ruimtelijke onderbouwing de leemputten
Tekst van het document
| Toelichting
Goede onderbouwing voor een fysieke leefomgeving (GoFlo) Natuurpark de Leemputten 21 augustus 2025
Gemeente Lisse
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Plangebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer
4 4 5 9
2
Plangebied
10
2.1 2.2
Ontstaansgeschiedenis en gebiedskenmerken Het plan
10 14
3
Beleidskader
18
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
18 21 29 30
4
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
32
4.1 4.2 4.3
Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten
32 32 42
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
6.1 6.2
Overleg Procedure
53 53
Bijlagen 1. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING NATUURPARK DE LEEMPUTTEN, Facet architecten & adviseurs, 24 juni 2025 2. Verkennend bodemonderzoek De Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), WMC, 18 augustus 2025 3. Onderzoek stikstofdepositie De Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), WMC, 6 juni 2025 4. Quickscan flora en fauna De Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), WMC, 24 april 2025 5. Participatiedocument de Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), Facet
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Natuurpark de Leemputten is gelegen nabij Groenlo in de gemeente Oost Gerle, in de regio Achterhoek. Er zijn momenteel diverse dagrecreatieve functies aanwezig. De wens is om daarnaast jaarrond kleinschalig en kwalitatief hoogwaardige overnachtingsmogelijkheden aan te bieden, in dit geval door 4 kleine recreatiewoningen te ontwikkelen. Deze wens komt voort uit het feit dat het nu niet mogelijk is om personeel een jaarrond contract aan te bieden. Wanneer er jaarrond woningen worden verhuurd kan dat wel en borgt dat de continuïteit van de onderneming Dit plan kan landschappelijk en stedenbouwkundig goed ingepast worden en het plan genereert een betere basis blijvend te kunnen voorzien in een adequaat beheer van de natuur. Er kan daarom worden meegewerkt. Het plan is wel in strijd met het Omgevingsplan. Er kan daarvan worden afgeweken. In dit geval is dit mogelijk af te wijken met een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De juridische grondslag voor de BOPA is de vergunningplicht in artikel 5.1 lid 1 onder a jo. art. 5.2 Omgevingswet en artikel 5:21, tweede lid, onder b. Omgevingswet. Daar wordt bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
In de begripsbepalingen van de Omgevingswet staat wat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is: Buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; Toepassing van dit artikel vereist dat gemotiveerd wordt waarom het plan passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL; artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl). Dit kan met een Goede onderbouwing van de effecten op een fysieke leefomgeving (GoFlo), waar dit document in voorziet. Wisselend wordt in den lande in dit verband ook gesproken over een EFTAL.
1.2
Plangebied Het plangebied ligt aan de Zwolse Veenweg 4a even ten oosten van Groenlo en maakt deel uit van het kadastrale perceel GLO00-F-1055. Op navolgende afbeelding is in geel globaal aangegeven waar de recreatiewoningen komen; in hoofdstuk 2 staat dit gedetailleerd weergegeven.
4
Plangebied ingezoomd
Plangebied uitgezoomd
1.3
Geldend omgevingsplan Ter plaatse geldt primair het (tijdelijk) omgevingsplan Buitengebied Oost Gelre, vastgesteld op 18 december 2011. Er is hier een bestemming Recreatie – Verblijfsrecreatie toegekend met dubbelbestemming waarde – Archeologische verwachtingsaarde 2 en gebiedsaanduiding ehs – natuur. Er is daarna een reparatieplan 2014 vastgesteld op 15 juli 2015. Dat plan bevat geen voor deze locatie geen significante veranderingen. Dat geldt wel voor een daarna vastgesteld Reparatieplan 2016, vastgesteld op 4
5
april 2017. De regeling voor ehs-natuur is hierin gewijzigd naar overige zone – gelders natuur netwerk en daarnaast is de bestemming aangepast naar Recreatie-Dagrecreatie.
