2 Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid -a
Tekst van het document
Hoofdstuk 4 Artikel 10
Niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichting
Duur verlaging van de geüniformeerd arbeidsverplichting
Van een persoon die een beroep doet op een uitkering wordt verwacht dat hij alles doet om weer zelfstandig een inkomen te verwerven. Het weer verkrijgen van betaald werk moet dan ook nadrukkelijk de aandacht krijgen. Het Rijk wil extra de nadruk leggen op deze verplichting en wil dat het niet voldoen aan deze verplichting gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering. Vanaf 1 januari 2015 heeft de wetgever daarom in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, de geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Bij schending van deze geüniformeerde arbeidsverplichting dient het college de uitkering met 100% te verlagen gedurende een periode van minimaal een maand en maximaal drie maanden. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, worden de volgende arbeidsverplichtingen genoemd waarop dit van toepassing is: a. het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; c. het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; d. bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; e.
bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; f. het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; g. het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Met “geüniformeerd” is bedoeld dat wettelijk gezien de hoogte van de maatregel al is vastgesteld, te weten op 100%, maar de gemeenteraad bij verordening de duur van de maatregel mag vaststellen, waarbij de minimum duur in de wet is bepaald op één maand en de maximale duur op drie maanden.
In deze verordening is ervoor gekozen om bij de eerste schending van de verplichting voor alle geüniformeerde gedragingen de duur van de maatregel te bepalen op één maand. Vanwege de duidelijkheid naar de cliënt is er bewust voor gekozen om geen differentiatie aan te brengen in de duur van de verlaging bij de verschillende gedragingen. Zo is duidelijk dat bij de eerste schending van de verplichting een verlaging van 100% gedurende een maand plaatsvindt.
19
De IOAW en IOAZ kennen overigens geen geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Om deze reden is het aantal gedragingen dat in artikel 8 (IOAW en IOAZ) van de verordening is genoemd ook groter dan het aantal in artikel 7 (Participatiewet).
Artikel 11
Verrekening verlaging
Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling en kan alleen van toepassing zijn als de gevolgen van de gedraging geen doorlopend effect hebben. Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: - vergroting schuldenproblematiek; - (dreigende) huisuitzetting; - afsluiting van gas en elektriciteit. De maand van oplegging In het artikel wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.
Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. Toedeling over drie maanden Het tweede lid biedt de mogelijkheid om de verlaging te spreiden over drie maanden. De verlaging wordt hierbij als uitgangspunt gelijkelijk verdeeld over deze drie maanden. Dit bekent dus per saldo dat er sprake is van een verlaging van 33,3% gedurende drie maanden. Geen verrekening bij recidive Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.]
Hoofdstuk 5
Artikel 12
Overige gedragingen die leiden tot een afstemming
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen schuld het recht op een voorliggende voorziening verspeelt en daardoor (eerder) in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld sprake als iemand door eigen toedoen het recht op WW verliest (door niet tijdig na ontslag WW aan te vragen).
20
Bovendien kunnen als voorbeelden van gedragingen worden aangehaald het niet hebben aangevraagd van huurtoeslag, het verwijtbaar onvoldoende verzekerd zijn of het ontverantwoord interen van het vermogen. Het uitgangspunt bij afstemmingen wegens een onverantwoord snelle intering van het eigen vermogen, waardoor er eerder dan nodig een beroep op bijstandsverlening gedaan wordt, is dat de benadeling geheel dan wel zoveel mogelijk ongedaan wordt gemaakt. Bovendien wensen wij bij het vaststellen van een verlaging van de uitkering voor een langere periode rekening te houden met de beslagvrije voet (circa 90% van de bijstandsnorm). Hierdoor wordt enerzijds op een redelijke wijze uiting gegeven aan de eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsbehoevende, terwijl anderzijds diens feitelijke bestaansvoorziening niet in gevaar komt. Deze verlaging laat onverlet de mogelijkheid van toekenning van bijstand in de vorm van een lening onder toepassing van artikel 48, lid 2, onder b, van de Participatiewet (noodzaak tot bijstandsverlening is het gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het gevolg van bijstandsverlening in de vorm van een lening is echter de op voorhand vastgestelde terugbetaling ervan.
Dit artikel 12 is niet van toepassing op de IOAW en IOAZ, omdat in die wetten ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid geen afstemmingswaardig gedrag betekent.
Artikel 13
Zeer ernstig misdragen
Participatiewet (eerste lid) Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.3 Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. 4 Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.5 Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de Participatiewet.
Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.6 Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.7 IOAW en IOAZ (tweede lid) Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.8 Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten namelijk geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige 3 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24. 4 CRvB 19-08-2008, nrs.
07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919. 5 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55. 6 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26. 7 CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660. 8 CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919.
21
misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting.9 Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk. De volgende vormen van agressief gedrag kunnen worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; De vormen van agressief gedrag zijn in categorieën opgenomen, zodat duidelijk wordt welke verlaging moet worden toegepast. Er kan van deze bedragen worden afgeweken wanneer dit vereist is in verband met de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Indien de belanghebbende zich gelijktijdig schuldig maakt aan meerdere agressieve gedragingen, wordt de hoogte van de toe te passen verlaging cumulatief vastgesteld met inachtneming van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college past een verlaging toe, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Het verlagen van de bijstand wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid om de dader gedurende een periode de toegang tot het stadhuis te ontzeggen onverlet. Aansluiting kan daarbij worden gezocht bij het gestelde hierover in het gemeentelijke agressieprotocol. Ter voorkoming van enige vorm van schijn van subjectiviteit zal zeer zorgvuldig moeten worden omgegaan met het verlagen van de uitkering wegens agressie. In het vierde en vijfde lid is opgenomen welke verlaging bij een gedraging uit een bepaalde categorie dient te worden toegepast. Evenals bij de verlagingen genoemd in artikel 9 geldt hierbij dat er bij de Participatiewet sprake is van een nettobedrag en bij de IOAW en IOAZ van een brutobedrag.
Artikel 14
Niet nakomen van overige verplichtingen
De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten: 1. verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 2. verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.
9 CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.
22
Hoofdstuk 6
Artikel 15
Samenloop en recidive
Samenloop van gedragingen
Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.
Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedragingen is. Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer verlagingen toepassen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).
Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.
Artikel 16
Recidive
Verdubbeling hoogte of duur van de verlaging Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 2, zesde lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive
23
deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor gedraging waarin de verlaging is vastgesteld op een vast bedrag geldt dat de verdubbeling wordt toegepast door verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Als de sanctie bestaat uit een verlaging van 100% van de uitkering dan is een verdubbeling van de hoogte van de verlaging niet mogelijk. In dat geval wordt een verdubbeling van de uur van de verlaging toegepast. Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 16, eerste van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling.
Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid, onderdeel a) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede lid, onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden. Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende een bepaalde periode. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges. In artikel 18, zesde lid van de Participatiewet is bepaald dat de duur van de verlaging bij de eerste recidive in ieder geval langer dient te zijn dan de duur van de eerste verlaging. De maximale termijn van de verlaging is hierbij door de wetgever vastgesteld op drie maanden. In deze afstemmingsverordening is er in lid 2 van artikel 16 voor gekozen de duur van de verlaging bij een tweede schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting te verdubbelen. Hiermee is er dus sprake van een verlaging van 100% gedurende twee maanden.
Conform de wettelijke bepaling is in het derde lid opgenomen dat bij een volgende schending een verlaging van 100% gedurende drie maanden plaatsvindt.
24
Hoofdstuk 7
Artikel 17
Blijvende of tijdelijke weigering IOAW of IOAZ
Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ
Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.
Hoofdstuk 8
Artikel 18
Slotbepalingen
Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden
Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om van de tenuitvoerlegging van een overigens gerechtvaardigde verlaging af te zien. Het betreft dan argumenten die met de reden van de verlaging niets van doen hebben. Deze zijn immers bij de vaststelling van de hoogte en de duur van de verlaging al meegewogen. Men kan hierbij denken aan situaties waarin sprake is van een zodanige samenloop van omstandigheden dat deze, als de verlaging wel zou worden uitgevoerd, tot gevolg hebben dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging in een ernstige noodsituatie komt. Het moet dan wel gaan om een noodsituatie die het gevolg is van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Het ontstaan van een betalings- of huurachterstand of een tijdelijke opschorting van een schuldsanering is op zichzelf geen redenen om van het opleggen van een verlaging af te zien. Evenmin kan het enkele feit dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging tijdelijk geen of een inkomen lager dan de beslagvrije voet ontvangt voldoende reden zijn om van de tenuitvoerlegging van een verlaging af te zien. De financiële noodsituatie mag ook niet het gevolg zijn van de verwijtbare gedraging. Als iemand door verwijtbaar ontslag in ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van de oplegging van de verlaging af te zien.
