vvgb zonnepark berkenhofweg bijlage 8 archeologisch verkennend onderzoek
Tekst van het document
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.
26
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
Middelhoog
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor
Laat-Neolithicum (VroegeLandbouwers)
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor
Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor
Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor
Nieuwe tijd
-Laag
-Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
-In de top van de dekzandafzettingen, aan het maaiveld en in en/of direct onder de bouwvoor
-Zeer hoog voor het centrale deel van het plangebied, waar restanten van een vastgesteld/nog niet vastgesteld deel van de Circumvallatielinie uit 1627 wordt verwacht (inclusief de 25 meter dan wel 50 meter bufferzone)
-Resten/sporen van de linie (betreft vaak niet meer dat de gracht die naast de aarden wal lag, met hierin dempingsmateriaal, mogelijk deels van materiaal van de aarden wal zelf) en van een vierkantvormige/rechthoekige veldschans (specifiek de 8e redoute)
-Direct onder de huidige bouwvoor/verploegd bodemdeel
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 - 1994/ikme.nl/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 15 van 24
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen het landschap van het Oost-Nederlandse Plateau ligt en specifiek op de noordwestelijke uitloper van een plateauachtige terrasrest dat bedekt is met een relatief dunne laag dekzand. Het zwak golvende landschap vormt een uitgestrekt gebied van dekzandwelvingen met hierbinnen enkele depressies in de vorm van dekzandlaagtes. Vanaf het Laat-Paleolithicum werden, naast de hogere dekzandruggen en -koppen, ook wel de dekzandwelvingen gebruikt als woonplaats, begraafplaats en/of akkerland. De meeste voorkeur zal dus wel zijn uitgegaan naar de hogere dekzandruggen en -koppen als bewoningslocatie, echter ook de dekzandwelvingen waren hiervoor waarschijnlijk ook voldoende geschikt. Daarbij is tevens een kenmerk van de bewoningsgeschiedenis van Oost-Nederland is dat in de loop van de IJzertijd-Romeinse tijd-Middeleeuwen de huisplaatsen steeds plaatsvaster werden en vaak verplaatsen naar de flanken van de dekzandruggen en mogelijk voor (langere) perioden naar de dekzandwelvingen (overgangspositie)27, zodat een maximaal areaal aan akkerlanden benut kon worden op de hogere en van nature goed ontwaterde delen van de dekzandruggen.
De dekzandvlakten en -laagten vormde de nattere en laaggelegen gebieden die in het verleden ongeschikt of minder geschikt waren voor bewoning, maar juist gebruikt werden als weidevelden voor het laten grazen van vee. In het landschap van de plateauachtige terrasresten is slechts een gering aantal archeologische vindplaatsen bekend. De bewoningsintensiteit is op de plateauachtige terrasresten tot in de Late-Middeleeuwen altijd geringer geweest dan in andere landschappelijke zones. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat vanaf de tweede helft van de 18e eeuw het plangebied/tracé binnen gebieden van woeste gronden/heidevelden. Met de grootschalige ontginningen pas in de loop van de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw (jonge ontginningen) werd het plangebied in agrarisch gebruik genomen, voornamelijk als percelen grasland. Er wordt dan ook geen plaggendek verwacht en voor zover bekend heeft er binnen het plangebied geen historische bebouwing gestaan. Wel loopt door het centrale deel van het plangebied een deel van de Circumvallatielinie, waarbij dit deel van de linie bestond uit twee naast elkaar aangelegde grachten met een naastgelegen aarden wal.
Tevens wordt in het centraal-noordwestelijke deel van het plangebied de restanten van een van een redoute (specifiek de 8e redoute) verwacht, een vierkantvormige/rechthoekige veldschans (verdedigingswerk). Onderzoek naar de Circumvallatielinie heeft ook al geresulteerd in het aantreffen van restanten van de linie binnen de terreinen/percelen vrijwel direct ten noordwesten van het plangebied. Op basis van bovenstaande uitgangspunten en conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre (zie figuur 8), kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen wordt middelhoog geacht (zie tabel V). Voor de periode Nieuwe tijd geldt voor het plangebied een lage trefkans op het voorkomen van restanten van historische erven. Vanwege de verwachting dat er geen plaggendek aanwezig is binnen het plangebied, worden archeologische resten in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) verwacht; in de top van de dekzandafzettingen waar voornamelijk veldpodzolgronden, beekeerd of gooreerdgrond wordt verwacht. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht.
