CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

startnotitie warmte koudeprogramma

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Leidende principes warmte- en koudeprogramma16.810 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hier zou een zorgvuldige fasering, gerichte ondersteuning en duidelijk handelingsperspectief voor bewoners waarschijnlijk een goede aanpak zijn. Er zijn verschillende enquêtes en onderzoeken gedaan naar de sociale aspecten in de buurten. Deze informatie kan helpen bij het bepalen van toon, vorm en tempo van communicatie, al blijft nuance essentieel: de data is deels verouderd en geeft geen harde voorspellingen over gedrag. Wat betreft warmtebronnen zijn vooral de RWZI in Lichtenvoorde en restwarmte van Vion in Groenlo kansrijk, maar geen van beide leidt in de huidige berekeningen tot collectieve systemen die goedkoper zijn dan individuele oplossingen. De Startanalyse PBL en de Transitievisie Warmte bevestigen dat in de meeste buurten de voorkeur uitgaat naar hybride of individuele warmtepompen. Alles bij elkaar vormt de analyse een duidelijk beeld: isoleren is de noodzakelijke basis, individuele oplossingen zijn boventoon, kleinschalige collectieven zijn lokaal mogelijk, grote warmtenetten zijn beperkt kansrijk en sociaal-maatschappelijke verschillen vragen om maatwerk in aanpak en communicatie.

24

3. De bebouwing en haar gebruikers in kaart In dit hoofdstuk wordt de afnemerskant van de warmtetransitie in Oost Gelre belicht. Allereerst wordt ingegaan op de fysieke eigenschappen van de bebouwing, zoals woningtypes en bouwjaren, waarmee inzicht ontstaat in spreiding en variatie binnen de gemeente. Vervolgens komt de warmte- en koudevraag aan bod, waarmee het huidige energiegebruik en een indicatie van de toekomstige energievraag in beeld is gebracht. Ook is er een sociale analyse gemaakt, waarin aandacht is voor de financiële situatie van huishoudens, en de bereidheid om te verduurzamen. Tot slot zijn de belangrijkste kansen en uitdagingen geconcludeerd die voortkomen uit deze kenmerken en die van invloed zijn op de haalbaarheid van duurzame (collectieve) warmteoplossingen. 3.1 Fysieke eigenschappen van de bebouwing 3.1.1 Woningtypes Gemeente Oost Gelre heeft twee grote kernen, Lichtenvoorde en Groenlo, en daaromheen liggen nog een aantal kleinere kernen en het buitengebied. In beide grote kernen zien we een aantal appartementencomplexen en portiekwoningen in de centra, met daaromheen een mix van de verschillende woningtypes. In de buurten rondom de centra zien we een mix van gebieden met voornamelijk vrijstaande en twee-onder-één-kap-woningen en gebieden met voornamelijk rijwoningen.

In de kleinere kernen en buitengebieden zie je voornamelijk vrijstaande en twee-onder-één-kap-woningen terugkomen. In bijlage 1 zijn de woningtypes in de zes kleinere kernen in detail weergegeven. Daarnaast zien we nog een aantal bedrijventerreinen in de gemeente, met name ten noordoosten van Lichtenvoorde en ten noorden en oosten van Groenlo. In de gemeente staan voornamelijk grondgebonden woningen, en is er zeer minimaal gestapelde bouw aanwezig, dit is slechts 10% van de gebouwen. Dit maakt het lastiger om collectieve warmteoplossingen te realiseren, omdat de woningdichtheid hier niet erg hoog is. Investeringen en warmteverliezen zijn dan vaak te groot, ten opzichte van de winst die collectiviteit kan bieden. In elk geval voor de buitengebieden is een individuele oplossing of zeer klein collectieve oplossing (tot ongeveer tien woningen), waarbij enkele buren een gezamenlijke bron realiseren, het meest voor de hand liggend. In (delen van) de kernen is het mogelijk om collectieve oplossingen te onderzoeken.

Figuur 1 Woningtypes van de twee grootste kernen

25

overig 20%

appartement 8%

maisonnette 0% portiekwoning 2% rijwoning 20%

vrijstaand 21% hoekwoning 14% twee-onder-een-kap 15%

Figuur 2 Woningtypes in de gemeente, inclusief taartdiagram met verdeling van de categorieën

3.1.2 Bouwjaren en energielabels In de historische centra van Lichtenvoorde en Groenlo is deels vooroorlogse bebouwing te zien, met daarnaast een mix van panden die later bijgebouwd zijn. Rondom deze kernen zijn de woonwijken geleidelijk uitgebreid, waarbij de direct aangrenzende buurten vooral na de oorlog zijn gerealiseerd. Naarmate men verder van het centrum komt, zijn de bouwjaren van de woningen recenter. Dit is duidelijk te zien in onderstaande figuur van de twee grote kernen. De bedrijventerreinen kennen een gevarieerde samenstelling qua bouwperiode. In de buitengebieden zijn opvallend veel woningen uit oude bouwperiodes te zien, waarvan een groot deel zelfs vooroorlogs is. In de kleinere kernen zie je dat de oudste bebouwing vaak rond de doorlopende weg staat, waar omheen in fases blokken bijgebouwd zijn. In elke kern is een spreiding van de verschillende bouwjaren te zien. In bijlage 2 zijn de bouwjaren van de zes kleinere kernen in detail weergegeven.

Figuur 3 Bouwjaren in de twee grootste kernen.

26

Een aanzienlijk deel van de panden, namelijk 71%, is gebouwd vóór 1991, zie figuur 4 hieronder. Dit houdt in dat deze woningen doorgaans niet goed geïsoleerd zijn, tenzij de bewoners later extra isolerende maatregelen hebben getroffen. Sinds 1992 zijn de bouwvoorschriften namelijk flink aangescherpt, waardoor huizen, die daarna zijn gebouwd, verplicht voorzien zijn van vloeren, daken en gevels met een minimale isolatiewaarde (Rc-waarde) van 2,5. De oudere bebouwing, van voor 1991, zal echter behoorlijk geïsoleerd moeten worden om geschikt te zijn voor verwarming op lagere temperaturen, tenzij dit al eerder gedaan is. Dit vormt een uitdaging, want veel duurzame verwarmingssystemen werken juist met lagere temperaturen. In monumentale centra is het een extra uitdaging om te isoleren, omdat er hier beperkingen gelden voor aanpassingen aan het aanzicht van de panden. Daarnaast zijn dit vaak ook gebouwen waar de ruimte beperkt is, en daarmee de inpassing van warmtepompen een uitdaging kan zijn.

2015-2020 3% 2006-2014 7%

2021-heden 3%

1992-2005 16%

1975-1991 28%

t/m 1945 13% 1946-1964 13%

1965-1974 17%

Figuur 4 Bouwjaren in de gemeente

Naast de bouwjaren is hieronder in figuur 5 ook de verdeling van energielabels binnen de gemeente te zien. Dit geeft een beeld van het huidige uitgangspunt. Hieruit blijkt dat de helft (52%) van de woningen nog geen energielabel heeft. Wanneer je de utiliteitspanden meerekent, loopt het percentage onbekende labels op tot 58%. In de komende jaren zullen er steeds meer labels worden geregistreerd, omdat het verplicht is om een label af te melden bij verhuur en verkoop van een woning. Het energielabel geeft een inschatting van de isolatiestaat van woningen, maar ook andere factoren, zoals zonnepanelen en het type warmte-opwekking (zoals een gasketel), beïnvloeden het label. Een energielabel is dus geen directe indicator van de isolatiekwaliteit. Wel laat de data zien dat het aannemelijk is dat een deel van de woningen sinds de bouw is na-geïsoleerd. In totaal heeft ruim 20% van de woningen een label B of beter, terwijl slechts 6,5% nog een label E, F of G heeft.

27

7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 -

Figuur 4 Energielabels van de woongebouwen in de gemeente op basis van CBS data, data uit januari 2025.

