CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

vvgb gunnewick mengvoeders bijlage 3 ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 18 april 2023, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoerders21.989 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt. Het uitgevoerde bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage.

Conclusie bodem Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

34

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

4.4

Water

Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).

Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een digitale watertoets als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen in die toets zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

35

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. Uit de watertoets is gekomen dat er waterschapsbelangen worden geraakt. De uitkomst van de digitale watertoets is als bijlage toegevoegd. Voor de afweging van waterschapsbelangen dient de normale procedure te worden gevolgd en advies te worden gevraagd aan het waterschap. Het ontwerp van deze omgevingsvergunning is derhalve voor advies voorgelegd bij het waterschap. Het waterschap Rijn en IJssel heeft op basis van de aangevraagde ontwikkelingen en de ruimtelijke onderbouwing geconcludeerd dat er geen wateraspecten zijn betrokken. Er zijn dan verder ook geen op- of aanmerkingen op het plan. Waterschap Rijn en IJssel is akkoord.

Conclusie water Het aspect water vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

4.5

Geluid

Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidsbeleid ontwikkeld, om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Een goed akoestisch leefklimaat kan soms ten koste gaan van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten.

Industrielawaai In opdracht van VanWestreenen is door Tauw een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de Gunnewick Mengvoeders BV, gelegen aan de Winterswijkseweg 16 te Vragender. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd (d.d. 5 maart 2019, rapportnummer R001-1268670MJO-V01-baw-NL). Aanleiding van het onderzoek betreft een gewijzigde bedrijfsopzet. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidniveaus ten gevolge van de inrichting ter plaatse van omliggende geluidgevoelige objecten (woningen van derden en school). Het onderzoek is gebaseerd op een inventarisatie van de bedrijfsvoering, literatuurgegevens en een eerder door Tauw uitgevoerd akoestisch onderzoek uit 2011. Aan de hand van de verkregen gegevens is een akoestisch rekenmodel vervaardigd waarmee de geluidniveaus zijn berekend. De geluidniveaus ten gevolge van de inrichting zijn bepaald conform de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999’. De berekende geluidniveaus zijn getoetst aan de vigerende geluidvoorschriften. Deze voorschriften volgen uit de omgevingsvergunning milieu d.d. 31 maart 2014. Verder wordt voor de toetsing en beoordeling ingegaan op het gemeentelijke geluidbeleid uit 2008 en de ‘Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening’ van 1998.

Het inrichtingsgebonden verkeer (indirecte hinder) is beoordeeld conform de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van 29 februari 1996. De berekende geluidniveaus zijn tevens beoordeeld op inpasbaarheid en vergunbaarheid door de gemeente Oost Gelre. Op grond van onderzoek blijkt dat er in de avond en nachtperiode overschrijdingen zijn van het langtijdgemiddelde en maximale geluidniveau. Het betreft een reeds bestaande inrichting gelegen naast

36

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders het centrum in een gebied waar wonen en werken gecombineerd wordt. Daarnaast is de inrichting gelegen aan de gebiedsontsluitende weg van Vragender. Organisatorische maatregelen zijn mogelijk door het vrachtverkeer inzake gereed product ’s avonds over de Schoolstraat naar de parkeerplaats op het achterterrein te laten rijden en ’s nachts niet meer direct op de Winterswijkseweg te ontsluiten. Verdere maatregelen aan de bronnen of in het overdrachtsgebied zijn niet mogelijk. Aan de eisen voor de binnenwaarden in de woningen wordt, afgaande op een visuele beoordeling van de opbouw en staat, bij de resulterende geluidniveaus op de gevel voldaan. Na het treffen van de maatregelen uit het akoestisch rapport (zie bijlage): wordt in alle perioden voldaan aan de grenswaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau; wordt in de dagperiode voor de maximale geluidniveaus voldaan aan de vigerende geluidvoorschriften waarbij redelijkerwijs geen verdere maatregelen mogelijk zijn; wordt in de avond- en nachtperiode voor de maximale geluidniveaus voldaan aan de aanbevolen richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Voor een verdere motivering ten aanzien van geluid, wordt verwezen naar het onderzoek dat als bijlage is toegevoegd.

Gelet op de berekende resultaten na het treffen van de maatregelen uit het akoestisch rapport kan op het onderdeel industrielawaai gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs wegen geluidszones. In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een zone van 600 m, voor drie of vier rijstroken een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt een zone van 200 m. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidsgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten: wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Nu het in onderhavig geval niet gaat om de realisatie van een geluidsgevoelige bestemming, is geluid in het kader van wegverkeerslawaai niet van toepassing.

Railverkeers- en industrieel lawaai Railverkeers- en industrieel lawaai zijn niet van toepassing op dit plangebied nu beide niet in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning. Ten aanzien van het aspect industrielawaai kan middels maatregelen voldaan worden aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving.

