit; * Gedragscode Zon op Land Zie verder ook de beantwoording nr. 1, 9 en 52. De borging van de landschappelijke inpassing wordt geregeld via de vergunningvoorschriften en de anterieure overeenkomst met Eneco. De 3 genoemde principes in de zienswijze uit de RES 1.0 zijn leidend voor nieuwe initiatieven die na zich na de vaststelling van de RES 1.0 aandienen. Het zonnepark i.c. is al meegenomen in deze RES. De procedure van dit zonnepark liep al geruime tijd voordat de RES 1.0 werd vastgesteld.
Dit neemt niet weg dat er wel degelijk sprake is van meervoudig ruimtegebruik door investering in landschappelijke inpassing en de ontwikkeling van extra natuur (zie beantwoording onder 18). Zoals uit de beantwoording onder nr. 1 en 9 blijkt is de zonneladder bij het opstellen van de Ambitienota Energietransitie 2030 en de Routekaart Energietransitie 2019-2022 wel degelijk toegepast. Ook is bij de keuze voor deze locatie zorgvuldig gehandeld. Immers, er is geen sprake van een natuurgebied, noch wordt natuur hier gehinderd. In tegendeel, er wordt juist meerwaarde voor de natuur gecreëerd. Daarnaast is bij de keuze voor de energiemix (zon op daken, windenergie en zonnevelden) en deze locatie zorgvuldig afgewogen en is een zo beperkt mogelijk deel van de behoefte aan energieopwekcapaciteit op landbouwgrond te plaatsen op een zo beperkt mogelijk aantal plekken in onze gemeente (te weten 2, namelijk Oranjepolder en Dorst). Zie beantwoording onder 18 en 19. Zoals ook blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing is wel degelijk met het Waterschap Brabantse Delta gesproken over de mogelijkheid om het zonnepark ook als een waterbergende voorziening in te richten. Zij hebben aangegeven dat deze locatie daarvoor niet geschikt is.
Achterhaalde doelstelling 21
Reclamant geeft aan dat met de huidige goedgekeurde plannen inmiddels de landelijke klimaatdoelstelling al is gehaald. Tevens wordt voorbijgegaan aan de beslissing van het
Gelet op de beantwoording elders in deze zienswijzenota delen wij de mening niet dat er inmiddels al voldoende plannen zijn om de klimaatdoelstelling te halen. De RES 1.0 gaat ook voor
kabinet om 1,69 miljard euro extra in windparken op zee te investeren om de productie middels zeewindparken tot 2030 te verdubbelen (naar 21 GW), zulks als uitwerking van het klimaatfonds. Reclamant geeft aan dat het bestuur zich op dit moment baseert op een achterhaalde doelstelling, terwijl het belang van de burger valide is en derhalve dient te prevaleren. 22
Aantoonbaar is de snelle verduurzaming van groene stroom door de forse toename van PVpanelen in Nederland / binnen de gemeente. Reclamant trekt het noodzakelijk op te wekken vermogen voor het zonnepark ter discussie, omdat een actuele onderbouwing van de vermogensbehoefte ontbreekt.
Oosterhout uit dat naast zon op de daken ook zonneparken worden gerealiseerd. Dit zonnepark is ook in de RES 1.0 meegenomen. Ook al zou het heel mooi zijn dat we nu al feitelijk kunnen vaststellen dat we de klimaatdoelstellingen gaan halen, zonder alle RES in Nederland en de RES van West-Brabant in het bijzonder, helaas is dat niet het geval. Wij zijn dan ook van mening dat i.c. het halen van de klimaatdoelstelling middels o.a. de realisatie van dit zonnepark mag prevaleren. Zie beantwoording nr. 9.
