CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

vvgb zonnepark berkenhofweg ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen ‘Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo’16.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zet volop in om arrangementen te ontwikkelen waar deze partijen bereid zijn in te stappen; Participatiemodellen inzetten, meeprofiteren omwonenden; Gebiedsprojectbenadering: alle stakeholders, winst voor omgeving; Informeer omwonenden en belanghebbenden realistisch met visualisatiemodellen; De besparingsopgave vraagt een grote inzet. Investeringen in energiebesparing en de duurzame opwekking van energie worden op termijn terugverdiend. In de meeste gevallen levert het voor de investeerders ook geld op. Daarnaast blijven er meer geldstromen binnen de Achterhoek en heeft het een positieve impuls op de werkgelegenheid. Naast energie-onafhankelijkheid en een bijdrage aan het tegengaan van de klimaatverandering levert het de Achterhoekse maatschappij dus veel op.

4.4.3

Energietransitienota Duurzame Energie Achterhoek

Bovengenoemde Structuurvisie en Uitvoeringsagenda hebben geleid tot de 'Energietransitienota Duurzame Energie Achterhoek'. Deze Energietransitienota vormt het vertrekpunt om invulling te geven aan 'Achterhoek Energieneutraal in 2030'. Nu de ambitie bekend is moet iedere Achterhoekse gemeente bepalen welke bijdrage zij willen leveren aan de regionale duurzame opgave. De gemeentelijke bijdrage bestaat uit het maken van een keuze van de energiemix (zon, wind en/of biomassa) en het beschikbaar stellen van tijd, geld en ruimte voor de gekozen energiemix. Zonne-energie De Achterhoek wil in 2030 100% duurzame energie opwekken. Hiervoor is in totaal een oppervlakte van ongeveer 415 ha aan zonnepanelen benodigd. Voor de gemeente Oost Gelre is in de Energietransitienota aangegeven dat voor zonne-energie 50 ha benodigd is. Onderhavig plan omvat een plan voor zonnepanelen op een effectieve ondergrond met een oppervlakte van 10,9 ha. Hiermee wordt ongeveer 20% van de benodigde grond voor grootschallige zonneparken opgevuld. 4.4.4

Conclusie

Met de realisatie van een zonnepark aan de Berkenhofweg wordt een deel van de beschikbare duurzame energie opgewekt. Hiermee wordt voldaan aan het regionale beleid en energietransitie.

30

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Beleid installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre

Deze beleidsnota is een uitwerking van de hierboven genoemde regionale 'Uitvoeringsagenda duurzame energie Achterhoek'. Net deze beleidsnota geven wij inhoud aan onze duurzaamheidsdoelen. Installaties In de beleidsnota is uitgegaan van bewezen en betaalbare technieken om hernieuwbare energie op te wekken. Dit zijn zon, wind en biomassa. Qua installaties voor hernieuwbare energie gaat het over zon (zonnepanelen en zonnecollectoren) over wind (windturbines in verschillende vormen) en over installaties die biomassa omzetten in energie (met als bron bijvoorbeeld mest, maaisel, snoeiafval, gft, rioolslib, gebruikte voorraden olie en vet). Uitgangspunten voor alle installaties De gemeente Oost Gelre hanteert een aantal uitgangspunten die bij alle type installaties belangrijk wordt gevonden: Draagvlak: door in gesprek te gaan met betrokkenen wordt verifieert wat betrokkenen belangrijk vinden en wordt daar rekening mee gehouden. Financiële participatie: hieronder wordt verstaande mogelijkheid voor bewoners en bedrijven om te delen in de revenuen. Dit kan zijn door aankoop van certificaten maar ook op allerlei andere manieren waarbij degenen die effect van de installatie ondervinden ook voordelen genieten. Financiële participatie geldt voor zonneprojecten groter dan 2 ha, windturbines hoger dan 25 m en biomassainstallaties voor energieopwekking door derden.