Uitsnede geldend omgevingsplan Oost Gelre 2012
Uitsnede geldend omgevingsplan Reparatieplan 2016, vastgesteld 4 april 2017 6
De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dagrecreatieve voorzieningen, met de nadere bestemming welke is weergegeven in de onderstaande tabel: met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen: • • •
tuinen, erven en groenvoorzieningen; ontsluitingen/inritten; parkeervoorzieningen.
Recreatiewoningen zijn geen dagrecreatieve maar verblijfsrecreatie voorzieningen en passen dus niet binnen het omgevingsplan. Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels: a. de maatvoering van de bebouwing mag niet meer bedragen dan in de onderstaande tabel is aangegeven: xx = bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan Anders geformuleerd houdt dit in dat er geen bebouwing toegestaan). Ter plaatse van de aanduiding: 'overige zone - gelders natuur netwerk' zijn de gronden tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; ▪ (..) Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden op de in sub a bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: 1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; 3.
het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 4. het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen; 5. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; 6. het verwijderen van onverharde wegen of paden; 7. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur.
7
Het bepaalde is niet van toepassing:op de gronden welke zijn gelegen binnen de bestemmingen 'Bedrijf', 'Bedrijf - Nutsvoorziening', 'Detailhandel', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie - Dagrecreatie', 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', 'Sport', 'Sport - Manege', 'Wonen' en 'Wonen - Landgoed'; Nu de gronden zijn gelegen binnen de bestemming Recreatie-dagrecreatie is een omgevingsvergunning als bedoeld niet nodig. Wel dient aangetoond te orden dat het plan voldoet aan de bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden Relevant is voorts het Parapluplan Archeologie gemeente Oost Gelre (vastgesteld 2022-02-22). De archeologische verachting met bijbehorend regime is hier gewijzigd van 2 naar 4.
Uitsnede Parapluplan Archeologie gemeente Oost Gelre
De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven (al dan niet ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk), verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en de bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden; c. het verlagen van het waterpeil; d. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; e. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
8
f.
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; waarbij de vergunningplicht voor sub b. tot en met g. geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 5.000 m2. Dit plan kent geen oppervlakte groter dan 5.000 m2 (zie hoofdstuk 2) en daarom is er geen sprake van een omgevingsvergunningplicht voor archeologie. Relevant is voorts tenslotte het Facetbestemmingsplan parkeren (vastgesteld 201806-05), waarin in essentie is geregeld dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein moeten zijn gezien de behoefte. Er komen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, zie hoofdstuk 2.
1.4
Leeswijzer Voorliggende GoFlo is als volgt opgebouwd; na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid. In hoofdstuk 4 wordt beoordeeld of het plan haalbaar is wat betreft milieu, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. In hoofdstuk 5 volgt de financiële uitvoerbaarheid, en de beschrijving waarop burgers, overheden en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken.
9
2
Plangebied Alvorens de huidige en gewenste nieuwe situatie te benoemen, is het nodig het gebied in zijn cultuurhistorische context te beschouwen. Niet alleen is de geschiedenis vaak een bron voor inspiratie en tegelijk iets van het verleden zichtbaar te houden. Maar het verleden verklaart ook waarom de fysieke ruimte is ingericht en gebruikt wordt zoals ze is en waarom er veranderingen gewenst zijn. Cultuurhistorische waarden zijn tastbare elementen en structuren die een beeld geven van onze geschiedenis. Ze vormen oriëntatiepunten, zorgen voor afwisseling en maken dat bewoners zich met een stad of streek kunnen identificeren.