Interim Omgevingsverordening 29
30
Reclamant geeft aan dat conform de Interim omgevingsverordening Brabant een zonnepark slechts kan worden opgericht indien wordt voldaan aan art. 3.41 van de Interim omgevingsverordening. Binnen landelijk gebied kan slechts een zonnepark worden opgericht indien uit onderzoek blijkt dat het opwekken van duurzame energie in stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkeling van windenergie onvoldoende is. Uit het besluit blijkt niet dat dit onvoldoende is, het is simpelweg niet onderzocht. Slechts wordt gesteld dat ‘veel daken’ benodigd zijn om een dergelijk resultaat te bereiken. Er is niet gekeken naar het stedelijk gebied, bestaande bouwpercelen en combinatie met windenergie in de gehele regio West-Brabant. Daarnaast dient het plan goed ingepast te worden. Ook hiervan is, naar het oordeel van reclamant, geen sprake. De omgevingsverordening verplicht dat de onderbouwing blijk geeft van meervoudig ruimtegebruik, als bedoeld in de RES en de motie Faber, evenwel is dit gebeurd. Ook dient aangegeven te worden welke andere maatschappelijke doelen een dergelijk zonnepark dient en dat het zonnepark goed wordt ingepast. Ook dit is niet gebeurd. Reclamant stelt zich aldus op het standpunt dat het zonnepark in strijd is met provinciale regels en dat het besluit derhalve niet in stand kan blijven.
Reclamant stelt zich daarnaast op het standpunt dat het vol zetten van natuur- & landbouwgebied met zonnepanelen niet strekt tot een landschapsverbetering, maar slechts leidt tot een ontsiering van het landschap. Tevens is onvoldoende aangetoond dat de natuur dergelijke panelen kan borgen. Dat wat nu voorgesteld wordt als ruimtelijke kwaliteitsverbetering voldoet volgens reclamant niet aan de provinciale Interim Omgevingsverordening. Er is sprake van dat de maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing die tevens zouden dienen als investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Reclamant is van mening dat dit twee
Zie beantwoording onder 9 en 20.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied vereist de IOV dat er een investering wordt gedaan in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het afsprakenkader West-Brabant (18 december 2014) dient daarbij nog steeds als uitgangspunt. In dit afsprakenkader is aangegeven dat kwaliteitsverbetering van het landschap op meerdere manieren kan plaatsvinden, bijvoorbeeld door een landschappelijke inpassing, aanleg andere groen- of
verschillende verplichtingen zijn en dat aan alle twee vormgegeven zou moeten worden. Bovendien is de landschappelijke inpassing en de kwaliteitsverbetering van het landschap niet geborgd. Uit de Ruimtelijke Onderbouwing blijkt dat kwaliteitsverbetering en inpassing niet zijn geborgd. Er wordt gezocht naar maatwerkoplossingen en in overleg met de gemeente gaat de komende periode onderzocht worden hoe hier op passende wijze invulling aan kan worden gegeven. Reclamant vindt dat dat nu in de vergunning geregeld moet zijn.
landschapselementen, sloop van bebouwing, verwijderen van verharding, omzetting van agrarische grond in natuur. Landschappelijke inpassing is dus één van de mogelijkheden om de kwaliteit van het landschap te verbeteren. Echter terecht is geconstateerd dat er geen voorschrift is opgenomen ten behoeve van de realisatie van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Dit wordt alsnog opgenomen in de omgevingsvergunning.
Omgevingsvisie 31
Reclamant merkt op dat in de ruimtelijke onderbouwing nog uitgegaan wordt van de Toekomstvisie Oosterhout 2030 die vastgesteld is in oktober 2018. De Omgevingsvisie is op 11 november 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Reclamant vindt dat deze omgevingsvergunning voor het zonnepark nu afgestemd dient te worden op de doelen die in de Omgevingsvisie zijn vastgesteld, zoals verder kijken dan uitsluitend naar wind en zon voor elektriciteit en geothermie voor verwarming, uitgaan van kansen op bedrijventerreinen voor (kleinere) windmolens en zonnepanelen op daken van bedrijven en een energiebesparingscampagne en duurzaamheidsleningen.