De omstandigheden zijn immers het gevolg van het verwijtbare gedrag. Afzien van de uitvoering van een verlaging kan ook plaatsvinden als er sprake is van een verlaging wegens herhaald verwijtbaar gedrag. Bij elke nieuwe verlaging of heroverweging moet dus opnieuw worden beoordeeld of zich dringende redenen voordoen. In de beschikking worden wel hoogte en duur van de verlaging vastgesteld en wordt meegedeeld om welke dringende redenen van tenuitvoerlegging wordt afgezien. De verlaging telt bij de vaststelling van eventuele recidive en volharding dus gewoon mee.
Artikel 19
Nadere regels
Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.
Artikel 20
Uitvoering
De uitvoering van deze verordening ligt bij het college.
Artikel 21
Intrekking
Deze verordening vervangt de eerder vastgestelde Afstemmingsverordening Sociale Zekerheid 2012. Deze verordening wordt hierbij dan ook ingetrokken.
25
Artikel 22
Inwerkingtreding
Op 1 januari 2015 treden de “Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten” en de “Invoeringswet Participatiewet” in werking. De invoering van deze wetten maakt het noodzakelijk om de een nieuwe verordening vast te stellen. De inwerkingtreding van deze verordening dient dan ook samen te vallen met de inwerkingtreding van de genoemde wetten.
Artikel 23
Citeertitel
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2016, gemeente Oosterhout
Artikel II
Wijziging Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout
A Aan artikel 7 onderdeel b wordt na sub 5° een nieuw sub 6° toegevoegd luidende: 6° het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet, voor zover dit niet valt onder de bepaling van artikel 7, onderdeel a, sub 2° of artikel 7, onderdeel b, sub 5°, van deze verordening;
B Na artikel 7 wordt een nieuw artikel 7a ingevoegd luidende: Artikel 7a
Gedraging: niet meewerken aan taaltoets
Gedragingen van een belanghebbende waardoor niet wordt voldaan aan het bedoelde in artikel 18b, tweede lid van de wet. C Onder vernummering van het lid 3 tot lid 4 wordt aan artikel 9 een nieuwe lid 3 toegevoegd luidende: 3. de verlaging bij gedragingen als bedoeld in artikel 7a wordt vastgesteld op: a. 20% van de uitkering gedurende een periode van één maand; b. 40% van de uitkering gedurende een periode van één maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan een verlaging als genoemd in artikel 9, lid 3, onderdeel a, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging; c. telkens 100% van de uitkering gedurende een periode van één maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan een verlaging als genoemd in artikel 9, lid 3, onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde van verwijtbare gedraging.
D In artikel 15 wordt in elk van de leden 1, 2, 3 en 4 na “artikel 18, vierde lid, van de wet” toegevoegd: “ of artikel 18b, van de wet”
Artikel III
Slotbepalingen
A
26
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2016.
B Deze verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2016, gemeente Oosterhout
Toelichting Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2016
Algemene toelichting Op 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. De Participatiewet is de opvolger van de Wet werk en bijstand (WWB). Evenals in de WWB wordt in de Participatiewet de opdracht aan de gemeenteraad gegeven om een aantal onderdelen bij verordening te regelen. In de raadsvergadering van 17 december 2014 heeft de gemeenteraad de verschillende verordeningen in het kader van de Participatiewet vastgesteld. Als gevolg van een aantal wetten die op 1 januari 2016 in werking zijn getreden, zijn er wijzigingen aangebracht in de Participatiewet. De wet harmonisatie van instrumenten ter bevordering van arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten (Staatsblad 547 d.d. 30 december 2015) en de Verzamelwet SZW 2016 (Staatsblad 464 d.d. 10 december 2015) wijzigen een aantal wetten waaronder de Participatiewet. Een andere wet die op 1 januari 2016 in werking is getreden is de Wet taaleis Participatiewet (Staatsblad 136 d.d. 8 april 2015). Deze wet voegt beheersing van de Nederlandse taal als extra verplichting toe aan de Participatiewet. Deze wetswijzigingen maken het noodzakelijk om in een aantal verordeningen wijzigingen aan te brengen. Met deze wijzigingsverordening worden wijzigingen aangebracht in de Reintegratieverordening en de Afstemmingsverordening.