Landschappelijke inpassing: installaties voor hernieuwbare energie dienen zorgvuldig ingepast te worden in het landschap. Economie: realisering van installaties voor hernieuwbare energie zoveel mogelijk door regionale bedrijven. Hierdoor komt de lokale energietransitie ook ten gunste van de lokale economie. Grondopstelling zonnepark > 2 ha Planinitiatieven groter dan 2 ha zon hebben meer impact op de omgeving. Deze planinitiatieven komen zorgvuldig tot stand waarbij de plannen worden geselecteerd op kwaliteit. Er wordt getoetst aan: Meervoudig ruimtegebruik: door initiatiefnemers laten onderbouwen cq. motiveren. Landschap en cultuurhistorie: er dient versterking van het landschap plaats te vinden. Door middel van een landschappelijk inpassingsplan moet dit worden aangetoond. Ecologie: het zonnepark mag geen negatief effect hebben op beschermde ecologische waarden en niet liggen in GNN (Gelders Natuurnetwerk) en alleen in de Groene ontwikkelingszone als er sprake is van een bijdrage aan de natuur- en landschapsdoelstellingen. Draagvlak: in een participatieverslag is omschreven hoe rekening is gehouden met draagvlak. Financiële participatie: er moet naar worden gestreeft dat lokale bedrijven en inwoners participeren voor minimaal 50%.

Opruimplicht: inrichting is tijdelijk voor 25 jaar waarna de opstelling wordt verwijderd met uitzondering van de duurzaam te handhaven onderdelen van het landschappelijk inpassingsplan. Initiatief zonnepark Zomereiken Het initiatief voor aanleg van een zonnepark aan de Berkenhofweg te Groenlo is getoetst aan voornoemd toetsingskader. Voor onderbouwing van enkele onderdelen zijn onderzoeken uitgevoerd en verwerkt in onderzoeksrapporten. De onderzoeken zijn bij deze ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. In hoofdstuk 5 is het toetsingskader nader toegelicht.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

31

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

4.5.1.1 Beschrijving toetsingskader In het landschappelijk inpassingsplan is aangegeven dat er een mogelijkheid is om de ondergrond extensief te laten begrazen door schapen. Hiermee wordt de ondergrond onderhouden en bemest. Voor het initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld welke als bijlage 6 bij de onderbouwing is bijgevoegd. Dit landschappelijk inpassingsplan is akkoord bevonden. Voor de Ecologie is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd welke als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is bijgevoegd. Verwezen wordt naar paragraaf 5.4 'Ecologie'. Draagvlak is omschreven in paragraaf 6.1. Verwezen wordt naar het participatierapport welke als bijlage 12 is bijgevoegd. Financiele participatie en opruimplicht zijn opgenomen in een anterieure overeenkomst waarin afspraken hieromtrent zijn gemaakt met initiatiefnemer. Hierdoor zijn beide geborgd.

4.5.2

Landschapsontwikkelingsplan 'Groen Licht voor het Landschap'

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!' Planspecifiek Voorliggend project voorziet in het behalen van enkele doelstellingen uit het LOP. Eén van de doelen betreft het herstellen van bestaande waardevolle cultuurlandschappen en de ontwikkeling van nieuwe landschappen voor verschillend gebruik. In dit project komt dit tot uiting door de kavelranden van percelen te omzoomen met landschapselementen en visualisatie van een waardevol cultuurhistorisch monument zijnde de circumvallatielinie. Deze doelstellingen zijn opgenomen in een door Adviesbureau Haver Droeze opgestelde landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied. In hoofstuk 3, paragraaf 3.3 is de landschappelijke inpassing nader omschreven. 4.5.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid. Het draagt bij aan de doelstelling om het aandeel hernieuwbare energie te verhogen en het zonnepark wordt landschappelijk zorgvuldig ingepast, aansluitend op de geldende landschapskenmerken.