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

37

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

4.6

Geur

De NeR is in de Regeling omgevingsrecht opgenomen als BBT document. Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (beste beschikbare techniek). In de NeR zijn voor diverse bedrijfstakken bijzondere regelingen opgenomen. Voor de mengvoederindustrie is een bijzondere regeling (BR) opgenomen in de NeR. Het betreft de Bijzondere Regeling A3 “Diervoederindustrie” (BRD). Door het toepassen van de BRD wordt voldaan aan de BBT. De BRD is gebaseerd op een brancheonderzoek en vormt voor de beoordeling van de geurverspreiding voor de inrichting van aanvraagster het toetsingskader. Deze BRD is weliswaar inmiddels opgenomen in het Activiteitenbesluit, maar nog steeds hanteerbaar als uitgangspunt (BBT). In de BRD zijn geurnormen opgenomen: de norm voor een aanvaardbaar hinderniveau in bestaande situaties ter plaatse van geurgevoelige objecten in de bebouwde kom is 1,4 OuE/m3 als 98-percentiel en voor minder geurgevoelige objecten (buitengebied) 2,8 OuE/m3 als 98-percentiel. Voor geurgevoelige objecten geldt dat deze norm 2 procent van de tijd overschreden mag worden (= 98 percentiel). Bij vergunningverlening stelt het bevoegd gezag in een specifieke situatie vast welke objecten beschermd worden tegen geurhinder. Dit betreft woningen en andere locaties waar mensen zich bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden.

Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten beschermd horen te worden tegen geurhinder, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een woning in het buitengebied kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing (bebouwde kom). Voor het vaststellen van het benodigde beschermingsniveau zijn de volgende criteria van belang: verblijfsduur; omvang van de groep; functie van de omgeving; aanwezigheid van gevoelige groepen; bijzondere bestemmingen. Het opdelen van geurgevoelige objecten met een hoger en een lager beschermingsniveau is in lijn met de Bijzondere Regeling Diervoederindustrie, waarbij een norm is opgenomen voor geurgevoelige objecten en minder geurgevoelige objecten. De geurgevoelige objecten met een hoger beschermingsniveau zijn de omliggende woningen in de aaneengesloten woonbebouwing van Vragender (bebouwde kom). In onderhavige situatie is er sprake van een reeds lang bestaande mengvoederfabriek, waarvoor ook een “omgevingsvergunning Wabo onderdeel milieu” is verleend (2014). Bij de productie van mengvoer komt geur vrij. Voorafgaand aan het persen van de korrels wordt stoom aan het product toegevoegd, waardoor het geperste product heet is. Hierdoor zijn de korrels mengvoer betrekkelijk zacht en wat kleverig.

Om de korrels harder te maken, waardoor ze bijvoorbeeld geschikt zijn voor (intern) transport, moeten ze gekoeld worden. De lucht voor het koelen wordt van buiten aangezogen en over/door de geperste korrels geleid. Op dat moment neemt de koellucht verschillende stoffen op, die een bepaalde geur veroorzaken. Deze koellucht mondt via een leidingensysteem op de buitenlucht uit. Meer dan 90% van de geuremissie komt uit de koeluitlaten van de persen (bron: vm. BRD). De lucht van de 3 perslijnen wordt via 1 centraal emissiepunt op het dak van de fabriek in de buitenlucht afgeblazen. Dit geschiedt op een hoogte van 25 meter (schoorsteenhoogte t.o.v. maaiveld). De berekening van de geurbelasting in de omgeving van de veevoederfabriek is vastgelegd in het door Buro Blauw opgestelde geurrapport (rapportnummer: BL2019.8975.01V1 van 2 januari 2019). Uit dit onderzoeksrapport kan het volgende worden afgeleid: de capaciteit en samenstelling van het geproduceerde mengvoer (geperst) bedraagt 90.000 ton per jaar; de maximaal berekende concentraties ter plaatse van de omliggende woningen van derden bedraagt voor de gewenste situatie 1,4 OuE/m3 als 98-percentiel. Hierdoor wordt in de gewenste situatie ter plaatse van alle toetsingslocaties voldaan aan de norm van 1,4 (en 2,8) OuE/m3 als 98-percentiel.

Door het verhogen van het emissiepunt tot 25 meter hoogte (= BBT- maatregelen) wordt voldaan aan de

38

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders normstelling en zijn aanvullende maatregelen niet noodzakelijk. Het mengvoederbedrijf van Gunnewick b.v. voldoet aan het aanvaardbare hinderniveau volgens de NER en afspraken met de branche-/diervoederindustrie. Daarmee kan tevens gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden ten aanzien van het aspect geur. Het betreffende geuronderzoek is als bijlage toegevoegd.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling. Er is op dit onderdeel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

4.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Doel van de regels is het formuleren van grenswaarden voor de luchtkwaliteit, waarbij diverse luchterontreinigende stoffen beperkt worden. Dit dient ter bescherming van mens en milieu. De stoffen waar de Wm voornamelijk op toeziet betreffen fijnstof (PM10, PM2,5) en stikstofoxiden (NOx ).