Ten tijde van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning 'afwijken bestemmingsplan' (en 'bouwen') gold de 'Toekomstvisie Oosterhout 2030' (de Toekomstvisie). Nadien is de 'Omgevingsvisie Oosterhout 2021' (de Omgevingsvisie) vastgesteld door de gemeenteraad. Omdat de Omgevingsvisie gebaseerd is op vastgesteld beleid, waaronder de genoemde Toekomstvisie, omvat deze geen nieuwe beleidskeuzes. Ook de nota 'Ambities voor de Energietransitie 2030' en de 'Routekaart voor de Energietransitie' zijn verwerkt in de Omgevingsvisie. De door reclamant aangehaalde ambitie een ruimere blik ten aanzien van opwek van duurzame energie uit meerdere bronnen te hanteren, volgt uit dat beleid. In de ruimtelijke onderbouwing die is opgesteld in het kader van de vergunningaanvraag voor het zonnepark, is getoetst aan dat beleid. Dat de gemeente de ambitie heeft een gecombineerde inzet van duurzame energiebronnen te verwezenlijken, betekent niet dat zon- en windenergie helemaal niet gewenst zijn. Het initiatief voldoet aan het vastgestelde beleid.
Milieu- en omgevingsaspecten 32
Reclamant vindt het onduidelijk of de cultuurhistorische en archeologische waarden wel voldoende beschermd zijn. Er wordt gekeken naar funderingspalen met een maximale diepte van 80 cm, omdat archeologische resten waarschijnlijk binnen de verstoringsdiepte liggen. Reclamant vindt dat in de omgevingsvergunning geborgd dient te zijn dat de archeologische waarden niet aangetast worden.
Ten aanzien van cultuurhistorische waarden wordt verwezen naar de reactie onder 1 van deze Nota. Van cultuurhistorische waarden is binnen het gebied geen sprake. Voor de wijze waarop rekening wordt gehouden met archeologische waarden binnen de projectlocatie, wordt verwezen naar paragraaf 5.1 van de ruimtelijke onderbouwing, waarin archeologie is behandeld. In de eerste plaats heeft voor het gehele projectgebied een bureauonderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit bureauonderzoek is geadviseerd enkel een strook langs de westzijde van het projectgebied, direct gelegen langs de Statendamweg, te onderzoeken middels een verkennend booronderzoek. Het betreft een strook van in totaal ca. 4,2 ha. In lijn met het advies, is een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan is geconcludeerd dat kans klein is dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele sporen van bewoning of activiteiten uit de Late Middeleeuwen binnen een strook langs het oude havenkanaal van Oosterhout. Het voormalige landoppervlak uit die periode ligt op tenminste 130 cm diepte. Archeologische resten die mogelijk binnen de verstoringsdiepte liggen dateren waarschijnlijk van na 1700. Het archeologisch belang hiervan is laag. Voor
33
34
Reclamant is van mening dat er wel een stikstofberekening gemaakt had moeten worden, omdat er op voorhand niet zomaar van uitgegaan kan worden dat vanwege de tijdelijkheid van de aanlegfase het niet noodzakelijk is de stikstofuitstoot te berekenen. Ook de vervoersbewegingen ten behoeve van beheer en onderhoud in de gebruiksfase moeten in beeld gebracht worden.
Reclamant vindt dat de Quickscan Wet natuurbescherming van Van der Goes & Groot van 12 mei 2020 te beperkt is, omdat het gebaseerd is op maar één veldbezoek. Er wordt ook te gemakkelijk geconcludeerd dat er niet aan verdere natuurwetgeving getoetst zou hoeven te worden en dat nader onderzoek niet nodig is. Uit uw eigen ecologische onderzoek blijkt dat er verschillende beschermde soorten aanwezig zijn in de Oranjepolder waarvoor vervolgonderzoek moet plaatsvinden. Het gaat o.a. om beschermde vogels, grote modderkruiper, alpenwatersalamander, vleermuizen en marterachtigen. Ook bevindt zich er het leefgebied van een torenvalk. Reclamant wijst erop dat hiervoor de procedure doorlopen moet worden van de Wet Natuurbescherming voor een ontheffing. Als de noodzaak van een zonnepark op deze locatie niet aangetoond is, kan er geen ontheffing afgegeven worden. Niet alleen in de fase na de realisatie is sprake van aantasting van de natuurwaarden, maar ook in de aanlegfase zal dat gebeuren.