2.1
Ontstaansgeschiedenis en gebiedskenmerken De locatie ligt in de Achterhoek, van oorsprong een open boslandschap, afgewisseld door venige gebieden met moerassen. De rivierduinen en dekzandruggen langs de rivieren en beken zijn al vroeg bewoond geraakt. In een groot deel van de Achterhoek was tot in de 19e eeuw kleinschalige landbouw de voornaamste bron van bestaan. Veel buurschappen, dorpen én steden bezaten vaak gezamenlijk enkele esgronden en heidevelden in de buurt van de nederzetting. Pas in het begin van de 20e eeuw is de Achterhoek grootschalig ontgonnen. De Leemputten ligt nabij Groenlo, gesticht aan de hoge kant van het riviertje de Groenlose Slinge. Aan deze kant van de rivier lagen diverse essen. Rondom Groenlo lag een aantal moerassen waarvan de meeste in de loop der eeuwen zijn ontgonnen. De geschiedenis van de Leemputten gaat terug naar het jaar 1892, toen in Groenlo een steenfabriek werd geopend. Ten behoeve van deze steenfabriek werd er in het buurtschap Zwolle leem afgegraven. Tot 1931 gebeurde dit met de hand. Daarna kwam de baggermachine die het zware handwerk overnam.
Historische atlas plangebied en omgeving Omstreeks 1898 werd er een spoorlijntje aangelegd dat het leem vanuit de Leemputten, langs de boerderij van Bomers (tegenwoordig Marveld Recreatie) naar de steenfabriek in Groenlo bracht. Met paard en wagen werd de Leem naar Groenlo gebracht.
10
Het oude treintje werd in 1912 vervangen door een elektrische tram. Helaas brak in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit, werd koper schaars en werd de elektrische tram, welke op een koperen bovenleiding reed weer verkocht. Vanaf dat moment werd de leem weer vervoerd met paard en wagen. In 1919 werd er opnieuw een tram aangeschaft en kon het paard weer op stal. De leem werd weer in 'kipwagentjes' (ook wel lorries genoemd) naar Groenlo gebracht.
Historische luchtfoto de Leemputten In 1975 werd de steenfabriek in Groenlo gesloten. De Leemputten werd terug gegeven aan de natuur. Het spoor werd opgebroken en de rails werden allemaal gebruikt als omheining van het natuurgebied. In 1978 werd de Leemputten onder de naam ‘Natuurpark de Leemputten’ opengesteld voor publiek. Vanaf dat moment kon men er waterfietsen en genieten van de mooie natuur. Uiteindelijk is het gebied eind 2006 verkocht aan de Rijksoverheid en via Dienstlandelijk gebied is het nu in beheer van Staatsbosbeheer. In 2010 is het gedeelte binnen het hekwerk overgenomen door de familie Bomers (Boerderij Kraanswijk). Zij zijn in 2014 weer begonnen met het waterfietsen. In eerste instantie alleen voor gasten van Marveld Recreatie, om het vervolgens weer open te stellen voor iedereen. In 2017 is een speelweide met speelbult aangelegd die in 2018 erd uitgebreid met nog een speelbult, een pipowagen en een beachveld. In 2019 kreeg het natuurpark zijn eigen strand. Zoals in navolgende paragraaf beschreven, bestaat de wens om het natuurpark verder te ontwikkelen door er een verblijfsrecreatie voorziening in de vorm van 4 recreatiewoningen aan toe te voegen. Op de locatie waar de 4 recreatiewoningen moeten komen is te zien dat er enkele grote bomen staan, waaronder een grote sequoia.
Deze bomen blijven behouden en ook blijft er zoveel mogelijk van de oeverbegroeiing behouden. Naast de grote bomen bestaat de locatie van de recreatiewoningen nu nog vooral uit gras. Langs de grens van het plangebied loopt een pad naar de visstek, dit pad blijft behouden en zal tevens gebruikt worden als toegangspad voor de nieuwe recreatiewoningen.
11
12
Impressies plangebied e.o
13
2.2
Het plan De wens bestaat een kleinschalige verblijfsrecreatieve functie in de vorm van 4 recreatiewoningen aan het natuurpark toe te voegen, zodat het gebied in een nog bredere en waardevolle wijze kan worden beleefd. Dit draagt bij aan de bewustwording en educatie met betrekking tot de natuur- en landschapswaarden, en tegelijk levert het een basis op waarmee nog gerichter en beter kan worden ingespeeld op onderhoud van het park. De recreatiewoningen worden langs het water gesitueerd. Elke recreatiewoning heeft een inpandig terras met vlonder die niet boven het water komt te liggen. Ter plaatse van de woningen wordt het maaiveld iets verlaagd. De recreatiewoningen worden tussen de bestaande grote bomen geplaatst en er gaat daardoor geen groot waardevol groen verloren, wel een deel van de natuurlijk begroeide oever (100 m2, 10 meter oever per woning met een breedte van ongeveer 2,50 m). Parkeren gebeurt op de parkeerplaats bij de privéwoning van de eigenaren (bij 2.3. op navolgende afbeelding), er komen 4 parkeerplaatsen. Tussen de recreatiewoningen komt groen om zoveel mogelijk privacy te genereren.