3.1.3 Bebouwingsdichtheid In de kernenanalyse kijken we waar mogelijkheden liggen voor collectieve oplossingen. In dit geval spreken we vanaf twee woningen van een collectief. Dit kunnen dus ook (zeer) kleinschalige collectieve oplossingen zijn als een gedeelde bodemlus in een straat, appartementenblok of twee vrijstaande woningen. In figuur 6 zijn gebouwen weergegeven die binnen een straal van 20 meter van elkaar liggen en daarom als cluster zijn samengenomen. Losstaande woningen zijn buiten beschouwing gelaten, omdat voor deze adressen een individuele verduurzamingsaanpak meer voor de hand ligt. Voor groepen van twee tot tien woningen is het mogelijk om (een) gedeelde bodemlus(sen) toe te passen. De bodemlus wordt dan dieper dan normaal geplaatst, zodat er genoeg warmte beschikbaar is voor meerdere woningen. We spreken van zeer kleinschalig collectief bij minder dan tien aansluitingen, van een kleinschalig collectief bij minder dan 1.500 aansluitingen en van een groot collectief bij meer dan 1.500 aansluitingen 1. In de gemeente zijn de twee grotere kernen Lichtenvoorde en Groenlo, mogelijk kansrijk voor een collectief warmtenet op basis van de woningdichtheid. Daarnaast zijn er diverse kleinere clusters, variërend van circa 100 tot 1.500 woningen, die mogelijk geschikt zijn voor een kleinschalige collectieve oplossing.

Deze clustering is uitsluitend gebaseerd op de ligging van de gebouwen en houdt nog geen rekening met de beschikbaarheid van geschikte warmtebronnen.

1 De (nieuwe) Wet collectieve warmte (Wcw) maakt een onderscheid tussen kleine collectieve systemen van kleiner dan 1.500

aansluitingen en mini-netten van kleiner dan 10 aansluitingen. Dit betekent dat er andere, minder zwaardere, regels gelden voor deze netten. Voor de mini-netten zijn er zelfs zeer beperkte verplichtingen.

28

Figuur 5 Kernenanalyse van de gebouwen in de gemeente, woningen en utiliteit zijn hier meegenomen

3.2 Warmte- en koudevraag Om een beeld te krijgen van de opgave die er in Oost Gelre ligt, en hoe die zal veranderen in de komende 25 jaar, hebben we een analyse op de warmte- en koudevraag gedaan. Dit geeft inzicht in de warmte die op dit moment nodig is om de woningen en utiliteitspanden te voorzien, maar ook in hoe dit zal veranderen de komende jaren. Hierbij is het uitgangspunt van de gemeente leidend, dat er flink ingezet zal worden op isolatie. Daarnaast zal de behoefte aan koeling de komende jaren flink toenemen, en om daar grip op te krijgen is een indicatie van de toekomstige koudevraag berekend. 3.2.1 Huidige warmtevraag De huidige warmtevraag is bepaald op basis van het geregistreerde gasverbruik uit 2023, waarbij een ketelrendement van 88,5% is aangehouden. Wanneer geen verbruiksgegevens beschikbaar waren, is gewerkt met representatieve gemiddelden. Voor utiliteitsgebouwen is de warmtevraag vastgesteld op basis van kengetallen per gebruiksfunctie. De volledige lijst met gehanteerde kengetallen is opgenomen in bijlage 5. We hebben ook gekeken naar het aantal woningen met een gasaansluiting, dat waren er in begin 2024 in de gemeente 12.336. Er zijn welgeteld 33 woningen zonder gas-aansluiting (of waar de aansluiting onbekend is) volgens de CBS database. Dit betekent dat de teller aardgasvrije woningen op dit moment op 0,27% staat.

3.2.2 Toekomstige warmtevraag in 2050 Voor de toekomstige warmtevraag is uitgegaan van het isoleren van de bestaande woningvoorraad naar energielabel B. Dit is de ambitie van de gemeente Oost Gelre. De warmtevraagreductie is per woningtype en bouwjaar bepaald (zie bijlage 5 voor de kentallen). Voor utiliteitsfuncties is een geschatte reductie per bouwjaar toegepast. Het isoleren naar label B levert een substantiële reductie van de warmtevraag op. Voor

29

sommige woningtypes, met name oudere, historische en vrijstaande bebouwing, is dit minder eenvoudig te realiseren. Zoals genoemd in 3.1.2. worden energielabel niet alleen op de isolatiegraad gebaseerd, maar voor deze grove inschatting van de toekomstige warmtevraag geeft het wel voldoende houvast. Naast isolatie is een correctie toegepast voor klimaatverandering. Op basis van onderzoek van het KNMI 2 wordt verwacht dat de warmtevraag voor ruimteverwarming gemiddeld met circa 10% daalt door de opwarming van het klimaat. Daarnaast zijn er naar verwachting in 2050 1.350 nieuwbouwwoningen aan de voorraad toegevoegd; hiervoor is gerekend met een warmtevraag van 20 GJ per woning. In figuur 7 is te zien hoe de gemiddelde warmtevraag afneemt voor verschillende woningtypes.

Warmtevraag van de verschillende woningtypes

24-2-2026

Energiegvraag woning [GJ/jaar]

70 60 50 40 30 20 10 -

16

16

Rijwoning

Hoekwoning

12

Meergezins

25

21

Toekomstige warmtevraag

2-onder-1-kap

Vrijstaand

besparing warmtevraag

Figuur 6 Warmtevraag en koudevraag van de verschillende woningtypes

3.2.3 Toekomstige koudevraag in 2050 Voor nieuwbouw is gerekend met een gemiddelde koudevraag van circa 0,05 GJ/m². Dit uitgangspunt is ook gebruikt voor toekomstig geïsoleerde bestaande bouw. Door isolatiemaatregelen neemt de behoefte aan koeling immers toe, omdat er minder warmte kan ontsnappen. Daarnaast zal klimaatverandering leiden tot een verdere stijging van de koelbehoefte. De KNMI-scenario’s lopen sterk uiteen; daarom is gekozen voor aansluiting bij de nieuwbouwrichtlijnen om een indicatieve waarde voor 2050 te bepalen. In de praktijk zal niet elk gebouw over actieve koelfaciliteiten beschikken. De hoeveelheid die er in de praktijk gekoeld zal worden zal waarschijnlijk lager liggen dan de theoretische behoefte. De berekende koudevraag geeft dan ook vooral inzicht in het benodigde koelvermogen wanneer gebouwen wél over koelmogelijkheden beschikken - iets wat de komende decennia naar verwachting steeds gebruikelijker wordt. Voor utiliteit zijn eveneens kengetallen per gebruiksfunctie toegepast (zie bijlage 5). In tabel 1 staat een overzicht van de gemiddelde en de totale warmte- en koelvraag voor de hele gemeente. Tabel 3 Gemiddelde en totale warmte- en koude behoefte van bestaande woningen, utiliteit en de beoogde nieuwbouwpanden.