de fundering van de panelen binnen zonneparken geldt in zijn algemeenheid dat de grondroering zodanig beperkt is, dat deze niet als significant te kwalificeren is en daardoor niet leidt tot een noodzaak nader onderzoek uit te voeren. Daarvoor geldt in dit specifieke park bovendien dat de (beperkte) verstoring ten opzichte van de oppervlakte van het onderzoeksgebied en het plangebied als geheel, eveneens niet voor significante verstoringen van eventuele archeologische niveaus leiden. Om deze reden is nader onderzoek in de vorm van proefsleuven of anderszins niet nodig. Dat gekeken wordt naar funderingspalen met een maximale diepte van 80 centimeter klopt dan ook niet. Onduidelijk is waar reclamant deze informatie uit geput heeft. Conform de nieuwe Stikstofwet (1 juli 2021) hoeft voor bouwprojecten de bouwfase/ aanlegfase de stikstofuitstoot niet berekend te worden. Daarmee wordt in lijn gehandeld met de huidige wet- en regelgeving op dit gebied. Voor de gebruiksfase geldt dat geen sprake is van uitstoot. Beheer en onderhoud kan extensief worden verzorgd en is bovendien zeer incidenteel van aard. Van regelmatige vervoersbewegingen door bijvoorbeeld maaimaterieel, is in het geheel geen sprake. Daarbij is tevens van belang dat conform het huidige agrarische gebruik, meer uitstoot plaatsvindt of kan vinden dan wanneer een zonnepark in bedrijf is.
Onduidelijk is welk 'eigen onderzoek' door reclamant wordt bedoeld. Voor zover men de quickscan Wet natuurbescherming bedoeld, kan worden vermeld dat deze is uitgevoerd conform de daartoe geldende richtlijnen/ protocollen. In de quickscan is aangegeven dat het projectgebied in beginsel potentie heeft voor een aantal beschermde soorten, maar in dezelfde scan is ook aangegeven welke activiteiten tot een nader onderzoeksplicht leiden. Met dat advies is rekening gehouden en de activiteiten die worden benoemd als mogelijk negatief effect op de soorten, vinden niet plaats. Daarbij wordt opgemerkt dat het van belang is de quickscan in samenhang te lezen met paragraaf 5.11. De quickscan bevat een onafhankelijk advies op basis van bureaustudies en locatiebezoek. De vertaalslag naar de wijze waarop dat advies al dan niet van invloed is op onderhavig project, is verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast wordt opgemerkt dat, voor zover nader onderzoek nodig zou zijn, daaruit nog niet direct de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat per definitie sprake is van een ontheffingplicht. Of een ontheffing nodig is, dient altijd te volgen uit een nader onderzoek naar de specifieke soort. Nader onderzoek is alleen zinvol wanneer negatieve effecten niet uit te sluiten zijn.
Zo blijkt uit de quick scan dat enkel nader onderzoek noodzakelijk is als er tijdens het broedseizoen van broedvogels werkzaamheden worden verricht en als er ingrijpende werkzaamheden worden uitgevoerd aan wateren. Voor overige diersoorten en wordt geen nader onderzoek nodig geacht. Uit de tekening, ruimtelijke onderbouwing en het landschappelijk inpassingsplan kan worden afgeleid dat er geen verstorende ingrepen plaats zullen gaan vinden. De werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het zonnepark (het bouwen en aanleggen) worden zodanig ingericht dat negatieve
35
Het weg te nemen boselement centraal in het plangebied wordt gecompenseerd. Reclamant is van mening dat inpassing en kwaliteitsverbetering niet samen dienen te vallen met de ecologische verbindingszone van de Donge en het Kromgat en dat het boselement centraal in het plangebied gehandhaafd en versterkt moet worden als stapsteen voor de natuur.
