vvgb boschlaan 18 bijlage 3 mer-beoordeling
Tekst van het document
Uitbreiding Waterstromen Lichtenvoorde m.e.r.-beoordeling
Waterstromen Lichtenvoorde B.V. 19 november 2021
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Achtergrond van het project
5
1.2
Waarom een m.e.r.-beoordeling
5
1.3
Toetsingskader
6
1.3.1 1.3.2
Vigerende vergunning Toetsingskader m.e.r.-beoordeling
6 6
1.4
Contactgegevens initiatiefnemer en bevoegd gezag
7
1.5
Leeswijzer
7
2
PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT
8
2.1
Plaats van het project
8
2.1.1 2.1.2
8 9
2.2
2.3
Locatie WSL Overige kenmerken van het gebied
Bestaande en gewenste situatie
10
2.2.1 2.2.2
10 11
Hoofdproces 1 Afvalwaterzuivering Waterstromen Hoofdproces 2 Vergisting organische reststromen BIR
Beschrijving wijzigingen
12
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6
12 12 13 13 13 14
Procesaanpassingen waterzuivering Procesuitbreiding vergistingsinstallatie BIR Nieuwe Euralcodes Menghandelingen met diverse stofcategorieën Activiteitenregeling Verandering verkeersbewegingen Verandering installaties
3
KENMERKEN VAN POTENTIËLE EFFECTEN
15
3.1
Bodem
15
3.1.1 3.1.2
Bodemnulsituatie Bodembescherming
15 15
3.2
Water
16
3.3
Geur
16
3.4
Geluid
17
3.5
Externe veiligheid
19
3.6
Energie
21
3.7
Grond- en hulpstoffen
21
3.8
Afvalstoffen
22
3.9
Luchtkwaliteit
22
3.10
Natuur
23
3.10.1 3.10.2
Flora en fauna Beschermde natuurgebieden
23 23
3.11
Landschap
24
3.12
Archeologie en cultuurhistorie
24
4
CONCLUSIE EN ADVIES M.E.R.-PLICHT
25
4.1
Plaats en kenmerken van het project
25
4.2
Conclusie van potentiële effecten
25
4.3
Advies
27
Laatste pagina
27
Bijlage(n) -
Aantal pagina's
1 INLEIDING
1.1
Achtergrond van het project
Waterstromen Lichtenvoorde B.V. (hierna: WSL) is een afvalwaterzuiveringsbedrijf gevestigd in Lichtenvoorde, waar specifiek bedrijfsafvalwater biologisch wordt gezuiverd alsmede afvalstromen van buiten de inrichting worden gezuiverd of vergist. De inrichting WSL kent twee hoofdprocessen, te weten afvalwaterzuivering (AWZI-WSL) en Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR). Met laatstgenoemde wordt de vergisting van organische reststromen bedoeld. Het vergistingsproces levert biogas op waar mee elektriciteit en warmte wordt opgewekt. Om de huidige en de toekomstige afvalmarkt te blijven bedienen, acht WSL verdere optimalisatie van processen noodzakelijk. Meer en meer worden activiteiten geoptimaliseerd om invulling te geven aan het klimaatakkoord en de circulaire economie. WSL wil hier waar mogelijk zoveel mogelijk invulling aan geven. Thema’s die de komende jaren belangrijk worden geacht zijn: - stikstofterugwinning als kunstmestvervanger; - waterhergebruik (voor bijvoorbeeld looierijen); - zwavelterugwinning met hergebruik in looierij en/of meststoffen; - opwerking van biogas naar aardgas. Om invulling te geven aan deze actuele thema’s is WSL voornemens een aantal wijzigingen door te voeren op de huidige locatie om een duurzame en bedrijfszekere toekomst te garanderen.
De wijzigingen betreffen: - het vervangen van de laag rendement warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) door een hoog rendement groen gas installatie; - het uitbreiden van de capaciteit van de Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR) van 40.000 naar 100.000 ton per jaar. Hiertoe wordt de vergistingscapaciteit van organische reststromen uitgebreid. Door toename van de capaciteit zal de productie van duurzame energie aanzienlijk stijgen; - het terugwinnen van stikstof uit het digestaat van de BIR. De teruggewonnen stikstof kan worden afgezet als kunstmestvervanger in het kader van de Kunstmestvrije Achterhoek. De natte fractie hoeft dan ook niet meer per vrachtwagen te worden afgevoerd, maar kan worden verwerkt in de AWZI. De wijzigingen moeten leiden tot een toekomstige duurzame bestendigheid voor de productie van gezuiverd afvalwater en duurzame energie.
1.2
Waarom een m.e.r.-beoordeling
Een m.e.r.-beoordeling is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit, waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk optreden. De vraag is of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van bijlage I van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Voor activiteiten die genoemd zijn in onderdeel C geldt direct een m.e.r.-plicht, waarbij een uitgebreide milieueffectrapportage opgesteld moet worden.
5 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Ook zijn in het besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van bijlage I van het Besluit m.e.r. Om te bepalen of er bij deze activiteiten uit onderdeel D sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen, dient hiervoor een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Wanneer uit de m.e.r.beoordeling volgt dat belangrijke nadelige milieugevolgen niet uit te sluiten zijn, dan geldt een m.e.r.-plicht, waarbij een uitgebreide milieueffectrapportage opgesteld moet worden. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is noodzakelijk voor de voorgenomen wijzigingen ter plaatse van WSL. Conform categorie D18.1 “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval …“ van het Besluit milieueffectrapportage is een m.e.r.-beoordeling verplicht wanneer meer dan 50 ton per dag aan niet gevaarlijke afvalstoffen worden verwijderd. Binnen de inrichting worden afvalstromen op biologische wijze behandeld, hierbij worden slib en andere organische reststromen verwerkt middels een vergistingsinstallatie. Dit dient juridisch beschouwd te worden als de verwijdering van niet gevaarlijke afvalstoffen. Omdat voor de wijzigingen van de inrichting een omgevingsvergunning (revisie) is vereist, moet voorafgaand een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.
1.3
Toetsingskader
Het toetsingskader voor deze m.e.r.-beoordeling is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving. Deze huidige wet- en regelgeving bestaat uit de vigerende vergunning, de Wet milieubeheer en bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het besluit op de m.e.r.-beoordeling is gekoppeld aan de beschikking voor een omgevingsvergunning (revisie) voor de activiteit milieu (artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo). Het bevoegd gezag voor de procedure is Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.
1.3.1
Vigerende vergunning
De vigerende wettelijke kaders alsmede de vergunning in het kader van de Wet milieubeheer (revisievergunning) van WSL (d.d. 23-07-2009 met kenmerk 011747/MPM17741, verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland) dient als toetsingskader voor het vaststellen van de milieueffecten. De milieueffecten worden binnen deze kaders getoetst om te bepalen of het voorgenomen initiatief voor grotere milieugevolgen zorgt dan reeds vergund. Indien sprake is van meer effecten, wordt getoetst aan de geldende normen uit de Wet milieubeheer en andere wetten, om te toetsen of deze binnen de wettelijke normen vallen.
