CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

vvgb gunnewick mengvoeders bijlage 3 ruimtelijke onderbouwing

Raadscommissie 4 april 2023, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoerders21.989 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De inrichting is gevestigd aan Winterswijkseweg 16/16a in Vragender, kadastraal bekend: gemeente Lichtenvoorde, sectie C, nummers 4597, 3499,3553, 4599, 4604, 4605, 425, 478 (ged.) en 479 (ged.) Voorafgaande aan het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning, is het ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm noodzakelijk te beslissen of in verband met de activiteiten gericht op verwerking van afvalstoffen een milieueffectrapport (verder: MER) nodig wordt geacht. 2. WETTELIJKE GRONDSLAG Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wm moet het bevoegd gezag bij voorgenomen activiteiten genoemd in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) besluiten of voor het project, gelet op de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project mogelijk heeft, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D, categorie 18.1, is aangegeven dat voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7, in gevallen waarin de voorgenomen activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer, een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

Uit jurisprudentie volgt dat ook handelingen gericht op nuttige toepassing binnen het begrip verwijdering als bedoeld in categorie D18.1 van de bijlage van het Besluit m.e.r. behoren te vallen. Het Besluit m.e.r. is van toepassing op besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. Met de voorgenomen activiteit wordt de capaciteitsgrens van 50 ton per dag of meer overschreden Voor het uitbreiden van de activiteit is een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo nodig.

2018MER0061

pagina 3 van 9

Wij stellen vast dat het project betrekking heeft op de een capaciteitsuitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton of meer als bedoeld in categorie 18.1, onderdeel D in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. op grond waarvan wij moeten beoordelen of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3

TOETS

Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.17, derde lid, van de Wm uitgevoerd met behulp van de in bijlage III van de Richtlijn 2014/52/EU opgenomen criteria. Deze criteria hebben betrekking op: 1. de kenmerken van het project; 2. de locatie van het project, en 3. de soort en kenmerken van het potentiële effect. De toetsing is hieronder uitgewerkt. Het volgende wordt overwogen. De kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project zijn de volgende criteria in ogenschouw genomen: 1. de omvang van het project; 2. cumulatie met andere projecten; 3. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; 4. de productie van afvalstoffen; 5. verontreiniging en hinder; 6. het risico van ongevallen; 7. de risico’s voor de menselijke gezondheid.

3.1.1

Afweging

Omvang van het project Het project betreft het uitbreiden:  het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het veevoeder productieproces;  het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar;  het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen;  het realiseren van een overkapping;  het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. De toegepaste reststromen bestaan o.a. uit oliën, eiwitten, (graan)schroot, biergist, broodmeel, gluten, soja- en bietenproducten. Voor de productie van veevoeder wordt uitsluitend gebruik gemaakt van plantaardige grondstoffen. Het project betreft in hoofdzaak een optimalisatie van bestaande activiteiten. De omvang van het project is op zichzelf geen reden voor het maken van een milieueffectrapport. Cumulatie met andere projecten Ten aanzien van cumulatie van effecten ten gevolge van de voorgenomen activiteit kan cumulatie optreden ten aanzien geur, emissies naar de lucht (PM10 en NO2) en emissie van geluid. De voorgenomen activiteit heeft geen samenhang met andere activiteiten in de omgeving. Er zijn in de nabijheid van de installatie geen andere projecten in ontwikkeling die tot (een betekenisvolle) cumulatie van milieueffecten zouden kunnen leiden. 2018MER0061

pagina 4 van 9

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Gunnewick Mengvoeders b.v. maakt gebruik van reststoffen die zijn ontstaan bij de productie van voedingsmiddelen voor mensen. Deze reststoffen betreffen o.a. oliën, eiwitten, (graan)schroot, biergist, broodmeel, soja- en bietenproducten. Voor het vervoer van deze stoffen wordt gebruik gemaakt van motorvoertuigen die fossiele brandstoffen verbruiken. Voor het productieproces en schoonmaakwerkzaamheden wordt water gebruikt. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een zodanig gebruik van natuurlijke hulpbronnen (water, land, bodem en biodiversiteit) dat dit aanleiding vormt voor het verlangen van een milieueffectrapport. Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Productie van afvalstoffen Binnen de inrichting komen afvalstoffen vrij zoals papier, pallets, productiemateriaal, oud ijzer en restafval. De aard en hoeveelheid van deze afvalstoffen zijn niet van dien aard dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Verontreiniging en hinder De voorgenomen activiteit heeft in potentie gevolgen voor verschillende milieuaspecten. Met het oog op de in dit kader bedoelde verontreiniging en hinder zijn de milieuaspecten waar de voorgenomen activiteit gevolgen voor kan hebben, de aspecten bodem, afvalwater, lucht, geur en geluid.