effecten tijdens de realisatie worden voorkomen (bijvoorbeeld door het bouwen buiten broedseizoen). De algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming wordt in acht genomen bij de realisatie van het zonnepark. Een nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De natuurwaarden van het bosje zijn beperkt. Wel heeft het bosje een waarde vanuit landschappelijke kwaliteit; het breekt het beeld in het landschap en heeft daarmee uitsluitend een landschappelijke functie. Het gaat om uitgegroeide schietwilgen en doorgeschoten elzen met weinig toekomstwaarde. Datzelfde geldt voor de opgeschoten beplanting van enkele fruitbomen en braamstruweel. Vanwege de beperkte kwaliteit en de geïsoleerde ligging, is voorgesteld de compensatie van het bosje zodanig uit te voeren dat het aan kwaliteit toeneemt en een betere functie krijgen als versterking van de ecologische hoofdstructuur. De versterkte groenzones langs het Kromgat bieden daar goede kansen voor. Het te verwijderen landschappelijk element centraal in het plangebied, bedraagt ca. 3.600 m². Een passend groenelement wordt teruggeplaatst, met een omvang van ca. 6.000 m². Daarmee wordt de kap van het centrale bosje niet alleen gecompenseerd maar wordt ook geïnvesteerd in een versterking van dit landschapselement, op een locatie waar deze bovendien beter tot zijn recht komt en bestaande natuur verder versterkt.
36
Reclamant vindt het te gemakkelijk om te stellen dat voor dit project geldt geen m.e.r.(beoordelings)plicht zou gelden, omdat er geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zou zijn. Deze stelling is niet onderbouwd, omdat het onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Reclamant vindt dat dat alsnog dient te gebeuren.
Tevens wordt op de kop van de Hillenweg nog een kleine opgaande groenstructuur toegevoegd welke moet zorgen voor een breekpunt in het landschap. Voor de beoordeling in het kader van het Besluit m.e.r., wordt verwezen naar paragraaf 5.13 van de ruimtelijke onderbouwing. De realisatie van zonneparken wordt niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Wel wordt in de D-lijst een stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (D11.2), een categorie die bij veel ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook “dorpen” hieronder vallen. Wat “stedelijke ontwikkeling” inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.
Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Het zonnepark betreft gelet op het voorgaande en de aard en omvang van de ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Ook van andere, minder vaak voorkomende categorieën is geen sprake. Het gaat daarbij om: •Landinrichtingsprojecten (D9). •Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stroom en warm water (D22.1).
Verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2770), waarin voor elk van de categorieën helder uiteen is gezet waarom de oprichting van een zonnepark daar niet onder valt. De ontwikkeling is dan ook niet m.e.r.(beoordelings)plichtig. Gelet op de kenmerken van het project zullen logischerwijs ook geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Energienet 37
Het energienet in Nederland zit ver vol zit en op sommige gebieden in Nederland zelfs al helemaal vol. Uit de Ruimtelijke Onderbouwing blijkt dat een overeenkomst is afgesloten met Enexis ten behoeve van het borgen van capaciteit op het net om de ontwikkeling mogelijk te maken. Duidelijk is dat het net, doordat deze ontwikkeling eraan komt, dus nog verder volloopt en er minder ruimte overblijft voor andere ontwikkelingen om groene energie mogelijk te maken. Reclamant stelt zich op het standpunt dat dit zonnepark dus ten koste gaat van duurzame ontwikkelingen die de voorkeur hebben. Zo bestaat er een grote kans dat in de (nabije) toekomst onvoldoende ruimte over is voor bijvoorbeeld ontwikkelingen op daken, of andere ontwikkelingen die wél de voorkeur genieten conform het landelijk beleid, de RES en de interim verordening.
