bijlage 1.5 Quickscan Wnb
Tekst van het document
Quickscan Natuurwetgeving Actualisatie Groenendijk 10 te Oosteind
Quickscan Natuurwetgeving Actualisatie Groenendijk 10 te Oosteind
Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM22587 : Definitief (versie 1) : 18-01-2023
Opdrachtgever
: Lian Waas
Opgesteld door Paraaf
: ing. W.J.J. van Oosterhout | ir. J.P.M. Hovens :
Gecontroleerd door Paraaf
: ing. J.M.G. Reuver :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
Pagina | 2
AM22587
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4
2.
WET- en REGELGEVING ....................................................................................................................................................................................5 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................................5
2.3
Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................................................................................6
2.4
Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................................................6
3.
WERKWIJZE ...........................................................................................................................................................................................................8 3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................8
3.2
Werkwijze quickscan ....................................................................................................................................................................................8
4.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN ...............................................................................................................................................................9 4.1
Beschrijving plangebied .............................................................................................................................................................................9
4.2
Natura 2000-gebieden ............................................................................................................................................................................. 10
4.3
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 11
4.4
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 12
5.
MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ....................................................................................................... 14 5.1
Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 14
5.2
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 14
5.3
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 14
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................................... 16 6.1
Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 16
6.2
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 16
6.3
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 16
LITERATUUR ..................................................................................................................................................................................................................... 18
Bijlage: 1
Toelichting per beschermingsregime
Pagina | 3
AM22587
1. INLEIDING In opdracht van Lian Waas heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving actualisatie uitgevoerd voor de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Groenendijk 10 te Oosteind
Gemeente
: Oosterhout
Kadastrale registratie
: OTH01 V 177
Oppervlakte
: 1.592 m²
Huidige bestemming
: Agrarisch
Toekomstige bestemming
: Wonen
In het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.
Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.
Pagina | 4
AM22587
2. WET- en REGELGEVING 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.
Pagina | 5
AM22587
2.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
•
gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.
2.4
Beschermde planten en dieren
De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):
-
Vogels
alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;
Pagina | 6
AM22587
-
Internationaal beschermde soorten
alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);
-
Overige beschermde soorten
soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.
Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.
Pagina | 7
AM22587
3. WERKWIJZE 3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
Het aanwezige tuinhuis wordt gesloopt en de vegetatie deels verwijderd. Daarna wordt er een vrijstaande woning met tuin gerealiseerd (zie figuur 3.1). De bestemming wordt hiervoor gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’.
Figuur 3.1. Een indicatie van de voorgestane situatie. Bron: Aeres Milieu.
3.2
Werkwijze quickscan
Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 17 januari 2023 heeft Faunaconsult B.V. het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor de actualisatie van de quickscan die is uitgevoerd in november 2019. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. De aanwezige bebouwing is van binnen en buiten geïnspecteerd met behulp van een ladder, zaklamp en boomcamera (RIDGID SeeSnake). Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl); - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).
Pagina | 8
AM22587
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied (zie figuur 4.1) ligt in het oosten van Oosteind, binnen de bebouwde kom. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door een woning met voor- en achtertuin. Aan de overige zijdes liggen weilanden en grasvelden. Het plangebied fungeert momenteel als moestuin. Er bevindt zich een voormalig gasverdeelhuisje dat gebruikt wordt als tuinhuis voor de opslag van gereedschap. Daarnaast zijn er enkele kleine kassen in het plangebied aanwezig. In het plangebied komen soorten voor als zomereik, hazelaar, walnoot, grote weegbree, vingerhoedskruid, zachte ooievaarsbek, paarse dovenetel, grote brandnetel, paardenbloem, hulst en laurierkers.
Figuur 4.1. De ligging van het plangebied.
Pagina | 9
AM22587
4.2
Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebied ‘Langstraat’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van ruim 4,2 kilometer van het plangebied. Op 8,2 kilometer afstand ligt Natura 2000-gebied Biesbosch (tevens Wetland Biesbosch Zuidwaard). Het plangebied ligt op een afstand van 9,2 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied, evenals Wetlands (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (geel weergegeven) en wetlands (blauw weergegeven). Bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000.
Pagina | 10
AM22587
4.3
Natuurnetwerk Nederland
Op circa 370 meter ten oosten van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dit bestaat uit het beheertype ‘Houtwal en houtsingel’ (zie figuur 4.3). Tijden het veldbezoek is deze houtwal tevens geïnspecteerd.
Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (blauwe cirkel) ten opzichte van het NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant.
Pagina | 11
AM22587
4.4
Beschermde planten en dieren
Zoogdieren en vogels De daken en wanden van de kassen zijn enkelwandig. Het voormalig gasverdeelhuisje heeft geen open stootvoegen of kieren en een betonnen dak dat een bitumen laag heeft (zie figuur 4.4.1). Vleermuizen en vogels hebben nergens toegang tot de bebouwing. In het aanwezige vogelhuisje tegen de gevel kunnen tijden het broedseizoen wel algemene vogelsoorten broeden.
Figuur 4.4.1. Tussen het dak en de gevel zijn geen openingen aanwezig.
In de bomen binnen het plangebied ontbreken geschikte holtes voor boombewonende vleermuissoorten en uilen. Door het ontbreken van holtes is het uitgesloten dat er uilennesten en verblijven van boombewonende vleermuissoorten in de bomen binnen het plangebied voorkomen. Jaarrond beschermde vogelnesten en eekhoornnesten zijn tevens afwezig. Waarschijnlijk broeden er in het broedseizoen wel algemeen voorkomende vogels zoals de merel en de fazant in de opgaande vegetaties in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn vogelsoorten als merel, koolmees, vink, ekster en roodborstje waargenomen. Er zijn in het plangebied geen holen of rustplaatsen van zoogdieren aangetroffen. Voor kleine marterachtigen zoals de wezel biedt het plangebied wel voldoende dekking. Mogelijk maakt een deel van het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de wezel. Wateren en grote holen zijn echter afwezig, hierdoor is de aanwezigheid van hermelijn en bunzing uitgesloten. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis en de bosmuis kunnen ook in het plangebied voorkomen (zie tabel 4.4). Amfibieën Binnen het plangebied zijn geen wateren aanwezig die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen. De aanwezigheid van streng beschermde amfibieënsoorten is daarom uitgesloten.
Het is wel mogelijk dat delen van het plangebied fungeren als landhabitat voor enkele algemene amfibieënsoorten zoals de gewone pad. Overige soorten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1) Andere soorten die beschermd zijn onder de Wnb, zijn wegens het aanwezige biotoop niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die mogelijk in het plangebied voorkomen.
Pagina | 12
AM22587
Waarnemingen buiten het plangebied In de houtwal op 370m van het plangebied (onderdeel van het NNN) zijn nesten van de zwarte kraai, houtduif, eekhoorn en buizerd (zie figuur 4.4.2) aangetroffen. Verder zijn er door omwonende in de buurt herten (vermoedelijk reeën) en fazanten waargenomen, net buiten het plangebied op een aangrenzend perceel.
Figuur 4.4.2. Een beeld van de houtwal (links) en het buizerdnest (rechts).
Nederlandse en wetenschappelijke naam
Vogels met jaarrond
Internationaal
Overige beschermde
beschermd nest
beschermde soorten
soorten
Merel (Turdus merula)
X
Fazant (Phasianus colchicus)
X
Bosmuis (Apodemus sylvaticus)
X
Huisspitsmuis (Crocidura russula)
X
Veldmuis (Microtus arvalis)
X
Ree (Capreolus capreolus)
X
Wezel (Mustela nivalis)
X
Gewone pad (Bufo bufo)
X
Bruine kikker (Rana temporaria)
X
Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Pagina | 13
AM22587
5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1
Natura 2000
Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied op een afstand van 4,2 kilometer van het plangebied. Vanwege deze afstand verwachten wij door de voorgenomen werkzaamheden geen direct effect op bovengenoemde Natura 2000gebieden. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen zal leiden tot enige stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemd en verder gelegen Natura 2000-gebied(en).
5.2
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt op 370 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuur Natuurnetwerk Nederland (NNN). Vanwege de afstand tussen het NNN en het plangebied verwachten wij dat de plannen geen noemenswaardig negatief effect zullen hebben op het NNN of de aanwezige nesten van de zwarte kraai, houtduif, eekhoorn en buizerd in de bomen.
5.3
Beschermde planten en dieren
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •
Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.
•
Als de bomen en struiken tijdens het broedseizoen worden verwijderd, kunnen broedende vogels zoals de merel en de fazant worden verstoord. Jonge vogels kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed, dit kan leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.