1.3.2
Toetsingskader m.e.r.-beoordeling
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of bij een voorgenomen activiteit mogelijk belangrijk nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De milieugevolgen dienen te worden onderzocht op basis van de volgende punten 1: - de kenmerken van de activiteit; · de omvang van het project; · cumulatie met andere projecten; · gebruik van natuurlijke hulpbronnen; · productie van afvalstoffen; · verontreinigingen en hinder; · risico van ongevallen, gelet op de gebruikte stoffen en technologieën;
1
Deze punten zijn afkomstig uit bijlage III van de EU richtlijn m.e.r. (2011/92/EU en 2014/52/EU).
6 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
-
-
de plaats waar de activiteit wordt verricht: · bestaand grondgebruik; · relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen in het gebied; · het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder rekening houden met verschillende typen gebieden; de potentiële effecten van het project, in samenhang met de hierboven genoemde punten. In het bijzonder worden in overweging genomen: · het bereik van het effect; · eventueel grensoverschrijdend karakter van het effect; · de waarschijnlijkheid van het effect; · de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Een m.e.r.-beoordeling kan leiden tot één van de volgende twee uitkomsten: - belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet worden uitgesloten. Er moet een m.e.r.-procedure doorlopen worden, inclusief het opstellen van een uitgebreide milieueffectrapportage; - belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op. Gemotiveerd wordt aangegeven dat geen m.e .r.procedure doorlopen behoeft te worden.
1.4
Contactgegevens initiatiefnemer en bevoegd gezag
De initiatiefnemer van de wijzigingen is Waterstromen Lichtenvoorde B.V (WSL): Contactpersoon: de heer R. Haarhuis Functie: Manager exploitatie Postadres: Postbus 8 7240 AA LOCHEM Telefoonnummer: 06 10 91 81 37 E-mailadres: r.haarhuis@waterstromen.nl Het bevoegd gezag voor de benodigde omgevingsvergunning milieu (revisie) van WSL is het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland; Postadres: Postbus 9090 6800 GX ARNHEM De Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) behandelt de omgevingsvergunningaanvraag en deze m.e.r.beoordelingsnotitie: Contactpersoon: de heer W. Willemsen Postadres: Postbus 1603 6501 BP NIJMEGEN Telefoonnummer: 024 751 7817 E-mailadres: wim.willemsen@odrn.nl
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de potentiële milieueffecten van wijzigingen bij WSL. Hoofdstuk 4 beschrijft de conclusies en een advies over de noodzaak van het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure.
7 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
2 PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT Dit hoofdstuk gaat in op de plaats en de kenmerken van de omgeving van WSL. Daarna wordt ingegaan op het doel van de wijzigingen bij WSL en vervolgens wordt hiervan een beschrijving gegeven.
2.1
Plaats van het project
2.1.1
Locatie WSL
WSL is gelegen aan de Boschlaan 18b, 7131 RB te Lichtenvoorde. Binnen de inrichting van WSL bevindt zich de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Lichtenvoorde voor het biologisch zuiveren van bedrijfsafvalwater, alsmede de Biologische Industriële Reststoffenverwerking (BIR) 1 voor het verwerken van slib en andere organische reststromen door middel van een vergistingsinstallatie. Op hetzelfde adres is ook de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) gevestigd. Dat betreft een separate milieu-inrichting met een eigen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’. De RWZI vormt dus niet samen met WSL één inrichting. De inrichting van WSL is gelegen op een industrieterrein in het buitengebied ten noorden van de bebouwde kom van Lichtenvoorde (circa 500 m), omringd door agrarische percelen. De locatie ligt tussen de Voshuttedijk (noordzijde), de Nieuwendijk (oostzijde), de Europaweg (zuidzijde) en de Boschlaan (westzijde). Direct grenzend aan de noordzijde van de inrichting ligt de Baakse Beek. De dichtstbijzijnde woning (aan de Boschlaan) ligt op 135 m afstand van de inrichting.
1
De BIR wordt geëxploiteerd door GMB BioEnergie Zutphen B.V. maar vormt samen met de AWZI Lichtenvoorde één inrichting.
8 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Afbeelding 2.1 Locatie WSL
De inrichting is gevestigd op de percelen, kadastrale gemeente Oost Gelre sectie N: nr 1031, 1032, 1198, 1392, 1393, 1394, 1484, 1485, 1196 (centrale as en oostzijde, ged.), 1355 (noord- en westzijde, ged.), 1033 (zuidzijde, ged.). Een extra deel van de kadastrale percelen 1355 en 1196 wordt bij de inrichting van WSL gevoegd ten behoeve van de uitbreiding van de activiteiten en nieuwe installaties. In bijlage 4 van de vergunningaanvraag is een situatietekening + kadastrale kaart van de voorgenomen situatie opgenomen.
2.1.2
Overige kenmerken van het gebied
Hieronder wordt ingegaan op de overige kenmerken, zoals in de nabijheid gelegen beschermde (natuur)gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Korenburgerveen’, op circa 5,2 km ten oosten van het plangebied. Het daarna dichtstbijzijnde gebied betreft ‘Bekendelle’ op circa 10,8 km ten zuidoosten van het plangebied. Zie afbeelding 2.2 voor de ligging van deze Natura 2000-gebieden. De overige Natura 2000gebieden liggen op ruim grotere afstand. Het Korenburgerveen en Bekendelle hebben beide de status van Habitatrichtlijngebied.
9 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Afbeelding 2.2 Ligging Natura 2000-gebieden Korenburgerveen en Berkendelle ten opzichte van WSL (rode stip)
Onderstaande gebieden bevinden zich niet in de nabijheid van WSL en/of hierop zijn effecten niet te verwachten gezien de afstand: - stiltegebieden; - grondwaterbeschermingsgebieden; - Natuurnetwerk Nederland (NNN); - aardkundig waardevolle gebieden/monumenten; - archeologische monumenten.
2.2
Bestaande en gewenste situatie
Zoals al kort aangeduid, omvat de inrichting twee hoofdprocessen, te weten de afvalwaterzuivering Waterstromen (AWZI-WSL) en de vergisting van organische reststromen (BIR). De afstemming van deze twee hoofdprocessen en de naastgelegen RWZI maakt het mogelijk bijzonder efficiënt te werken.
2.2.1
Hoofdproces 1 Afvalwaterzuivering Waterstromen
De AWZI van WSL is primair ontworpen voor anaerobe en aerobe behandeling van afvalwater dat met een persleiding wordt aangevoerd vanaf de looierij in het centrum van Lichtenvoorde. De leerlooierij is enige jaren geleden van eigenaar gewisseld en daarmee zijn ook looiprocessen enigermate gewijzigd. Ter behoud van de processtabiliteit wordt specifiek afvalwaterwater van derden toegevoegd als het proces er om vraagt. Dit water wordt per as en/of als dunne fractie uit de naastgelegen vergister per leiding aangevoerd. Gezuiverd water (effluent) van de naastgelegen RWZI wordt ingezet om de doorvoersnelheid op voldoende peil te houden en de mogelijk te hoge (zout)concentraties te minimaliseren. Het effluent wordt per leiding aan de RWZI onttrokken.