De capaciteit op het elektriciteitsnetwerk in Nederland is op dit moment beperkt. De versnelling in de energietransitie leidt er inderdaad toe dat het elektriciteitsnetwerk in de regio waar Oosterhout op aansluit vol zit voor grote bedrijfsmatige aansluitingen. Enexis heeft als netbeheerder daarom een stop gezet op het contracteren van aansluitingen tot ruimte gevonden is door slim combineren van opwek en afname en/of de capaciteit van het netwerk vergroot wordt. Dit is een landelijk probleem dat niet wordt veroorzaakt door het zonnepark A59. Het is dus ook niet juist te veronderstellen dat specifiek dit zonnepark in de weg zit van andere ontwikkelingen. Ook leidt deze veronderstelling af van de belangrijkste argumentatie waarom dit zonnepark (evenals andere zonneparken in de regio) noodzakelijk zijn. Namelijk, omdat er onvoldoende energie opgewekt kan worden door alleen zon op (bedrijfs)daken. De netcapaciteit voor dit zonnepark is al in 2020 door de toenmalige initiatiefnemer gecontracteerd. Toen was er ook nog geen sprake van netschaarste. Het is ook onjuist te veronderstellen dat met het vervallen van dit zonnepark de problematiek van de schaarse netcapaciteit is opgelost. Slechts een enkel ander project dat op de wachtlijst staat kan dan in plaats van dit project worden gerealiseerd. Zon op daken is op dit moment nog veel te afhankelijk van particulieren en bedrijven.
het leggen van zonnepanelen kan nog niet publiekrechtelijk afgedwongen worden op een wijze dat daar ook een versnelling van de aanleg zou kunnen ontstaan, zoals ook al eerder is aangegeven. Daarnaast is ook onderzocht dat náást zon op de daken er nog steeds zonneparken nodig zijn. De netbeheerder heeft rekening gehouden met de aansluiting van dit zonnepark op het netwerk. Het park is dan ook vanuit dit oogpunt haalbaar.
38
Uit de Ruimtelijke Onderbouwing blijkt dat een overeenkomst is afgesloten met Stedin ten behoeve van het borgen van capaciteit op het net om de ontwikkeling mogelijk te maken. Uit niets blijkt echter dat er ook ruimte is om deze ontwikkeling ook daadwerkelijk mogelijk te maken. Reclamant stelt zich op het standpunt dat dit eerst aangetoond moet worden alvorens het besluit verder in procedure gebracht kan worden.
Hierbij wordt ook verwezen naar beantwoording onder nr. 9 en 28. Het contract is rechtstreeks afgesloten met de netbeheerder Enexis. Zij hebben inzicht in hun eigen capaciteiten op hun netwerk. Wij zijn van mening dat wij niet hoeven te twijfelen aan de overeenkomst die de netbeheerder met i.c. de initiatiefnemer heeft gesloten. Wij mogen ervan uitgaan dat de netbeheerder zelf goed kan inschatten of zij hun contractuele verplichtingen na kunnen komen.
39
Reclamant vraagt zich af of het energienet in onze regio voldoende ingericht is voor een energiepark van deze omvang?
Zie beantwoording onder nummer 37 en 38.
Financiële haalbaarheid 40
Een ontwikkeling moet financieel haalbaar zijn alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Hoewel in beginsel wordt aangenomen dat de financiële haalbaarheid in orde is, acht reclamant anders. Reclamant wijst erop dat reeds 2 partijen aangegeven hebben dat de ontwikkeling niet haalbaar is. Eneco heeft de ontwikkeling overgenomen van Shell, omdat Shell het plan financieel niet haalbaar acht. Daarna heeft de gemeente getracht het zelf te ontwikkelen en exploiteren. Dit is niet haalbaar gebleken. Gelijktijdige ontwikkeling van zonnepark en windturbines is een belangrijke drijver voor financiële haalbaarheid. Reclamant wijst erop dat de gelijktijdige ontwikkeling echter niet plaatsvindt. Vooralsnog is de pauzeknop ingedrukt ten aanzien van de windturbines. Reclamant geeft aan dat het niet aangetoond is dat het plan op zichzelf financieel haalbaar is.