Artikelsgewijze toelichting Artikel II
Wijziging Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout
A Op grond van artikel 17, lid 2, van de wet, is sd belanghebbende verplicht om het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. In artikel 7, onderdeel a, sub 2° en in artikel 7, onderdeel b, sub 5°, van deze verordening is het niet voldoen aan een oproep om in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen al opgenomen als gedraging die kan leiden tot een verlaging van de uitkering. Met de toevoeging van sub 6° aan artikel 7, onderdeel b, van deze verordening wordt ook op andere wijze het niet verlenen van medewerking nog expliciet opgenomen als gedraging die tot een verlaging van de uitkering kan leiden.
B en C Op 1 januari 2016 is de Wet taaleis Participatiewet ingevoerd. Door de invoering van deze wet is een nieuw artikel 18b toegevoegd aan de Participatiewet. In dit artikel 18b is bepaald dat het college de bijstand verlaagt indien naar zijn oordeel een redelijk vermoeden bestaat dat belanghebbende niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. In betrokkene niet voldoende kan aantonen dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, dan neemt het college een toets af om dit niveau vast te kunnen stellen.
27
Indien uit de toets blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst dan verlaagt het college de bijstand. Van deze verlaging wordt afgezien als belanghebbende zich bereid heeft verklaard om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. In de leden 9 tot en met 11 van artikel 18b van de Participatiewet is de hoogte van de verlaging vastgesteld die het college dient toe te passen bij het niet voldoen aan de taaleis. Deze verlaging is in eerste instantie 20% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden, in tweede instantie 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden en in derde instantie 100% van de bijstandsnorm voor onbepaalde tijd. De verlaging die wordt toegepast als betrokkene niet aan de taaleis voldoet en geen bereidheid heeft om het vereiste taalniveau te verwerven is geregeld in de wet. In de wet is echter niet opgenomen welke verlaging toegepast moet worden als betrokkene niet meewerkt aan het afleggen van een taaltoets. Deze taaltoets is noodzakelijk om vast te stellen of betrokkene het taalniveau wel of niet heeft. Alleen wanneer op basis van een taaltoets is vastgesteld dat betrokkene het vereiste taalniveau niet heeft, kan een eventuele verlaging op grond van artikel 18b van de wet plaatsvinden.
Om te voorkomen dat belanghebbende, die niet de bereidheid heeft om aan zijn taalniveau te werken, door het niet meewerken aan de taaltoets kan ontkomen aan een verlaging van de bijstand wordt als eerste stap in de afstemmingsverordening een nieuw artikel 7a toegevoegd. In dit artikel 7a wordt expliciet bepaald dat het niet meewerken aan de taaltoets een gedraging is die kan leiden tot een verlaging van de bijstand. De tweede stap wordt gezet door een nieuw derde lid toe te voegen aan artikel 9 van de afstemmingsverordening. Hierin wordt bepaald wat de verlaging van de uitkering is, indien niet meegewerkt wordt aan het afleggen van de taaltoets. Voor wat betreft de hoogte van deze afstemming is aansluiting gezocht bij de bepalingen van artikel 18b van de wet. Dit betekent dat de uitkering de eerste keer wordt verlaagd met 20%, de tweede keer met 40% en volgende keren met 100%. De periode van de verlaging wordt steeds vastgesteld op een maand.
D In artikel 15 van de afstemmingsverordening wordt geregeld op welke wijze een verlaging wordt opgelegd indien er sprake is van een samenloop van gedragingen. Omdat er met de Wet taaleis Participatiewet een nieuw artikel 18b aan de wet is toegevoegd, waarin een verlaging geregeld wordt, is het noodzakelijk om ook artikel 18b te betrekken bij het regelen van samenloopgevallen. Om deze reden wordt aan elk lid van artikel 15 van deze verordening “artikel 18b, van de wet,” toegevoegd.
Artikel III
Slotbepalingen
A In dit onderdeel wordt geregeld dat deze wijzigingsverordening de dag na bekendmaking in werking treedt. Omdat de wetswijzigingen die aanleiding zijn voor deze wijzigingsverordening op 1 januari 2016 in werking zijn getreden is het van belang om de bepalingen terugwerkende kracht te geven tot 1 januari 2016.
B Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting.
Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2017, gemeente Oosterhout
Artikel II
Wijziging Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout
De Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout wordt als volgt gewijzigd:
28
A In de aanhef wordt “gelet op artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet” vervangen door “gelet op artikel 8, lid 1, aanhef en onderdeel a en d, van de Participatiewet”
B In artikel 1, tweede lid, onderdeel d, komt de omschrijving van het begrip “uitkering” als volgt te luiden: “bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of een uitkering op grond van de IOAZ;”
C In artikel 3 wordt in de aanhef na “als bedoeld in” toegevoegd “artikel 9a, twaalfde lid en ” D In artikel 7 wordt in de aanhef na “artikelen 9, 9a” toegevoegd “, 17, tweede lid”
Artikel V
A 1. 2. 3. 4.