Gemiddeld per woning Aantal woningen/panden Huidige warmtevraag (GJ/won)

Woningen

Utiliteit

Nieuwbouw

12.369

3.130

1.350

46

414

-

Totaal 16.849

2 https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/publicatie/de-impact-van-klimaatscenario-s-op-de-warmte-en-koudevraag-voor-de-

gebouwde-omgeving

30

Gemiddeld per woning Reductie warmtevraag

Woningen

Utiliteit

Nieuwbouw

60%

38%

-

Toekomstige warmtevraag (GJ/won)

19

256

20

Toekomstige koudevraag (GJ/won)

7

232

5

Totaal gemeente OG

Woningen

Utiliteit

Nieuwbouw

Totaal

Totaal

Huidige warmtevraag (TJ)

568

1.294

-

1.863

Toekomstige warmtevraag (TJ)

229

800

27

1.056

Toekomstige koudevraag (TJ)

88

725

6,8

820

3.2.4 Verdieping utiliteitsgebouwen Voor utiliteitsgebouwen zijn zowel de warmte- als koudevraag berekend op basis van kengetallen per m². Deze benadering geeft een eerste indicatie, maar kent onzekerheden. De geregistreerde oppervlakten kunnen afwijken van de daadwerkelijke gebruiksoppervlakte, en de energievraag verschilt sterk per type functie. Daarnaast zijn industrie gerelateerde proceswarmte en koeling niet meegenomen. De energievraag gekoppeld aan de procesindustrie valt buiten de scope van het warmte- koudeprogramma. De weergegeven waarden zijn daarom indicatief en kunnen in werkelijkheid afwijkingen vertonen. Uit de analyse blijkt dat utiliteit een aanzienlijk deel van de totale warmte- en koudevraag in de gemeente voor zijn rekening neemt. Het is daarom belangrijk om deze categorie nader in kaart te brengen. Met name op de bedrijventerreinen, waar veel utiliteitsfuncties geconcentreerd zijn, kunnen grote warmteafnemers en eventuele koelvraag interessant zijn voor (klein)collectieve oplossingen. bijeenkomstfunctie sportfunctie winkelfunctie 2% Juist hier kan clustering van vraag celfunctie 10% 2% 1% leiden tot kansrijke concepten. In de overige figuur hiernaast is de huidige gebruiksfunctie gezondheidszorg 2% warmtevraag van de functie onderwijsfunctie 3% utiliteitsgebouwen uitgesplitst naar 2% de verschillende type logiesfunctie gebouwfuncties.

Een zeer groot deel 4% (65%) bestaat uit industriegebouwen, waar die proceswarmte en -koeling kantoorfunctie industriefunctie met name plaatsvindt. 9%

Figuur 7 Huidige warmtevraag utiliteit

31

65%

3.3 Sociale analyse Naast de technische aspecten die een rol spelen in de verduurzamingsmogelijkheden, kansen en uitdagingen, is het ook belangrijk om inzicht te krijgen in de inwoners van gemeente Oost Gelre. Het kan wel praktisch en technisch haalbaar zijn om te verduurzamen, maar als een bewoner de financiële ruimte niet heeft, of zijn prioriteiten ergens anders heeft liggen, dan kan verduurzamen alsnog erg ingewikkeld zijn. 3.3.1 Bestedingsruimte inwoners en energiearmoede Op basis van algemene data van het CBS en onderzoek van TNO (van Dego.vng.nl - Datavoorziening Energietransitie Gebouwde Omgeving) hebben we een korte analyse gedaan op de bestedingsruimte van huishoudens en kans op energiearmoede in de gemeente bekeken. In Oost Gelre verschillen de financiële ruimte en het risico op energiearmoede per gebied. Uit de inkomenskaarten hieronder blijkt dat huishoudens in de buitengebieden gemiddeld meer bestedingsruimte hebben dan bewoners in de kernen. In de centra van met name Lichtenvoorde en Groenlo wonen relatief veel huishoudens met lage inkomens, waardoor een stijging van fossiele energieprijzen hen harder raakt. Ook in delen van de buitengebieden van Lievelde en Groenlo komt een iets hoger aandeel lage inkomens voor. Deze beperkte financiële ruimte vormt een eerste aanwijzing voor kwetsbaarheid in de energietransitie.

Figuur 98 Links: percentage huishoudens die behoren tot de landelijke 20% huishoudens met het hoogste inkomen. Rechts: percentage huishoudens die behoren tot de landelijke 40% huishoudens met het laagste inkomen. Bron: Dego.vng.nl; CBS, kerncijfers wijken en buurten 2019.

Wanneer naar energiearmoede gekeken wordt, ontstaat een vergelijkbaar beeld. In buurten als Hooiland, het centrum van Lichtenvoorde, Papendijk en delen van Groenlo zijn relatief veel huishoudens die zowel een laag inkomen hebben als hoge energiekosten of een woning met lage energetische kwaliteit. Ook in de buitengebieden van Groenlo, Lievelde en Vragender liggen de percentages hoger dan gemiddeld in de overige buitengebieden van Oost Gelre. Daarnaast zijn er wijken waar veel huishoudens in slecht geïsoleerde woningen wonen en beperkte investeringsmogelijkheden hebben om te verduurzamen, zoals Papendijk, noordwest Groenlo, de centra van beide kernen en wederom de genoemde buitengebieden. Dit alles wijst op een aanwezigheid van energiearmoede en beperkte mogelijkheden van de bewoners zelf om hier verandering in aan te brengen. Het laat zien waar de urgentie voor ondersteuning en maatregelen het grootst is.

32

Figuur 10 Links: Percentage huishoudens met een laag inkomen en hoge energierekening en/of lage energiekwaliteit. Rechts: Percentage huishoudens met een lage energiekwaliteit en weinig investeringsmogelijkheden. Bron: Dego.vng.nl; CBS monitor energiearmoede 2021

3.3.2 Bereidheid van inwoners om te verduurzamen Bij het opstellen van de transitievisie van Oost Gelre in 2021 heeft de gemeente een enquête uitgezet om de bereidheid tot verduurzamen te peilen. Hieruit bleek dat de helft van de respondenten negatief staat tegenover de overgang naar aardgasvrij wonen, terwijl slechts een kwart positief is. Verduurzaming gebeurde toen vooral via relatief laagdrempelige maatregelen zoals isoleren, elektrisch koken en korter douchen; slechts 2% van de respondenten had toen een (hybride) warmtepomp. De hoge kosten waren voor veel bewoners de belangrijkste drempel om verdere stappen te zetten, en een grote meerderheid (70%) wilde het liefst zo laat mogelijk van het aardgas af. Een belangrijke kanttekening hierbij is wel dat deze enquête inmiddels 5 jaar geleden uitgezet is, en dat we sindsdien te maken hebben gehad met enorme fluctuaties in de energieprijzen. Het beeld uit de enquête sluit aan bij de bevindingen van het CBS op bereidheid voor energietransitiemaatregelen, ook uit 2021. In heel Oost Gelre vond toentertijd de gemiddelde woningeigenaar hun woning al voldoende energiezuinig. Zie de figuur hiernaast. Hierdoor ontbreekt niet alleen de financiële ruimte bij sommige groepen, maar mogelijk ook de gevoelde noodzaak bij inwoners om verder te investeren in verduurzaming.

Het is echter maar een beeld op basis van enquêtes, waarbij nooit een compleet beeld van alle inwoners gegeven kan worden. Daarnaast is het ook goed mogelijk dat de Figuur 91 Vindt woning al energiezuinig. Dego.vng.nl bereidheid flink gestegen is door de prijsstijgingen CBS, Bereidheid energietransitiemaatregelen 2021 van de afgelopen jaren.

33

Naast het onderzoek van de gemeente is er in maart 2022 door Motivaction een onderzoek uitgevoerd naar de leefstijlprofielen binnen Oost Gelre. Het rapport is bijgevoegd als bijlage, en in bijlage 3 is een gedetailleerde duiding van het rapport toegevoegd. Voor alle zeven wijken zijn de oververtegenwoordigde leefstijlen in kaart gebracht. Deze profielen geven een indicatie van de bereidheid van inwoners om te verduurzamen en kunnen richting geven aan de manier waarop de warmtetransitie per wijk wordt benaderd. Uit het onderzoek komt naar voren dat Groenlo wordt gekenmerkt door een relatief groot aandeel opwaarts mobielen: ambitieuze, statusgerichte inwoners die openstaan voor technologische vooruitgang. Lichtenvoorde laat juist een oververtegenwoordiging zien van postmoderne hedonisten: vrijgevochten, impulsieve en experimentele inwoners die graag nieuwe dingen uitproberen. Beide profielen kunnen interessant zijn om als startwijken te kiezen, maar vragen om een verschillende benadering. In Groenlo kan bijvoorbeeld sterker worden ingezet op betrouwbaarheid, kwaliteit en robuustheid van duurzame warmtetechnologie, gecombineerd met inzicht in wat de gemeente doet om de transitie te ondersteunen. Ook betaalbaarheid speelt voor deze groep een belangrijke rol.