Situatie plangebied Voor Gunnewick Mengvoeders B.V. geldt dat bij de productie, overslag en vervoer van diervoeding en bijbehorende grondstoffen fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxide (NOx ) geëmitteerd worden. In het algemeen worden waar mogelijk deze emissies beperkt door het toepassen van beste beschikbare technieken (BBT) of het anderszins treffen van maatregelen. Stikstofoxide (NOx ) De bronnen welke aangewezen kunnen worden ten aanzien van de emissie van stikstofoxide (NOx ) betreffen in het geval van Gunnewick Mengvoeders B.V.: verkeersbewegingen zwaar en licht verkeer, stationair draaien van vrachtwagens, intern gebruik machines (heftruck + verreikers), kleine Cv-ketels, en de stoomketel (olie). Stofemissies (PM10) De emissie van fijn stof (PM10) komt vrij van de volgende emissiebronnen in het geval van Gunnewick Mengvoeders B.V.: de perslijnen en het centrale emissiepunt (incl. filter), de stoomketel, de ventilatie van de grondstoffenhal, de hamermolen, de stortput, de verkeersbewegingen (vrachtwagens & personenauto's), en het interne gebruik van machines (heftruck en verreikers). Binnen de inrichting vindt daarnaast op- en overslag en het mengen van stuifgevoelige stoffen plaats, namelijk mengvoerdergrondstoffen.

Onderzoek Ten aanzien van de luchtkwaliteit op basis van fijnstof en stikstofoxiden is een onderzoek uitgevoerd door Buro Blauw. Het rapport van dit onderzoek is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd (d.d. 9 juli 2018, rapportnummer BL2018.9093.01-V01). Dit onderzoek kan gezien worden als een worst-case benadering. In de AERIUS-berekeningen (zie bijlagen) is namelijk te zien dat er sprake is van minder NOx -emissie. Daarnaast blijkt uit de jaarlijks door het ministerie van I&W gepubliceerde lijsten met emissiefactoren dat de emissiefactoren voor verkeer zowel voor N0x als voor PM10 steeds verder afneemt. Er is sprake van een dalende trend door het steeds schoner wordende wagenpark in Nederland. Dit geldt voor alle voertuigcategorieën. Daarmee kan gesteld worden dat de NOx - en

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

39

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders PM10-emissie van het bedrijf anno nu lager is dan in 2018, het jaar waarin het luchtkwaliteitsrapport is opgesteld. Derhalve kan de conclusie in het rapport van Buro Blauw in stand blijven: er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor concentraties fijnstof en NOx . Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten ten aanzien van luchkwaliteitseisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer en kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning. Er is op dit onderdeel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

4.8

Natuurbescherming

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de provinciale omgevingsvisie en -verordening.

Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.

Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.

40

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Afbeelding Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/

Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Voor een groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

Situatie plangebied Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura2000gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone hoeft het plan niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

41

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (geen externe werking). Het plangebied is gelegen op 1,9 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Het Korenburgerveen'.

Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming is een quickscan uitgevoerd (d.d. 02-12-2020). Dit rapport is als bijlage toegevoegd. Dit betreft het onderzoek welke ook door provincie is gebruikt voor het afgeven van de ontwerp vvgb ontheffing Wet natuurbescherming (tevens als bijlage toegevoegd). Uit de quickscan kan worden geconcludeerd dat er door het in acht nemen van voorschriften geen effecten op beschermde soorten optreden. De voorschriften zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de ontwerp vvgb van de provincie welke tevens als bijlage is toegevoegd. De definitieve vvgb van de provincie is aangevraagd in voorbereiding op vaststelling van de voorliggende omgevingsvergunning. De voorschriften zijn hier onder overgenomen en maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning.

Voorschriften 1. De voorgenomen bouwwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen. De deskundige begeleidt in elke geval het ongeschikt maken van de delen van het gebouw waar de uitbreidingen aan vast gebouwd zullen worden. Het ongeschikt maken dient in de actieve periode van vleermuizen te gebeuren. 2. Vanaf het moment dat verstorende werkzaamheden plaatsvinden is de houder van de omgevingsvergunning met deze vvgb ervoor verantwoordelijk dat de ecologisch deskundige tijdens de ecologische begeleiding alle bevindingen bijhoudt in een logboek. In het logboek wordt vermeld op welke data de deskundige aanwezig was, welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en begeleid, en eventueel hoeveel exemplaren en verblijfplaatsen van welke beschermde soorten op welke locatie zijn waargenomen. Tevens dienen er duidelijke foto’s van de bouwwerkzaamheden en het ongeschikt maken te worden opgenomen in het logboek. Het logboek moet altijd aanwezig zijn op de projectlocatie en dient door de vergunninghouder op verzoek van een toezichthouder direct te worden overhandigd. 3. De houder van de omgevingsvergunning met de vvgb van de provincie dient direct contact op te nemen met de provincie Gelderland indien er verbodsbepalingen worden overtreden, waarvoor geen vvgb is verleend.