10 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Gebleken is dat bij de nieuwe leerlooierij de afvalwatersamenstelling fors kan fluctueren door wisselende klanten (looiprocessen) en klantwensen. Rekening wordt gehouden met onregelmatige aanvoer vanwege onder andere bedrijfsstops of productiefluctuaties. Daarnaast is gebleken dat de destijds beoogde maximale wateraanvoer (> 400.000 m 3/jr.) niet wordt bereikt door onder meer waterbesparingen. De maximale hoeveelheid te handelen afvalwater van de looierij bedraagt ook in de toekomst niet meer dan 300.000 m3/jr. De wisselende samenstelling en aanvoerhoeveelheid leidt tot moeilijker beheersbare biologische zuiveringsprocessen. Inmiddels is echter voldoende ervaring opgebouwd om te kunnen voldoen aan de lozingseisen. Het voorgezuiverde water van WSL wordt direct op de naastgelegen RWZI geloosd, waar het tezamen met communaal afvalwater uit de regio wordt gezuiverd en vervolgens wordt geloosd op de Baakse Beek. De waterzuivering en vergisters hebben onder andere processamenwerkingen ten aanzien van bediening, energie (elektriciteit, biogas, warmte,) en N-rijk water en zijn onlosmakelijke met elkaar verbonden. De waterzuivering van WSL bestaat uit een aantal achtereenvolgende hoofdzakelijk biologische zuiveringsstappen te weten: - ontvangst en voorbehandeling: het afvalwater van de leerlooierij wordt via een persleiding aangevoerd en opgevangen in een pomptank.
Voor goede werking van de zuiveringsstappen wordt aan het looierijafvalwater zo nodig water van derden of effluent van de RWZI toegevoegd; - zuiveringsstap-1 : Na ontvangst en opwarming van het afvalwater, worden in een anaerobe reactor eerst eiwitten, met name koolstof, uit het afvalwater omgezet in biogas. Sulfaat wordt gereduceerd in sulfide en chroom (3+) geadsorbeerd aan het anaerobe slib. Het slibhoudende afvalwater wordt vervolgens in een anaerobe flotatieunit gescheiden in een sulfidehoudende waterstroom en een slibfractie (biomassa) met relatief veel chroom3+. Het water wordt doorgevoerd naar stap 2 .De slibfractie wordt in een vergister gestabiliseerd, het Cr rijke digestaat wordt al dan niet tezamen met het gevormde zwavel en kalkhoudende slib uit stap 2 gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dikke fractie wordt per container afgevoerd naar een eindverwerker, de dunne fractie wordt teruggevoerd naar het begin van de zuivering. Het biogas uit stap-1 en de WSL vergister wordt samen doorgevoerd naar de (BIR) vergisters en hier ontzwaveld. Tezamen met het (BIR) biogas wordt dit opgewerkt tot aardgaskwaliteit (groen gas) ; - zuiveringsstap-2: de sulfidehoudende afvalwaterstroom wordt naar een beluchte reactor geleid waar het sulfide biologisch geoxideerd wordt tot elementair zwavel. Daarna wordt het gevormde zwavel van de afvalwaterstroom gescheiden.
Het afvalwater wordt doorgevoerd naar stap 3. Het afgescheiden zwavelslib wordt (samen met gevormde calciumverbindingen) al dan niet samen met het slib uit stap-1 gescheiden in een dikke en dunne fractie. De dikke fractie wordt per container afgevoerd naar een eindverwerker. De dunne fractie gaat terug naar het begin van de zuivering; - zuiveringsstap-3: het ontzwavelde water wordt in een stikstofoxidatiereactor gebracht, waarbij circa 50 % van de ammoniumstikstof onder toevoeging van zuurstof biologisch wordt omgezet naar nitriet (partiële nitrificatie); - zuiveringsstap-4: het nitrietrijke water wordt tenslotte in een anammoxreactor gebracht waarin het gevormde nitriet tezamen met het restant ammonium biologische omgezet wordt naar het onschadelijk stikstofgas en een gering deel nitraat. Het voorgezuiverd water wordt geloosd op de RWZI Lichtenvoorde, welke de laatste restanten (stikstof) verwijdert.
2.2.2
Hoofdproces 2 Vergisting organische reststromen BIR
In de vergistingsinstallatie worden organische reststromen omgezet naar biogas. Dit biogas wordt opgewerkt tot aardgaskwaliteit en in het aardgasnet gebracht. De organische reststromen worden per as aangevoerd en in verschillende voorraadtanks opgeslagen. Vanuit deze voorraadtanks worden drie vergisters gevoed.
11 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
De hoofdstappen van de vergistingslijn zijn: - ontvangst verpompbare stromen/en eventueel verpompbaar maken van vaste stromen; - vooropslag ten behoeve van constante voeding van de vergisters; - vergisting door omzetting van organische stof naar biogas; - navergisting om het vergistingsproces te stoppen; - dik - dun scheiding van de uitgegiste stroom (= digestaat); - de dikke fractie wordt per as afgevoerd naar een eindverwerker of eindgebruiker; - uit de dunne fractie wordt een groot deel van de stikstof terug gewonnen als kunstmestvervanger, het restant van de stikstof wordt in de waterzuivering verwijderd. Het biogas wordt ontzwaveld, gedroogd en grotendeels van het CO2 ontdaan, waarna het wordt geïnjecteerd in het nabijgelegen aardgasnet. De benodigde warmte voor het vergistingsproces wordt geleverd met een CV ketel i.c.m. warmtepomp, waarmee tevens wordt voorzien in de warmtebehoefte van de zuivering en het externe warmtenet van Energiek B.V. (voor onder andere zwembad, sportverenigingen en het gemeentehuis in Lichtenvoorde).
2.3
Beschrijving wijzigingen
In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de wijzigingen bij WSL. De milieueffecten van de wijzigingen bij WSL worden in hoofdstuk 3 inzichtelijk gemaakt.
2.3.1
Procesaanpassingen waterzuivering
Het proces zelf blijft gelijk, maar er vinden veranderingen plaats in de ingaande afval- en afvalwaterstromen. Zo is WSL voornemens om afvalwater van derden en effluent van de RWZI te verwerken. De totale hoeveelheid aan inkomende stromen neemt iets af. De maximale hydraulische capaciteit blijft met 50 m 3/h gelijk. In onderstaande tabel zijn de wijzigingen weergegeven.
Tabel 2.1 Wijzigingen in ingaande afval- en afvalwaterstromen Vigerende m3 per jaar
Aanvraag m3 per jaar
persleiding
438.000
300.000
overig afvalwater van derden
per as
40.000
40.000
dunne fractie vergister
leiding
95.000
effluent RWZI
persleiding
40.000
Inkomende stromen
Aanvoer
afvalwater looierij
totaal
2.3.2
478.000
475.000
Procesuitbreiding vergistingsinstallatie BIR
In de huidige situatie wordt het geproduceerde biogas omgezet in elektriciteit en warmte d.m.v. 2 WKK installaties. Voor een toekomstbestendige situatie moet de elektriciteitsproductie worden vervangen door een groengas productie. Voor dergelijke toepassing is een minimum schaal nodig van ca 1.000 m 3 biogas/h. Op basis van de BIR-ervaringen is hier maximaal 100.000 ton organische reststromen per jaar voor nodig.