Reclamanten onderbouwen deze stelling door te wijzen op het feit dat zowel Shell als de gemeente dit project niet haalbaar achtten. Dat twee partijen afhaken zegt allereerst niets over de financiële haalbaarheid van het project voor Eneco. De reden dat Shell afhaakte was dat de verwachting was dat de interne rendementseisen voor een dergelijk project niet meer gehaald zouden worden. Onder meer door de extra eisen die de gemeenteraad heeft gesteld ten aanzien van de participatie, meervoudig ruimtegebruik en innovaties. Dit was dus een bedrijfseconomische afweging op basis van eigen financiële doelstellingen. Voor de combinatie gemeente/Brabantse ontwikkelingsmaatschappij bleek dit project ook niet rendabel te krijgen. Hierbij spelen rendementseisen minder (slechts een beperkt rendement op geïnvesteerd vermogen voor de BOM). Maar vooral de hogere kosten in combinatie met de lage SDE++subsidie was hiervan de oorzaak. De Raad van State heeft overwogen dat bij de verlening van een omgevingsvergunning de financiële uitvoerbaarheid enkel kan leiden tot een vernietiging van dit besluit, als het College in alle redelijkheid had moeten inzien dat het project vanuit financieel oogpunt niet kan worden uitgevoerd (ECLI:NL:RVS:2017:354). Het betreft hier een particulier initiatief. De core business van de aanvrager, Eneco Solar is het ontwikkelen van zonprojecten.
De gemeentelijke kosten zijn middels het sluiten van een overeenkomst met de aanvrager gedekt (o.a. planschade). Het is in eerste instantie aan de aanvrager zelf om te beoordelen of het project uitvoerbaar en haalbaar is. Voor Eneco is de financiële haalbaarheid van dit project gebaseerd op enerzijds de combinatie met het beoogde windpark en de mogelijkheid die daarmee ontstaat om cablepooling toe te passen. Hierdoor blijven kosten voor de netaansluiting aanzienlijk lager omdat er maar 1 kabel hoeft te worden aangelegd. Anderzijds is de core business van Eneco Solar het ontwikkelen van zonprojecten. Hierdoor hebben zij een andere kijk op de markt en kunnen zij hun inkoop van benodigde materialen daarop beter afstemmen. Er zijn hierdoor geen omstandigheden, waardoor het College had moeten doen inzien dat het project financieel niet uitvoerbaar is.
Overname ontwikkeling 41
De ruimtelijke onderbouwing is opgesteld voor en door Shell. Nu is er sprake van dat Eneco de procedure overneemt en een gelijktijdige ontwikkeling wenst met de windturbines. Dat volgt uit het voorwoord van de onderbouwing. Reclamant vindt het bijzonder om vast te stellen dat in de ontwerpbrief d.d. 10 februari 2022 van het College van de Gemeente Oosterhout wordt gesproken over dat "op 1 oktober 2020 Eneco Solar B. V. een aanvraag voor omgevingsvergunning heeft ingediend
De definitieve aanvraag is in oktober 2020 ingediend door Shell. Echter, vanwege overname van het project, heeft Shell aangegeven dat de aanvraag overgedragen werd aan Eneco. Omdat het bouwplan zelf op geen enkel punt gewijzigd was, is een nieuwe aanvraag niet noodzakelijk. Dat er synergievoordelen te behalen zijn tussen het zon- en windinitiatief, maakt niet dat het zonnepark op zichzelf niet uitvoerbaar of haalbaar zou zijn. Tevens wordt verwezen naar de beantwoording nr. 40.
42
voor het bouwen van een zonnepark." Reclamant vindt het onduidelijk welke partij op welk moment een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend voor een zonnepark. De aanvraag is gedaan door Shell en niet door Eneco. Reclamant stelt zich op het standpunt dat de procedure nogmaals moet worden doorlopen om een goede en zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken. Opgemerkt wordt dat Eneco, als huidige aanvrager, niet de benodigde stukken heeft aangeleverd om de aanvraag te onderbouwen.