4.6

Algehele conclusie beleid

Uit de voorgaande beleidstoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het internationaal-, nationaal-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid

32

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Hoofdstuk 5

Uitvoeringsaspecten

Voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan (projectafwijking) moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de uitvoerbaarheid aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1

Inleiding

Nieuwe initiatieven hebben te maken met natuurwaarden en milieuaspecten. Een aantal van deze natuurwaarden en milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en voor het planproject relevante aspecten nader beschreven.

5.2

Milieu

5.2.1

Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota 'Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart' in werking getreden. De Nota 'Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart' zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota 'Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart' is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van de Nota 'Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart' is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota 'Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart' vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.

Planspecifiek Zonnepark Voorliggend project maakt de ontwikkeling van een zonnepark mogelijk. Een zonnepark is geen bodemgevoelige functie, waarmee op voorhand kan worden gesteld dat de kwaliteit van de bodem in lijn is met het toekomstig functiegebruik. Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waar geen personen verblijven. Daarnaast zijn een aantal kleine bouwwerken in het plangebied aanwezig (trafo's). Ook hier verblijven geen personen. Daarnaast zijn bij de aanleg geen grootschalige bodemingrepen aan de orde. Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem is dan ook niet noodzakelijk.

Grolse Linie Voorliggend project maakt ook de aanleg van een deel van de 17 eeuwse circumvallatielinie mogelijk. Deze linie is een archeologisch rijksmonument en hiervoor is een beschermingszone vastgesteld waarbinnen geen voor het bodem archief verstorende ingrepen mogen plaatsvinden. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is een archeologische monumentenvergunning noodzakelijk waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het bevoegd gezag is. De minister dient hierover nog een besluit te nemen.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Conclusie Er kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen probleem zal opleveren voor de beoogde functie voor realisatie van een zonnepark met uitzondering van de gronden waarop onze Minister het bevoegd gezag is (archeologisch monument). Met betrekking tot het aspect bodem is het initiatief uitvoerbaar voor wat betreft de aanleg van de zonnepanelen.

5.2.2

Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM).

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek Gelet op het toekomstig gebruik van de locatie is de bijdrage van het initiatief aan luchtkwaliteit zeer summier te noemen. Het zonnepark zelf heeft geen effect. Het aantal verkeersbewegingen in verband met de installatie en reparatie van de zonnepanelen neemt niet toe ten opzichte van de bestaande verkeersbewegingen behorende bij het agrarisch landgebruik van de locatie. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect luchtkwaliteit.

34

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

5.2.3

Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek Dit project maakt een zonnepark mogelijk binnen het projectgebied. Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie zoals bepaald in de Wgh. Een zonnepark heeft op zichzelf ook geen geluidseffect op omliggende geluidgevoelige functies. Wel is er sprake van enig geluidseffect op de omgeving afkomstig van het inkoopstation en de transformatoren. In de subparagraaf 5.2.5 is gemotiveerd dat geluidsgevoelige objecten uit de omgeving geen hinder ondervinden van het inkoopstation en de transformatoren.

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 5.2.4

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Planspecifiek Een zonnepark is geen geurgevoelig object volgens de Wgh. Het zonnepark zorgt ook niet voor geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving.

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

35

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

5.2.5

Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek Een zonnepark is geen milieugevoelig object en de panelen zelf hebben geen milieueffect op de omgeving. Wel komen er, voor het verwerken van de opgewekte energie, een inkoopstation en enkele transformatoren aan de zuidkant van het park. Voor het bepalen van het milieueffect van deze transformatoren is uitgegaan van 'Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: - 10 - 100 MVA', categorie 3.1 met een maximale richtafstand van 50 m op basis van geluid (publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'). Binnen een straal van 50 m vanaf de grenzen van het zonnepark liggen geen milieugevoelige objecten. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand en leidt het zonnepark niet tot een nadelig milieueffect op de omgeving.

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering. 5.2.6

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt

36

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek Dit project maakt een zonnepark mogelijk binnen de projectlocatie. De projectlocatie zal niet worden gebruikt als verblijfslocatie voor personen en is daarmee geen kwetsbaar object. Het zonnepark vormt tevens geen risicobron voor kwetsbare objecten in de omgeving.

