CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

vvgb zonnepark berkenhofweg bijlage 8 archeologisch verkennend onderzoek

Raadscommissie 25 mei 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen ‘Omgevingsvergunning zonnepark Berkenhofweg Groenlo’20.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN AANVULLEND VERKENNEND BOORONDERZOEK BERKENHOFWEG (ONG.) TE GROENLO GEMEENTE OOST GELRE

Archeologisch bureauonderzoek en aanvullend verkennend booronderzoek Berkenhofweg (ong.) te Groenlo Opdrachtgever

Sunvest Maarssenbroeksedijk 37 3542 DM Utrecht

Rapportnummers Versienummer1 Datum

11763.001 & 11763.004 1 23 maart 2020

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

ir. E.M. ten Broeke

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

11763.001 & 11763.004

Toponiem

Berkenhofweg (ong.)

Opdrachtgever

Sunvest

Gemeente

Oost Gelre

Plaats

Groenlo

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

Gemeente Groenlo, sectie F, nummer 393 (ged.)

Omvang plangebied

Circa 11 hectare

Kaartblad

34 G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 240.995/Y: 452.640

Bevoegde overheid

Gemeente Oost Gelre De heer P. Ballast Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde Tel. 0544-393505 Email: p.ballast@oostgelre.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Dhr. D. Kastelein, regio archeoloog Achterhoek Postbus 200 7255 ZJ Hengelo (Geld.) Tel. 06-24726057 Email davy.kastelein@odachterhoek.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4769016100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Verkennend booronderzoek 4776185100

Archeoregio NOaA

Overijssels-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Doetinchem/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland

Uitvoerder(s)

Econsultancy, ir. E.M. ten Broeke

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Sunvest een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Berkenhofweg (ong.) te Groenlo in de gemeente Oost Gelre. De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het bureauonderzoek en conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre, kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen wordt middelhoog geacht. Voor de periode Nieuwe tijd geldt voor het plangebied een lage trefkans op het voorkomen van restanten van historische erven. Vanwege de verwachting dat er geen plaggendek aanwezig is binnen het plangebied, worden archeologische resten in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) verwacht; in de top van de dekzandafzettingen waar voornamelijk veldpodzolgronden, beekeerd of gooreerdgrond wordt verwacht. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht.

Specifiek voor het centrale deel van het plangebied wordt de kans op de aanwezigheid van resten/sporen van de Circumvallatielinie zeer hoog geacht (is voor een groot deel vastgesteld, dus restanten hiervan zouden aanwezig moeten zijn). In situ gelegen resten gerelateerd aan en sporen van deze linie worden verwacht direct onder de huidige bouwvoor, onder het (recent) verploegde/bewerkte bodemdeel. Op basis van het inrichtingsplan zullen er ter plaatse van de Circumvallatielinie (inclusief de bufferzone, circa 2 hectare) geen bodemverstorende handelingen zullen worden uitgevoerd en is hier aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit grondmoreneafzettingen (veelal keizand en alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied nog een restant keileem) dat binnen het merendeel van het plangebied nog afgedekt is met een dunne laag/dun deken van dekzandafzettingen. Er zijn in de boringen voornamelijk AC-profielen aangetroffen, wat betekend dat direct onder de huidige donkergrijsbruin gekleurde bouwvoor van circa 30 tot 35 cm dik de C-horizont aanwezig is. Er komen daarmee voornamelijk beekeerdgronden voor, kenmerkend voor gebieden met hoge grondwaterstanden.

Tevens is er vooral in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied een verstoorde bodemopbouw aangetroffen die wat dieper gaat tot de huidige bouwvoor, gemiddeld tot 50 cm -mv, wat zeer waarschijnlijk veroorzaakt is door agrarische bewerking van het perceel. Alleen bij slechts enkele verspreid liggende boringen is een restant van een zwak ontwikkelde veldpodzolbodem aanwezig. Conclusie Geconcludeerd dat er geen terreindelen aan te duiden zijn waar in het verleden de hydrologische omstandigheden dermate gunstig zijn geweest om te fungeren als voldoende geschikte potentiele bewoningslocaties. Zelfs in de huidige situatie heeft het plangebied een ligging waar periodiek sprake is van vrij natte/drassige omstandigheden. De agrarische bewerking van het terrein heeft er tevens voor gezorgd dat binnen delen van het plangebied (vooral in het centrale en noordelijke deel van het plangebied) dat het archeologisch potentiële sporenniveau gedeeltelijk is aangetast (zeker ondiepe sporen zullen zijn vergraven). Daarmee geldt voor het gehele plangebied eerder een lage archeologische verwachting dan een middelhoge archeologische verwachting, zoals gesteld op basis van het voorafgaand uitgevoerde bureauonderzoek.

Ook zijn in het opgeboorde materiaal geen lagen waargenomen die aangewezen zouden kunnen worden als een door de mens gevormde oude cultuurlaag of akkerlaag, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van concentraties van houtskool. Archeologische waarden worden binnen het plangebied dan ook niet meer verwacht.