In Lichtenvoorde past juist een experimentele aanpak: een proeftuin waar ruimte is om nieuwe concepten uit te proberen, te leren en samen te ontwikkelen. Voor de overige wijken komen vooral traditionele burgers en nieuwe conservatieven naar voren: groepen die hechten aan zekerheid, stabiliteit en duidelijke randvoorwaarden. Voor hen zijn voorspelbaarheid, stap‑voor‑stap aanpakken en praktische ondersteuning essentieel. Een uitzondering is Zieuwent, deze wijk valt onder dezelfde categorie als Groenlo. Deze wijk zou daarom interessant kunnen zijn om mee te starten als eerste ‘buitenwijk’. Deze rapporten en enquêtes helpen om de samenstelling van wijken beter te begrijpen en om gevoel te krijgen bij mogelijke motivaties of drempels van de inwoners. Tegelijkertijd zijn de gegevens deels verouderd, en geven ze nooit een compleet beeld van de situatie in een buurt of wijk. Deze onderzoeken zijn niet bedoeld om harde conclusies te trekken of directe voorspellingen te doen over gedrag in de warmtetransitie. 3.4 Welke kansen en uitdagingen heeft gemeente Oost Gelre Kansen In Oost Gelre zijn verschillende kansen om stappen te zetten in de warmtetransitie. Door de aanwezigheid van relatief veel industrie zou het interessant zijn om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om eventuele restwarmte slimmer te benutten of om gezamenlijk op te trekken bij verduurzaming.

In de twee grootste kernen, Lichtenvoorde en Groenlo, is de woningdichtheid hoog genoeg om collectieve oplossingen te onderzoeken, zoals een warmtenet of kleinere clusters met een gedeelde bron. Of dit haalbaar is, hangt vooral af van beschikbare warmtebronnen, de ruimtelijke inpassing en de vraag of voldoende bewoners en bedrijven willen aansluiten. Uitdagingen Tegelijkertijd kent Oost Gelre ook uitdagingen die de uitvoerbaarheid en het tempo van de warmtetransitie kunnen beïnvloeden. Een groot deel van de woningen is oud en waarschijnlijk slecht of matig geïsoleerd, waardoor flinke maatregelen nodig zijn om lagetemperatuuroplossingen mogelijk te maken. Omdat veel woningen vrijstaand of tweeondereenkap zijn, en een groot deel van de gemeente uit buitengebied bestaat, zijn grootschalige warmtenetten op de meeste plekken niet realistisch. Kleinschalige collectieve bodemlussen kunnen hier wel een mooie rol spelen.

34

Het is belangrijk om de utiliteitsgebouwen verder uit te diepen, vooral omdat industriegebouwen een groot deel van de warmtevraag bepalen en onder andere proceswarmte nu nog onvoldoende in beeld is. Daarnaast laat de huidige data zien dat de bereidheid om te verduurzamen relatief laag is, terwijl in verschillende buurten sprake is van beperkte financiële ruimte en een verhoogd risico op energiearmoede. Dit maakt het noodzakelijk om kwetsbare groepen te ondersteunen en te zorgen dat de overgang naar duurzame warmte voor iedereen haalbaar blijft.

35

4. De bronnen en warmteoplossingen in kaart In dit hoofdstuk onderzoeken we welke kansen er liggen voor collectieve warmteoplossingen in de gemeente. Hiervoor brengen we verschillende onderzoeken samen. We beginnen bij de startanalyse voor een algemeen beeld van het kostenplaatje, vervolgens verdiepen we deze analyse met de Transitievisie Warmte van Oost Gelre. En als laatste gaan we dieper in op de lokale bronnen die uit de bronnenstrategie van de acht Achterhoekse gemeenten zijn gekomen. 4.1 Algemeen beeld uit de startanalyse De startanalyse is een tool van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) waarmee warmtetechnieken op nationale kosten met elkaar vergeleken zijn. In onderstaande figuur zijn twee scenario’s naast elkaar gezet. In de linker figuur is te zien welke warmteoplossing gemiddeld genomen de laagste nationale kosten heeft, per buurt. In het overgrote deel van de buurten is dit een hybride warmtepomp (met klimaatneutraal gas), en in een paar buurten in de grote kernen komt de all-electric warmtepomp als goedkoopste optie naar voren. In de binnenstad van Groenlo komt als enige een collectieve variant op de laagste nationale kosten uit. Hier wordt dan een zeer laagtemperatuur (ZLT)-warmtenet aangeraden, met een individuele warmtepomp om de temperatuur op te waarderen.

Let op, het kan zijn dat maar een (klein) deel van de buurt op het ZLT-net uitkomt en de rest op een individuele warmtepomp. In dit geval rekent het PBL in de binnenstad van Groenlo met 10% van de woningen die op het ZLT-net zou aansluiten. In de rechter figuur is te zien voor welke buurten het verschil in nationale kosten minder dan 20% is met de op één na goedkoopste variant. Dit geeft een beeld van de robuustheid van de resultaten. Voor een groot deel van de buurten (onder andere de binnenstad van Groenlo) is het verschil met een andere variant relatief klein. Aangezien de kosten waar mee gerekend wordt een grote mate van onzekerheid bevatten is het niet onrealistisch dat een andere variant in de toekomst goedkoper blijkt. De algemene conclusie die uit dit beeld te trekken valt is dat de kans op grote collectieve warmteoplossingen gering is, en dat de focus beter op isoleren en individuele oplossingen kan liggen. Kleinschalige collectieve oplossingen, zoals het delen van een bodemlus kunnen wel interessant zijn, met name voor de buitengebieden en kleinere kernen.

Figuur 102 Startanalyse PBL 2025, twee varianten uit de viewer

36

4.3 Aanvulling vanuit de Transitievisie Warmte De Transitievisie Warmte uit 2021 sluit grotendeels aan op de inzichten uit de Startanalyse, waardoor de nadruk voornamelijk ligt op individuele oplossingen. Voor ieder gebied is een routekaart opgesteld, zie onderstaande tabel. De in de routekaart genoemde kleinschalige collectieven zijn echter beperkt verder uitgewerkt; alleen voor de nieuwbouwlocatie Molenberg is een onderzoek naar aquathermie uitgevoerd, maar dit bleek onvoldoende kansrijk. Daarnaast loopt momenteel een onderzoek naar de mogelijkheid om de restwarmte van de RWZI in te zetten voor een eigen publiek warmtenet voor gemeentelijke gebouwen. Tabel 4 Overzicht van de routekaarten per gebied uit de Transitievisie Warmte van Oost Gelre uit 2021

Gebied

Routekaart

Bedrijventerreinen

Maatwerk

Kleine kernen

Hybride warmtepomp, individuele elektrische warmtepomp en (HT) kleinschalige collectieven

Oude panden centrum Groenlo en Lichtenvoorde

Maatwerk, LT-warmtenet gevoed door TEO voor zorgcentrum Molenberg en omliggende panden

Buitengebied

Hybride warmtepomp, individuele elektrische warmtepomp en (HT) kleinschalige collectieven

Gebouwd na 1992

Individuele elektrische warmtepomp en (LT) kleinschalige collectieven

Seriematige jaren ’60/’70 bouw en jaren ’80 gemengd

Hybride warmtepomp, individuele elektrische warmtepomp, kleinschalige collectieven en warmtenetten gevoed door TEA (thermische energie uit afvalwater) of TEO (thermische energie uit oppervlaktewater)