Conclusie Het project is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid. 5.2.7

Milieueffectrapportage

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) onderzoekt de milieugevolgen van een plan of project en de (milieuvriendelijkere) alternatieven. Een m.e.r. is verplicht bij grote ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van industriële complexen en aanleg van auto(snel)wegen maar een m.e.r. is bijvoorbeeld ook verplicht voor de aanleg van een golfbaan en bij bepaalde uitbreidingen van agrarische bedrijven. Het milieueffectrapport (MER) is onderdeel van de m.e.r.-procedure. Of een project m.e.r.-plichtig is moet ten eerste worden getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlage C en D. In die twee bijlagen zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een m.e.r. beoordelingsplicht geldt. Ten tweede kan de provinciale milieuverordening aanvullend op het Besluit m.e.r. nog meer activiteiten aanwijzen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Ten derde kan uit een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 ook een m.e.r.-plicht volgen. Ook als de drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (duidelijk) niet gehaald worden dient aandacht uit te gaan naar de milieugevolgen van een plan of project. Die aandacht naar de milieugevolgen heet dan 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Een m.e.r. kan ook nodig zijn als de betreffende activiteit niet wordt genoemd in het Besluit m.e.r.

en ook niet op andere wijze (bijvoorbeeld op grond van de provinciale milieuverordening) m.e.r.-plichtig is. Dit heet de onverplichte m.e.r.

Planspecifiek Het onderhavige plan behelst het mogelijk maken van een zonnepark met een netto oppervlak van 10,9 hectare. Een zonnepark is in te delen als oprichting van een installatie bestemd voor de productie van elektriciteit. Deze activiteit staat in het Besluit m.e.r. in de D-lijst onder nummer D22.1. De drempelwaarde bedraagt een activiteit met een vermogen van 200 megawatt of meer. Gelet op het totale vermogen van dit zonnepark, circa 13 MWp, wordt de drempelwaarde niet overschreden. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 3 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen.

Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

37

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Conclusie Het project is uitvoerbaar nu deze niet mer-plichtig is.

5.3

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.

Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2016-2021 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken. Het waterschap heeft de "Handreiking Waterparagraaf voor bestemmingsplannen" (versie januari 2012) ontworpen waarmee kan worden bepaald voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf. Bij plannen met een verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in de nieuwe situatie hoeft geen berging

38

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo gerealiseerd te worden. Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m² dient rekening gehouden te worden met een maatgevende bui van 40 mm per uur. Hiervoor kan de volgende berekening worden gehanteerd, waarin de factor 0,04 m een maatgevende bui van 40 mm per uur vertegenwoordigt: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * 0,04

Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Watertoetstabel Aan de hand van de handleiding van het waterschap is het aspect water in het voorliggende plan meegenomen. In de volgende tabel wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige aspecten voor het bestemmingsplan relevant zijn.

Thema

Toetsvraag

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het projectgebied 1. Nee een waterkering ? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het projectgebied in een waterbergingsgebied of 2. Nee winterbed van een rivier ?

2

1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1. Nee 1 m³/ uur ? 2. Ligt in het projectgebied een persleiding van WRIJ ? 2. Nee 3. Ligt in of nabij het projectgebied een RWZI of 3. Nee rioolgemaal van het waterschap ?

2

Riolering en afvalwaterketen

Relevant

Inten siteit*

2

1 1

Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak (oppervlaktewater) met meer dan 2.500 m² ? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m² ? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak ? 4. In of nabij het projectgebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes ?

1. Nee

2

2. Nee

1

3. Nee

1

4. Nee

1

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Nee

1

1. Wordt vanuit het projectgebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd ?

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

39

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Grondwateroverlast 1. Is in het projectgebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond ? 2. Is in het projectgebied sprake van kwel ? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren ? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage ?

1. Nee

1

2. Nee 3. Nee

1 1

4. Nee

1

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het projectgebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ?

1. Nee

1

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het projectgebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap ? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel ?