In de aanmeldingsnotitie, het akoestisch onderzoek, geuronderzoek en luchtkwaliteitsonderzoek zijn de invloed van de bodembelasting, emissies van afvalwater, emissies naar de lucht, de emissie van geur en de geluiduitstraling op de omgeving beschreven en onderzocht. Wij overwegen hierover het volgende. Bodem Het risico op bodemverontreiniging ten gevolge van de voorgenomen activiteiten wordt veroorzaakt door de opslag en gebruik van bodembedreigende stoffen of waaruit bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat ter plaatse van de beschreven bodembedreigende activiteiten toereikende (vloeistofkerende) voorzieningen en beheermaatregelen worden getroffen. Hiermee wordt een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt. De bodembedreigende activiteiten geven geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport. Afvalwater De samenstelling van het te lozen afvalwater komt grotendeels overheen met huishoudelijk afvalwater. Dit afvalwater wordt op de gemeentelijke riolering geloosd. Niet verontreinigd hemelwater wordt op de bodem of oppervlaktewater geloosd. De aard en omvang van de lozing van afvalwater is niet van dien aard dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

Geluid De geluidbelasting die die inrichting op de omgeving veroorzaakt is beschreven in het rapport “Akoestisch Gunnewick Mengvoeders in Vragender” van 5 maart 2019 dat is opgesteld door Tauw met kenmerk R001-1268670MJO-V01-baw-NL. De geluidbelasting is niet van dien aard dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Lucht De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het rapport “Onderzoek luchtkwaliteit Gunnewick Mengvoeders Vragender” Blauw luchthygiëne onderzoek en advies, rapportnummer BL2018.9093.01, 9 juli 2018. De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn niet van dien aard en omvang dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. 2018MER0061

pagina 5 van 9

Geur De geurbelasting naar de omgeving is berekend in het Geuronderzoek Gunnewick Mengvoeders te Vragender dat is uitgevoerd door Blauw luchthygiëne en advies, rapportnummer BL2019.8975.01-V01, 2 januari 2019. De resultaten van het geuronderzoek geven geen aanleiding tot het opstellen van een geuronderzoek. Risico van ongevallen Voor zover het de uitbreiding van de inrichting betreft worden beperkte hoeveelheden gevaarlijke stoffen in verpakking, gasflessen (LPG), diesel in een bovengrondse tank en anorganische kunstmest in zakgoed opgeslagen. Deze activiteiten leiden er niet toe dat het Besluit risico zware ongevallen of het Besluit externe veiligheid op de inrichting van toepassing wordt. De opslag van deze stoffen vindt plaats overeenkomstig de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen”, PGS 7 “Opslag anorganische meststoffen” en PGS 30 “Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tank- en afleverinstallaties”. De risico’s op ongevallen worden daarmee in voldoende mate beperkt.

3.1.2

Conclusie kenmerken van het project

Gelet op vorengaande zijn wij van mening dat er wat betreft ‘kenmerken van het project’ geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een MER. De locatie van het project Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: 1. het bestaande grondgebruik; 2. de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; 3. het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht voor de volgende relevante typen gebieden: a. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); b. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.2.1

Afweging

Het bestaande grondgebruik De inrichting is gelegen binnen de bebouwde kom van Vragender. In de directe omgeving zijn woningen van derden, een autogarage, korenmolen, een school en kerk met bijbehorende gegraafplaats gelegen. De molen “De vier Winden” is aangewezen als rijksmonument met hoge waarde. Rondom deze molen is een zogenaamde molenbiotoop gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 200 gebied Korenburgerveen is op een afstand van circa 1700 meter gelegen. De overige gebiedstypen genoemd in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden ten aanzien van het project waar de aanmeldingsnotitie betrekking op heeft, als niet relevant beschouwd. Het betreft de volgende gebiedstypen: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken en gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden.