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat het plangebied in het verleden altijd te maken heeft gehad met zeer natte/drassige condities, in een gebied dat minder gunstig zo niet ongunstig was voor (tijdelijke) bewoning. Het verder ontbreken van archeologische resten dan wel door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen in het opgeboorde bodemmateriaal, maakt het zeer onwaarschijnlijk om nog archeologische waarden te verwachten buiten de begrenzing waar zeer waarschijnlijk de Circumvallatielinie heeft gelopen. Voor het merendeel van het plangebied dient de archeologische verwachtingswaardige bijgesteld te worden naar een lage verwachting. De zone waar mogelijk nog restanten van de Circumvallatielinie liggen (inclusief de bufferzone, circa 2 hectare) blijft verder ongemoeid. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oost Gelre). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode.

De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), de gemeente Oost Gelre of de provincie Gelderland.

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 13 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15

3

CONCLUSIE BUREAUONDERZOEK EN TUSSENTIJDS ADVIES ........................................ 17

4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 17 4.1 4.2 4.3

5

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 17 Methoden ........................................................................................................................ 18 Resultaten ....................................................................................................................... 18

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 20 4.1 4.2

Conclusie ........................................................................................................................ 20 Advies ............................................................................................................................. 21

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 22 BRONNEN .......................................................................................................................................... 24

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-vondsten Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Algemene bodemopbouw plangebied

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 78 Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1926 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1955 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995 Boorpuntenkaart plangebied en resultaten van het booronderzoek, met als achtergrond de luchtfoto

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Inrichtingsplan

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Sunvest een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Berkenhofweg (ong.) te Groenlo in de gemeente Oost Gelre (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen dat uitgevoerd is buiten de begrenzing van de Grolse Linie (Circumvallatielinie) uit 1627 (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in de maand februari 2020 door ir. E.M. ten Broeke (senior KNA-prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 5 en 12 maart 2020 door E.M. ten Broeke (senior KNA-prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:   

2

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);

Beschikbaar via www.sikb.nl

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 1 van 24

 

beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de Atlas Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Bronckhorst; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging; Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 750 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 11 hectare en ligt aan de Berkenhofseweg (ong.), gemiddeld 2,2 kilometer ten noordoosten van de kern van Groenlo in de gemeente Oost Gelre (zie figuren 1 en 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte variërend tussen circa 29,4 en 30,3 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Groenlo, sectie F, nummer 393 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 34 G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 240.995 / Y: 452.640. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.

Het plangebied is geheel in agrarisch gebruik (percelen grasland) en wordt voornamelijk omgeven door andere agrarische percelen. Langs de noordwest- en de zuidwestzijde van het plangebied lopen respectievelijk de Berkenhofweg en de Vredenseweg (zie figuur 3).

3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 2 van 24

Vigerend beleid4 Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 (vastgesteld op 1812-2012). Volgens dit bestemmingsplan heeft een groot deel van het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 2. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Het centrale deel van het plangebied heeft een dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 3 (vanwege de ligging binnen een deels vastgesteld en deels nog niet vastgesteld deel van de Circumvallatielinie, met daarbij de 25 meter dan wel 50 meter bufferzone).

Volgens de bijbehorende planregels zijn deze gronden bestemd voor de bescherming en instandhouding van de Grolse Linie (Circumvallatielinie) uit 1627. Atlas Gelderland5 Met de Atlas Gelderland wilt de provincie Gelderland inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit binnen de provincie in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Atlas Gelderland zien waar vroeger (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Het raadplegen van de Atlas Gelderland heeft voor het plangebied geen aanvullende gegevens opgeleverd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens op beide locaties een zonnepark te realiseren (zie bijlage 4). Samen met de plaatsing van bijgebouwen en de aanleg van leidingentracés, zullen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen minimaal 30 en maximaal 100 cm -mv. De draagconstructie van de zonnepanelen zal bestaan uit zogenaamde H-profielen (naar verwachting een constructie van 0,1 x 0,1 x 1,50 m onder maaiveld per paneel). 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.

4

De Roode & Van den Berghe, 2008 https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocortex/Essentials/ REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Default 5

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 3 van 24

De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie6

Dekzandafzettingen op fluvioperiglaciale afzettingen (sneeuwsmeltwaterafzettingen) van de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden) op grondmorene/keileem van de Formatie van Drente (Laagpakket van Gieten) op geconsolideerde Tertiaire afzettingen.

Archeologische landschappenkaart gemeente Oost Gelre7

Deels gelegen binnen een vereffeningsrestglooiing met resten van terrasafzettingen, afgedekt met dekzand met in de top veldpodzolen (Tv). Deels binnen dekzandwelvingen met overwegend veldpodzolgronden (Ew). Deels binnen dekzandlaagten met overwegend beekeergronden (Elb).

Bodemkunde en grondwatertrap8

Merendeel plangebied veldpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand en met keileem tussen 40 en 120 cm -mv (Hn21x, grondwatertrap V) Noordoostelijke deel gooreerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand en met keileem tussen 40 en 120 cm -mv (pZn23x, grondwatertrap III).