4.3 Welke bronnen zijn er beschikbaar Uit het onderzoek van De WarmteTransitieMakers ‘Bronnenstrategie 8 Achterhoekse gemeenten” 3 blijkt dat er in Oost Gelre twee regionale warmtebronnen als meest kansrijk naar voren komen: de restwarmte van de RWZI in Lichtenvoorde en de industriële restwarmte van het slachthuis van Vion in Groenlo. De RWZI biedt een betrouwbare, laagtemperatuurbron met substantieel vermogen. Het verschil tussen deze lokale bron en een maakbare bron is voor het centrum van Lichtenvoorde praktisch nihil, wat de meerwaarde van deze bron weer verlaagt. Er bestaan wel extra koppelkansen wanneer meerdere clusters gelijktijdig worden aangesloten op de bron. Het bestaande publieke warmtenet in Lichtenvoorde kan als vliegwiel dienen voor deze bron, waardoor de opschaling eenvoudiger en efficiënter wordt. De warmtebron bij Vion is technisch en economisch aantrekkelijk dankzij gunstige broneigenschappen. Hierdoor is het verschil tussen deze lokale en een maakbare bron juist groter. Echter kent deze bron grotere onzekerheid door de afhankelijkheid van toekomstige bedrijfsactiviteiten. Er zijn nog geen gesprekken gevoerd met Vion over het benutten van de restwarmte, het onderzoek is uitgevoerd op basis van openbare data. In Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. zijn de kenmerken van deze twee bronnen samengevat.

3 Zie bijlage 4 voor het gehele rapport.

37

Uit het onderzoek blijkt echter dat in geen van de onderzochte scenario’s een warmtenet goedkoper is dan individuele oplossingen, zowel vanuit de totale nationale kosten4 als vanuit de TCO5-benadering. Pas in de gevoeligheidsanalyses ontstaan varianten waarin collectieve systemen in beeld komen: kleine collectieven met gezamenlijke bodemwarmtepompen lijken in enkele buurten economisch haalbaar te kunnen zijn, en in bepaalde delen van de grotere kernen kunnen warmtenetten onder specifieke voorwaarden alsnog interessant worden. Tabel 5 eigenschappen van de twee kansrijke bronnen in Oost Gelre, op basis van het onderzoek van DWTM

Kenmerk

RWZI Lichtenvoorde

Vion Groenlo (slachthuis)

Type bron

Laagtemperatuur restwarmte uit effluent (afvalwater rwzi)

Laagtemperatuur industriële restwarmte

Bronvermogen

2,7 MW

0,6 MW

Temperatuur bron

16°C

30°C

Leveringsvermogen (70°C)

4 MW

0,8 MW

Warmtepotentie

Circa 3.600 woningequivalenten

Circa 750 woningequivalenten

Bijzonderheden

Betrouwbare bron, stabiele partner (waterschap) Bestaand warmtenet kan als vliegwiel dienen Verschil tussen lokale en maakbare bron is nihil (robuuste bron)

Technisch en economisch gunstige bron (hoge bronkwaliteit) Toekomstige onzekerheid door afhankelijkheid bedrijfsactiviteiten Verschil tussen lokale en maakbare bron groter

4 Totale nationale kosten: totale kosten voor Nederland, hier zijn alle kosten in meegenomen, zoals ook het verzwaren van het

elektriciteitsnet. 5 Total Cost of Ownership: totale kosten over de levensduur van een systeem (investering, onderhoud en gebruik), verdisconteerd om toekomstige kosten terug te rekenen naar hun waarde nu.

38

5. Conclusie van de omgevingsanalyse De omgevingsanalyse laat zien dat de warmtetransitie in Oost Gelre een duidelijke richting kent: de grootste en meest robuuste stap ligt in het verlagen van de warmtevraag door isolatie, terwijl collectieve warmtesystemen slechts op beperkte plekken kansrijk zijn. De gemeente heeft een gevarieerde gebouwde omgeving met een lage woningdichtheid, maar met een grotendeels oudere en woningvoorraad. Hierdoor vraagt een aanzienlijk deel van de woningen om forse isolatiestappen om lagetemperatuur-oplossingen mogelijk te maken. In het buitengebied en in de vrijstaande woningen ligt de focus daarom op individuele of zeer kleinschalige collectieve oplossingen, zoals gedeelde bodemlussen. De warmte- en koudevraaganalyse bevestigd dit beeld. Door isolatie naar label B kan de totale warmtevraag in de gebouwde omgeving met ruim 40% dalen. Tegelijkertijd zal de koelvraag richting 2050 toenemen, vooral in geïsoleerde woningen en utiliteitsgebouwen. De utiliteitssector neemt bovendien een groot aandeel van de totale energievraag voor zijn rekening, waarbij met name proceswarmte op bedrijventerreinen verder moet worden uitgezocht om de rol daarvan in de transitie goed te kunnen duiden. De sociale analyse schets het beeld dat de financiële ruimte en de bereidheid om te verduurzamen verschillen per buurt.

In de centra van Groenlo en Lichtenvoorde en in enkele buitengebieden is zowel het risico op energiearmoede als de kwetsbaarheid groter. Dit vraagt om een zorgvuldige fasering, gerichte ondersteuning en duidelijk handelingsperspectief voor bewoners. De variatie in leefstijlprofielen uit de motivaction analyse toont aan dat buurten verschillend kunnen reageren op de warmtetransitie. Deze inzichten kunnen ingezet worden bij het bepalen van toon, vorm en tempo van de communicatie, al blijft nuance essentieel omdat de data deels verouderd is en geen harde voorspelling biedt van gedrag. Wat betreft bronnen laat de analyse zien dat Oost Gelre slechts over een beperkt aantal lokale warmtebronnen beschikt. De RWZI in Lichtenvoorde en de restwarmte van Vion in Groenlo vormen de twee meest kansrijke opties, maar geen van beide leidt tot warmtenetten die gemiddeld goedkoper zijn dan individuele oplossingen volgens het onderzoek van DWTM. Alleen onder specifieke voorwaarden, of in kleinere clusters, kunnen collectieve systemen alsnog interessant worden. De startanalyse van PBL en de Transitievisie Warmte bevestigen dit beeld: de voorkeur gaat in de meeste buurten uit naar hybride of individuele warmtepompen, met slechts beperkte ruimtes waar collectiviteit daadwerkelijk rendabel en uitvoerbaar lijkt.

Samenvattend betekent dit voor Oost Gelre: • Isoleren vormt de cruciale eerste stap in vrijwel alle buurten, zowel technisch als sociaal. • Individuele oplossingen zijn in de meeste situaties het meest logisch en kostenefficiënt. • Kleinschalige collectieve systemen kunnen waardevol zijn in clusters met voldoende dichtheid, of in specifieke situaties zoals bedrijventerreinen. • Grootschalige warmtenetten zijn slechts in een zeer beperkt aantal buurten kansrijk en vereisen verdere bronontwikkeling en samenwerking. • Maatwerk en ondersteuning zijn onmisbaar voor wijken met beperkte financiële ruimte en lage bereidheid om te verduurzamen. • Communicatie en participatie moeten worden afgestemd op de verschillende leefstijlprofielen en financiële omstandigheden per wijk. De analyse vormt daarmee een helder vertrekpunt voor het warmte- en koudeprogramma: een programma dat inzet op isolatie als basis, individuele oplossingen als ruggengraat, kleinschalige collectieve concepten waar de omstandigheden dat toelaten, en een zorgvuldig, wijkgericht proces waarin technische haalbaarheid, sociale draagkracht en lokale bronnen samenkomen.