Dit kan het geval zijn als er negatieve effecten optreden op soorten waarvoor geen vvgb is verleend of als er onverwachte negatieve effecten van de activiteiten optreden. 4. Voor het ongeschikt maken voor vogels of vleermuizen mogen geen zelf-expanderende vulmiddelen (zoals purschuim) gebruikt worden om gaten dicht te zetten en geen netten of andere materialen te gebruiken waarin ze verstrikt kunnen raken. 5. Er dient buiten de broedperiode gewerkt te worden. Als in de broedperiode gewerkt wordt dienen potentiële nestlocaties vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden en dienen aanwezige broedgevallen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden te blijven. Een deskundige op het gebied van vogels dient te bepalen of en welke werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. 6. Voorafgaand aan de werkzaamheden aan de bestaande bebouwing dient de ecologisch deskundige een visuele inspectie op vleermuizen uit te voeren. 7. Indien effecten niet uitgesloten kunnen worden, dient alsnog een ontheffing te worden aangevraagd. Stikstof De emissie van stikstofverbindingen vanuit een inrichting of tijdens de aanlegfase van een bouwontwikkeling kunnen leiden tot een stikstofdepositie op nabij gelegen natuurgebieden. Dit is tevens het geval voor Gunnewick Mengvoeders. In dit geval is dat het zogenaamde NOx , dat ontstaat als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen.

In de situatie bij Gunnewick Mengvoeders b.v. zijn er een aantal verschillende bronnen waarbij deze NOx ontstaat: verkeersbewegingen zwaar en licht verkeer, stationair draaien van vrachtwagens, intern gebruik machines (heftruck + verreikers), kleine Cv-ketels, en de stoomketel (olie). Voor het uitvoeren van depositieberekeningen is het programma “Aerius” aangewezen.

42

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

In voorliggend geval zijn drie berekeningen uitgevoerd. Het referentiejaar 2014 is berekend, de gewenste situatie is berekend, en de aanlegfase van de ontwikkeling is berekend. Deze berekeningen zijn als afzonderlijke bijlagen toegevoegd bij deze onderbouwing. De berekening van de gewenste situatie in vergelijking met het referentiejaar 2014 toont aan dat er niet méér stikstofneerslag wordt veroorzaakt door de gewenste ontwikkeling dan in huidige situatie het geval is. Er is sprake van interne saldering. Voor wat betreft de berekening van de aanlegfase is aangetoond dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Op basis van het voorgaande kan op voorhand aangegeven worden dat de ontwikkeling en bijbehorende activiteiten van het plan geen nadelige effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermd Natura-2000 gebieden. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten zoals hiervoor omschreven vormen geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.

Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Plansituatie Het bedrijf Gunnewick Mengvoeders is in de VNG Handreiking 'bedrijven en milieuzonering' te scharen onder “groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders” (cat. 3.1) en “veevoerfabrieken: - mengvoeder,

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

43

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders p.c. < 100 t/u” (cat. 4.1). Gelet op de hogere categorie worden de richtafstanden aangehouden van het categorie 4.1 bedrijf; “mengvoeder, p.c. < 100 t/u”. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen. De maatgevende afstanden zijn daarbij de grootste, namelijk die van geur en geluid; 200 meter.

De directe omgeving van de veevoerfabriek kan gekenmerkt worden als gemengd gebied. Zo liggen er meerdere functies bij elkaar (maatschappelijk, horeca, detailhandel, bedrijven). Omdat er ter plaatse uitgegaan kan worden van gemengd gebied, kunnen de genoemde richtafstanden volgens de VNG richtlijn met een stap worden verkleind. Zodoende mag gebruik gemaakt worden van de gecorrigeerde richtafstand. Voor geur en geluid komt deze uit op 100 meter, voor stof op 30 meter. Gevaar (externe veiligheid) is een uitzondering op deze regel en de richtafstand hiervoor blijft dan ook op 30 meter. Ook met de correctie blijven geur en geluid de maatgevende afstanden. Aan de genoemde gecorrigeerde richtafstanden kan niet worden voldaan. Voor geluid, geur en stof geldt dat er gevoelige bestemmingen (woningen) op kortere afstand zitten dan de richtafstanden voorschrijven. Derhalve zal van de richtafstanden afgeweken moeten worden. De VNG schrijft voor dat de richtafstanden een indicatief karakter hebben. Uit meer gedetailleerd onderzoek kan volgen dat ook op kortere afstand van het bedrijf sprake is van een toelaatbare situatie voor woningen. Hiervoor is in de VNG-publicatie een stappenplan opgenomen, dat in feite neerkomt op het nodig zijn van een deskundigenrapport bij het niet kunnen voldoen aan de richtafstand.

Dat hoeft niet altijd een kwantitatief onderzoek in te houden, maar kan ook gaan om een nadere kwalitatieve onderbouwing. Hieronder wordt per onderdeel ingegaan op wat er specifiek speelt voor dit bedrijf.

Geur In het kader van de m.e.r.-beoordeling is een geuronderzoek uitgevoerd naar het mengvoederbedrijf (Buro Blauw, d.d. 18 april 2018, rapportnummer BL2018.8975.01-V01; als bijlage toegevoegd). In dit onderzoek zijn 11 meetpunten gepakt in de omgeving. Velen daarvan geurgevoelig binnen bebouwde kom en daarom met een geurnorm van 1,4 ouE/m³ als 98-percentiel. Voor de volledigheid zijn drie meetpunten meegenomen buiten de bebouwde kom en daarmee met een geurnorm van 2,8 ouE/m³ als 98-percentiel. In alle gevallen wordt voldaan aan de geurnorm. In de meeste gevallen blijft de geurconcentratie ouE/m³ als 98-percentiel ver onder de gestelde norm. Op grond hiervan is voor de omliggende woningen sprake van een aanvaardbaar niveau van geurhinder, ook op een kortere afstand dan de gestelde richtafstand. Derhalve is het woon- en leefklimaat niet in het geding voor wat betreft het aspect geur.