2018MER0061

pagina 6 van 9

Het project zal gerealiseerd worden binnen de grenzen van de bestaande inrichting van Gunnewick. Het voorgenomen project sluit aan bij de bestaande activiteiten, die betrekking hebben op de productie van veevoer. In het geldende bestemmingsplan ‘Vragender herziening Gunnewick Winterwijkseweg 16 van 28 mei 2013 zijn de gronden op het betrokken perceel bestemd tot ‘bedrijf, dubbelbestemming waarde Archeologische verwachtingswaarde 2, specifieke vorm van bedrijf mengvoederbedrijf en vrijwaringszone molenbiotoop.’ met specifieke bestemming ‘recycling’. Het bestemmingsplan staat het gebruik toe. Voor het realiseren van de overkapping van de stortput en het samenvoegen van 3 schoorstenen tot één schoorsteen is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan noodzakelijk. De bedrijfslocatie en omringende terreinen zijn intensief in gebruik. Binnen de grenzen van de bedrijfslocatie worden gezien de bedrijvigheid geen beschermde soorten flora en fauna verwacht. Negatieve effecten op soorten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee evenmin te verwachten. Nader onderzoek in dit verband achten wij niet noodzakelijk. Voor het project is op 6 juli 2018 een melding (Programmatische Aanpak Stikstof) op grond van de Wet natuurbescherming ingediend bij de provincie Gelderland.

De ontvangst van de melding is bevestigd waarbij de benodigde depositieruimte in het Aerius Register is geregistreerd. De relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied De inrichting is gelegen binnen de molenbiotoop van de molen De Vier Winden te Vragender. Op 17 januari 2018 heeft de vereniging De Hollandse Molen advies uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen wijziging van de inrichting de belangen van de molen niet in het geding zijn. Opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht gegeven aan voor de in de EEG-richtlijn genoemde gebieden Het inrichtingsterrein is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland, in Gelderland: Gelders Natuurnetwerk of GNN (voorheen Ecologische hoofdstructuur). Gebieden behorend tot het GNN zijn gelegen op meer dan 500 m ten zuidwesten en noordoosten(gebiedsnummer 27 Baakse Beek en Lievelde) van de inrichting. Aantasting van het GNN als gevolg van de beoogde ontwikkeling is daarmee niet aan de orde. Gezien het vorenstaande verwachten wij geen significante effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de genoemde natuurgebieden. Andere gebieden die specifieke aandacht verdienen bevinden zich niet in de invloedssfeer van de inrichting. 3.2.2.

Conclusie locatie van het project De locatie van het project leidt niet tot belangrijk nadelige milieugevolgen om reden waarvan een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De soort en kenmerken van het potentiële effect Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet in aanmerking worden genomen, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria en met inachtneming van: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b. de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en complexiteit van het effect; 2018MER0061

pagina 7 van 9

e. f. g. h.

de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

3.3.1

Afweging

Bereik van het effect Mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van het voorgenomen project treden op ten aanzien van de aspecten lucht, geur en geluid. Het bereik van deze milieuaspecten (geografisch en naar grootte van de bevolking gemeten) is beperkt. De effecten zijn van een gangbare omvang als normaal en worden geregeld in het besluit op de aangevraagde omgevingsvergunning. Er is geen aanleiding het bereik van het effect in het kader van het opstellen van milieueffectrapport nader te onderzoeken. Aard van het effect De aard van de effecten is voldoende beschreven in de aanvraag om omgevingsvergunning en de aanmeldingsnotitie. In een nader onderzoek naar de aard van de effecten in het kader van een milieueffectrapport zien wij geen toegevoegde waarde. Grensoverschrijdend karakter van het effect De inrichting is gelegen op circa 10 km van de Duitse grens. Op deze afstand zullen geen milieueffecten optreden ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Grensoverschrijdende effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit zijn hiermee niet aan de orde. De intensiteit en complexiteit van het effect De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen door voorschriften op het gebied van onder andere bodembescherming, geluidemissies en geur te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Deze aspecten behoeven niet nader te worden onderzocht in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport. De 'waarschijnlijkheid' van het effect De beschreven effecten in de aanmeldingsnotitie zullen zeker optreden, echter zijn van dien aard dat geen grote nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De productietijden van de inrichting zijn van maandag tot en met zaterdag van 06:00-22:00 uur. De aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens met grondstoffen en gereed product vinden plaats van maandag tot en met zaterdag tussen 5:00 tot 23:00 uur. De effecten van emissies van geluid en afvalwater, emissies naar de lucht en de bodembelasting vanwege de activiteiten zijn alle omkeerbaar, in die zin dat het effect ophoudt zodra de activiteit ophoudt. Er is dus geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Met betrekking tot effecten naar bodem zijn er afdoende beperkende maatregelen en voorzieningen te treffen. Deze en ook de overige effecten zijn de gangbare effecten die aan bod komen in de omgevingsvergunning. Gezien de bestemming van de omgeving en de aard van de effecten zijn er verder ten aanzien van de duur, frequentie en omkeerbaarheid van deze effecten geen nadere opmerkingen te maken.