12 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Tabel 2.2 Wijziging te verwerken organische reststromen in de vergistingsinstallatie Inkomende stromen
Aanvoer
organische reststromen
per as
Vigerende m3 per jaar
Aanvraag m3 per jaar
40.000
100.000
Vigerend (m3/jaar)
Aanvraag (m3/jaar)
5.000.000
9.000.000
Tabel 2.3 Wijziging biogasproductie
biogasproductie groen gas productie
2.3.3
6.500.000
Nieuwe Euralcodes
In bijlage 14 bij de vergunningaanvraag is een lijst met Euralcode’s opgenomen voor zowel de AWZI-WSL als de vergister (BIR). Een groot aantal is reeds vergund. Een aantal is nieuw. Tevens is per Euralcode aangegeven welk sectorplan van LAP 3 betrokken is. In het A&V-beleid en AO/IC (zie bijlage 15 bij de vergunningaanvraag) is in hoofdstuk 2 een verantwoording gegeven of de installaties de betreffende euralcode onder het geldende sectorplan mag verwerken gezien de vereiste minimumstandaardverwerking.
2.3.4
Menghandelingen met diverse stofcategorieën Activiteitenregeling
Diverse stofcategorieën uit bijlage 11 van de Activiteitenregeling zijn vigerend vergund voor WSL, te weten: categorie 10 (procesafhankelijk afval van industriële processen, vergelijkbaar met SP3), categorie 13 (gescheiden ingezameld bioafval, vergelijkbaar met SP7 ), categorie 16 (slib van biologische zuivering uit voedingsmiddelenindustrie, vergelijkbaar met SP16), categorie 35 (afval dat valt onder Verordening dierlijke bijproducten, vergelijkbaar met SP 65) en categorie 75B (metaalhoudende afvalwateren, vergelijkbaar met SP3 en/of 73). Nieuw is de stoffencategorie 12 (groenafval, vergelijkbaar met SP8). De Activiteitenregeling geeft aan dat stoffen gemengd mogen worden indien zij zijn aangewezen onder overeenkomende nummers, onderscheiden met een A of B. Dit is niet het geval. Het mengen zonder vergunning is niet toegestaan. Het mengen van de in de Eurallijst genoemde stoffen uit bovengenoemde stofcategorieën wordt derhalve aangevraagd. Dit betreft dus ook een wijziging. Het mengen leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen voor milieu, veiligheid en gezondheid. Er vinden geen chemische reacties plaats. Eventuele vorming van H 2S wordt bestreden door middel van ijzerchloridedosering en wordt afgezogen naar de luchtbehandelingsinstallatie. Het mengen vindt plaats in een gesloten proces, er vindt daardoor geen emissie plaats naar werkomgeving dan wel milieu.
De werknemers en de omgeving lopen daardoor geen gevaar op blootstelling. Potentiele hoog risico locaties zijn voorzien van continue H2 S-monitoring en alarmering.
2.3.5
Verandering verkeersbewegingen
Voor de jaarlijkse aanvoer van maximaal 100.000 ton reststoffen en 40.000 m 3 overig afvalwater zijn maximaal 4.000 tankwagentransporten nodig. Voor de afvoer van producten (ontwaterd digestaat, Nmeststof en vloeibaar CO 2) zijn maximaal 1.000 transporten nodig. Voor de aanvoer van ondersteunende chemicaliën en overige dienstverlening zijn maximaal 1.000 transporten nodig. Totaal vinden maximaal 6.000 transporten plaats. Door een gedeeltelijke combinatie van aan- en afvoer vinden maximaal 10.000 transportbewegingen plaats. De bestaande (akoestische) situatie gaat uit van c irca 8.000 transporten, netto een toename van 25 %.
13 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
2.3.6
Verandering installaties
Bij WSL vinden de volgende wijzigingen in installaties plaats: - de stoomketel wordt buiten gebruik gesteld; - de sanitatietanks komen te vervallen; - WKK1 en WKK2 worden buiten gebruik gesteld en vervangen door een groengasinstallatie; - de biogasscrubber vervalt; - een derde BIR met bijbehorende vooropslagen, vergister en navergister worden geïnstalleerd; - Installaties t.a.v. nutriëntenterugwinning (stikstof) worden geplaatst; - de noodzuivering van de AWZI wordt buiten gebruik gesteld.
14 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
3 KENMERKEN VAN POTENTIËLE EFFECTEN Dit hoofdstuk beschrijft de potentiële milieueffecten. Hierbij wordt per milieuaspect ingegaan op de effecten vanwege de toename in te behandelen niet gevaarlijke afvalstoffen (slib en andere organische reststromen). Beschreven wordt of effecten te verwachten zijn, in welke omvang en welke maatregelen eventueel genomen (moeten) worden om deze effecten te reduceren.
3.1
Bodem
3.1.1
Bodemnulsituatie
Op het terrein waar de uitbreiding van WSL is gepland heeft WRIJ in 2009 een nulsituatie bodemonderzoek uit laten voeren (zie bijlage 11 bij de vergunningaanvraag). Er zijn onder andere monsters genomen ter plaatse van de huidige (door WRIJ te verplaatsen) slibbuffer, waar de nieuwe vooropslagen, vergister en navergister komen te staan. Op deze locatie zijn geen verontreinigingen aangetroffen boven de interventiewaarde. Sindsdien hebben er geen andere werkzaamheden plaatsgevonden dan ten tijde van het onderzoek het geval was. Het is dan ook niet aannemelijk dat de bodemsituatie ter plaatse is veranderd. Op het huidige deel van het terrein van WSL is de bodemsituatie ten opzichte van de vigerende vergunning niet gewijzigd. Ook hier vinden nog steeds dezelfde werkzaamheden plaats. Daarmee is de bodemkwaliteit (nulsituatie) bij WSL van de gehele inrichting, inclusief uitbreiding, voldoende vastgelegd.
3.1.2
Bodembescherming
Binnen de inrichting van WSL vinden verschillende activiteiten plaats die potentieel bodembedreigend zijn: - opslag en behandeling van gevaarlijke stoffen, zuiveringsslib en organische reststromen; - opslag en verwerken van afvalwater; - het verpompen van vloeistoffen via leidingsystemen. Ook in de gewenste situatie blijven deze activiteiten plaatsvinden. Om te bepalen of er in de gewenste situatie sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico, is een voor de huidige situatie in 2010 opgestelde bodemrisicoanalyse op basis van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) geactualiseerd (Bodemrisicoanalyse op basis van de NRB, Haukes Inspectiediensten B.V. d.d. 1-2-2010). Bij de actualisatie van de NRB-analyse is geconstateerd dat ook voor de gewenste situatie sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico (zie bijlage 12 bij de vergunningaanvraag). Met de aanwezige c.q. getroffen BRCL (bodemrisicochecklist)-voorzieningen en maatregelen ter plaatse van de potentieel bodembedreigende activiteiten wordt een verwaarloosbaar bodemrisico verkregen. Geconcludeerd wordt dat voor het aspect bodem geen sprake is van potentiële negatieve gevolgen door het voldoen van de huidige en nieuwe activiteiten aan de NRB-richtlijn.