Landschappelijke ontwikkeling 9 Het plangebied is gelegen op het Oost-Nederlandse Plateau. Het Oost-Nederlandse Plateau helt af naar het noordwesten en wordt begrensd door het Pleistocene bekken. De geologische opbouw van het gebied is zeer gecompliceerd. Gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 250.000 130.000 jaar geleden) heeft het gebied geruime tijd onder een dikke, schuivende ijskap gelegen, waardoor het landoppervlak werd 'overreden', geërodeerd en afgevlakt. Onder het landijs werd op veel plaatsen grondmorene (meestal keileem) afgezet, behorend tot de Formatie van Drente, Laagpakket van Gieten. De grondmorene is gevormd op het contactvlak tussen het voortschuivende ijs en de ondergrond en bestaat in zijn meest kenmerkende vorm uit een structuurloze leem vermengd met grof zand, grind en stenen. Onder het honderden meters dikke gletsjerijs verzamelde zich gedurende het smeltseizoen veel water. Dit concentreerde zich in subglaciale smelwaterstromen, die door de enorme hydrostatische druk een diep ingesneden systeem van tunneldalen vormden. De aanwezigheid van deze slecht waterdoorlatende afzetting aan of nabij de oppervlakte is, samen met de onderliggende tertiaire kleien, de oorzaak van het voorkomen van ondiepe grondwaterstanden tijdens regenachtige perioden.

Naast de grondmorenes werden tijdens het Saalien plaatselijk glaciofluviale sedimenten afgezet door ijssmeltwater. Deze glaciofluviale afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Drente, Laagpakket van Schaarsbergen, en bestaan voornamelijk uit grindhoudende zanden. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen. Aan weerszijden van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd. De rivier de Rijn, die normaliter van zuid naar noord stroomde door het Pleistocene Bekken, werd door deze ijskap gedwongen hun weg langs de zuidzijde van het ijs westwaarts naar de zee te zoeken. Tijdens het terugtrekken, en daarmee het afsmelten van het landijs, werd met name het Pleistocene Bekken gedeeltelijk opgevuld met glaciofluviale afzettingen (grove, grindhoudende zanden vermengd met leem), behorend tot de Formatie van Drente. Vervolgens hervatte de voorlopers van de Rijn weer hun loop door het Pleistocene Bekken naar het noorden, waarbij de afzettingen van de Formatie van Kreftenheye werden gevormd.

6

De Mulder et al., 2003 De Roode & Van den Berghe, 2008 8 Stichting voor Bodemkartering, 1977 9 De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2008 / De Roode et al., 2009 / De Roode & Van den Berghe, 2008 / Van Beek, 2009 / Willemse & Keunen, 2014 7

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 4 van 24

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 tot 10.000 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet. Wel had het klimaat een continentaal karakter (koud en droog). Het landschap bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. De zeespiegel daalde tot wel 110 meter ten opzicht van het huidige niveau (NAP). Door een combinatie van deze daling van de zeespiegel en vernieuwde tektonische activiteiten, waarbij het Pleistocene Bekken verder daalde en een deel van het Oost Nederlandse Plateau omhoog kwam, is de Rijn zich gaan insnijden in zijn eigen sedimenten tot aan de lijn Aalten-Neede en ligt tevens ter plaatse van Groenlo en daarmee enkele honderden meters ten westen van het plangebied (ongeveer ter plaatse van de nieuwe Twenteroute (N18)). Hierbij is toen de terrasrand ontstaan. Het terrein ten oosten van deze terrasrand wordt daarom aangeduid als het Oost Nederlandse Plateau. Pas tijdens het Midden-Weichselien (ook wel aangeduid als Pleniglaciaal, 73.000 tot 13.000 jaar geleden) is de Rijn weer sedimentpakketten gaan opbouwen, echter nu alleen ten westen van de terrasrand. Deze sedimenten behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Buiten de invloedsfeer van de Rijn werd een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge Dekzand. Het Oude Dekzand is afgezet tijdens het Pleniglaciaal.

Het is veelal horizontaal gelaagd en er komen lemige banden in voor. Het Jonge Dekzand is afgezet tijdens het Laat-Weichselien (Laat-Glaciaal) in de vorm van langgerekte, vaak ZW-NO georiënteerde ruggen. Gelaagdheid is in het Jonge Dekzand meestal niet aanwezig. Ook komen er geen leemlagen in voor. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Door het hoogteverschil ontstonden bij de terrasrand lokale beekdalsystemen (sneeuwsmeltwaterdalen), waarbij aan de westzijde waaiers van uitgespoeld materiaal werden gevormd (daluitspoelingswaaiers). Op het Oost-Nederlandse Tertiaire Plateau is slechts een dunne laag Jong dekzand afgezet of ontbreekt het geheel, waardoor tertiaire kleien en keileem (vrijwel) dagzomen. Het dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, dat behoort tot de Formatie van Boxtel (voorheen de Formatie van Twente). In het Holoceen (vanaf ca. 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk heeft plaatsgevonden tijdens de laatste eeuwen.