Situatieschets nieuwe situatie Er komen 2 recreatiewoningen voor 4 personen en 2 voor 2 personen. Ze krijgen de uitstraling en sfeer van een tiny house. Ze bieden een mooi aangezicht vanaf het water en worden natuurinclusief en duurzaam gebouwd. Op de navolgende afbeelding is een impressie te zien. Deze woningen passen met hun natuurlijke uitstraling heel goed in het natuurpark. De welstand heeft inmiddels ook akkoord gegeven. De huisjes komen zo dicht mogelijk op het water zonder de waterlijn te verstoren en het opschot wat langs de oever staat wordt op die plekken weggehaald, zodat de recreatiewoningen vrij uitzicht hebben op het water. Wel kan er lagere begroeiing groeien in de oevers, daarnaast is het belangrijk dat het uitzicht op het water zoveel mogelijk vrij blijft.
14
Impressie recreatiewoningen Qua verlichting zal er rekening gehouden worden met de dieren. Zo min mogelijk verlichting die uitgaat als deze niet nodig is. De Batlamp is een goede optie met weinig lichtsterkte en weinig nadelige effecten voor foeragerende vleermuizen en vogels. De recreatiewoningen zijn straks bereikbaar via een half-verhard pad gemaakt van bijvoorbeeld gravel of padvast. Dit pad kan de uitstraling krijgen van een karrespoor (2.1) en is tevens de bestaande toegang voor de vis-stek. Vanaf dit pad komt er naar elk huisje een smal pad van gravel of padvast (2.2). Parkeren kan bij de privéwoning en kan op grasbetontegels (2.3). Zo wordt er geen waterdichte verharding toegevoegd aan het plangebied en kan overal het regenwater goed wegzijgen. Met het oog op een zorgvuldige landschappelijke inpassing is een landschappelijke studie verricht1, waarvan op voorgaande pagina een visuele samenvatting is afgebeeld. De belangrijkste componenten uit de studie worden hierna verwoord. Langs de westelijke grens van de Leemputten liggen bestaande robuuste groenstructuren als afscherming van het terrein. Deze beplanting blijft ook in de nieuwe situatie bestaan. Door het gebruik van inheemse struiken en bomen hebben deze structuren veel ecologische waarde. Door de bestaande groenstroken heen is er af en toe een uitzicht op de naastgelegen weilanden.