De cumulatie van effecten met effecten van andere projecten In de omgeving van de inrichting bevinden zich enkele andere bedrijven, waarvan de milieueffecten beperkt zijn. De voorgenomen activiteit leidt niet tot noemenswaardige cumulatie van effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten. 2018MER0061

pagina 8 van 9

De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen In de omgevingsvergunning worden voorschriften gesteld die de nadelige gevolgen voor het milieu voorkomen of beperken. Voorts is op enkele van de gevraagde activiteiten zoals het lozen van schoon hemelwater, het op- en overslaan van goederen en (diffuse) emissies naar de lucht het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. In het Activiteitenbesluit zijn voor die activiteiten toereikende voorschriften ter bescherming van het milieu opgenomen. Wij zien geen aanleiding de mogelijkheden om effecten doeltreffend te verminderen in het kader van een milieueffectrapport nader te onderzoeken. 3.3.2 Conclusie kenmerken van het project Van potentiële aanzienlijke effecten is als gevolg van de voorgenomen activiteit geen sprake. In dit kader hoeft geen MER te worden gemaakt. 4

CONCLUSIE

De voorgenomen activiteiten leiden niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die via het opstellen van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. De kenmerken van het project, de locatie van het project en de soort en kenmerken van het potentiële effect zijn voldoende inzichtelijk.

2018MER0061

pagina 9 van 9

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 4 bodemonderzoek

72

Bijlagen (vastgesteld)

Nulsituatie bodemonderzoek Winterswijkseweg 16 te Vragender

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING ........................................................................................................................................................................ 3 1.1

Achtergrond ........................................................................................................................................................... 3

1.2

Kwaliteit ................................................................................................................................................................. 3

1.3

Betrouwbaarheid ................................................................................................................................................... 3

1.4

Onafhankelijkheid .................................................................................................................................................. 3

1.5

Leeswijzer............................................................................................................................................................... 3

2.

VOORONDERZOEK ........................................................................................................................................................... 4 2.1

Geraadpleegde bronnen ........................................................................................................................................ 4

2.2

Huidige situatie ...................................................................................................................................................... 4

2.3

Historie ................................................................................................................................................................... 5

2.4

Asbest..................................................................................................................................................................... 6

2.5

Voorgaande onderzoeken ...................................................................................................................................... 6

2.6

Geohydrologie ........................................................................................................................................................ 7

2.7

Locatie inspectie .................................................................................................................................................... 7

2.8

Conclusie vooronderzoek ....................................................................................................................................... 7

3.

HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET ............................................................................................................................... 8 3.1

Hypothese .............................................................................................................................................................. 8

3.2

Onderzoeksopzet ................................................................................................................................................... 8

4.

RESULTATEN .................................................................................................................................................................... 9 4.1

Uitvoering veldwerk ............................................................................................................................................... 9

4.2

Samenstelling (meng)monsters en chemische analyses ...................................................................................... 10

4.3

Interpretatie analyseresultaten ........................................................................................................................... 11

5.

CONCLUSIE ..................................................................................................................................................................... 12 5.1

Algemeen ............................................................................................................................................................. 12

5.2

Conclusie en aanbevelingen ................................................................................................................................. 12

BIJLAGEN BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11

Topografische kaart Kadastrale kaart met gegevens Situatietekening met monsternamepunten Boorbeschrijvingen Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Toetsingstabellen Projectfoto's Informatie vooronderzoek Onafhankelijkheidsverklaring Toegepaste normen

1.