De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Veel beken bevinden zich binnen de lager gelegen smeltwaterdalen (tunneldalen). Het beekdal van de Groenlosche Slinge, welke op een afstand van circa 800 meter ten zuidwesten ligt, bevindt zich in een dergelijk tunneldal. Daar waar tertiaire kleien en keileem (vrijwel) dagzomen bevinden zich, vanwege hun slechte waterdoorlatendheid, relatief veel natte bodems. Ook zijn in het Holoceen verspreid over delen van het Oost-Nederlandse dekzandlandschap veengebieden ontstaan. Deze ontstonden vooral daar waar sprake was van een slechte ontwatering vanwege het voorkomen van natte, vlakke delen (depressies) omgeven door hoger gelegen terreindelen en de aanwezigheid van ondoorlatende lagen. De veengebieden hadden vaak een kleine tot middelgrote omvang, samenhangend met de sterke landschappelijke variatie op relatief korte afstanden. Vanaf de Late-Middeleeuwen is het aanwezige veen vooral kleinschalig gewonnen. Vanwege de meestal vrij geringe dikte van de veenpakketten en de slechte ontsluiting was grootschalige veenwinning economisch niet rendabel.

Aanwijzingen van de voormalige venen en het afgraven daarvan zijn in het huidige landschap nauwelijks meer herkenbaar.

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 5 van 24

Nadat veenwinning had plaatsgevonden ontwikkelde zich op de braakliggende terreinen een droge tot natte heidevegetatie. In de 19e en 20e eeuw werden deze gebieden vervolgens ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik, waardoor resten veen vaak volledig zijn vermengd met het onderliggende zanddek en volledig is geoxideerd, mede als gevolg van de gereguleerde grondwaterstanden. Dit (voormalige) hoogveen behoort tot de Formatie van Nieuwkoop. DINO10 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd 11. Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een minder dan een meter dik pakket (nat-)eolische zanden van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Hieronder liggen tot maximaal 2 m -mv grindrijke, matig grove tot zeer grove zanden en betreffen sneeuwsmeltwaterafzettingen van de Formatie van Boxtel. De dikte hiervan is zeer variabel.

Vervolgens vind een overgang plaats naar zandige klei dat tevens rijk is aan grind/kiezels/stenen. Dit betreft de grondmorene/keileem, behorend tot de Formatie van Drente (Laagpakket van Gieten). Archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre, dat het meest actuele landschappelijke beeld weergeeft, ligt het plangebied deels binnen een vereffeningsrestglooiing met resten van terrasafzettingen, afgedekt met dekzand met in de top veldpodzolen (Tv). Verder ligt het plangebied deels binnen een gebied van dekzandwelvingen met overwegend veldpodzolgronden (Ew) en deels binnen een gebied van dekzandlaagten met overwegend beekeergronden (Elb) (zie figuur 4). Het merendeel van deze gebieden bestaat uit voormalige veldgronden, dat wil zeggen voormalige heidevelden en broekgebieden die in de 19 e en 20e eeuw zijn ontgonnen (zie ook § 2.7). Deze zijn vaak te herkennen aan de ‘veld’-toponiemen. In bodemkundig opzicht betreft het gebieden die zich kenmerken door de aanwezigheid van met name veldpodzolgronden met een relatief hoge grondwaterstand. De dekzandvlakten en -laagten komen met name voor in de lagere/depressieachtige gebieden.

Ze worden gekenmerkt door lage grondwatertrappen (III, IV en V) en bodems die kenmerkend zijn voor natte omstandigheden zoals beekeerdgronden en vlakvaagronden. Op de overgang naar hogere terreinen komen gooreerdgronden voor.

10 11

www.dinoloket.nl Dit betreft de boringen B34G0502, B34G0505 en B34G0514

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 6 van 24

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)12/hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op basis van het AHN is specifiek voor de gemeente Oost Gelre een hoogtekaart gemaakt (zie figuur 5). Hierop is te zien dat het plangebied op de noordwestelijke uitloper van een plateau-achtige terrasrest ligt. Verder ten zuiden van het plangebied zijn hoger gelegen dekzandruggen te onderscheiden, geaccentueerd doordat er ook een plaggendek is aangebracht. Het lager gelegen beekdal van de Groenlosche Slinge, verder ten zuidwesten van het plangebied, volgt de oriëntatie van een tijdens de voorlaatste ijstijd gevormde tunneldal. Bodemkunde en grondwatertrap Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) komen binnen het merendeel van het plangebied veldpodzolgronden voor, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand en met keileem tussen 40 en 120 cm -mv (Hn21x, grondwatertrap V). Alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied worden gooreerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand en met keileem tussen 40 en 120 cm -mv (pZn23x, grondwatertrap III) (zie figuur 6).