Langs de oevers van de plassen groeien veel elzen en essen. Zoveel mogelijk van het kwalitatieve groen wat momenteel langs de oever groeit van het plangebied blijft behouden. De grote bomen, waaronder een mooie kastanje, kunnen blijven staan met uitzondering van een eik. Houtwallen en singels zijn landschappelijk en ecologisch van bijzondere betekenis en herbergen een grote verscheidenheid aan planten- en diersoorten. Door de hoge diversiteit aan planten vormen houtwallen en singels een belangrijk biotoop voor veel dieren. Met hun dichte structuur bieden ze nestgelegenheid en vormen ze voor veel vogels, zoogdieren en insecten een grote voedselbron in de vorm van nectar en bessen. Bovendien spelen houtwallen, net als andere lintvormige elementen, een vitale rol bij de migratie van planten en dieren in het landschap. De houtwallen die in 1 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING NATUURPARK DE LEEMPUTTEN, Facet architecten &
adviseurs, 24 juni 2025
15
het plangebied komen sluiten aan op het bestaande groen dat langs de oevers groeit. De houtwallen komen tussen de woningen en vallen onder versterkingsmaatregel 2. In totaal komt er 150 m2 houtwal aansluitend op de bestaande begroeiing langs de oever. Inheemse soorten zijn een pré. Momenteel bestaat het plangebied voor het grootste gedeelte uit strak gemaaid gras. Een deel hiervan blijft behouden (6 op de kaart). Dit gaat vooral om een klein speelveld van 9x15 meter, om een rand langs het karrenspoor, een rand langs de wandelpaden en om de ruimte strak langs de recreatiewoningen en deels aan de zuidkant van de woningen. Dit gras heeft weinig natuurwaarde, maar zorgt wel voor overzichtelijkheid, veiligheid en speelruimte voor de recreanten. Er komen ook delen met kruidenrijk gras. Deze delen worden duidelijk afgescheiden van het kort gemaaide gras en worden niet betreden of verstoord door de recreanten. Het kort gemaaide gras langs de paden geeft een duidelijke grens. Ook zou er gekozen kunnen worden voor een kniehoog hekwerk om het bloemrijke gras van het korte gras te scheiden en de recreanten uit de bloemenweide te weren. Als versterkingsmaatregel 1 is gekozen voor het realiseren van natuurvriendelijke oevers. Dit is een waardevolle versterking in een waterrrijk gebied. Op de aangegeven delen (7.1) worden flauwe oevers gecreëerd met moerasachtige begroeiing en inhammen.
Zo ontstaat er een grotere waterlijn met waardevolle plekken voor dieren en planten. Op andere delen (7.2) worden 4 meter lange steilwanden gerealiseerd voor de ijsvogel. Dit kan door middel van het afsteken van de oever, tevens ook omdat er al een wezenlijk hoogteverschil aanwezig is of door het omtrekken van een boom. In dit geval kan een combinatie mogelijk zijn, omdat er op twee plekken een steilwand gerealiseerd wordt. Een andere optie is het opwerpen van een grondwal. Voor de recreatiewoningen (7.3) blijft de oever intact, maar het opschot wordt hier weggehaald. Lagere oeverbegroeiing kan hier blijven bestaan. De woningen komen niet op of over de waterlijn te liggen. In het plan wordt voor 50 m2 aan takkenrillen gerealiseerd als afscheiding van delen van het plangebied en voornamelijk als natuurelement. Een takkenril is een waardevol element als nestgelegenheid, schuilgelegenheid en voedsel voor vogels en allerlei andere dieren. In de takkenril kunnen ze ongestoord een plek vinden en het verterende houtige materiaal is een perfecte plek voor insecten. De takkenrillen in het plangebied krijgen een breedte van ongeveer 1 meter, zodat er voldoende breedte is voor de dieren. De takkenrillen kunnen gemaakt worden van het snoeimateriaal wat ter plekke vrijkomt door algemeen onderhoud en door de aanleg van de recreatiewoningen.
Door regelmatig snoeiwerk in het natuurpark kunnen de takkenrillen hun dikte en vorm goed behouden, omdat er regelmatig vers snoeimateriaal aan toegevoegd kan worden. In het broedseizoen zal dit niet gebeuren, zo worden er geen broedende dieren verstoord. Qua beheer kan er in januari/februari onderhoud uitgevoerd worden aan de steilwanden. Het is belangrijk dat de wand zoveel mogelijk kaal blijft, zodat de ijsvogel goed kan graven. Daarnaast is het van belang dat de begroeiing bovenop de wand ook bijgehouden wordt, zodat deze niet over de wand kan gaan hangen. Obstakels die voor de aanvliegroute naar de wand hangen kunnen ook verwijderd worden. Een stevige tak kan blijven, daar kunnen de vogels op gaan zitten. In september/oktober kan er onderhoud uitgevoerd worden aan de 16
natuurvriendelijke oevers. Dit kan inhouden dat een deel van de waterplanten/vegetatie gemaaid wordt. Er wordt rekening gehouden met zo min mogelijk verstoren van de dieren en van de natuurlijke oever. Ook wordt er zo min mogelijk onderhoud gepleegd, wel wordt het karakter van de natuurvriendelijke oever behouden. Deze mag niet teveel verlanden of verdichten met bomen en struiken. In het plan wordt 600 m2 droge natuurgraslanden gerealiseerd tussen de woningen en het karrenspoor, aangegeven met 8 op de tekening. Deze vallen onder N12.02 kruiden- en faunarijk grasland. In dit type grasland domineren de grassen, maar komen ook kruiden voor (circa 20% is kruiden). Goed ontwikkelde kruidenen faunarijke graslanden hebben een gevarieerde structuur. Er is afwisseling tussen korte en lange delen, droge en nattere delen en ruigere delen en meer open plekken. Dit graslandtype kan bereikt worden door het inzaaien van een inheems mengsel, maar er kan ook gekeken worden naar wat er spontaan opkomt na verschralen van de grond. Dit kan enkele jaren in beslag nemen. Door gefaseerd te maaien hebben dieren en insecten altijd een schuilplek en is er meer ruimte voor biodiversiteit. Het tijdstip van het maaien is afhankelijk van het mengsel wat er groeit en van de voedselrijkdom van de grond.