De eventueel aanwezige archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) zullen door de gereguleerde grondwaterstanden, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, zijn aangetast door degradatieprocessen.
27
Van der Velde, 2011
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 16 van 24
Voor het centrale deel van het plangebied (zie figuur 8) wordt de kans op de aanwezigheid van resten/sporen van de Circumvallatielinie zeer hoog geacht (is voor een groot deel vastgesteld, dus restanten hiervan zouden aanwezig moeten zijn). In situ gelegen resten gerelateerd aan en sporen van deze linie worden verwacht direct onder de huidige bouwvoor, onder het (recent) verploegde/bewerkte bodemdeel. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is voor zover bekend vanaf de tweede helft van de 18 e eeuw tot op heden onbebouwd en in agrarisch gebruik geweest. Hier mag in eerste instantie verwacht worden dat de bodem door moderne ingrepen, afgezien van de bouwvoor, minimaal verstoord is.
3
CONCLUSIE BUREAUONDERZOEK EN TUSSENTIJDS ADVIES
In het centrale deel van het plangebied worden specifiek resten en sporen verwacht gerelateerd aan de Circumvallatielinie uit 1627. Inclusief de 25 meter dan wel 50 meter bufferzone beslaat dit een oppervlakte van circa 2 hectare. Volgens de bijbehorende planregels zijn deze gronden bestemd voor de bescherming en instandhouding van de Grolse Linie (Circumvallatielinie) uit 1627. Geadviseerd is voor dit deel van het plangebied geen bodemverstorende ingrepen uit te voeren (de huidige bouwvoor dient als conserverende laag behouden te blijven) en daarmee het bestaande inrichtingsplan zo aan te passen, dat de te verwachten archeologische waarden in situ worden behouden. Indien aanpassing van het inrichtingsplan niet mogelijk is, is het advies om in het centrale deel van het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), gericht op het exact begrenzen van sporen/structuren die behoren tot de Circumvallatielinie. Door de initiatiefnemer is aangegeven dat er ter plaatse van de Circumvallatielinie (inclusief de bufferzone, circa 2 hectare) geen bodemverstorende handelingen zullen worden uitgevoerd. Hier is aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek dan ook niet noodzakelijk. Het bureauonderzoek toont verder aan dat er zich in het plangebied (overige circa 9 hectare) mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden.
Er geldt in zijn algemeenheid een middelhoge verwachting voor het plangebied, vanwege de ligging van het overgrote deel van het plangebied binnen een gebied van dekzandwelvingen, waar de omstandigheden in het verleden wellicht voldoende geschikt waren voor (tijdelijke) bewoning. Vanwege de omvang van het plangebied is geadviseerd een aanvullend verkennend booronderzoek te laten uitvoeren.
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
4.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen en om antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Dit wordt gedaan door middel van het zetten van boringen en het interpreteren van het opgeboorde materiaal. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 17 van 24
4.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 20 januari 2020 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. In het plangebied zijn in totaal 54 boringen gezet, gelijkmatig verdeeld over vijf zuidwest-noordoost gerichte boorraaien en in een verspringend boorgrid van 40 x 50 meter (zie figuur 15). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) tot maximaal 150 en veelal tot 120 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.28 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 4.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven: Tabel VI.
Algemene bodemopbouw plangebied Diepte (cm -mv)
28
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot 30/35
Donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand
1Ap-horizont, huidige bouwvoor
In het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied tussen 30/35 tot gemiddeld 50
Variërend van donkergeelgrijs tot bruingrijs tot lichtgeelgrijs gekleurd, deels zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand
Geroerde/verstoorde lagen/verstoorde bovengrond ten gevolge van agrarisch gebruik van het terrein (te denken valt aan ploegen, het graven van plantgaten, oogst/rooiwerkzaamheden, eventueel lokale zandwinning).