Podzolgronden worden gekenmerkt door podzolering: er komt een duidelijke B-horizont voor die tot stand is gekomen door inspoeling van niet-amorfe humus samen met ijzerverbindingen (moderpodzolen), of door inspoeling van amorfe humus (humuspodzolen). Veldpodzolgronden behoren tot de suborde van de humuspodzolen, waarbij de bovengrond sporen van sterke uitloging vertoond, in de vorm van gebleekte zandkorrels. De zandkorrels vertonen geen ijzerhuidjes als gevolg van de relatief hoge grondwaterstanden die tijdens de bodemvorming optraden. 13 Deze gronden zijn over het algemeen kenmerkend voor de overgang van de hoger terreindelen (dekzandruggen) naar de lager gelegen vlaktes (beekdalen, vlaktes van verspoelde dekzanden). Beek- en gooreerdgronden zijn zandgronden met een donkere, soms zwarte bovengrond dunner dan 50 cm. Roestvlekken zijn aanwezig, soms vanaf de bovengrond, en lopen door tot aan de Crhorizont.14 Dit bodemtype komt veel voor in beekdalen en in niet-afvoerloze laagten, waar dus duidelijk geen podzolisatieproces heeft kunnen plaatsvinden.

De donkere bovengrond is vanwege de lage/vochtige ligging met periodiek hoge grondwaterstanden ontstaan (hoge productie en geremde afbraak van organische stof).15 Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn meest geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Waarschijnlijk zullen alleen de delen van het plangebied/tracé gelegen binnen dekzandwelvingen waar veldpodzolgronden worden verwacht (voornamelijk het uiterst zuidelijke en de noordoostelijke helft van het plangebied), in het verleden te maken hebben gehad met een relatief goede ontwatering om daarmee voldoende aantrekkelijk te zijn als permanente) bewoningslocatie (voor Landbouwers). De dekzandvlakten en -laagten en de vereffeningsrestglooiing met resten van terrasafzettingen (waar naar verwachting alleen een vrij dunne laag dekzand voorkomt) zullen te maken hebben gehad met relatief natte bodemcondities, waarbij het grondwater periodiek vlak onder het maaiveld zal hebben gelegen.

12

www.ahn.nl Bakker & Locher, 1990 14 Bakker & Locher, 1990 15 Bakker & Schelling, 1989 13

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 7 van 24

2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).16 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 7. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 750 meter rondom het centrale punt van het plangebied weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Oost Gelre17 Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart.

De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre, merendeels gebaseerd op de Archeologische landschappenkaart, ligt een groot deel van het plangebied binnen een gebied met een middelhoge/middelmatige archeologische verwachting (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) categorie 8, zie figuur 8). Een beperkt terreindeel heeft een lage archeologische verwachting (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) categorie 9). Meest van belang is dat het centrale deel van het plangebied door een lijnvormige zone wordt doorsneden, welke een Archeologisch Waardevol Gebied betreft (AWG categorie 5). Het betreft specifiek een deels vastgesteld en deels nog niet vastgesteld deel van de Circumvallatielinie uit 1627, met daarbij de 25 meter dan wel 50 meter bufferzone (zie figuur 8). Doordat de exacte ligging van de linie ten tijde van opstellen van de beleidskaart nog niet geheel was vastgesteld, wordt een bufferzone van 50 meter gehandhaafd aan weerszijden van die delen van de linie die nog niet zijn vastgesteld.

Tevens wordt in het centraal-noordoostelijke deel van het plangebied de restanten van een redoute (specifiek de 8e redoute) verwacht, een vierkantvormige/rechthoekige veldschans (verdedigingswerk) met alleen uitspringende en geen inspringende hoeken. Naar alle waarschijnlijkheid was deze verschansing uit aarde opgeworpen. Hieronder volgt een algemene verhandeling over de Circumvallatielinie.

16 17

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort De Roode & Van den Berghe, 2008

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 8 van 24

De Circumvallatielinie18 De Circumvallatielinie rondom Groenlo dateert uit de Tachtigjarige Oorlog. In deze oorlog waren de vestingsteden van strategisch belang en deze steden waren dan ook voortdurend bezet door soldaten van de strijdende partijen. Door het innemen van de vestingsteden kon de aanvallende partij de controle over het gebied en de daarbinnen gelegen transportroutes verkrijgen. De vele belegeringen van de steden, die maanden konden duren, getuigen van het belang hiervan. Ook Groenlo is meerdere malen belegerd. Bij de laatste en meest bekende belegering, door Frederik Hendrik in 1627, is een volledige insluitingslinie om de stad aangelegd. Deze Circumvallatielinie had tot doel om ontzettingslegers tegen te houden en de bevoorrading van de stad te beletten. De linie rondom Groenlo bestond uit een circa 16 km lange aarden wal met een breedte van 2 tot 2,5 m en een hoogte van circa 1,8 m. Aan de buitenzijde van de wal lag een droge of natte gracht met een breedte van 2 tot 2,5 m en een diepte van circa 1,8 m. Het deel van de linie ten oosten van de Hollandse Schans tot bijna aan de Groenlosche Slinge (ofwel De Slinge) was uit veiligheidsoverwegingen dubbel aangelegd. Hier werd circa 14 meter voor de originele wal een extra wal en gracht aangelegd.