Er zal in detail gekeken worden naar het grondtype en daarbij een passend mengsel en beheer worden uitgekozen en toegepast. Voor extra versterking van het landschap is er gekozen voor het toevoegen van 500 m2 extra struweel in de omgeving van het plangebied. Dit struweel sluit aan op andere gebieden die onder de groene ontwikkelingszone vallen en is daarmee een waardevolle toevoeging. Het struweel komt te liggen op biologisch landbouwgebied. Op een andere locatie binnen het natuurpark wordt een nu niet natuurvriendelijke oever verandert in een natuurvriendelijke oever met een deel flauwe oever en een deel steilwand. Met dezelfde inrichting en beheer als die binnen het plangebied Er kan zodoende medewerking aan worden verleend. In navolgende hoofdstukken volgt een toets aan het ruimtelijk relevant beleid van de diverse overheden en vervolgens aan milieu- en omgevingsaspecten.
17
3
Beleidskader Aan ieder ruimtelijk plan ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag ten aanzien van de inrichting van de omgeving. Deze uitgangspunten vinden hun grondslag in algemeen gemeentelijk beleid. Ook is er beleid op deelaspecten ten aanzien van bijv. wonen, detailhandel, groen, welzijn etc. dat voor een ruimtelijk plan van belang is. Dit gemeentelijk beleid ten aanzien van de inrichting van het gemeentelijk gebied, heeft gestalte gekregen mede op grond van ruimtelijk beleid van hogere overheden, zoals het rijk en de provincie. Ook het beleid van het Hoogheemraadschap ten aanzien van waterbeheer en veiligheid speelt een rol. Provinciaal en gemeentelijk beleid en het beleid van het hoogheemraadschap zijn ieder op hun beurt weer een vertaling van de meer abstracte regie op nationaal niveau, het rijksbeleid. Rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid, worden hierna kort uiteengezet. Het gemeentelijk beleid, dat de achterliggende gedachten van het bestemmingsplan vormt, komt daarna aan de orde. Het beleid van hoogheemraadschap en gemeente met betrekking tot het aspect water is in een separate paragraaf in hoofdstuk 4 opgenomen, als onderdeel van de watertoets.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het
18
beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Beoordeling en conclusie In relatie tot het voorliggende plan is het nationale belang 13 is relevant: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit belang is verankerd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zie hiervoor paragraaf 3.1.3. 3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a) de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b) de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c) de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels (met het oog op een ETFAL) bevat zijn hieronder opgesomd: • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl); • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • Het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)
19
Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de andere onderwerpen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het plan is niet strijdig met het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. In artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). (..) 2.Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bkl ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bkl een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken (zie onder meer 201308263/2/R4 en
20
201302867/1/R4- 201501297/1/R4) blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Een uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400 m² wordt ook niet gezien als geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442 en dat geldt ook voor de uitbreiding van een kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319). Beoordeling en conclusie Onderhavig plan ziet toe op 4 recreatiewoningen. Het gaat gezien de aangehaalde jurisprudentie niet om een stedelijke ontwikkeling. Nadere toetsing aan de Ladder kan achterwege blijven.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. Samen met de Omgevingsverordening heeft de provincie al vooruitgelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving. De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven: 1. Energietransitie: van fossiel naar duurzaam; 2. Klimaatadaptatie; omgaan met veranderend weer; 3. Circulaire economie: sluiten van kringlopen; 4. Biodiversiteit: werken met de natuur; 5. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden; 6. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio; 7. Woon- en leefklimaat: dynamisch, divers, duurzaam. Beoordeling en conclusie Voor dit initiatief is de ambitie voor de biodiversiteit van belang en deels ook de ambitie op het gebied van Woon- en leefklimaat. Ambitie 4 Gelderland heeft een rijke natuur, waaronder de Veluwe met haar bossen, heide, stuifzand en haar specifieke dier- en plantensoorten.