15 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
3.2
Water
Effluent In de gewenste situatie vinden er veranderingen plaats in de ingaande afval - en afvalwaterstromen. Zo is WSL voornemens om afvalwater van derden en effluent van de RWZI te verwerken. Aan de zuivering/waterlijn van de AWZI zelf worden echter geen wijzigingen doorgevoerd. Het effluent van WSL wordt geloosd op de naastgelegen RWZI van waterschap Rijn en IJssel. De eisen waaraan het effluent moet voldoen zijn vastgelegd in de voor WSL verleende watervergunning. Aan deze kwalitatieve eisen wordt voldaan. De RWZI loost vervolgens op oppervlaktewater. Door procesoptimalisaties wordt de effluentkwaliteit in de gewenste situatie verbeterd. Daarnaast wordt er met verschillende partijen, zoals het waterschap Rijn en IJssel en de leerlooierij waarvan het meeste afvalwater afkomstig is toegewerkt, naar een verdere verbetering van het effluentwater. Negatieve effecten als gevolg van het effluent van WSL in de gewenste situatie zijn uitgesloten. Afvalwater Indien door werkzaamheden bij WSL afvalwater ontstaat, zoals bijvoorbeeld bij het afspuiten van materieel, dan wordt dit opgevangen door de terreinriolering en teruggevoerd op de waterlijn. Hierdoor wordt het afvalwater op een juiste wijze gezuiverd en is er geen sprake van negatieve effecten.
Hemelwater Er is in de gewenste situatie sprake van een kleine toename in verhard oppervlak, maar verder geen sprake van een wijziging van de afvoer van hemelwater. Van negatieve effecten op het aspect hemelwater is daarom geen sprake.
3.3
Geur
In het kader van het voornemen is een geuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 10 bij de vergunningaanvraag). De exacte effecten van deze wijzigingen op de geuremissie zijn niet bekend, aangezien de installatie nog niet is gerealiseerd. Echter, gelet op de zeer ruime marge in de gemeten emissies, wordt er vanuit gegaan dat de huidig vergunde emissie van 14,5 miljoen ouE/uur niet wordt overschreden. Ondanks dat niet wordt verwacht dat de vergunde emissie wordt overschreden, is ook berekend bij welke maximale geuremissie de streefwaarde van 0,15 ouE/m³ als 98-percentiel in de omgeving niet wordt overschreden. In onderstaande afbeelding zijn de contouren weergegeven van een emissie van 28,8 miljoen ouE/uur. Op basis van deze contour kan worden geconcludeerd dat de maximale geuremissie, waarbij de streefwaarde op geen enkel geurgevoelig object in de omgeving wordt overschreden, 28,8 miljoen ouE/uur bedraagt. Dit is bijna het dubbele van de huidig vergunde emissie. Daarnaast worden alle potentiële geuremitterende procesonderdelen afgede kt en op onderdruk gehouden. De lucht wordt in het bestaande overgedimensioneerde drietraps zuiveringssysteem gezuiverd.
16 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Afbeelding 3.1 Geurcontour 0,15 ouE/m3 als 98-percentiel
WSL is voornemens om de capaciteit van de vergisting van organische reststromen te verhogen, middels een extra BIR. Daarnaast zal de samenstelling van inkomende afvalwaterstromen naar de afvalwaterzuivering wijzigen. In de huidige situatie ligt de maximale gemeten geuremissie van 1,7 miljoen ouE/uur ruim onder de vergunde waarde. De beoogde wijzigingen hebben mogelijk invloed op de geuremissie, maar de huidig vergunde emissie van 14,5 miljoen ouE/uur wordt niet overschreden. Een berekening toont aan dat de streefwaarde bij de omliggende woningen pas wordt overschreden bij een g euremissie hoger dan 28,8 miljoen ouE/uur. Van negatieve effecten op het aspect geur is daarom geen sprake.
3.4
Geluid
Met de voorgenomen ontwikkelingen worden zowel geluidsbronnen verwijderd als toegevoegd aan de bestaande situatie. De laag rendement warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) worden vervangen door een hoog rendement groen gas installatie. De toevoeging van mobiele bronnen op het terrein van de inrichting bestaan uit extra vrachtwagens en personenauto’s. Op het terrein van de inrichting vinden activiteiten plaats die leiden tot piekgeluid. Het gaat hierbij om remontluchting van vrachtwagens en het slaan van autodeuren. Deze mobiele bronnen zijn alleen in de dagperiode actief van maandag tot en met vrijdag en incidenteel op zaterdag(ochtend). Activiteitenbesluit Voor inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer gelden voor het aspect geluid regels uit het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit bevat standaard waarden die van toepassing zijn voor de meeste inrichtingen. Voor het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) en maximale geluidsniveau (L Amax) geldt het standaard toetsingskader uit tabel 3.17a van het Activiteitenbesluit. In het kader van dit project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7 bij de vergunningaanvraag).
17 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) In onderstaande tabel zijn de geluidniveaus afkomstig van de inrichting weergeven ter plaatse van de omliggende woningen.
Tabel 3.1 Resultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Punt
Omschrijving
Hoogte (m)
Geluidsniveau in dB(A) * Dagperiode
01_A
Boschlaan 12
1,5
01_B
Boschlaan 12
5
02_A
Europaweg 9A
1,5
02_B
Europaweg 9A
5
03_A
Europaweg 9
1,5
03_B
Europaweg 9
5
04_A
Voshuttedijk 2
1,5
04_B
Voshuttedijk 2
5
05_A
Boschlaan 20
1,5
05_B
Boschlaan 20
5
08_A
Boschlaan 18A
1,5
08_B
Boschlaan 18A
5
Avondperiode
Nachtperiode
23/45--
22/40--
16/45--
16/40--
14/45--
14/40--
14/45--
14/40--
22/45--
22/40--
29/45--
29/40--
29/50/--
9/50--
14/50--
14/50--
26/50--
37/50--
* Berekende waarde/grenswaarde geluidbeleid/overschrijding.
Uit de tabel blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de grenswaarde van het geluidbeleid van gemeente Oost Gelre. Maximale geluidniveau (LAmax) In tabel 3.2 zijn de maximale geluidniveaus weergegeven in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode treden geen duidelijke pieken op, zodat altijd voldaan zal worden aan het geluidbeleid.
Tabel 3.2 Resultaten maximale geluidsniveaus Punt
Omschrijving
Hoogte (m)
Maximaal geluidsniveau dagperiode in dB(A)
01_A
Boschlaan 12
1,5
42/70/--
02_A
Europaweg 9A
1,5
20/70/--
03_A
Europaweg 9
1,5
27/70/--
04_A
Voshuttedijk 2
1,5
28/70/--
05_A
Boschlaan 20
1,5
37/70/--
08_A
Boschlaan 18A
1,5
47/70/--
* Berekende waarde/grenswaarde geluidbeleid/overschrijding.