De Circumvallatielinie bevat 35 verdedigbare elementen (kampementen, schansen, redouten, redans en batterijen) die waren verbonden door een liniedijk en/of (dubbele) gracht. Van deze elementen zijn er inmiddels 25 gelokaliseerd Een goed voorbeeld betreft een proefsleuvenonderzoek dat is uitgevoerd aan de Ruiterweg, aan de noordzijde van het bedrijventerrein Laarberg. 19 Een deel van de greppels van de linie bleken een breedte te hebben van circa 1,5 m. Op onderstaande foto’s is de ligging van deze greppels in het aangelegde vlak zien, evenals de sterk vlekkerige opbouw van de opgevulde greppel. Wellicht dat in het centrale deel van het plangebied de linie op een vergelijkbare wijze nog aanwezig is.

18 19

De Roode & Van den Berghe, 2008 / Van der Pluijm, 2009 / Boshoven et al., 2014 Alders, 2006

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 9 van 24

Tevens is in 2014 onderzoek uitgevoerd om de ligging van de linie beter te kunnen vaststellen. 20 Hierbij was binnen het bosperceel gelegen op de hoek van de Berkenhofweg en de Vredenscheweg/Schietbaan een deel van de dubbele gracht nog visueel zichtbaar in de vorm van een greppel waarin water stond (zie onderstaande foto).

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied21 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen géén AMK-terreinen (zie figuur 7). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vijf archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om vier bureauen/of booronderzoeken (prospectief onderzoek) en een opgraving (zie tabel II en figuur 7). Zeker van belang voor het plangebied is het onderzoek dat is uitgevoerd om de ligging van de Circumvallatielinie, en dan vooral van verdedigingswegen, beter in kaart te brengen. Binnen de terreinen/percelen vrijwel direct ten noordwesten van het plangebied zijn restanten van de linie aangetroffen, zowel door een visuele inspectie als door booronderzoek en geofysisch onderzoek.

Hierdoor is het zeer kansrijk dat binnen het plangebied intacte restanten van de linie aanwezig zijn, waaronder een vierkantvormige/rechthoekige veldschans (specifiek de 8e redoute, zoals weergegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre). 20

Boshoven et al., 2014 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 10 van 24

Tabel II.

Overzicht onderzoeksmeldingen

Zaakindentificatie (OMnummer)

Situering t.o.v. plangebied

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

2370581100 (52184)

Gemiddeld 450 meter ten westen van het plangebied Circumvallatielinie te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 240515/452620

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 25-1-2012 Resultaat: Onderzoek was er op gericht de exacte ligging van de Circumvallatielinie vast te stellen. Naast booronderzoek ook een geofysisch onderzoek in de vorm van weerstandsmetingen uitgevoerd. Op locatie 3 is het restant van drie schansen aangetroffen, hoogstwaarschijnlijk te koppelen aan de belegeringen van Groenlo in 1595-1597, 1606 en 1627. Op basis van de afmetingen van de schansen en literatuurstudie bestaat echter nog twijfel welke structuur aan welke belegering kan worden gekoppeld. Gezien de aanwezigheid van een plaggendek wordt vermoed dat de grachten en overige structuren goed geconserveerd zijn. Wel dient te worden opgemerkt dat de resten van de twee oudste schansen in meer of mindere mate verstoord zullen zijn bij de aanleg van de jongere fase(n). Ook in het naastgelegen bosperceel (zowel noordelijk als oostelijk van de schanslocatie) zijn nog elementen zichtbaar die te relateren zijn aan de Circumvallatielinie, zoals een restant van het noordwestelijke bastion (van de schans uit 1627) en de dubbele greppel (eveneens uit 1627). Tot slot dient te worden opgemerkt dat gezien de ligging van een belangrijke historische route deze locatie een belangrijke punt moet zijn geweest om verdedigingswerken op te richten.

2157324100 (22731)

550 meter ten zuidoosten van het plangebied Vredenseweg 117 te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 241303/452190

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 31-5-2007 Resultaat: Er zijn aanwijzingen gevonden dat er archeologische resten en/of een vindplaats in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Het vermoedelijke spoor wordt in verband gebracht met de Circumvallatielinie rond Groenlo uit de 16e en 17e eeuw. De linie zelf bestaat uit een wal met een gracht ervoor, deze structuren vallen met behulp van boringen nauwelijks in kaart te brengen. Voor het traceren van de linie zal gebruik gemaakt kunnen worden van proefsleuven. Deze proefsleuven zullen bij voorkeur haaks op de linie worden aangelegd, eventueel kan gekozen worden voor een archeologische begeleiding van de grondwerkzaamheden. Een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van het graven van proefsleuven wordt daarom noodzakelijk geacht. Deze proefsleuven dienen geplaatst te worden in de noordoosthoek van het terrein, het gebied waar de boring met het vermoedelijke archeologische spoor is gezet . Dat is tevens het gebied waar op basis van het bureauonderzoek de Circumvallatielinie wordt verwacht. Er worden bij voorkeur twee proefsleuven getrokken, haaks op de verwachte ligging van de linie.