Slotbepalingen
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking. Van artikel I werken de onderdelen A, C en D terug tot 1 januari 2017. Van artikel II werken de onderdelen A en D terug tot 1 januari 2017. van Artikel IV werkt onderdeel A terug tot 1 januari 2017.
B Deze verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2017, gemeente Oosterhout. Toelichting Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2017
Algemene toelichting Als gevolg van een aantal wetten dat op 1 januari 2017 en 1 februari 2017 in werking is getreden, is de Participatiewet op een aantal onderdelen gewijzigd. De Verzamelwet SZW 2017 (Staatsblad 471 d.d. 14 november 2016), de wet tot wijziging van Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute (Staatsblad 519 d.d. 14 december 2016) en de wet tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Staatsblad 444 d.d. 17 november 2016) brengen op verschillende onderdelen aanpassingen aan in de Participatiewet. Een groot deel van de wijzigingen van de Participatiewet treedt op 1 januari 2017 in werking. Een deel van de wijzigingen treedt op 1 februari 2017 in werking maar van deze onderdelen heeft weer een gedeelte terugwerkende kracht tot 4 juli 2016. Deze wetswijzigingen maken het noodzakelijk om in een aantal verordeningen die wij in het kader van de Participatiewet hebben vastgesteld wijzigingen aan te brengen.
Met deze wijzigingsverordening worden wijzigingen aangebracht in de Re-integratieverordening, de Afstemmingsverordening, de Verordening individuele inkomenstoeslag en de Verordening individuele studietoeslag. Artikelsgewijze toelichting Artikel II
Wijziging Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout
29
A, C en D Vanwege aanpassingen in de wet dienen enkele verwijzingen naar het wetsartikelen gewijzigd te worden.
B Dit betreft een taalkundige aanpassing.
Artikel V
Slotbepalingen
A In dit onderdeel wordt geregeld dat deze wijzigingsverordening de dag na bekendmaking in werking treedt. Omdat een belangrijk deel van de wetswijzigingen die aanleiding zijn voor deze wijzigingsverordening op 1 januari 2017 in werking zijn getreden is het voor een aantal bepalingen van belang om de bepalingen terugwerkende kracht te geven tot 1 januari 2017.
B Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting.
Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2022, gemeente Oosterhout Artikel I hout
Wijziging Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Ooster-
De Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout wordt als volgt gewijzigd:
A In artikel 1, tweede lid, onderdeel j, wordt “uitkering of langdurigheidstoeslag” vervangen door “uitkering, individuele inkomenstoeslag of individuele studietoeslag”.
B In de titel van hoofdstuk 3 komt “met betrekking tot arbeidsinschakeling” te vervallen.
C De aanhef van artikel 7 komt te luiden: “Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55 of 56a van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
D In artikel 7, onderdeel a, wordt na sub 2° een nieuw sub 3° toegevoegd luidende: 3° Het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering;
E Aan artikel 15 wordt een nieuwe vijfde lid toegevoegd luidende: 5. Als het college voor dezelfde gedraging de bijstand op grond van artikel 18 of 18b Participatiewet kan verlagen en een boete op grond van de Wet inburgering op kan leggen, dan kiest het ervoor de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen.
30
Artikel V
Slotbepalingen
A Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.
B Deze verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2022, gemeente Oosterhout. Toelichting Wijzigingsverordening Sociale Zekerheid 2022
Algemene toelichting Op 1 januari 2022 treedt de Wet inburgering in werking. De invoering van deze wet betekent ook dat de Participatiewet op een onderdeel wordt aangepast. Op 1 januari 2022 treedt namelijk het nieuwe artikel 56a Participatiewet in werking. Dat betekent dat gemeenten verantwoordelijk worden voor het financieel ontzorgen van bijstandsgerechtigde inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit ontzorgen betekent dat het college voor de duur van zes maanden de volgende kosten direct betaald uit de bijstandsuitkering: • de huur • de premie voor de verplichte zorgverzekering en • de voorschotten voor de rekeningen van gas, water en licht Vanwege deze wetswijziging is het gewenst om de afstemmingsverordening aan te passen en een bepaling op te nemen over wat de consequenties zijn als de bijstandsgerechtigde niet mee wil werken aan deze ontzorging. Het kabinet had de bedoeling om de Participatiewet met ingang van 1 januari 2022 op een aantal punten te wijzingen. Doel van deze wijziging was om de werkkansen voor personen met een arbeidsbeperking verder te vergroten. De wetswijziging zou betekenen dat de verordeningen op een aantal onderdelen gewijzigd zouden moeten worden. Vanwege de val van het kabinet Rutte III is het proces om de Participatiewet te wijzigen stil gelegd.