1. Ja

1

2. Ja

2

Volksgezondheid

1. In of nabij het projectgebied bevinden zich 1. Nee overstorten uit het gemengde stelsel ? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het 2. Nee projectgebied die milieuhygiënisch of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen ( zwemmen, spelen, tuinen aan water ) ?

1

1. Bevindt het projectgebied zich in of nabij een natte EVZ ? 2. Ligt in of nabij het projectgebied een HEN of SED-water ? 3. Bevindt het projectgebied zich in beschermingszones voor natte natuur ? 4. Bevindt het projectgebied zich in een Natura 2000-gebied ?

1. Nee

2

2. Nee

2

3. Nee

1

4. Nee

1

Verdroging

1. Bevindt het projectgebied zich in een TOP-gebied ? 1. Nee

1

Recreatie

1. Bevinden zich in het projectgebied watergangen 1. Nee en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt ?

2

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het projectgebied aanwezig ?

1

Natte natuur

1. Nee

1

Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's

* de intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. Als er op een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord dan kan een verkorte watertoets worden doorlopen. Als er alleen met 'nee' is geantwoord dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.

Verhard oppervlak Het verhard oppervlak in het projectgebied zal enigins toenemen bij plaatsing van het inkoopstation en trafo's. De oppervlakte hiervan zal de gestelde 250 m2 niet teboven gaan. Het verhard oppervlak bij de zonnepanelen neemt nauwelijks toe. Door de hellingshoek van de panelen krijgt hemelwater de kans om langs de panelen af te glijden naar de onverharde ondergrond, waar het water in de bodem opgenomen wordt. De panelen en de constructie worden uitgevoerd met niet-uitloogbare materialen. Watergang

40

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Aan de zuidzijde van het plangebied is een watergang gelegen die gedeeltelijk in beheer is door het Waterschap Rijn en IJssel. Deze watergang wordt aan de zijde van het projectgebied voorzien van een natuurvriendelijke oever met struweelhaag. Voor het deel van de watergang wat in beheer is door het Waterschap en op een leggerkaart is aangegeven, geldt dat voor alle werkzaamheden op en rond dit deel van de watergang, binnen de kern- en beschermingszone, een watervergunning nodig is. Initiatiefnemer dient deze watervergunning aan te vragen bij het Waterschap Rijn en IJssel. In de watervergunning zullen dan afspraken worden gemaakt over de herinrichting en de onderhoud van de watergang. Initiatiefnemer blijft hierdoor verantwoordelijk voor het onderhoud van de watergang. In het landschappelijk inpassingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 3 paragraaf 3.3, en als bijlage 6 is bijgevoegd, is nader inzichtelijk gemaakt en toegelicht op welke wijze de natuurvriendelijke oever vorm krijgt en onderhoud hieraan plaatsvindt.

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

5.4

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.

Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Om de effecten van het zonnepark vanuit het aspect ecologie te beoordelen, is een quickscan Wet natuurbescherming (ecologie) door Econsultancy uitgevoerd. Het rapport van 31 januari 2020, met nummer 11763.002, versie D1, is toegevoegd als bijlage 9. Daarnaast heeft er een stikstoftoets met bijbehorende berekeningen in de aanleg- en gebruiksfase plaatsgevonden. Deze toets met bijbehorende berekeningen zijn toegevoegd als bijlage 10. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van deze

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

41

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo paragraaf opgenomen.

Conclusie uit onderzoeksrapport Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen in-greep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.