2158450100 (22897)

550 meter ten zuidoosten van het plangebied Vredenseweg 117 te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 241302/452193

Type onderzoek: opgraving, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2157324100 (22731)) Uitvoerder: Archeodienst Datum: 6-6-2007 Resultaat: Tijdens de opgraving zijn 14 sporen aangetroffen, die alle als perceelsof ontginningsgreppel(systeem) zijn geïnterpreteerd. Resten van de Circumvallatielinie zijn niet aangetroffen. Ook is geen vondstmateriaal aangetroffen. De perceels- en ontginningsgreppels komen overeen met de perceelsindeling uit de 19e eeuw zoals zichtbaar op het Bonneblad uit 1900. Aangezien op de kadastrale kaart uit 1828 te zien was dat het plangebied nog uit heidegebied bestond, is het aannemelijk dat deze greppels pas in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw gegraven zijn om het heideveld in cultuur te brengen.

4698799100

600 meter ten zuidwesten van het plangebied te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 240532/452252

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: KSP Archeologie Datum: 16-4-2019 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden (nog) niet vermeld in ARCHIS. Het onderzoek is vrij recentelijk uitgevoerd

2370598100 (52185)

650 meter ten zuidoosten van het plangebied Circumvallatielinie te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 241278/452066

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 20-1-2012 Resultaat: Onderzoek is uitgevoerd om de exacte ligging van de Circumvallatielinie vast te stellen. De aangetroffen greppel op locatie 4 kan waarschijnlijk worden gekoppeld aan een kavelsloot die op de locatie heeft gelegen. Dit zou betekenen dat er geen sprake is van een greppel van de Circumvallatielinie. Mogelijk heeft

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 11 van 24

de hier verwachte dubbele greppel oostelijker gelegen, indien tijdens het weerstandsonderzoek inderdaad het westelijke bastion van de Friese Schans is aangetroffen. De ontdekking van een driehoekige structuur tijdens het weerstandsonderzoek geeft echter nog geen harde bewijzen voor de locatie van de Friese Schans. Een eventuele ligging meer naar het westen (zoals dhr. Van der Pluijm vermoedt) valt op basis van de onderzoeksresultaten te ontkrachten noch te bewijzen. Mocht de schans westelijker liggen, dan is de gracht eveneens ten westen van de uitgevoerde boorraai te verwachten. Verder is de aangetroffen structuur, een mogelijke vierkante/rechthoekige redoute, een interessante vondst. Hoewel deze redoute niet bekend is uit historische bronnen, is hier, net als de locatie van de Schans Altena, een belangrijke doorgaande route geweest. In dit kader zou het zeker niet ondenkbaar zijn dat de Friese Schans een of meerdere voorlopers heeft gehad, al dan niet in de vorm van een redoute.

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied 23 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd (zie tabel III en figuur 7). De vondstmeldingen zijn gekoppeld aan de archeologische onderzoeken die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd en hierboven reeds samenvattend zijn beschreven. Tabel III. Zaaknummer (waarnemingsnummer) 2370581100 (422674)

2370598100 (422676)

2158450100 (416333)

Overzicht ARCHIS-vondsten

Situering t.o.v. plangebied

Aard van de melding

450 meter ten westen van het plangebied Circumvallatielinie te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 240520/452630

Nieuwe tijd: - grachten

500 meter ten zuidoosten van het plangebied Circumvallatielinie te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 241229/452193

Nieuwe tijd: - gracht

550 meter ten zuidoosten van het plangebied Vredenseweg 117 te Groenlo Gemeente Oost Gelre Coördinaat: 241300/452188

Nieuwe tijd: - 14 greppels/sloten

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2370581100 (52184))

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2370581100 (52185))

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (zie Zaakindentificatie (OMnummer) 2158450100 (22897))

Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied dan al reeds vermeld in ARCHIS. Oudheidkundige Vereniging Groenlo Voor aanvullende informatie is tevens contact gezocht met de Oudheidkundige Vereniging Groenlo. Gemeld wordt dat er geen aanvullende vondsten zijn gedaan of bijzonderheden bekend zijn, gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied dan al reeds vermeld in ARCHIS.

23

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 12 van 24

2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van het Oostelijk Dekzandlandschap24 Voor een uitgebreide bewoningsgeschiedenis, in relatie tot de landschappelijke ontwikkeling, wordt verwezen naar de rapportage bij de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre. Hieronder volgt een korte beschrijving van de regionale bewoningsgeschiedenis. Al vanaf de Oude Steentijd (Laat-Paleolithicum, zie bijlage 1) werd het oostelijk dekzandlandschap bewoond door rondtrekkende Jagers/Verzamelaars. Deze Jagers/Verzamelaars leefden in eenvoudige hutten/tenten die gemakkelijk op te bouwen en af te breken waren, waardoor hier slechts weinig resten van bewaard zijn gebleven.