Geluid Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het mengvoederbedrijf (d.d. 5 maart 2019, rapportnummer R001-1268670MJO-V01-baw-NL). Dit rapport is als bijlage toegevoegd aan deze onderbouwing. Op grond van het onderzoek blijkt dat er in de avond en nachtperiode overschrijdingen zijn van het langtijdgemiddelde en maximale geluidniveau. Echter door het toepassen van maatregelen kunnen deze overschrijdingen worden beperkt. Na het treffen van de maatregelen uit het akoestisch rapport: wordt in alle perioden voldaan aan de grenswaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid voor het

44

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders langtijdgemiddelde beoordelingsniveau; wordt in de dagperiode voor de maximale geluidniveaus voldaan aan de vigerende geluidvoorschriften waarbij redelijkerwijs geen verdere maatregelen mogelijk zijn; wordt in de avond- en nachtperiode voor de maximale geluidniveaus voldaan aan de aanbevolen richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Daarmee kan gesteld worden dat ook op een kortere richtafstand dan de door VNG voorgestelde gecorrigeerde richtafstand (100 meter) voldaan kan worden aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid binnen de milieuzonering van het bedrijf vormt daarmee geen verdere belemmering.

Stof De VNG-publicatie is voor het onderdeel stof verouderd. Zoals blijkt uit de VNG-publicatie Milieuzonering nieuwe stijl is het naar huidige inzichten niet nodig om richtafstanden voor stof aan te houden. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan verschillende regels om stofhinder al direct buiten de inrichting te voorkomen, dus los van de ligging ten opzichte van de woonomgeving. Die regels hebben betrekking op zowel puntbronemissies als emissies door de op- en overslag van goederen in de buitenlucht. Daarbij doet het onderscheid tussen een bedrijfswoning en een reguliere woning niet ter zake. Voor wat betreft fijnstof kan nog worden opgemerkt dat er een luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd naar het mengvoederbedrijf (Buro Blauw, d.d. 9 juli 2018, rapportnummer BL2018.9093.01-V01). Het rapport van dit onderzoek is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Dit onderzoek is toegelicht onder paragraaf 4.7 Luchtkwaliteit. In het kort tonen het rapport tezamen met de jaarlijks door het ministerie van I&W gepubliceerde lijsten met emissiefactoren aan dat de NOx - en PM10-emissie van het bedrijf anno nu lager is dan in 2018, het jaar waarin het luchtkwaliteitsrapport is opgesteld. Op grond hiervan kan gesteld worden dat er voor omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Met betrekking tot het aspect stof kan toegevoegd worden dat met de voorliggende ontwikkeling een overkapping van een stortput wordt mogelijk gemaakt. Deze overkapping zorgt voor een vermindering van onder andere de hoeveelheid stof welke vrijkomt bij het afleveren van grondstoffen. Ook op dit punt is de ontwikkeling daarmee aanvaardbaar voor wat betreft milieuzonering, specifiek wat betreft het aspect stof.

Gevaar Binnen de inrichting worden beperkte hoeveelheden gevaarlijke stoffen in verpakking, gasflessen (LPG), diesel in een bovengrondse tank en anorganische kunstmest in zakgoed opgeslagen. Deze activiteiten leiden er niet toe dat het Besluit risico zware ongevallen of het Besluit externe veiligheid inrichtingen op de inrichting van toepassing is. De opslag van deze stoffen vindt plaats overeenkomstig de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen PGS 15 “Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen”, PGS 7 “Opslag anorganische meststoffen” en PGS 30 “Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tank- en afleverinstallaties”. De risico's op ongevallen worden daarmee in voldoende mate beperkt. Van deze opslagen gaat qua gevaarzetting geen externe werking uit. Het gevaar op stofexplosie wordt in voldoende mate ingeperkt door naleving van de van toepassing zijnde ATEX-richtlijn. De situatie na de ontwikkeling verandert niet ten opzichte van hetgeen hiervoor omschreven. De opslag van gevaarlijke stoffen blijft daarmee voldoen aan de verschillende richtlijnen. Zodoende kan op dit punt eveneens gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de aangevraagde activiteit. Voor omwonenden verandert het woon- en leefklimaat niet door de ontwikkeling; deze blijft aanvaardbaar. Ook is het niet zo dat door de ontwikkeling het potentieel aantal milieugehinderden stijgt. Het is daarom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening om mee te werken aan het verzoek.

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

45

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

4.10

Externe veiligheid

Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.

Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het externe veiligheidsbeleid is samengevat in onderstaand figuur.

46

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Situatie plangebied In de directe nabijheid van het plangebied is geen weg gelegen die is aangemerkt als een transportroute voor gevaarlijke stoffen. In de directe nabijheid van het plangebied zijn verder geen opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen bekend. Op het perceel Winterswijkseweg 16 worden gevaarlijke en/of ontplofbare stoffen opgeslagen. Dit is conform eerder afgegeven vergunning en wijzigt niet met de voorliggende ontwikkeling. Derhalve is verder onderzoek naar externe veiligheid in onderhavig geval niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning. Er is op dit onderdeel sprake van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden.