Stikstof Door Econsultancy is ook onderzoek gedaan naar de mogelijke stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het onderzoek is opgenomen in een onderzoeksrapport 'onderzoek stikstofdepositie' van 5 november 2020, met nummer 11763.003, versie D2, welke als bijlage 10 is bijgevoegd. In het onderzoeksrapport wordt het volgende geconcludeerd. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te

42

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor de in Duitsland gelegen natuurgebieden geldt een afwijkend toetsingskader. Op basis van jurisprudentie worden voor activiteiten op Nederlands grondgebied de toetsingskaders van Duitsland gehanteerd. Zowel de aanlegfase (constructie), de gebruiksfase (operationele fase) als de sloopfase (opruimen zonnepark) kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg-, gebruiks- als sloopfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator (versie 2020). Uit de berekeningen blijkt dat het projecteffect op de Nederlandse Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Het maximaal berekende projecteffect op de Duitse Natura 2000-gebieden is 0,01 mol/ha/jaar. Het projecteffect is lager dan de drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar voor Duitse Natura 2000-gebieden. Op basis van het onderzoek blijkt dat met de realisatie van het zonnepark significant negatieve effecten binnen voor stikstofgevoelige habitattypen van de omliggende Natura 2000-gebieden (zowel in Nederland als Duitsland) uitgesloten kunnen worden.

Er is tevens geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor het aspect stikstofdepositie.

Conclusie De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

5.5

Verkeer en parkeren

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking en het aantal benodigde parkeerplaatsen kent dit project geen effect. De locatie wordt ontsloten door een zandpad, ten westen van de projectlocatie. Monteurs zullen incidenteel van en naar het plangebied rijden ten behoeve van het onderhoud van het park. Afgezet tegen het huidig gebruik van de locatie (landbouwgrond) leidt dit niet tot meer verkeersbewegingen. Dit geldt eveneens voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. De monteurs kunnen naast het zandpad parkeren. Voor fietsers wordt een voorziening getroffen naast het projectgebied om hier de fietsen te stallen.

Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer en parkeren.

5.6

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan of bij iedere afwijking daarvan, moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

43

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek Cultuurhistorie In het centrale deel van het plangebied loopt de circumvallatielinie uit de 17e eeuw. Ter bescherming hiervan is in het geldende bestemmingsplan een beschermingszone opgenomen waarbinnen geen bodemingrepen mogen plaatsvinden zonder goedkeuring van het bevoegd gezag. Initiatiefnemer wil de oorspronkelijke circumvallatielinie reconstrueren door middel van o.a. de aanleg van een redoute. Door deze werkzaamehden is er een archeologiche monumentenvergunning nodig van onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een aanvraag hiervoor is ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Archeologie Door Econsultancy is een verkennend archeologisch vooronderzoek verricht. In dit onderzoek wordt geadviseerd om een aanvullend verkennend booronderzoek te laten uitvoeren. Dit verkennend vooronderzoek van 10 februari 2020, met nummer 11763.001, versie 01, is als bijlage 7 bijgevoegd Het aanvullend archeologisch onderzoek is ook door Econsultancy uitgevoerd. Dit aanvullend onderzoek is, tezamen met de resultaten uit het voornoemd vooronderzoek, opgenomen in een rapport van 23 maart 2020, met nummer 11763.001 & 11763.004, versie 01 en als bijlage 8 bijgevoegd.

Zij komen met het volgende advies: "Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat het plangebied in het verleden altijd te maken heeft gehad met zeer natte/drassige condities, in een gebied dat minder gunstig zo niet ongunstig was voor (tijdelijke) bewoning. Het verder ontbreken van archeologische resten dan wel door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen in het opgeboorde bodemmateriaal, maakt het zeer onwaarschijnlijk om nog archeologische waarden te verwachten buiten de begrenzing waar zeer waarschijnlijk de Circumvallatielinie heeft gelopen. Voor het merendeel van het plangebied dient de archeologische verwachtingswaardige bijgesteld te worden naar een lage verwachting. De zone waar mogelijk nog restanten van de Circumvallatielinie liggen (inclusief de bufferzone, circa 2 hectare) blijft verder ongemoeid".

Conclusie Het project is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie. Voor het aspect cultuurhistorie is Onze Minister het bevoegd gezag. Hierbij geldt dat, de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen, ruimtelijke ontwikkeling en aanlegactiviteit, zoals deze nu voor ligt en waarvan deze ruimtelijke onderbouwing deel van uitmaakt, pas in werking treedt als ook de archeologische monumentenvergunning in werking treedt.