De tijdelijke nederzettingslocaties lagen veelal op terreindelen met een sterke gradiënt, zoals dekzandruggen en kopjes te midden van lager gelegen gebieden, flanken van beekdalen en de randen van plateaus en stuwwallen. Deze gebieden boden door de sterke gradiënt een afwisselende vegetatie en daarmee een grote verscheidenheid aan voedselbronnen. Vanaf de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) deden landbouwactiviteiten hun intrede. De locatiekeuze werd in toenemende mate bepaald door de geschiktheid van de bodem voor de akkerbouw. Hierbij speelden vooral het grondwaterregime, de natuurlijke vruchtbaarheid en bewerkbaarheid van de bodem een belangrijke rol. De leemrijke, middelhoog gelegen zandgronden waren het meest geschikt. Daarbij speelde tevens de nabijheid van waterbronnen en een gevarieerde vegetatie een rol. Nederzettingen ontstonden doorgaans op de overgang van de hoge zandgronden naar de lage beekdalen, gunstig gelegen tussen de weidegebieden in de beekdalen en de akkers op de hogere gronden. Vanaf de Bronstijd en vooral in de Middeleeuwen vond een (geleidelijke) omslag plaats in het agrarisch bedrijfssysteem, die ook landschappelijk gevolgen had. Door een intensiever bodemgebruik en het gelijktijdig in stand houden van de vruchtbaarheid van het steeds uitbreidende akkerareaal namen de heidevelden in omvang sterk toe.

Door eeuwenlange bemesting werden vooral de hogere dekzandruggen geleidelijk opgehoogd. Deze staan voor de oostelijke zandgronden bekend als engen, enken, eenmans-essen of kampen. In het algemeen wordt de term "es" gebruikt. Doordat de hydrologische omstandigheden op korte afstand sterk wisselen, zijn nooit grote akkercomplexen tot ontwikkeling gekomen. Hier overheerste de individuele occupatie, waardoor kleine percelen ontstonden, met een afwisseling van grasland en akkerland. Vaak zijn de percelen omgeven door heggen of hakhout. De bewoning binnen het oostelijk dekzandlandschap was daardoor altijd sterk verspreid.

24

Barends et al., 2006 / Berendsen, 2005

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 13 van 24

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel IV.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal25

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Hottingerkaart

1773-1794

78

-

Binnen een gebied van woeste gronden/heidegebieden

Omgeving ook merendeels woeste gronden/heidegebieden. Verder ten zuidwesten akkerpercelen/oud bouwlandcomplex dat werd aangeduid als “Zwoll”.

Kadastrale kaart (Minuutplan)

1828

Gemeente Beltrum, Sectie A, Blad 05

1:2.500

Woeste gronden/heidegebied, doorsneden door enkele (zand)wegen/-paden.

Geen noemenswaardige veranderingen.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1890

455

1:50.000

Deels ontgonnen en in agrarisch gebruik genomen (grasland), deels (productie)bos en nog deels heide.

Start van grootschalige ontginning van het heidegebied. Voorlopers van de Berkenhofweg en de Vredenseweg aanwezig.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1926

455

1:50.000

Merendeel plangebied in agrarisch gebruik, graslandpercelen begrenst door houtwallen. Nog enkele terreindelen heide.

Verdere grootschalige ontginning van heidegebied. Ontstaan van eerste boerenerven in de omgeving van het plangebied.

Topografische kaart

1955

34 G

1:25.000

Geheel in agrarisch gebruik, voornamelijk als grasland en enkele percelen in gebruik als akkerland.

Omgeving vrijwel geheel ontgonnen en in agrarisch gebruik, aangeduid als het Zwollesche Veld. Boerenerven langs bestaande wegenpatroon.

Topografische kaart

1995

34 G

1:25.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Herverkaveling van agrarische percelen.

Op basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal vanaf de tweede helft van de 18 e eeuw lag het plangebied destijds binnen een gebied van woeste gronden/heidegebieden (zie figuur 9). Verder ten zuidwesten lagen akkerpercelen/lag een oud bouwlandcomplex dat werd aangeduid als “Zwoll”. Gedurende een groot deel van de 19e eeuw veranderde er weinig. Het plangebied betrof heide dat doorsneden werd door enkele (zand)wegen/-paden (zie figuur 10). Pas tegen het einde van de 19e eeuw vond de start plaats van de grootschalige ontginning van het heidegebied. Het plangebied was deels in agrarisch gebruik (grasland), deels (productie)bos en nog deels heide. De voorlopers van de Berkenhofweg en de Vredenseweg waren aangelegd (zie figuur 11). reeds aanwezig. Tijdens het verloopt van de eerste helft van de 20 e eeuw wordt het heidegebied steeds verder ontgonnen en ontstaan de eerste boerenerven in de omgeving van het plangebied. Rond de jaren ’20 van de 20e eeuw betrof het merendeel van het plangebied graslandpercelen, begrenst door houtwallen. Nog enkele terreindelen betrof heide (zie figuur 12). Rond het begin van de tweede helft van de 20e eeuw was het gehele plangebied in agrarisch gebruik, voornamelijk als grasland en enkele percelen akkerland.

Ook de omgeving van het plangebied was vrijwel geheel ontgonnen en in agrarisch gebruik, aangeduid als het Zwollesche Veld (zie figuur 13). Tot op heden is het gehele plangebied in agrarisch gebruik gebleven (zie figuur 14). Er heeft alleen herverkaveling plaatsgevonden.

25

www.topotijdreis.nl / beeldbank.cultureelerfgoed.nl / Versfelt, 2003

Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1

Pagina 14 van 24

Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Oost Gelre is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 26 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10129178/1