Tussen 30/35 en gemiddeld 70
Variërend van lichtgeelgrijs tot lichtoranjegeel tot lichtbruingrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijn zand
1C-horizont, dekzandafzettingen, Formatie van Boxtel
Vanaf gemiddeld 70 tot 120/150 (einddiepte boringen)
Variërend van lichtgrijsgeel tot oranjegrijs tot grijsgroen gekleurd, zwak tot sterk grindig, matig tot sterk siltig, zeer fijn tot uiterst grof zand, met vooral in het noordoostelijke deel nog een tussenlaag van zwak tot matig grindige, sterk zandige leem
2C-horizont, grondmorene/keizand en in het noordoostelijke deel van het plangebied nog een restant keileem van de Formatie van Drente (Laagpakket van Gieten)
Bosch, 2005
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 18 van 24
Ten aanzien van het oorspronkelijke moedermateriaal geldt voor een groot deel van het dat er sprake is van een dunne laag (dun deken) dekzandafzettingen. Deze bestaan uit variërend van lichtgeelgrijs tot lichtoranjegeel tot lichtbruingrijs gekleurd, zwak siltig, zeer fijne dekzanden (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden), waarbij vooral kenmerkend is de goede sortering en de afgeronde zandkorrels (1C-horizont). Deze laag dekzand is gemiddeld genomen circa 70 cm dik, maar varieert wel qua dikte, waar bij een aantal boringen de dekzandafzettingen doorlopen tot in ieder geval 120 cm -mv (einddiepte van de meeste boringen). Onder de dekzandafzettingen komen grind- tot stenenrijke en zeer slecht gesorteerde afzettingen voor, bestaande uit variërend van lichtgrijsgeel tot oranjegrijs tot grijsgroen gekleurd, zwak tot sterk grindig, matig tot sterk siltig, zeer fijn tot uiterst grof zand (2Chorizont). Dit betreffen grondmoreneafzettingen (vereffeningsresten), waarbij door erosie het fijnere sediment is weggespoeld en zodanig meer een laag keizand is achtergebleven. In het centraal-noordwestelijke deel en in het noordelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied is de grondmorene/keizand direct aanwezig onder de huidige bouwvoor (zie figuur 15).
Met name in het noordoostelijke deel van het plangebied komt er nog een tussenlaag voor van zwak tot matig grindige, sterk zandige leem en betreft een restant van het keileempakket (zie figuur 15). Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Drente (Laagpakket van Gieten). Het opgeboorde bodemprofiel betreft voornamelijk AC-profielen, waarbij onder de huidige bouwvoor (circa 30 tot 35 cm dik) van donkergrijsbruin gekleurd, matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand direct het oorspronkelijk moedermateriaal zichtbaar is. Het aanwezige bodemprofiel betreft dan ook over het algemeen een beekeerdgrond, een bodemtype dat kenmerkend is voor beekdalen en niet-afvoerloze laagten. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden was ook sprake van vrij natte/drassige condities, vooral in het meest noordoostelijke deel van het plangebied (terreindelen waar boven het maaiveld nog een laag water stond). Tevens is er bij diverse boringen in vooral het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied een verstoorde bodemopbouw aangetroffen die wat dieper gaat dat de huidige bouwvoor, waarbij hieronder tot gemiddeld 50 cm -mv (echter soms ook nog wat dieper) geroerde/verstoorde lagen grond voorkomen, in de vorm van variërend van donkergeelgrijs tot bruingrijs tot lichtgeelgrijs gekleurd, deels zwak humeus, zwak siltig, zeer fijn zand.
Deze verstoringen zullen zeer waarschijnlijk het gevolg zijn van het agrarisch gebruik van het terrein (te denken valt aan ploegwerkzaamheden, het graven van plantgaten, oogst/rooiwerkzaamheden en eventueel lokale zandwinning). Bij slechts een beperkt aantal boringen die verspreid liggen binnen het plangebied (boringen 7, 20, 21, 23, 35 t/m 37, 45 , 52 en 53) is een zwak ontwikkeld veldpodzolprofiel waargenomen, waarbij onder de bouwvoor een zeer dunne, donkerbruin gekleurde inspoelings-1Bhe-horizont voorkomt met hieronder nog een overgangs-1BC-horizont. De overgang naar de 1C-horizont ligt hierbij op een diepte van circa 60 cm -mv. Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen in het opgeboorde en vervolgens versneden en verbrokkelde bodemmateriaal. Er dient echter gemeld te worden te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 19 van 24
5 4.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het bureauonderzoek en conform de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre, kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen wordt middelhoog geacht. Voor de periode Nieuwe tijd geldt voor het plangebied een lage trefkans op het voorkomen van restanten van historische erven. Vanwege de verwachting dat er geen plaggendek aanwezig is binnen het plangebied, worden archeologische resten in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) verwacht; in de top van de dekzandafzettingen waar voornamelijk veldpodzolgronden, beekeerd of gooreerdgrond wordt verwacht. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Specifiek voor het centrale deel van het plangebied wordt de kans op de aanwezigheid van resten/sporen van de Circumvallatielinie zeer hoog geacht (is voor een groot deel vastgesteld, dus restanten hiervan zouden aanwezig moeten zijn). In situ gelegen resten gerelateerd aan en sporen van deze linie worden verwacht direct onder de huidige bouwvoor, onder het (recent) verploegde/bewerkte bodemdeel.