4.11

Verkeer en parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Winterswijkseweg. Dit is een doorgaande weg welke het centrum van Vragender ontsluit richting het westen en oosten. Door het uitbreiden van de bebouwing bij Gunnewick Mengvoeders B.V. verandert het aantal verkeersbewegingen. Er is een vergelijking gemaakt met de revisievergunning van 1995. Op basis van deze vergunning zijn 56 vrachten per dag vergund. Getallen uit 2014 houden rekening met 30 vrachten per dag. Voorliggende aanvraag is voor 39 vrachten per dag. Dit betreft derhalve een geringe toename t.o.v. 2014, maar een sterke afname in vergelijking met 1995.

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

47

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Milieutechnisch In milieuonderzoek bijgevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing, met name het onderzoek inzake luchtkwaliteit en de AERIUS-berekeningen, blijkt dat er geen onevenredige negatieve effecten zijn ten aanzien van verkeer.

Capaciteit De capaciteit van een weg wordt bepaald door het aantal verkeerseenheden dat onder normale omstandigheden per tijdseenheid kan worden verwerkt, wat fungeert als een maat voor de doorstroming. De capaciteit is dus de maximale prestatiemogelijkheid van een weg; de intensiteit is de daadwerkelijke prestatie. Voor een erftoegangsweg type 1 (Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024) als de Winterswijkseweg wordt uitgegaan van een capaciteit van maximaal 5.000 motorvoertuigen per etmaal. Eén vrachtauto staat hierbij niet gelijk aan één motorvoertuig, hiervoor wordt het PersonenAutoEquivalent (PAE) gebruikt. Hiervoor kan de waardering uit onderstaande tabel worden gebruikt.

Tabel PersonenAutoEquivalent waarde naar voertuigcategorie

De 39 aangevraagde vrachtauto's per dag bij Gunnewick komen overeen met 78 voertuigbewegingen per dag. Dat resulteert in 78 x 1,5 = 117 PAE. Volgens het meest recente verkeersmodel zijn er rond de 1.500 motorvoertuigen per etmaal aanwezig op het betreffende gedeelte van de Winterswijkseweg te Vragender, een toename met 117 past dus ruim binnen de beschikbare capaciteit van de weg. Gezien het feitelijke aantal en soort verkeersbewegingen op de Winterswijk is er sprake van ruimschoots voldoende capaciteit om het verkeer van Gunnewick aan te kunnen (ook als daarnaast rekening wordt gehouden met licht en middelzwaar verkeer van en naar het bedrijf).

Conclusie Concluderend kan gesteld worden wat betreft de ontsluiting van het gebied rondom het plangebied dat Winterswijkseweg van voldoende omvang is om de geringe toename van verkeersbewegingen op te vangen. Het verkeer kan op verkeersveilige wijze worden afgewikkeld. Al met al is de geringe toename van verkeer beoordeeld als passend en acceptabel. Er is op dit onderdeel sprake van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden.

Parkeren De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.

48

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. Nu het in deze vergunning slechts gaat om een uitbreiding van de gebouwen van het bedrijf, kan gesteld worden dat de parkeerbehoefte niet zal toenemen. Derhalve vormt dit geen belemmering.

Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

49

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Hoofdstuk 5

T oetsing van het plan aan het beleid

Bestemmingsplan De ontwikkeling is op twee delen in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Het plan is in strijd met artikel 5.2.2 onder a: de bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het plan is in strijd met artikel 5.2.2 onder d: de maatvoering van de bestaande bebouwing, waarop geen aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte is aangegeven, mag niet meer bedragen dan de maatvoering zoals deze gold op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht. Voor wat betreft de strijdigheid met artikel 5.2.2 onder d kan binnenplans afgeweken worden, en wel onder artikel 5.4.1 in samenhang met artikel 5.4.2.

5.4.1 Afwijking Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2, onder d. en toestaan dat de maatvoering van de bestaande bebouwing wordt gewijzigd, met dien verstande dat er sprake dient te zijn van een bouwtechnische noodzaak tot verhoging van het bouwwerk welke dient te zijn aangetoond;

5.4.2 Afwegingskader Een in 5.4 .1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d.

het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk; de gebruiksmogelijkheden van de molen;

Motivering afwegingskader De bouwtechnische noodzaak is in de aanleiding van de ontwikkeling aangegeven. De wijziging van de bestaande bebouwing is noodzakelijk, gelet op de uitbreiding van de productie van het bedrijf. De verhoging van het emissiepunt is benodigd op basis van verscheidene milieuaspecten, zoals beschreven in hoofdstuk 5. De overkapping van de stortput idem. In paragraaf 3.4 is aangegeven dat het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft dit toetsingskader acceptabel te noemen. In hoofdstuk 5 zijn alle aspecten omtrent de milieusituatie behandeld. Op geen enkel onderdeel bestaan belemmeringen ten aanzien van het onderhavig plan. Het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk wijzigt. Echter, zoals ook ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld is aangetoond, gebeurt dit niet onevenredig. In paragraaf 3.4 wordt aangegeven dat het oorspronkelijk silhouet op de belangrijkste punten in stand gehouden wordt, te weten het drieluik van de hoge silo (22 meter), het lage tussenlid, en de hogere markante silo. Derhalve wordt aangetoond geacht dat het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk niet onevenredig wordt aangetast. Ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de molen is advies gevraagd bij molenvereniging De Hollandsche Molen.