INLEIDING

1.1 Achtergrond In opdracht van Gunnewick Mengvoeders BV heeft Milieutechniek Rouwmaat een nulsituatie bodemonderzoek verricht aan de Winterswijkseweg 16 te Vragender (gemeente Oost Gelre). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van het vaststellen van de nulsituatie. Bij bedrijfsbeëindiging of een herhalingsonderzoek in de toekomst (eindsituatie onderzoek) kan bekeken worden of de bodembedreigende activiteiten hebben geleid tot een bodemverontreiniging. 1.2 Kwaliteit De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Milieutechniek Rouwmaat Groenlo B.V. conform de beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000. Milieutechniek Rouwmaat Groenlo B.V. is gecertificeerd en erkend voor het uitvoeren van milieuhygiënisch bodemonderzoek conform deze beoordelingsrichtlijn. Het toepassingsgebied van dit certificaat betreft de BRL-SIKB protocollen 2001 (plaatsen handboringen en peilbuizen, nemen grondmonsters) en 2002 (nemen van grondwatermonsters). De grond- en grondwatermonsters zijn (voor)behandeld door middel van de AS3000-methode in het door de Raad voor Accreditatie erkende laboratorium Eurofins Analytico te Barneveld. 1.3 Betrouwbaarheid Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5740 (NEN5740:2009+A1:2016 nl ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond’).

Het vooronderzoek, dat parallel loopt aan deze norm, is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm NEN5725 (NEN 5725:2017 nl 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek'). Ondanks de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd, is het altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. 1.4 Onafhankelijkheid Tussen Milieutechniek Rouwmaat Groenlo B.V. en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie, die de onafhankelijkheid en de integriteit zouden beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. De onafhankelijkheidsverklaring van het uitgevoerde veldwerk is opgenomen in bijlage 10. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de erkende medewerker(s), de heer N. ten Brinke. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de voorinformatie beschreven. Aan de hand van deze gegevens is in hoofdstuk 3 de hypothese gedefinieerd en is de onderzoeksopzet vastgesteld. Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van het onderzoek. Ten slotte zijn in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen gedefinieerd.

3

2.

VOORONDERZOEK

2.1 Geraadpleegde bronnen Voor aanvang van het bodemonderzoek zijn de (historische) gegevens, die relevant zijn voor het onderzoek, verzameld. In bijlage 9 is de informatie van het vooronderzoek opgenomen. Aangezien het onderzoek zich uitsluitend richt op het vaststellen van de nulsituatie van de bodem nabij de verdachte activiteiten heeft er geen volledig historisch onderzoek plaatsgevonden. Bij het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie van de opdrachtgever informatie van de omgevingsdienst (dhr. R. de Ruijter) informatie van de website topotijdreis.nl informatie van de website bodemloket.nl locatie inspectie informatie van voorgaand onderzoek 2.2 Huidige situatie De onderzoekslocatie is gelegen aan de Winterswijkseweg 16 te Vragender (gemeente Oost Gelre). De locatie is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie C4260, 4604 en 4605, nummer(s) S 425 en 883. De 2 onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 9500 m . In bijlage 1 is de topografische kaart weergegeven. Bijlage 2 bevat de kadastrale kaart met kadastrale gegevens en in bijlage 3 is de situatietekening met monsternamepunten weergegeven. De onderzoekslocatie is gelegen in het centrum van Vragender. De onderzoekslocatie bestaat in de huidige situatie uit een bedrijfsperceel. Op de locatie is het bedrijf Gunnewick Mengvoeders gevestigd.

De initiatiefnemer is in 2014 aangeschreven door de Gemeente Oost Gelre voor het uitvoeren van een nulsituatie onderzoek.

Figuur 1: Overzichtsfoto

4

2.3 Historie Informatie van de gemeente/omgevingsdienst Er zijn geen relevante gegevens van de historie van het terrein bekend welke van invloed zouden kunnen zijn op de onderzoeksstrategie. Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten voorgedaan. Er zijn meerdere verdachte deellocaties aanwezig. Deze worden beschreven in § 2.8. Informatie van de website topotijdreis.nl Uit historisch kaartmateriaal is gebleken dat de locatie in het verleden altijd in gebruik is geweest ten behoeve van agrarische- /natuurdoeleinden. De onderzoekslocatie is vanaf 1955 bebouwd geraakt.

Figuur 2: Historische kaart 1900

Figuur 3: Historische kaart 1955

Figuur 4: Historische kaart 1988

Figuur 5: Historische kaart 2017

5

Informatie van de website bodemloket.nl Uit informatie van het bodemloket blijkt dat er historische activiteiten van het perceel bekend zijn. Het betreft de verdachte activiteiten en voorgaande onderzoeken.