Op basis van het inrichtingsplan zullen er ter plaatse van de Circumvallatielinie (inclusief de bufferzone, circa 2 hectare) geen bodemverstorende handelingen zullen worden uitgevoerd en is hier aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De resultaten van het verkennend booronderzoek buiten de begrenzing van de Circumvallatielinie (de overige circa 9 hectare) laten zien dat er sprake is van grondmoreneafzettingen (veelal keizand en alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied nog een restant keileem), dat binnen het merendeel van het plangebied nog afgedekt is met een dunne laag/dun deken van dekzandafzettingen. Er zijn in de boringen voornamelijk AC-profielen aangetroffen, wat betekend dat direct onder de huidige donkergrijsbruin gekleurde bouwvoor van circa 30 tot 35 cm dik de C-horizont aanwezig is. Er komen daarmee voornamelijk beekeerdgronden voor, kenmerkend voor gebieden met hoge grondwaterstanden. Tevens is er vooral in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied een verstoorde bodemopbouw aangetroffen die wat dieper gaat tot de huidige bouwvoor, gemiddeld tot 50 cm -mv, wat zeer waarschijnlijk veroorzaakt is door agrarische bewerking van het perceel. Alleen bij slechts enkele verspreid liggende boringen is een restant van een zwak ontwikkelde veldpodzolbodem aanwezig.
Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt geconcludeerd dat er geen terreindelen aan te duiden zijn waar in het verleden de hydrologische omstandigheden dermate gunstig zijn geweest om te fungeren als voldoende geschikte potentiele bewoningslocaties. Zelfs in de huidige situatie heeft het plangebied een ligging waar periodiek sprake is van vrij natte/drassige omstandigheden, zoals ook ondervonden is tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden. De agrarische bewerking van het terrein heeft er tevens voor gezorgd dat binnen delen van het plangebied (vooral in het centrale en noordelijke deel van het plangebied) dat het archeologisch potentiële sporenniveau gedeeltelijk is aangetast (zeker ondiepe sporen zullen zijn vergraven). Daarmee geldt voor het gehele plangebied eerder een lage archeologische verwachting dan een middelhoge archeologische verwachting, zoals gesteld op basis van het voorafgaand uitgevoerde bureauonderzoek. Ook zijn in het opgeboorde materiaal geen lagen waargenomen die aangewezen zouden kunnen worden als een door de mens gevormde oude cultuurlaag of akkerlaag, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van concentraties van houtskool. Archeologische waarden worden binnen het plangebied dan ook niet meer verwacht.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 20 van 24
4.2
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat het plangebied in het verleden altijd te maken heeft gehad met zeer natte/drassige condities, in een gebied dat minder gunstig zo niet ongunstig was voor (tijdelijke) bewoning. Het verder ontbreken van archeologische resten dan wel door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen in het opgeboorde bodemmateriaal, maakt het zeer onwaarschijnlijk om nog archeologische waarden te verwachten buiten de begrenzing waar zeer waarschijnlijk de Circumvallatielinie heeft gelopen. Voor het merendeel van het plangebied dient de archeologische verwachtingswaardige bijgesteld te worden naar een lage verwachting. De zone waar mogelijk nog restanten van de Circumvallatielinie liggen (inclusief de bufferzone, circa 2 hectare) blijft verder ongemoeid. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oost Gelre). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode.
De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed29), de gemeente Oost Gelre of de provincie Gelderland.
29
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 21 van 24
LITERATUUR Alders, P.G., 2006: Archeologisch onderzoek naar de circumvallatielinie, bedrijvenpark Laarberg (gemeente Oost Gelre). Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. ADC rapport 679. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & W.P. Locher, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Bakker, H. de & Schelling, J., 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Barends, S., Baas, H.G., Harde, M.J. de, Renes, J., Stol. T., Triest, J.C. van, Vries, R.J. de, Woudenberg, F.J. van, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Beek, R. van, 2009: Reliëf in Tijd en Ruimte. Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Proefschrift Wageningen Universiteit. ISBN 978-90-8585-460-9. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2.
Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Boshoven, E.H., Veen, S. van der & Verschoof, W.B., 2014: Archeologisch onderzoek langs en binnen de Circumvallatielinie Groenlo, gemeenten Oost Gelre en Berkelland; een boor- en geofysisch onderzoek ter vaststelling van de exacte ligging van de linie. RAAP-Rapport 2557. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Pluijm, J.E. van der, 2009: Groenlo in de Tachtigjarige oorlog. De Achterhoek als strijdtoneel, 15671627. Uitgave van Stadsmuseum Groenlo.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 22 van 24
Roode, F. de, Berghe, K.J. Van den, 2008: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre; Deel 1: startnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische landschappen- en beleidskaart. RAAP-rapport 1757. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Roode, F. de, Schuurman, E.I. & Smal, D.E., 2009: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Berkelland. RAAP-rapport 1701 (herziene versie). RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Stichting voor Bodemkartering, 1977: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. blad 35 Oost/Enschede-Glanerbrug. Willemse, N.W. & Keunen, L.J., 2014: Archeologie in de gemeente Berkelland; Een actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart. RAAP-rapport 2878. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. Velde, H.M. van der, 2011: Wonen in een grensgebied. Een langetermijngeschiedenis van het OostNederlandse cultuurlandschap (500 v. Chr. - 1300 na Chr.). NAR (Nederlandse Archeologische Rapporten) 40, Amersfoort. Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 23 van 24
BRONNEN Achterhoek Agenda 2020; internetsite, maart 2020. http://www.achterhoek2020.nl/regio-achterhoek/taken/regionale-archeologie/ AHN; internetsite, maart 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, maart 2020. https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/#/cho/search Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, maart 2020. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, maart 2020. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket, internetsite, maart 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, maart 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, maart 2020. http://www.topotijdreis.nl/ MijnGelderland; internetsite, maart 2020. https://mijngelderland.nl/ SIKB; internetsite, maart 2020. http://www.sikb.nl
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Pagina 24 van 24
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart kaart van de gemeente Oost Gelre Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 7.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN)
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 8.
Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 9.
Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 78
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 (bron: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan)
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad)
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1926 (Bonneblad)
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1926 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1955
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1955 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Figuur 15.
Boorpuntenkaart plangebied en resultaten van het booronderzoek, met als achtergrond de luchtfoto
Groenlo (gemeente Oost Gelre) – Berkenhofweg (ong.) Boorpuntenkaart van het plangebied en resultaten van het booronderzoek, met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Plangebied
Terreindeel waar direct grondmorene/keizand grondmorene/keizand direct onder de huidige bouwvoor aanwezig is Terreindeel waar nog een tussenlaag/restant keileem aanwezig is
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. **** Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bijlage 4
Inrichtingsplan
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
3D IMPRESSIES INPASSING GROLSE LINIE
5.
profiel
6. 2.
redoute
markering linie bij de weg
lage struweelsingel met enkele boomvormers trap verho
bloemrijk grasland
ogd p
ad ov
er lin
ie
vlaggemasten en trap
lage struweelsingel met enkele boomvormers
3&4.
natte natuur
toegang met infotafel
7.
1.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - plattegrond
N schaal 1:2000 / A3
1.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - vogelvlucht noordwaarts
2.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - vogelvlucht oostwaarts
3.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - perspectief over de linie
-
hoogte wandelpad 0,8-1,0m + mv
4.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - ooghoogte perspectief vanuit het oosten
-
hoogte panelen 1,5m + mv
5.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - perspectief redoute en Zomereiken
6.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - ooghoogteperspectief vanaf de Berkenhofweg
7.