In een brief (als bijlage toegevoegd) is aangegeven dat met de voorgenomen wijzigingen van Gunnewick Mengvoeders B.V. de belangen van de molen niet in het geding zijn. De opbouw komt bovenop de bestaande silo. Deze is ook in de huidige situatie al zodanig hoog dat gesteld 50

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders kan worden dat de windvang uit deze (oostelijke) richting voor de molen reeds volledig verloren is gegaan. Daarom is er ten opzichte van de huidige situatie geen sprake van een onaanvaardbare verdere achteruitgang. Derhalve kan ook op dit punt verondersteld worden dat de ontwikkeling geen belemmering vormt betreffende het afwegingskader voor de binnenplanse afwijking.

Lijst van verklaring van geen bedenkingen Gezien voor de strijdigheid ten aanzien van het bouwen buiten het bouwvlak niet binnenplans afgeweken kan worden, kan er alleen meegewerkt worden middels artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° van de Wabo (omgevingsvergunning projectafwijking). Een dergelijke omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel 6.5, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat bij het afwijken van de regels omtrent ruimtelijke ordening op basis van artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° Wabo, er een verklaring van geen bedenkingen nodig is van de gemeenteraad. Conform artikel 6.3, lid 3 Bor kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. De gemeenteraad van Oost Gelre heeft dat gedaan in het document 'Beleidsregels Wabo'. Voorliggende ontwikkeling past niet binnen de aangewezen categorieën. Derhalve is een verklaring van geen bedenkingen vereist van de raad. Middels een raadsvoorstel is de ontwerp omgevingsvergunning voorgelegd en een verklaring van geen bedenkingen van de raad gevraagd.

De raad heeft in haar vergadering van 22 november 2022 een ontwerp verklaring van geen bedenkingen afgegeven waarmee is aangegeven dat er geen bedenkingen zijn. Bij terinzagelegging van het ontwerp is het besluit inzake deze verklaring van geen bedenkingen eveneens gepubliceerd. Nu er een zienswijze is ingediend op het ontwerp van de omgevingsvergunning kan de ontwerp verklaring van geen bedenkingen van de raad niet per direct aangemerkt worden als definitieve verklaring van geen bedenkingen. De raad dient hiervoor een besluit te nemen. De omgevingsvergunning en een raadsvoorstel voor een definitieve verklaring van geen bedenkingen van de raad wordt gevraagd in de raadsvergadering van 18 april 2023.

Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde planontwikkeling voldoet aan het vastgestelde beleid, waardoor de omgevingsvergunning verleend kan worden.

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

51

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid 6.1

Haalbaarheid

Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade.

6.2

Exploitatieplan

De omgevingsvergunning voorziet in het uitvoeren van bouwkundige aanpassingen van het bedrijf ter plaatse. Er is geen sprake van een bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Wel is met verzoeker een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is opgenomen dat de te maken kosten, waaronder eventuele planschade, voor rekening van verzoeker zijn. Burgemeester en wethouders achten het plan hierdoor economisch uitvoerbaar.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1

Inspraak

Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp omgevingsvergunning voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen. Een ieder heeft gedurende deze periode een zienswijze kunnen indienen. Het ontwerp besluit “Gunnewick Mengvoeders” met ontwerp Verklaring van geen bedenkingen en de ruimtelijke onderbouwing heeft van 16 december 2022 tot en met 27 januari 2023 voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens voornoemde termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Naar aanleiding van het ter inzage leggen van de ontwerp omgevingsvergunning is 1 zienswijze ingekomen. Deze zienswijze is binnen de gestelde termijn (ontvankelijkheidstoets) ingediend. Deze zienswijze heeft aanleiding gegeven de ruimtelijke onderbouwing aan te vullen. Voor de samenvatting van de zienswijze en de gemeentelijke beantwoording hiervan wordt verwezen naar de zienswijzenota in bijlage 16 bij deze toelichting. Daarnaast is sprake van enkele ambtshalve wijzigingen in de tekst van de toelichting. Ook daarvoor wordt verwezen naar bijlage 16.

6.3.2

Artikel 3.1.1.-overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Gelderland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en

52

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders IJssel. In de ontwerpfase zijn de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van de ontwerp omgevingsvergunning. Zowel de provincie als het Waterschap hebben geen zienswijzen ingebracht.