Figuur 6: Weergave bodemloket.nl 2.4 Asbest Bij het vooronderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest op of in de bodem van de onderzoekslocatie. Volgens de asbestkansenkaart van de provincie Gelderland heeft de locatie een lage verwachtingskans op het voorkomen van asbest. Er is een laag puin aangetroffen welke beschreven is als puingranulaat en zintuiglijk niet als asbestverdacht is aangemerkt. Daarnaast is er op twee plaatsen een matige puinbijmenging in de bovengrond aangetroffen. Ten einde een uitspraak te kunnen doen over de concentratie aan asbest kan een asbestonderzoek uitgevoerd worden conform de NEN 5707 (bodem) en/of NEN 5897 (granulaten). Derhalve is de locatie verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem.

Figuur 7: Weergave asbestkansenkaart 2.5 Voorgaande onderzoeken In 2011 is door Milieutechniek Rouwmaat Groenlo B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit is gerapporteerd onder projectnummer: MT-21064. Destijds werden er in de grond licht verhoogde gehalten aan kobalt en PAK aangetoond. Er is geen grondwater aangetoond binnen 5 m- mv, derhalve is er destijds geen grondwateronderzoek uitgevoerd.

6

2.6 Geohydrologie Op basis van de geologische overzichtskaarten en grondwaterkaart van Nederland kan het volgende beeld van de bodemopbouw worden geschetst. Het maaiveld bevindt zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 33,50 m +NAP. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 22,50 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 11,00 m -mv zou bevinden. Uit de grondwaterkaarten van TNO blijkt dat de regionale grondwaterstromingsrichting westelijk is gericht. Het grondwater is voor zover bekend niet onderhevig aan invloeden van buitenaf. 2.7 Locatie inspectie Bij de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden waargenomen. De onderzoekslocatie werd aangetroffen zoals op basis van het vooronderzoek kon worden verwacht. Het terrein is grotendeels verhard met klinkers, stelcon en tegels. Het terrein is deels opgehoogd met puinverharding. 2.8 Conclusie vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek is gebleken dat er op de onderzoekslocatie meerdere verdachte deellocaties aanwezig zijn. Het nulsituatie bodemonderzoek richt zich zowel op deze verdachte activiteiten als het overig terrein rondom de activiteiten.

De verdachte deellocaties zijn hieronder weergegeven: - Bovengrondse brandstoftank 1 Bovengrondse brandstoftank 2 Bovengrondse brandstoftank 3 Opslag afgewerkte olie/smeerolie - Werkplaats - Overig terrein rondom activiteiten Aangezien de bodembedreigende activiteiten inpandig op een vloeistofdichte vloer plaatsvinden worden de boringen rondom de verdachte activiteiten geplaatst. Bovenstaande onderzoeksstrategie is met de Omgevingsdienst Achterhoek (contactpersoon dhr. R. de Ruijter) afgestemd en akkoord bevonden.

7

5.

CONCLUSIE

5.1 Algemeen In opdracht van Gunnewick Mengvoeders BV heeft Milieutechniek Rouwmaat een nulsituatie bodemonderzoek verricht aan de Winterswijkseweg 16 te Vragender (gemeente Oost Gelre). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van het vaststellen van de nulsituatie. 5.2 Conclusie en aanbevelingen Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  In geen van de geanalyseerde parameters in grond is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden.  De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. De licht verhoogde gehalten aan minerale olie zijn aangetroffen ter plaatse van bovengrondse tanks. De grond aldaar valt indicatief in de klasse niet toepasbaar.  De hypothese “Deellocatie A kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt grotendeels verworpen.  De hypothese “Deellocatie B kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt verworpen.  De hypothese “Deellocatie C kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt verworpen.

 De hypothese “Deellocatie D kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels verworpen.  Aangezien het bedrijf reeds enkele jaren heeft gedraaid sinds het verzoek om een nulsituatie kan niet gesteld worden dat er nog sprake is van een nulsituatie. Bevoegd gezag dient te beslissen hoe hiermee om te gaan. Opmerking Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.

12

BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCHE KAART

BIJLAGE 2 KADASTRALE KAART

BIJLAGE 3 SITUATIETEKENING MET MONSTERNAMEPUNTEN

BIJLAGE 4 BOORBESCHRIJVINGEN

BIJLAGE 5 ANALYSECERTIFICATEN GROND

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12537050/1