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - ooghoogteperspectief bij de toegang
landelijk hek ca. 2,0m boven maaiveld
panelen 1,5m boven maaiveld
pad ca. 1,0m boven maaiveld
13,5m
zitbank ca. 0,5m boven maaiveld
25,0m
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - profiel pad over linie en redoute
Zonnepark Twee Zomereiken te Groenlo - referenties uit Beeldkwaliteitsplan De Grolse Linie 1627
Bijlage 5
Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen
Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 1
Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 12
Vanuit oostelijke richting nabij boring 54
Vanuit westelijke richting nabij boring 44
Boring 1
Boring 2
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 3
Boring 4
Boring 5
Boring 6
7
Boring 7
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 8
Boring 9 Boring 10
Boring 11
Boring 12
Boring 13
Boring 14
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 15
Boring 16
Boring 17
Boring 18
Boring 19
Boring 20
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 21
Boring 22
Boring 23
Boring 24
Boring 25
Boring 26
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 27
Boring 28
Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 8
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 8
Boring 29
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 30
Boring 31
Boring 32
Boring 33
Boring 34
Boring 35
Boring 36
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 37
Boring 38
Boring 39
Boring 40
Boring 41
Boring 42
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 43
Boring 44
Boring 45
Boring 46
Boring 47
Boring 48
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Boring 49
Boring 50
Boring 51
Boring 52
Boring 53
Boring 54
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bijlage 6
Boorprofielen
Rapport 11763.001 & 11763.004 versie 1
Bijlage 6
Boorstaten
01 X: Y:
02 240708,00 452549,00
29,7
X: Y:
m +NAP
29,8
30
50
100
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht oranjegeel, 1C-horizont, dekzand
75
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht geelgrijs, 1C-horizont, dekzand
100
Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak grindig, licht grijsoranje, 2C-horizont, keizand
120
35 45
50
100
Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht grijsgeel, 1C-horizont, dekzand
110 120
Zand, zeer fijn, sterk siltig, matig grindig, licht witgeel, 2C-horizont, keizand
X: Y:
50 65
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht bruingeel, 1C-horizont, dekzand Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak grindig, lichtbruin, 2C-horizont, keizand
100 120
Zand, zeer fijn, matig siltig, lichtbruin, 2C-horizont
X: Y:
m +NAP
30
30
50
60
85
100 120
m +NAP 0
0
0
0
240835,00 452630,00
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor Zand, zeer fijn, zwak siltig, oranjegeel, 1C-horizont, dekzand Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak grindig, grijsoranje, 2C-horizont, keizand
30 50
50
70 90
100 120
Zand, zeer fijn, matig siltig, licht oranjegeel, 2C-horizont
Zand, zeer fijn, matig siltig, licht oranjebruin, 2C-horizont
240945,00 452697,00
X: Y:
m +NAP
08
240973,00 452716,00
29,7
Zand, zeer grof, matig siltig, matig grindig, licht oranjegeel, 2C-horizont, keizand Zand, zeer grof, matig siltig, matig grindig, licht grijsoranje, 2C-horizont, keizand Leem, sterk zandig, sterk grindig, grijsoranje, 2C-horizont, keileem
X: Y:
m +NAP
09 241015,00 452742,00
29,7
X: Y:
m +NAP
10 241057,00 452769,00
29,4
X: Y:
m +NAP
241099,00 452796,00
29,3
m +NAP
0
0
30 40
50
55
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor
120
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, lichtgeel, geroerde/verstoorde laag Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag
100
Zand, zeer grof, zwak siltig, sterk grindig, licht bruingrijs, 2C-horizont, keizand
30 35
50
60
85
100 120
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruin, restant 1Bhe-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht geelbruin, 1BC-horizont Zand, zeer fijn, zwak siltig, oranjegeel, 2C-horizont, keizand
0
0
30 45
50
60
11 X: Y:
12 241141,00 452823,00
29,5
X: Y:
m +NAP
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, donker geelgrijs, geroerde/verstoorde laag Zand, zeer fijn, zwak siltig, licht oranjegeel, 1C-horizont, dekzand
105
Zand, zeer fijn, zwak siltig, oranje, 1C-horizont, dekzand
30
50
55 65
100
120
Zand, zeer fijn, matig siltig, geeloranje, 2C-horizont Zand, matig fijn, matig siltig, lichtgrijs, 2C-horizont
13 241184,00 452849,00
29,4
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor
75
Zand, zeer fijn, sterk siltig, zwak grindig, lichtgrijs, 2C-horizont, keizand
X: Y:
m +NAP
120
14
241184,00 452802,00
29,5
100
100
X: Y:
m +NAP
Zand, zeer grof, matig siltig, matig grindig, donkerbruin, geroerde/verstoorde laag Zand, matig grof, matig siltig, zwak humeus, zwak grindig, grijsbruin, geroerde/verstoorde laag Zand, zeer grof, sterk siltig, sterk grindig, licht oranjegrijs, 2C-horizont, keizand
0
0
30
50
60 80 100
100
120
15
Zand, zeer fijn, matig siltig, groengrijs, 2C-horizont
241142,00 452775,00
29,4
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor
X: Y:
m +NAP
29,7
0
0
30 50
50
90
100 120
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Ap-horizont, huidige bouwvoor Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker witbruin, geroerde/verstoorde laag Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak grindig, licht witgrijs, 2C-horizont, keizand
50
60 75
110 120
29,6
X: Y:
m +NAP