•
In het aanwezige vogelhuisje tegen de gevel van het tuinhuis broeden mogelijk algemene vogelsoorten gedurende het broedseizoen. Om verstoring en eventuele schade aan broedende vogels en eieren te voorkomen moet het vogelhuisje voor het broedseizoen (voor 1 maart) naar een alternatieve locatie worden verplaatst.
•
Het plangebied is geschikt als habitat voor de wezel, hierdoor is het mogelijk dat het plangebied fungeert als leefgebied voor deze soort. De voorgenomen herinrichting kan dus leiden tot vernietiging van een klein deel van het leefgebied.
In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.
Pagina | 14
AM22587
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemeen voorkomende
Art. 3.1
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.10
lid 1
lid 2
lid 1
lid 2
lid 3
lid 4
lid 1
Overige soorten
grondgebonden zoogdieren (zoals
X
ree) en amfibieën (zoals gewone pad) Wezel
Overige soorten*
Algemene in het plangebied
Vogels
X X
X
broedende vogels (zoals merel en fazant) Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. *Deze soorten zijn in dit geval niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A -soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of r ustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos -, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Pagina | 15
AM22587
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
Natura 2000
De plannen zullen waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename verwacht wordt, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.
6.2
Natuurnetwerk Nederland
Gezien de afstand van 370 meter, zal de bouw en het gebruik van de woning en de toenemende verkeersbewegingen hoogstwaarschijnlijk geen negatieve effecten hebben op het NNN. Aangezien er geen negatieve effecten op het NNN verwacht worden, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
6.3
Beschermde planten en dieren
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten zoals de ree en de gewone pad (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.10 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemeen voorkomende vogels In de opgaande vegetaties komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten van soorten zoals de merel en de fazant voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is. Schade aan vogelnesten, vogels of eieren moet worden voorkomen door de opgaande vegetaties buiten het broedseizoen te verwijderen (buiten de periode 15 maart – 15 juli). Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan.
Wezel In het plangebied komen mogelijk wezels voor, deze soort is in de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Conform Bouwens (2017) hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen. Het plangebied is minder dan 1 ha groot, daarom hoeft er geen nader onderzoek plaats te vinden. Er dient wel rekening te worden gehouden met de planning van de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen buiten de kwetsbare periode (15 maart – 1 september) plaats te vinden, of voordat de kwetsbare periode begint moet het plangebied ongeschikt gemaakt worden voor wezels.
Pagina | 16
AM22587
Om dit te bereiken moet de vegetatie verwijderd worden en daarna kort gehouden worden. Tijdens de verwijdering van de vegetatie en/of maaiwerkzaamheden dient een kant op gewerkt te worden zodat de eventueel aanwezige marters tijd en ruimte krijgen om te vluchten.
Pagina | 17
AM22587
LITERATUUR •
Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Versie 11 oktober 2017.
•
Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
•
Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/600901/CVDR600901_1.html
Pagina | 18
AM22587
BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:
•
het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)
•
het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)
•
het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)
•
het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)
•
het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)
•
het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)
•
het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).
Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Pagina | 19
AM22587
Dit betekent dat er:
•
geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;
•
de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en;
•
de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -
het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
-
het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
-
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
-
ter bescherming van flora of fauna;
-
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of
-
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.
Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:
•
het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)
•
het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)
•
het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)
•
het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)
•
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)
•
het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:
•
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)
•
er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
Pagina | 20
AM22587
•
de ontheffing of vrijstelling nodig is: -
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
-
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
-
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
-
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
-
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.
Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.
Pagina | 21
AM22587
Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:
•
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)
•
er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
•
de ontheffing of vrijstelling nodig is: -
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
-
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
-
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
-
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
-
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
-
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
-
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;
-
ten behoeve van het algemeen belang.
Pagina | 22
AM22587
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn
Art 3.1 lid 1
Art. 3.5 lid 1
Art. 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun natuurlijke
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te vangen
verspreidingsgebied opzettelijk te doden of
doden of te vangen
te vangen Art 3.1 lid 2
Art.3.5 lid 4
Art. 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de voortplantingsplaatsen
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
of rustplaatsen van dieren te beschadigen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van
vernielen of te beschadigen, of nesten van
of te vernielen
dieren opzettelijk te beschadigen of te
vogels weg te nemen
vernielen.
Art. 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
Het is verboden eieren te rapen en deze
Het is verboden eieren van dieren in de
onder zich te hebben
natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art. 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Pagina | 23
AM22587