44

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

5.7

Schittering

Schittering door zonnepanelen vindt plaats wanneer zonnestralen zó reflecteren op zonnepanelen, dat zij in het oog van een observeerder worden opgevangen. Drie factoren spelen hierbij een rol: De stand van de zon aan de hemel. De opstellingshoek van de zonnepanelen. De locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen. Enkel wanneer al deze drie factoren over een minimale bepaalde waarden beschikken is schittering mogelijk. Vervolgens zijn er meerdere factoren die bepalen hoe de reflectie wordt ervaren: De felheid van de reflectie. De hoeveelheid achtergrondlicht. De positie van de reflectie in het gezichtsveld van de observeerder. De duur van de verlichting. Planspecifiek Door initiatiefnemer worden maatregelen getroffen om schittering van de zonnepanelen te voorkomen of deze te ervaren. Deze maatregelen hebben zij verwoord in een reflectienota van 1 juli 2020 welke als bijlage 11 hier is bijgevoegd.

Preventieve maatregelen Voor eventuele reflectie van het zonnepark worden verschillende preventieve maatregelen genomen. Het Zonnepark de Zomereiken wordt in een compacte zuid opstelling gebouwd. Hierdoor is het niet mogelijk dat mogelijke reflectie de woningen aan de noordkant van het projectgebied aan de Berkenhofweg zal bereiken. Hiernaast is ervoor gekozen de panelen met een hellingshoek van ca 10 graden en met een maximale hoogte van slechts 1,50 meter te plaatsen. Doordat de panelen onder een hoek staan zal het zonlicht vooral verticaal worden gereflecteerd. Hierdoor zal het hoogst onwaarschijnlijk zijn dat eventuele reflectie de woningen aan de zuidkant zal bereiken, aangezien deze op gepaste afstand van het projectgebied staan. Tenslotte wordt, om eventuele reflectie van het Zonnepark de Zomereiken te minimaliseren, gebruik gemaakt van Tier 1 panelen met “High transmission tempered glass” en anti-reflectie coating. Dit type panelen heeft een maximale absorptie van zonlicht en dus een zeer lagere reflectie. Voor alle woningen in de nabijheid van het zonnepark verzorgt de landschappelijke inpassing van het zonnepark een natuurlijke barrière tussen de woningen en het projectgebied. Het projectgebied wordt aan de zuidkant ingepast middels een 9,5 meter brede zone waarbij 3 meter natuurvriendelijke oever en 3 meter lage struweelhaag wordt gerealiseerd.

Deze lage struweelhaag is ten minste 1,50 meter hoog met enkele hogere boomvormers. Omdat de hoogte van de panelen slechts maximaal 1,50 meter is zal eventuele horizontale reflectie worden gebroken door de groenzone om het projectgebied. Hierdoor zullen de woningen gelegen aan de zuidkant van het plangebied ook geen schittering ervaren.

Conclusie Het project is uitvoerbaar vanuit het aspect schittering.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

45

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

5.8

Electromagnetische straling

Bij transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen.Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (iT). De GGD-en adviseren om ook bij andere bronnen van ELF-EM velden, zoals transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 iT komt. Gezien de relatief grote afstand van de transformatorhuisjes tot de dichtstbijzijnde woningen (minimaal 30 m) zal de advieswaarde van 0,4 iT niet worden overschreden. Antennemasten defensie Op een afstand van ongeveer 4 kilometer van het zonnepark bevindt zich een ontvangststation van het ministerie van Defensie. Dit is een gevoelige antenne waarop het zonnepark mogelijk invloed heeft in verband met mogelijke uitzending van storende signalen door onderdelen van het zonnepark binnen het frequentiegebied waarin het ontvangststation functioneert.