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel namelijk controversieel verklaard. Dit betekent dat behandeling van het wetsvoorstel pas weer verder zal gaan als er een nieuw kabinet is. Een van de onderdelen van het voorstel om de Participatiewet te wijzigen is de aanpassing van de wet op het onderdeel van de individuele studietoeslag. De hoogte van de individuele studietoeslag wordt nu nog door de gemeenteraad bepaald via de verordening. Een onderdeel van de voorgestelde wetswijziging is dat in de wet wordt vastgelegd wat de hoogte van deze studietoeslag is. Het stilleggen van het wetgevingsproces betekent dat de wijziging van de individuele studietoeslag ook uitgesteld wordt. Vanwege het belang dat wordt gehecht aan dit onderdeel van het wetsvoorstel heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan gemeenten gevraagd om vooruit te lopen op de wetswijziging en via de gemeentelijke verordening de hoogte van de individuele studietoeslag te bepalen op de hoogte die in het wetsvoorstel is opgenomen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten ondersteunt deze oproep van de staatssecretaris. De gemeente Oosterhout wil hierin meegaan en daarom de verordening individuele studietoeslag hieraan aanpassen. Naast deze twee redenen om enkele verordeningen aan te passen worden met deze wijzigingsverordening tevens enkele verbeteringen in verordeningen aangebracht.
Artikelsgewijze toelichting Artikel I
Wijziging Afstemmingsverordening sociale zekerheid 2015, gemeente Oosterhout
31
A Oorspronkelijk werd in de wet gesproken van een langdurigheidstoeslag. Dit is echter gewijzigd in de individuele inkomenstoeslag. De verordening was hier echter nog niet aan aangepast. Daarnaast ontbrak te mogelijkheid van een afstemming van de individuele studietoeslag. Dit wordt nu ook opgenomen B Vanwege de toevoeging aan artikel 7, onderdeel a, (zie bij C en D) wordt de titel van hoofdstuk 3 aangepast C en D Met de invoering van de Wet inburgering wordt aan de Participatiewet het volgende artikel 56a toegevoegd: Artikel 56a Ontzorgen 1. Dit artikel is van toepassing op de belanghebbende die: a. inburgeringsplichtig is op grond van de Wet inburgering 2021; en b. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. 2. Het college verbindt aan de bijstand van de belanghebbende de verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering. De inburgeringsplichtige is verplicht aan het ontzorgen mee te werken, wat ook betekent dat hij het college moet machtigen om namens hem betalingen te verrichten vanuit de bijstandsuitkering.
Als dit machtigen niet gebeurt dan kan het college de bijstand niet aanwenden voor het betalen van de huur, gas, water en stroom of de verplichte zorgverzekering. In dat geval zal de bijstand gewoon volledig aan belanghebbende moeten worden overgemaakt. Als de inburgeringsplichtige niet meewerkt aan het verplichte ‘ontzorgen’ en bijvoorbeeld weigert een machtiging te ondertekenen, dan moet het college de bijstandsuitkering verlagen op grond van artikel 18 Participatiewet. Hiervoor wordt een bepaling opgenomen in de afstemmingsverordening. Dit gebeurt door de aanpassing van artikel 7 van de afstemmingsverordening. In de aanhef van artikel 7 wordt nu een verwijzing naar artikel 56a Participatiewet opgenomen. Aan onderdeel a van artikel 7 wordt opgenomen dat het niet nakomen van de verplichting van artikel 56a Participatiewet gerekend wordt tot een gedraging van eerste categorie.
E De Wet inburgering bevat bepalingen die het college de bevoegdheid geeft om een boete op te leggen. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij eenzelfde gedraging zowel aanleiding kan zijn tot het opleggen van een boete op grond van de Wet inburgering als tot een verlaging van de bijstand op grond van de afstemmingsverordening. Om te voorkomen dat er sprake is van het dubbel straffen wordt aan artikel 15 een nieuw vijfde lid toegevoegd. De vijfde lid bepaalt dat bij een dergelijke samenloop voorrang wordt gegeven aan het toepassen van een verlaging op grond van de Participatiewet.
32