Uit de tabel blijkt dat er overal ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden.
18 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Indirecte hinder Het geluidsniveau bedraagt 43 dB(A) in de dagperiode bij Boschlaan 18A. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
3.5
Externe veiligheid
In het kader van de uitbreiding van WSL is een onderzoek uitgevoerd voor het thema Externe Veiligheid (zie bijlage 13 bij de vergunningaanvraag). Aangezien het voornemen is om bouwwerken ten behoeve van een BIR te realiseren valt het voornemen niet onder definitie van artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee wordt het voornemen niet beschouwd als een beperkt kwetsbaar object of kwetsbaar object. Uit de risicokaart (zie afbeelding 3.2) blijkt dat binnen en in de directe nabijheid van de locatie Lichtenvoorde geen risicobronnen gelegen zijn, waarvan de risicocontouren of het invloedsgebied van derden over het terrein van WSL zijn gelegen. De relevante risicobronnen voor gehele inrichting van WSL zijn: - de drie vergisters; - de drie navergisters; - de opslag van het biogas.
Afbeelding 3.1 Uitsnede risicokaart
Afbeelding 3.3 geeft een schematische weergave van de bestaande PR 10-6 contouren van de betreffende risicobronnen. Afbeelding 3.4 geeft een schematische weergave van de contouren voor de te realiseren risicobronnen.
19 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Afbeelding 3.3 Bestaande situatie: de opslag van het biogas, twee vergisters en de twee navergisters zijn ingetekend met de bijbehorende PR 10-6 contour (25 m, opslag (egalisatietank) en 5 m voor de vergisters en navergisters)
Afbeelding 3.4 Toekomstige situatie: biogasopwerking, vergister en de navergister zijn ingetekend met de bijbehorende PR 10-6 contour (30 m biogasopwerking en 5 m voor de vergister en navergister)
Uit afbeelding 3.4 blijkt dat de risicocontour van de biogasopwerking net iets over de noordelijke grensafscheiding valt. Het aangrenzende perceel is aangemerkt als landbouwgrond. Het woonhuis op dit perceel ligt op een afstand van 570 m van de risicobron (biogasopwerking). Het perceel met woonhuis is niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object.
20 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Ten westen van WSL is eveneens een woonhuis gesitueerd (160 m van de risicobron (egalisatietank)). De PR 10-6 contour valt niet over de westelijke terreingrens van WSL en is daarom niet beschouwd. De PR 10-6 contouren van de vergisters en navergisters vallen binnen het terrein van WSL. Uit het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de procesvoering en de daarbij behorende installaties van WSL geen gevolgen heeft voor de Externe Veiligheid. Van negatieve effecten op het aspect externe veiligheid is daarom geen sprake.
3.6
Energie
In de bestaande situatie worden er binnen de inrichting al organische reststromen vergist om dit om te zetten in biogas. In de gewenste situatie wordt er door optimalisaties in het proces en het bijplaatsen van een derde vergister een grotere hoeveelheid organische reststromen verwerkt, waarbij er ook meer biogas wordt geproduceerd. In de huidige situatie wordt er circa 5 miljoen m 3 biogas/jaar geproduceerd. Het gas wordt ingezet ten behoeve van de elektriciteitsproductie in twee WKK’s (Warmte Kracht Koppeling), waarbij slechts een gedeelte van de restwarmte nuttig wordt ingezet. In de gewenste situatie wordt de gasproductie verhoogd (9 miljoen m3 biogas/jaar) en wordt het gas door middel van een groengasinstallatie direct in het aardgasnet gebracht (6,5 miljoen m3 groen gas/jaar). Naast de biogastoename, neemt ook het energierendement aanzienlijk toe. Geconcludeerd wordt dat van negatieve effecten op het aspect energie geen sprake is.
3.7
Grond- en hulpstoffen
Bij WSL is sprake worden verschillende reststromen ingenomen en verwerkt. In het proces van de verwerking worden verschillende chemicaliën gebruikt. Dit is zowel in de huidige als in de gewenste situatie het geval. Inkomende reststromen voor de AWZI-WSL betreffen: - afvalwater leerlooierij (persleiding); - overig afvalwater van derden (per as); - dunne fractie vergister (leiding); - effluent RWZI (persleiding). Inkomende reststromen voor de BIR betreffen: - organische reststromen verpompbaar/vast (per as). Op verschillende locaties in het proces worden chemicaliën gedoseerd om: - de afscheiding van water/slib te bevorderen (polymeren, aluminiumzouten); - de pH van de gaswasser of een processtroom te corrigeren (zuren/logen/CO2); - nutriënten ten behoeve van een gezonde biomassa; - schuimvorming te beheersen (antischuim middelen); - H2S bestrijding (Fe-zouten). De opslag van deze chemicaliën vindt plaats in onderstaande opslagvoorzieningen.
21 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Tabel 3.3 Overzicht gebruikte hulpstoffen Locatie
Aard
Opslagmedium
Opslagcapaciteit
buiten nabij fakkel
ijzerchloride
dubbelwandige tank
50 m3
buiten bij proceshal 1
koolstofdioxide
50 L flessen
1 ton
in proceshal 1
flocculant
IBC
4 ton
in proceshal 1
PAC (polymeer)
IBC
3 ton
in proceshal 1
natronloog
IBC
2 ton
in proceshal 1
antischuim
drum
1 ton
in proceshal 1
nutriënten
IBC
2 ton
in proceshal 1
diversen (klein) - o.a. olie en smeermiddelen
jerrycans
0,5 ton
Bij de op- en overslag en de verwerking van de grond- en hulpstoffen wordt met bodembeschermende maatregelen en voorzieningen voldaan aan een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals beschreven in de paragraaf ‘Bodem’. Daarnaast is de opslag gerealiseerd conform de geldende PGS 15 en PGS 31. Er is hierdoor geen sprake van negatieve effecten op de omgeving.
3.8
Afvalstoffen
In bijlage 14 van de vergunningaanvraag is een lijst met Euralcode’s opgenomen voor zowel de AWZI-WSL als de vergister (BIR). Een groot aantal daarvan is reeds vergund. Een aantal is nieuw. Tevens is per euralcode aangegeven welk sectorplan van LAP 3 betrokken is. In het A&V-beleid en AO/IC (zie bijlage 15 van de vergunningaanvraag) is in hoofdstuk 2 een verantwoording gegeven of de installaties de betreffende euralcode onder het geldende sectorplan mag verwerken gezien de vereiste minimumstandaardverwerking. Binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen beperken zich tot huishoudelijk afval en verpakkingsmateriaal (papier/karton en plastic). Deze stromen worden gescheiden ingezameld. Het betreft relatief kleine hoeveelheden. Deze afvalstromen worden afgevoerd via de periodieke ophaaldienst. Wel is sprake van (rest)producten die per as worden afgevoerd. Het gaat daarbij onder andere om ontwaterd digestaat, stikstofhoudende meststoffen en vloeibaar CO 2. Die voor nuttige toepassing elders worden afgevoerd. Andere vrijkomende reststoffen, zoals de natte fractie uit de vergisters, worden teruggevoerd in de waterlijn van de AWZI voor verdere behandeling. Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van afvalstoffen geen sprake is van aanzienlijk negatieve effecten op de omgeving.