39

Bijlage 1 - Woningtypes in de kleinere kernen

40

Bijlage 2 - Bouwjaren in de kleinere kernen

41

Bijlage 3 - Gebiedsanalyse Oost Gelre – Motivaction Het volledige rapport is in de bijlage te lezen. Algemeen beeld van de leefstijlprofielen in Oost Gelre Motivaction heeft een onderzoek gedaan naar de leefstijlprofielen in Oost Gelre. Oost Gelre kent een diverse mix van leefstijlen, waarin vier Mentality‑milieus sterk vertegenwoordigd zijn. • Nieuwe conservatieven vormen een belangrijke basis; mensen die traditioneel zijn in normen en omgangsvormen, maar openstaan voor technologische vooruitgang en kwaliteit; zij zijn statusbewust, kritisch, planmatig en gericht op stabiliteit. • Daarnaast is er de traditionele burgerij, dit zijn mensen die hechten aan zekerheid, familie, rust, plichtsbesef en vaste patronen, en die liever behouden wat goed werkt. • Opwaarts mobielen vormen een meer dynamisch profiel: ambitieus, statusgericht en gefascineerd door nieuwe technologie, snelheid en vooruitgang. • Tot slot zijn er postmoderne hedonisten, een vrijgevochten, impulsieve en experimentele groep die gericht is op beleven, proberen en vernieuwen. Deze combinatie van leefstijlen betekent dat inwoners van Oost Gelre heel verschillend kijken naar verandering, vernieuwing, risico’s, gemak en maatschappelijke thema’s, en dus ook naar verduurzaming en de warmtetransitie. In onderstaande figuur is te zien welke leefstijlen dominant aanwezig zijn per wijk.

Dit betekent niet dat de andere leefstijlen niet aanwezig zijn in deze wijk, in iedere wijk komt bijna elke kleur voor.

Figuur B1 Gebiedsanalyse Oost Gelre van Motivaction, verdeling Mentality-milieus

oespitsing op duurzaamheid en warmtetransitie (

42

‑tinten)

Naast de leefstijlprofielen zijn in Oost Gelre alle vijf VTG‑tinten (Vijf Tinten Groener) aanwezig, die specifiek aangeven hoe bewoners naar duurzaamheid kijken. • Plichtsgetrouwen voelen een morele verantwoordelijkheid richting gezin en toekomstige generaties en staan open voor duurzame stappen wanneer deze betrouwbaar, degelijk en maatschappelijk juist zijn. • Structuurzoekers vinden duurzaamheid niet vanzelfsprekend belangrijk en worden pas gemotiveerd als oplossingen eenvoudig, duidelijk, betaalbaar en zonder gedoe zijn. • Statusbewusten zijn positief wanneer duurzaamheid samengaat met innovatie, kwaliteit en moderne oplossingen die comfort of een upgrade uitstralen. • Verantwoordelijken zijn intrinsiek gemotiveerde, milieubewuste bewoners die hun ecologische voetafdruk serieus nemen en duurzame keuzes vanzelfsprekend vinden - mits de oplossing inhoudelijk klopt en bijdraagt aan echte impact. • Ontplooiers tenslotte omarmen duurzaamheid vanuit nieuwsgierigheid, vooruitgang en persoonlijke ontwikkeling: zij willen ontdekken, leren en actief bijdragen, zolang zij ruimte houden om hun eigen keuzes te maken. In onderstaande figuur zijn de dominante tinten per wijk weergegeven.

Figuur B211 Gebiedsanalyse Oost Gelre van Motivaction, verdeling Vijf Tinten Groener

Betekenis voor de warmtetransitie in Oost Gelre Hoewel de leefstijlprofielen en VTG-tinten waardevolle inzichten geven in hoe verschillende groepen inwoners naar duurzaamheid en verandering kijken, is het belangrijk deze informatie met nuance te gebruiken. De rapporten helpen vooral om de samenstelling van wijken beter te begrijpen en om gevoel te krijgen bij mogelijke motivaties of drempels. Tegelijkertijd zijn de gegevens deels verouderd en niet bedoeld om harde conclusies of directe voorspellingen te doen over gedrag in de warmtetransitie.

43

Wel kunnen de profielen richting geven. Wijken met relatief veel verantwoordelijken of ontplooiers zouden bijvoorbeeld ontvankelijker kunnen zijn voor innovatieve of aardgasvrije oplossingen. Gebieden waar plichtsgetrouwen of de traditionele burgerij domineren vragen eerder om zekerheid, duidelijkheid en bewezen technieken. In wijken met veel structuurzoekers kan een eenvoudig, laagdrempelig en ontzorgd aanbod beter aansluiten, terwijl in buurten met meer statusbewusten of opwaarts mobielen communicatie die innovatie, kwaliteit en vooruitgang benadrukt mogelijk meer aanspreekt. Kortom, de leefstijl- en duurzaamheidstypologieën bieden handvatten om na te denken over tempo, boodschap en vorm van ondersteuning per wijk, maar dienen altijd aangevuld te worden met actuele data, lokale kennis en interactie met bewoners.

Tabellen uit het rapport

44

Bijlage 4 - Bronnenstrategie 8 Achterhoekse gemeenten Het volledige rapport is in de bijlage te lezen.

45

Bijlage 5 - Uitgangspunten analyse warmte- en koudevraag Tabel 6 Uitgangspunten reductie warmtevraag bij isoleren naar label B

Reductie warmtevraag bij isoleren naar label B

Twee-onderéén-kap

Vrijstaand

Rijwoning

Hoekwoning

Meergezinswoning

Tot en met 1945

60,7%

57,4%

66,4%

67,4%

78,7%

1946-1964

54,7%

55,5%

61,5%

61,5%

74,3%

1965-1974

56,9%

56,6%

62,6%

62,5%

70,8%

1975-1991

54,3%

54,3%

56,5%

57,6%

69,4%

1992-2005

49,0%

48,5%

49,3%

51,7%

65,5%

2006-2014

44,8%

46,1%

40,3%

44,0%

55,8%

2015-2020 (label B)

0%

0%

0%

0%

0%

2021-heden

0%

0%

0%

0%

0%

Tabel 7 Uitgangspunten verbruik onbekend

Uitgangspunten verbruik onbekend

Warmtevraag

Koudevraag

GJ/m2

GJ/m2

Overige gebruiksfunctie

0,864

0,23

Winkelfunctie

0,79488

0,39

Logiesfunctie

0,756

0,28

Industriefunctie

1,04832

0,65

Bijeenkomstfunctie

0,432

0,43

Kantoorfunctie

0,7776

0,23

Sportfunctie

0,52992

0,32

Onderwijsfunctie

0,6048

0,17

Gezondheidszorgfunctie

1,3104

1,06

Celfunctie

1,3104

1,06

Woonfunctie

0,42204

0,05

46

Bijlage 4 – Communicatie- en participatieplan 1. Doel en proces Een effectieve communicatie- en participatieaanpak vormt de basis voor het succesvol opstellen en uitvoeren van een warmte- en koudeprogramma. Het doel van participatie is niet alleen om belanghebbenden te informeren over de impact op hen, maar juist om samen met hen de plannen te verbeteren door goede ideeën te verzamelen, het draagvlak te vergroten en het vertrouwen, de transparantie en de democratische verantwoordelijkheid te versterken door de betrokkenheid te verhogen. Door belanghebbenden actief te betrekken in het proces, ontstaat er meer begrip voor de gemaakte keuzes en zijn de plannen beter afgestemd op de wensen en behoeften uit de samenleving. Een zorgvuldige aanpak zorgt ervoor dat iedereen zich gehoord voelt en dat het programma breed gedragen wordt. Het participatiedoel is om samen met de stakeholders een warmte- en koudeprogramma op te stellen dat aansluit op de situatie en wensen van de mensen en organisaties in Oost Gelre. De stakeholders die we betrekken, identificeren wij later in deze notitie.

Dit hebben we afgesproken We proberen zoveel mogelijk inwoners en ondernemers te betrekken. Daarom zorgen we in ieder geval dat we inwoners en ondernemers actief informeren over het proces door bijvoorbeeld vroeg in het proces aan te geven dat de gemeente het warmte- en koudeprogramma opstelt of te informeren over het besluitvormingstraject. Met team communicatie houdt DWA in de uitvoering korte lijnen en stemt inhoudelijke berichtgeving en planning zorgvuldig af. De algemene rolverdeling hierbij is dat de gemeente de coördinatie en voorbereidende rol heeft en dat DWA de inhoud aanlevert.