In samenspraak met het ministerie van Defensie heeft Agentschap Telecom een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke invloed van het zonnepark op het ontvangststation. Hieruit blijkt dat de werking van het ontvangststation niet negatief wordt beïnvloed indien het zonnepark voldoet aan de emissie-eisen zoals vastgesteld in gebruiksvoorschrift 1 van de omgevingsvergunning, gemeten volgens de meetmethode zoals vastgesteld in de omgevingsvergunning. De invloed van het zonnepark is te mitigeren door aanpassingen te doen aan het zonnepark. Voorbeelden van dit soort aanpassingen zijn het toepassen van omvormers die onder de toelaatbare emissie-eis blijven in het relevante frequentiegebied, het afgeschermd plaatsen van bekabeling en omvormers en/of filters aanbrengen op bekabeling om eventuele emissie van radiosignalen op de relevante frequenties te verminderen. Met het ministerie van Defensie is afgesproken dat het zonnepark alleen in gebruik mag zijn als het zonnepark het ontvangststation niet ontoelaatbaar beïnvloedt. In de vergunningvoorschriften is hiertoe gebruiksvoorschrift 2 opgenomen dat bepaalt dat het zonnepark alleen in gebruik mag zijn als het voldoet aan vooraf vastgelegde emissie-eisen. Daartoe moet na realisatie een meting plaatsvinden om aan te tonen dat aan deze eisen wordt voldaan.

Op deze wijze is verzekerd dat het zonnepark, gelet op de regels uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), kan worden gerealiseerd.

Conclusie Het aspect electromagnetische straling vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Algemene conclusie

In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen met zich meebrengt.

46

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg partners Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een uitgebreide procedure om omgevingsvergunning (projectafwijking) overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan zou een voorontwerp omgevingsvergunning toegestuurd worden aan de vooroverlegpartners. Op 31 januari 2019 is de planontwikkeling voor vestiging van een zonnepark besproken met de provincie. Vestiging van een zonnepark op de gewenste locatie is opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland en voldoet aan de provinciale regeling. Toesturen van een voorontwerp omgevingsvergunning is dan ook niet meer nodig. De provincie krijgt een ontwerp van de omgevingsvergunning toegestuurd. Een voorontwerp omgevingsvergunning is toegezonden aan het Waterschap Rijn en IJssel. Bij mail van 24 november 2020 heeft het Waterschap een reactie gegeven op de waterparagraaf zoals opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing. De reactie ging met name over een deel van de aan de zuidzijde van het plangebied gelegen watergang welke in beheer is van het Waterschap. De reactie is opgenomen in paragraaf 3.1.7 en 5.3.

en de paragrafen zijn hierop aangepast. Het waterschap kan wederom reageren op het ontwerp omgevingsvergunning die aan het waterschap wordt toegezonden.

Overleg buurt en belangstellenden Vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet heeft er, voorafgaand aan dit ontwerp bestemmingsplan, participatie plaatsgevonden. Door middel van een digitale inloopbijeenkomst en informatiebijeenkomsten zijn directe buren en overige belangstellenden geinformeerd over dit project. Van deze bijeenkomsten is een participatieverslag gemaakt die als bijlage 12 is bijgevoegd.

Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. Eventuele binnen gekomen zienswijzen worden in deze paragraaf behandeld.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieplan Conform artikel 6.12, eerste lid Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen, tenzij conform artikel 6.12, tweede lid, onder a, het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst aangegaan waarin alle kosten conform artikel 6.2.3/6.2.4 Bro zijn opgenomen.

Planschade Een belanghebbende kan, na een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning, een verzoek indienen om een tegemoetkoming in de schade, indien die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in artikel 6.1 tweede lid Wro genoemde oorzaak (artikel 6.1 Wro). Eventuele planschade wordt verhaald op de initiatiefnemer.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

47

omgevingsvergunning Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo

Conclusie Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarmee de economische uitvoerbaarheid is vastgelegd. Een exploitatieplan is niet nodig.

48

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

bezoek Varsseveldseweg 2 7131 BJ Lichtenvoorde post Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde telefoon (0544) 39 35 35 fax (0544) 37 29 69 e-mail gemeente@oostgelre.nl internet www.oostgelre.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9685259/1