3.9
Luchtkwaliteit
Voor WSL worden van de in de Wet luchtkwaliteit opgenomen stoffen alleen emissies van NO 2, PM10 en PM2,5 verwacht. In de gewenste situatie is er sprake van enkele wijzigingen in de installaties. Daarnaast vindt er een toename in vrachtwagenbewegingen plaats. De invloed op de luchtkwaliteit van de beoogde situatie is bepaald in de notitie luchtkwaliteit. Zie verder details in bijlage 8 van de vergunningaanvraag.
22 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Uit eerder onderzoek bij een qua activiteiten vergelijkbare inrichting (RWZI Deventer) is uit berekeningen gebleken dat een NOx-emissie van circa 10.000 kg/jaar per etmaal een bijdrage van een enkele μg NO 2/m3 geeft en minder dan 0,1 μg PM10/m3 (en PM2,5) geeft op de terreingrens. De bijdragen van de emissies van WSL zijn daarom naar verwachting nog lager, zeker aangezien de NOx-emissie op basis van uitgevoerde stikstofdepositieberekeningen 2.878 kg/jaar bedraagt. De situatie voldoet in zeer ruime mate aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer titel 5.2. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van negatieve effecten op de omgeving.
3.10
Natuur
Deze paragraaf beschrijft de potentiële effecten van de wijzigingen bij WSL op beschermde natuurgebieden en beschermde flora en fauna.
3.10.1 Flora en fauna In het projectgebied zijn verscheidene beschermde diersoorten aanwezig, zoals grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels. Voor de beschermde vleermuizen en vogels in het projectgebied kunnen mitigerende maatregelen worden toegepast, indien nodig. Hiertoe is vervolgonderzoek nodig dat (ruim) voor realisatie (het kappen van enkele bomen en verwijderen van struikgewas) wordt uitgevoerd. Indien uit het vervolgonderzoek blijkt dat voor de realisatie een ontheffing Wet natuurbescherming nodig is wordt deze ontheffing aangevraagd. De benodigde mitigerende maatregelen worden eveneens toegepast op grond van het vervolgonderzoek.
3.10.2 Beschermde natuurgebieden Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op circa 5,2 km van WSL. In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Overige effecten (zoals verstoring door licht of geluid) zijn uitgesloten, gezien de grote afstand van de gebieden ten opzichte van de inrichting. In de vigerende milieuvergunning 2010 van WSL is geconcludeerd dat gezien de ligging van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Korenburgerveen geen vergunning Natuurbeschermingswet (nu Wet natuurbescherming) nodig was voor de effecten op beschermde gebieden. In het kader van de huidige revisievergunningaanvraag en om te bepalen of er een vergunning Wet natuurbescherming nodig is zijn stikstofberekeningen uitgevoerd (zie bijlage 9 bij de vergunningaanvraag). Voor de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling zijn de emissies voor de beoogde situatie en referentiesituatie gemodelleerd in AERIUS Calculator. De resultaten laten zien dat voor geen enkel Natura 2000-gebied een depositietoename wordt berekend van meer dan 0,005 mol/ha/jaar. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt buiten het NNN (Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone). Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen.
Het NNN heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
23 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
3.11
Landschap
De nieuwe bouwwerken ten behoeve van de uitbreiding zijn overeenkomstig de bestaande bouwwerken op de naastgelegen terreinen. Daarnaast is het terrein ten noorden van het plangebied ontsloten door een bomenrij. Een klein deel van deze bomenrij moet plaatsmaken voor de bouwwerken ten behoeve van de BIR. Naar verwachting worden circa 5 tot 10 bomen en struikgewas verwijderd. Na realisatie blijft echter een wezenlijk deel van de bomenrij bewaard. Dit betekent dat ook in de toekomstige situatie de bouwwerken aan het zicht worden onttrokken door de bomenrij. Geconcludeerd wordt dat er bij de gewenste situatie geen afbreuk wordt gedaan aan het landschap in de omgeving.
3.12
Archeologie en cultuurhistorie
WSL is niet gelegen in de nabijheid van archeologische monumenten of cultuurhistorische waarden waarop effecten te verwachten zijn. Op grond van de dubbelbestemmingen Archeologische verwachtingswaarde 1 en 2 uit de vigerende bestemmingsplannen en het Archeologisch verwachtingsgebied 2 en 3 uit het Ontwerp Parapluplan Archeologie is nader archeologisch onderzoek verplicht voor bodemingrepen van bepaalde diepte en oppervlakte, tenzij reeds sprake is van geroerde grond. Uit de Ruimtelijke Onderbouwing (bijlage 2 bij de vergunningaanvraag) blijkt dat er geen sprake is van ingrepen waarvoor nader archeologisch onderzoek nodig is. Gezien bovenstaande wordt geconcludeerd dat geen negatief effect optreedt op cultuurhistorische of archeologische waarden.
24 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
4 CONCLUSIE EN ADVIES M.E.R.-PLICHT In dit hoofdstuk worden de bevindingen kort samengevat en wordt de eindconclusie met betrekking tot de mogelijk nadelige milieueffecten weergegeven. Op basis hiervan moet het bevoegd gezag een besluit nemen over de eventuele noodzaak voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure en het opstellen van een Milieueffectrapport (MER).
4.1
Plaats en kenmerken van het project
De inrichting van Waterstromen Lichtenvoorde (WSL) is gelegen op een industrieterrein in het buitengebied ten noorden van de bebouwde kom van Lichtenvoorde (circa 500 m), omringd door agrarische percelen. De dichtstbijzijnde woning (aan de Boschlaan) ligt op 135 m afstand van de inrichting. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Korenburgerveen’, op circa 5,2 km ten oosten van het plangebied en heeft de status van Habitatrichtlijngebied. De inrichting omvat twee hoofdprocessen, te weten de afvalwaterzuivering Waterstromen (AWZI-WSL) en de vergisting van organische reststromen (BIR). De afstemming van deze twee hoofdprocessen en de naastgelegen RWZI maakt het mogelijk bijzonder efficiënt te werken. De afgelopen 15 jaar is veel ervaring opgedaan met het zuiveren van looierijafvalwater en het produceren van biogas uit organische reststromen. In deze periode is veel inzicht verkregen in een verdere optimalisatie van de processen als wel in gewijzigde wetgeving en administratieve processen. De wijzigingen moeten leiden tot een toekomstige duurzame bestendigheid voor de productie van gezuiverd afvalwater en duurzame energie. De wijzigingen betreffen onder andere procesaanpassingen aan de waterzuivering en een procesuitbreiding van de vergistingsinstallatie. Hiervoor vraagt WSL een omgevingsvergunning (revisie) milieu aan.