Ruimtelijke onderbouwing (vastgesteld)

53

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlagen

54

Bijlagen (vastgesteld)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 1 landschappelijk inpassingsplan

Bijlagen (vastgesteld)

55

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 2 Besluit vormvrije M ER beoordeling

Bijlagen (vastgesteld)

57

Lijst met vergunningsstukken Behorende bij het besluit m.e.r. beoordeling op het adres Winterswijkseweg 16 Vragender met kenmerk 8002-2019. Omschrijving

Datum

Advies besluit aanmeldingsnotitie Winterswijkseweg 16 Vragender van de Omgevingsdienst Achterhoek nr. 2018MER0061

10 april 2019

3

U kunt bezwaar maken Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u hiertegen bezwaar maken. Zorgt u ervoor dat u dat doet binnen 6 weken na de datum van dit besluit. U kunt bezwaar maken volgens de Algemene wet bestuursrecht. Wat staat er in uw bezwaar? Zet in uw bezwaar in ieder geval: - uw naam en adres; - de datum van uw bezwaar; - een omschrijving van het besluit waar u bezwaar tegen maakt (u kunt bijvoorbeeld een kopie van een brief of publicatie meesturen. Of u noemt de datum van de publicatie of de datum en het kenmerk van de brief); - waarom u het niet eens bent met ons besluit; - uw handtekening. Naar wie stuurt u het bezwaar op? U stuurt het bezwaar aan het college van burgemeester en wethouders. Het adres is: Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde Zet u links bovenaan de envelop en de brief het onderwerp ‘bezwaarschrift’? Wij kunnen uw bezwaar dan sneller verwerken. De gemeente Oost Gelre heeft een onafhankelijke commissie voor bezwaarschriften. Uw bezwaar wordt ter advisering voorgelegd aan deze commissie. Let op: u kunt geen bezwaar sturen via e-mail. U kunt een voorlopige voorziening aanvragen Maakt u bezwaar tegen dit besluit? Dan blijft het besluit gelden. Heeft dit voor u op korte termijn gevolgen? En wilt u hier iets tegen doen? Dan kunt u de rechtbank vragen om een voorlopige voorziening. Dit kunt u alleen doen als u bezwaar heeft gemaakt.

U vraagt een voorlopige voorziening aan door een brief te sturen aan de Rechtbank Gelderland. Het adres is: Postbus 9030 6800 EM Arnhem Wilt u meer informatie? Leest u dan de brochure ‘Bezwaar en beroep tegen een beslissing van de overheid’. Deze brochure kunt u krijgen via: - 0800-8051 (dit is een gratis telefoonnummer); - www.postbus51.nl

4

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 3 motivering besluit aanmeldingsnotitie mer

62

Bijlagen (vastgesteld)

Advies Besluit op aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Datum: 10 april 2019

Gemeente Oost Gelre

nr. 2018MER0061

ONDERWERP Op 9 juli 2018 hebben wij van Gunnewick Mengvoeders b.v. een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid van de Wet milieubeheer (Wm) ontvangen. De aanmeldingsnotitie betreft het volgende project:  het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het productieproces;  het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar;  het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen;  het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. Het voorgenomen project wordt gerealiseerd binnen de inrichting Gunnewick Mengvoeders b.v., gelegen aan de Winterwijkseweg 16/16a in Vragender. Om dit project te realiseren is een omgevingsvergunning op grond van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nodig voor het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en het in werking hebben van de inrichting na deze verandering (artikel 2.1, lid 1 onder e in combinatie met artikel 2.6 van de Wabo, revisievergunning), het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo). BESLUIT Wij besluiten dat geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld.

Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen, die reden geven voor een nadere milieueffectbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer.

2018MER0061

pagina 1 van 9

RECHTSBESCHERMING Voorbereidingsbesluit Dit besluit wordt gezien als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen dit besluit kan alleen bezwaar worden gemaakt door een belanghebbende, die - los van het besluit omgevingsvergunning Wabo - rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Publicatie Het besluit wordt op 2 april 2019 bekendgemaakt via https://www.oostgelre.nl/actueel/bekendmakingen . Tevens wordt het besluit bekendgemaakt in de Staatscourant, het huis-aanhuisblad Elna en Groenlose Gids. Mogelijkheid van inzien De aanmeldingsnotitie, het m.e.r.-beoordelingsbesluit en de bijbehorende stukken kunnen gedurende een termijn van zes weken op verzoek worden ingezien bij de gemeente Oost Gelre. Bij het gemeentehuis van de gemeente Oost Gelre kunt u deze inzien tijdens openingstijden. Om het besluit bij de Omgevingsdienst Achterhoek in te zien kunt u een afspraak maken via het emailadres vergunningen@odachterhoek.nl of er kan gebeld worden met telefoonnummer 0575 750 400. De eerste dag van de ter inzage legging is 3 april 2019 en deze eindigt op 13 juni 2019.

2018MER0061

pagina 2 van 9

1. AANLEIDING Op 9 juli 2018 hebben College van burgemeester en wethouders van Oost Gelre een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht (verder: aanmeldingsnotitie) als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid van de Wet milieubeheer ontvangen. De aanmeldingsnotitie is namens Gunnewick Mengvoeders b.v. ingediend door VanWestreenen. In de aanmeldingsnotitie wordt mededeling gedaan van het voornemen een vergunning aan te vragen ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo) voor het veranderen van een inrichting met de volgende activiteiten:  het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het productieproces;  het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar;  het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen;  het realiseren van een overkapping;  het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. Gedurende 6 dagen per week (ma. tot en met za) worden veevoeders geproduceerd. De productiecapaciteit bedraagt maximaal 288 ton per dag en 90.000 ton per jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12596071/1