Wat is er gepland en wat is al gedaan?

Figuur 12: Overzicht van taken per fase

Voordat we de gehele aanpak in meer detail bespreken, kijken we eerst naar wat er gepland is en wat er al gedaan is. Figuur 12 toont welke stappen we ondernemen. Momenteel zitten we in fase 1. Bij het moment van schrijven van deze notitie zijn de volgenden communicatie- en participatiestappen al uitgevoerd: • • • •

Projectstart: overleg tussen DWA en de gemeente waarbij we het plan van aanpak doorlopen; Stakeholderanalyse: in kaart brengen van de stakeholders en verdelen welke rollen zij aan (moeten) nemen. Deze bespreken we later in de notitie; Gesprek wethouder: gesprek tussen DWA en wethouder over onder andere de rol van college en raad. De uitkomsten van dit gesprek zijn verwerkt in de stakeholderanalyse; Co-creatiesessie 1. 47

Uitgesteld (zie planning): • • •

Het uitsturen van het nieuwsbericht: inwoners informeren over het proces en uitnodigen voor enquêtes (het is in overleg besloten om deze op een later moment uit te sturen); Het publiceren van de FAQ op de website: veel gestelde vragen over het programma toegankelijk maken, kijk verder onder in deze notitie voor meer informatie; De gemeente wil inwoners niet op voorhand informeren over procedures en ambtelijke processen als ze nog niets kunnen bijdragen of nog niets hiervan merken. Daarom hebben we besloten om pas actief naar buiten te treden als inwoners de enquête kunnen invullen en mee kunnen denken.

Ook is aanvullend met de raadswerkgroep gesproken over het betrekken van de gemeenteraad en zijn de uitkomsten hiervan verwerkt in deze notitie. De gemeenteraad stelt de startnotitie vast. Met een informerende memo houden we de Raad gaandeweg op de hoogte van het proces. Tijdens bijna elke fase is er een deel participatie en communicatie gepland. Deze taken beschrijven we verderop in de notitie. Daarnaast geven we aan hoe deze taken bijdragen aan het doel van de fase.

Participatieruimte Het traject van het schrijven van een warmte- en koudeprogramma kan veel tijd kosten. Daarnaast heeft de inhoud impact op alle groepen in de gemeente en is het afhankelijk van veel variabelen. Daarom is het belangrijk om een diverse groep van stakeholders te betrekken die elk vanuit een eigen blik naar het proces kijkt. Wij hebben vier groepen geïdentificeerd die we betrekken bij het opstellen van het programma. De eerste groep zijn de gebruikers, dit zijn de mensen en organisaties die gebruik moeten maken van de onderdelen die wij in het programma voorstellen. De tweede groep zijn de uitvoerders. Dit zijn de organisaties die naar aanleiding van het programma bepaalde taken uitvoeren, denk hierbij bijvoorbeeld aan het uitvoeren van de isolatiemaatregelen. De derde groep bevat de beïnvloeders. Dit zijn de mensen en organisaties die de blik van anderen op het programma kunnen beïnvloeden. Tot slot zijn er de beslissers. Dit zijn de mensen die daadwerkelijk een beslissing moeten nemen over het programma. Vervolgens verdelen we deze stake olders over vier “treden” van participatie. De laagste trede is informeren, de belanghebbenden in deze rang informeren wij enkel over belangrijke aspecten en beslissingen van het programma.

De tweede trede is adviseren & raadplegen en de groepen in deze rang benaderen wij actief om hun input en ideeën te geven voor het programma. De derde trede is coproduceren en hier vallen de groepen onder die nodig zijn om het warmte- en koudeprogramma uit te kunnen voeren. Daarom betrekken we hen al tijdens het opstellen van het programma, zodat we niet achteraf tegen problemen aanlopen. De laatste trede is meebeslissen en deze rang gaat over het daadwerkelijk vaststellen van het programma. Deze twee onderdelen leiden samen tot een grafiek waarin we de stakeholders identificeren. Figuur 13 toont deze identificatie. Deze grafiek vullen wij in hoofdstuk 2 verder in en de manier waarop wij elke stakeholder meenemen, benoemen we in hoofdstuk 3. Deze communicatie- en participatieaanpak is enkel voor het opstellen van het warmte- en koudeprogramma. Voor een toekomstig wijkuitvoeringsplan moet de gemeente een nieuwe aanpak opzetten.

48

Figuur 13 Stakeholderanalyse opzet

2. Participanten Figuur 14 toont de ingevulde stakeholderanalyse. Eerst zijn alle stakeholders geïdentificeerd en in een groep geplaatst. Vervolgens is er voor elke stakeholder bepaald op welke manier we hen betrekken in het communicatie- en participatieproces. Dit is aangegeven met de oranje pijlen.

Figuur 14 Stakeholderanalyse

3. Participatieontwerp Dit hoofdstuk toont per fase welke stappen we ondernemen op gebied van communicatie en participatie. Hierbij geven wij ook aan welke stakeholders we hierbij betrekken en op welke manier.

Fase 1: verkennen en inventariseren Het doel van deze fase is om het fundament voor de rest van het traject neer te leggen. Het doel is om duidelijkheid te krijgen in het te doorlopen proces door de huidige status en de lokale situatie in beeld te brengen. De communicatie- en participatiestappen in deze fase helpen om dit beeld te krijgen. Daarnaast leggen we het fundament voor de communicatie naar belanghebbenden, waardoor we mogelijke eerste vragen al kunnen beantwoorden.

49

Gesprek met de wethouder: we plannen een gesprek met de wethouder in, waarin we het proces toelichten en bespreken hoe we de gemeenteraad betrekken bij het proces. Bij deze taak betrekken we dus het college van B&W door middel van een gesprek. Deze stap is al genomen op het moment van schrijven van deze notitie. Co-creatiesessie met stakeholders: we organiseren een Co-creatiesessie met als doel om een helder beeld te krijgen over beschikbare informatie bij de opgave. Hierbij nemen we de resultaten van de omgevingsanalyse mee. Een Co-creatiesessie is een gestructureerd dagdeel waarin we in verschillende rondes de opgave in beeld brengen. Dat doen we op een interactieve manier, bijvoorbeeld via korte pitc es van it de stake olders en interne collega’s en vragen via entimeter. De stakeholders die we hierbij betrekken zijn de groepen die tot de rang coproduceren behoren. Plaatsen informatie: we plaatsen informatie op de gemeentepagina en verwijzen ernaar zo nodig ook op andere platforms. Daarin informeren we over wat een warmte- en koudeprogramma betekent, over de inhoud en het proces van totstandkoming van het programma. Het bericht wordt rond één maand voor het uitzetten van de enquête gepubliceerd. We nodigen lezers uit om mee te denken in het proces via de en tes.

De stake olders die we ierbij betrekken, zijn de gebr ikers (inwoners, Vv ’s, ondernemers en overige gebouweigenaren) van de trede adviseren & raadplegen. Stakeholders van de trede informeren worden met deze stap over de voortgang geïnformeerd. Uitzetten FAQ (Frequently Asked Questions): DWA heeft een FAQ opgesteld over het warmte- en koudeprogramma. Deze plaatst de gemeente zo nodig op de gemeentepagina en mogelijk ook op andere platforms. We betrekken hierbij alle stakeholders, maar dit is vooral gefocust op de ring informeren. Deze FAQ zijn al opgesteld maar nog niet uitgezet via de gemeentepagina op het moment van schrijven van deze notitie. Dit komt omdat de gemeente de informatie uit de FAQ liever als inhoud op een pagina zet. Omdat de website volop in ontwikkeling is, volgt dit later.