4.2
Conclusie van potentiële effecten
Onderstaand wordt per milieuaspect kort de conclusie van potentiële effecten van de gewenste situatie bij WSL beschreven. Bodem Uit het bodemnulsituatieonderzoek van WRIJ blijkt dat op de locatie geen verontreinigingen aangetroffen zijn boven de interventiewaarde. Sindsdien hebben er geen andere werkzaamheden plaatsgevonden dan ten tijde van het onderzoek het geval was. Het is dan ook niet aannemelijk dat de bodemsituatie ter plaatse is veranderd. Op het huidige deel van het terrein van WSL is de bodemsituatie ten opzichte van de vigerende vergunning niet gewijzigd. Ook hier vinden nog steeds dezelfde werkzaamheden plaats. Daarmee is de bodemkwaliteit (nulsituatie) bij WSL van de gehele inrichting, inclusief uitbreiding, voldoende vastgelegd.
25 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
De activiteiten in de gewenste situatie voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming. Geconcludeerd wordt dat van negatieve effecten op het aspect bodem geen sprake is. Water Effluent Door procesoptimalisaties wordt de effluentkwaliteit in de gewenste situatie verbeterd. Daarnaast wordt er met het waterschap Rijn en IJssel en de leerlooierij toegewerkt naar een verdere verbetering van het effluentwater. Negatieve effecten als gevolg van het effluent van WSL in de gewenste situatie zijn uitgesloten. Afvalwater Indien door werkzaamheden bij WSL afvalwater ontstaat, wordt dit opgevangen door de terreinriolering en teruggevoerd op de waterlijn. Hierdoor wordt het afvalwater gezuiverd en is er geen sprake van negatieve effecten. Hemelwater Er is een kleine toename in verhard oppervlak, maar verder geen sprake van een wijziging van de afvoer van hemelwater. Van negatieve effecten op het aspect hemelwater is geen sprake. Geur Uit het geuronderzoek blijkt dat de beoogde wijzigingen mogelijk invloed hebben op de geuremissie, maar dat de huidig vergunde emissie van 14,5 miljoen ouE/uur bij lange na niet wordt niet overschreden. Een berekening toont aan dat de streefwaarde bij de omliggende woningen pas wordt overschreden bij een geuremissie hoger dan 28,8 miljoen ouE/uur.
Van negatieve effecten op het aspect geur is daarom geen sprake. Geluid In het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat conform toetsing aan het Geluidsbeleid Oost Gelre voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (ruim) aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Uit het akoestisch onderzoek blijkt verder dat er ook voor de maximale geluidniveaus en voor indirecte hinder geen overschrijdingen plaatsvinden van de maximaal toegestane waarden uit het Activiteitenbesluit. Daarom wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten op het aspect geluid. Externe veiligheid Uit onderzoek blijkt dat de PR10-6 risicocontouren van de procesvoering en bijbehorende installaties voor het grootse deel binnen het terrein van WSL vallen en zeker niet over (beperkt) kwetsbare objecten zijn gelegen. Van negatieve effecten op het aspect externe veiligheid is daarom geen sprake. Energie Bij WSL wordt door de wijzigingen meer biogas geproduceerd, wat leidt tot een grotere energieopbrengst. Het biogas wordt namelijk opgewerkt op duurzame wijze, door middel van een groengasinstallatie. Het groen gas wordt vervolgens direct in het aardgasnet gebracht. Het energierendement neemt daardoor aanzienlijk toe. Van negatieve effecten op het aspect energie is geen sprake. Grond en hulpstoffen Bij WSL worden verschillende reststromen ingenomen en verwerkt.
Bij dat proces worden verschillende hulpstoffen (chemicaliën) gebruikt. Er wordt door het toepassen van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen gezorgd voor een verwaarloosbaar bodemrisico en opslag vindt plaats conform de geldende PGS-richtlijnen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de omgeving.
26 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
Afvalstoffen De verwerking van afvalstoffen van derden is opgenomen in het A&V-beleid en AO/IC. Daarin en in bijbehorende euralcodelijst zijn enkel nieuwe afvalstromen opgenomen. De verwerking voldoet aan de minimumstandaard in het LAP. Binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen beperken zich tot kleine hoeveelheden huishoudelijk afval en verpakkingsmateriaal (papier/karton en plastic). Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van aanzienlijk negatieve effecten op de omgeving. Luchtkwaliteit Uit eerder onderzoek bij een qua activiteiten vergelijkbare inrichting (RWZI Deventer) is uit berekeningen gebleken dat een NOx-emissie van circa 10.000 kg/jaar per etmaal een bijdrage van een enkele μg NO 2/m3 geeft en minder dan 0,1 μg PM10/m3 (en PM2,5) geeft op de terreingrens. De bijdragen van de emissies van WSL zijn daarom naar verwachting nog lager, zeker aangezien de NO x-emissie op basis van uitgevoerde stikstofdepositieberekeningen 2.878 kg/jaar bedraagt. De situatie voldoet in zeer ruime mate aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer titel 5.2. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van negatieve effecten op de omgeving .
Natuur Ten aanzien van beschermde flora- en/of fauna worden mitigerende maatregelen toegepast en/of een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, indien dat op grond van vervolgonderzoek naar vleermuizen, vogels en grondgebonden zoogdieren nodig blijkt. Daarmee wordt de flora en fauna niet negatief beïnvloed door de wijzigingen binnen de inrichting. Voor beschermde Natura 2000-gebieden is een berekening met de AERIUS-calculator uitgevoerd (verschilberekening referentiesituatie en beoogde situatie). Uit de berekeningen volgt dat voor geen enkel Natura 2000-gebied een depositietoename wordt berekend van meer dan 0,005 mol/ha/jaar. Overige negatieve effecten, zoals verstoring door geluid of licht, worden op voorhand uitgesloten vanwege de grote afstand tussen de inrichting en de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Landschap Er is in de gewenste situatie geen sprake van wijzigingen die zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat er bij de gewenste situatie geen afbreuk wordt gedaan aan het landschap in de omgeving. Cultuurhistorie en archeologie WSL is niet gelegen in de nabijheid van archeologische monumenten of cultuurhistorische waarden waarop effecten te verwachten zijn. Er is geen sprake van ingrepen waarvoor nader archeologisch onderzoek nodig is.
Gezien bovenstaande wordt geconcludeerd dat geen negatief effect optreedt op cultuurhistorische of archeologische waarden.
4.3
Advies
Op basis van voorliggende m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de mogelijke milieueffecten beperkt zijn en niet leiden tot belangrijke permanente nadelige gevolgen voor het milieu. Daar waar de activiteiten en installaties tot milieueffecten kunnen leiden, worden maatregelen getroffen waardoor wordt voldaan aan wettelijke normen en richtlijnen. Gelet op de in deze notitie gepresenteerde milieueffecten van de wijziging bij WSL bestaat geen noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapport.
27 | 27
Witteveen+Bos | 125555/21-017.532 | Definitief
www.witteveenbos.com