Fase 2: voorbereiden Het doel van deze fase is om een overkoepelende visie voor het warmte- en koudeprogramma te definiëren voor de volgende stappen in de energie- en warmtetransitie voor de komende jaren. De communicatie- en participatiestappen in deze fase helpen om de visie(s) van belanghebbenden te horen, waarmee we vervolgens het programma opstellen. Daarnaast informeren we de belanghebbenden over het vervolg van dit traject. Werksessie met interne medewerkers: we organiseren een werksessie waarbij we een eerste opzet maken van de meetbare effectdoelen en de acties die daaraan verbonden zijn. Dit doen we door de meetbare effectdoelen uit te werken in een doelenboom (zie Figuur 15 voor een voorbeeld), een brainstorm te houden over de acties die nodig zijn om de effectdoelen te behalen en voor deze acties uit te werken hoe deze gemonitord kunnen worden. De stakeholders die we hierbij betrekken, zijn de interne medewerkers.

50

Figuur 15 Voorbeeld doelenboom

Co-creatiesessie met stakeholders: we organiseren een co-creatiesessie waarin we de meetbare effectdoelen en acties van de doelenboom aanvullen. De stakeholders die we hierbij betrekken, zijn de groepen die tot de rang coproduceren behoren. Dit zijn dezelfde deelnemers als bij de cocreatiesessie in fase 1. Nieuwsbericht 1 en enquête: we kondigen een enquête aan bij de inwoners. Dat doen we op zoveel mogelijk kanalen om zoveel mogelijk respons te krijgen. De enquête wordt uitgezet via het platform Populytics. De link naar deze tool gaan we uitzetten via de gemeentepagina en de social mediakanalen. ogelijk k nnen de stake olders van de categorie beïnvloeders (Vv ’s, klimaatburgemeesters, dorpsbelangenorganisaties en energiecoöperaties) helpen om de enquête te verspreiden en een hogere respons te krijgen. De resultaten nemen wij mee in het afwegingskader. Zo beïnvloeden de resultaten direct wat we dieper gaan uitwerken en versterkt meenemen in het warmteen koudeprogramma. We gaan ook de sociale analyse en wijksamenstelling anoniem opvragen. De stakeholders die we bij de enquête betrekken zijn alle stakeholders uit de categorie gebruikers en de huurdersverenigingen (met de ondernemersverenigingen voert de gemeente een apart gesprek).

Fase 3: opstellen warmte- en koudeprogramma Het doel van deze fase is om een conceptversie van het warmte- en koudeprogramma op te stellen op basis van de input uit de vorige fasen. In deze fase zijn er geen stappen die vallen onder communicatie en participatie.

Fase 4: toetsen en verfijnen Het doel van deze fase is om feedback te verzamelen op de conceptversie van het programma. De communicatie- en participatiestappen in deze fase helpen om deze feedback te verzamelen en zorgvuldig te documenteren zodat we die kunnen gebruiken om een definitief warmte- en koudeprogramma op te stellen. Feedback ophalen: we sturen een 80%-versie aan de stakeholders met de vraag om binnen twee weken te reageren. De gemeente verzamelt schriftelijke input op de conceptversie van het warmte- en koudeprogramma. Vervolgens bespreken we het concept met DWA in een digitaal overleg en verwerkt DWA de input zoals besproken. De stakeholders die we hierbij betrekken zijn respectievelijk de stakeholders uit de groep adviseren & raadplegen, het Energieloket Achterhoek en AGEM. Bestuurlijke activiteit: we bespreken het warmte- en koudeprogramma met de wethouder en halen input op voor het programma. De stakeholder die we hierbij betrekken is het college van B&W.

51

Fase 5: vaststellen warmte- en koudeprogramma Het doel van deze fase is om het warmte- en koudeprogramma vast te stellen. De communicatie- en participatiestappen in deze fase helpen om zienswijzen over het programma op te halen, waarmee we bepalen of er aanpassingen vereist zijn. Daarnaast helpen de stappen om de informatie uit het programma te communiceren naar de belanghebbenden binnen gemeente Oost Gelre. Communiceren warmte- en koudeprogramma: we communiceren het programma. Dit gebeurt via de gemeentepagina en volgt de standaardprocedure. We betrekken hiermee alle stakeholders. Ophalen zienswijzen: we leggen het programma ter inzage. Hiervoor wordt de gemeentelijke standaardprocedure gevolgd. Tijdens deze periode kan iedereen zijn/haar zienswijze indienen, zowel mondeling als schriftelijk. Deze zienswijzen verwerkt de gemeente vervolgens in een verslag. Hierna bepaalt de gemeente of ze het ontwerp van het programma moeten aanpassen. De gemeente reageert op de zienswijzen in een nota van antwoord. We betrekken hiermee alle stakeholders. Plaatsen nieuwsbericht 2: als we een inspiratiemiddag/inloopbijeenkomst organiseren plaatsen wij een nieuwsbericht. Dit doen we dan via dezelfde kanalen als de eerste nieuwsberichten.

Optioneel organiseren inspiratiemiddag/inloopbijeenkomst: we organiseren een inspiratiemiddag waarbij we de deelnemers informeren over het programma en wat dit voor hen betekent. De dag kan worden gekoppeld aan trajecten in de andere dossiers van duurzaamheid. Dit kan bijvoorbeeld samen met klimaatadaptatie of afvalwater. Denk aan de dag van de duurzaamheid of op burendag. De gemeente bespreekt dit nog met de interne medewerkers. Als deze activiteit niet lukt kan optioneel een inloopbijeenkomst over het warmte- en koudeprogramma worden gehouden. De stakeholders die we hierbij betrekken zijn alle stakeholders.

4. Spelregels Tijdens het participatietraject gelden spelregels: •

•

We vragen actief meewerkende stakeholders om hun gegevens achter te laten, zodat we de resultaten van het participatietraject kunnen terugkoppelen. Daarnaast koppelen we terug via de gemeentepagina; We doen ons best om een goede afspiegeling van de samenleving te bereiken. Bij klankbord klimaat kwam er geen verder middel aan bod. Tijdens het proces houden we goed bij wat we binnen het communicatie- en participatieproces hebben gedaan.

52

5. Planning en communicatie Tabel 8 Planning en communicatie

Stap

Participant/groep/trede

Moment

Gesprek met wethouder

Wethouder

November 2025

Eerste Co-creatiesessie met stakeholders

Coproduceren

Februari 2026

Werksessie

Interne medewerkers

Maart/april 2026

Vaststellen startnotitie

Gemeenteraad

Mei 2026

Tweede co-creatiesessie met stakeholders

Coproduceren

Maart/april 2026

Plaatsen informatie

Gebruikers (openbare aankondiging)

April 2026

Uitzetten FAQ

Informeren (openbaar)

Uitzetten zo nodig

Nieuwsbericht 1 en enquête

Gebruikers (openbare aankondiging)

April/mei 2026

Feedback ophalen

Coproduceren, interne medewerkers, gemeenteraad, college B&W

Augustus – september 2026

Bestuurlijke activiteit

College B&W

September 2026

Communiceren warmte- en koudeprogramma

Informeren (openbaar)

November 2026

Ophalen zienswijze

Informeren (openbaar)

November 2026

Uitsturen nieuwsbericht 2

Gebruikers (openbare aankondiging)

November/december 2026

Optioneel organiseren inspiratiemiddag/ inloopbijeenkomst

Gebruikers

December 2026

6. Deskundigheid, capaciteit en kosten • • •

Bureau DWA ondersteunt de gemeente bij dit inwonerparticipatiebeleid. Team communicatie adviseert en ondersteunt bij het participatieproces. Een enquêtetool is nodig om de online vragenlijst in te zetten. De Achterhoekse gemeenten gaan samen een tool inzetten om die vragen te stellen. Daardoor is het lastig in te schatten wanneer die enquête gehouden kan worden.

Voldoende financiering, tijd en menskracht zijn vereist om de stappen van deze communicatie- en participatieaanpak te ondernemen. Deze aspecten zijn van tevoren behandeld en de benodigde middelen zijn vrijgemaakt.

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16888545/1