Er is een groot Gelders natuurnetwerk ontwikkeld met allerlei verbindingszones – ecologisch poorten, ecoducten, uiterwaarden – dat voor de biodiversiteit belangrijke gebieden in en buiten Gelderland verbindt. Het beschermen en het versterken van dit netwerk staat voorop. Hierbij streeft de provincie robuuste verbindingen na. De provincie realiseert een netwerk van verbindingen langs rivieren, uiterwaarden en kleinere watergangen in het Gelders natuurnetwerk en andere voor ons waardevolle landschappen en gebieden. En de provincie speelt in op de gevolgen van het veranderende klimaat voor de natuur, zoals bijvoorbeeld verdroging.
21
De provincie streeft naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit. De ambitie is: • In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuur-inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. • In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald. Ambitie 7 Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Tegelijkertijd investeren we in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt. Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 zijn diverse maatregelen beschreven die de biodiversiteit bevordert. Tevens wordt een bijdrage geleverd aan een vitaal platteland en het op peil houden van het groene voorzieningenniveau. Het plan past daarmee binnen de Omgevingsvisie van de provincie. 3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en is in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd. Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels: • Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening); • Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening); • Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening); • Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening); • Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening); • Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening); • Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).
22
Er is een (groot) aantal werkingsgebieden in de vorm van gebiedsaanwijzingen en activiteiten van toepassing. De meesten zijn evenwel niet relevant voor dit plan. Specifiek zijn eigenlijk alleen de werkingsgebieden groene ontwikkelingszone en Gelderse streek Achterhoek relevant.
werkingsgebieden Omgevingsverordening 5.20 (beschermen Groene ontwikkelingszone)1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a.de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone. Artikel 5.22 (onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone) • 1Bij toepassing van artikel 5.20 bevat de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone. • 2In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: o a.actuele en potentiële natuurwaarden; o b.in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; en o c.ecologische samenhang.
• 3Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: o a.kwaliteit van water, bodem en lucht; o b.stilte, rust en duisternis; en o c.landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. 23
Artikel 5.23 (versterkingsplan) Als de Groene ontwikkelingszone wordt versterkt op grond van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel a, bevat het omgevingsplan dat de activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt een versterkingsplan, dat in ieder geval inzicht geeft in: a.hoe verzekerd is dat de versterking wordt uitgevoerd; b.hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de versterking plaatsvinden; c.hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d.de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone optreden; en e.de locatie waarop de versterking plaatsvindt. Het opgestelde versterkingsplan, wat tevens het landschappelijk inpassingsplan vormt, is reeds toegelicht in paragraaf 2.2 van deze GoFlo en opgenomen als bijlage bij deze GoFlo2. Het plangebied ligt in het deelgebied nr. 41 Rekken-Holterhoek. De voor dit plangebied relevante kernkwaliteiten zijn: • Gevarieerd heideontginnings-, kampen en rivierweidenlandschap met restanten natte heide en broekbossen en andere bossen • Oost-Nederlands Plateau: dekzand op keileem en tertiaire klei • Parel Hooneschbosch met natte heide en vennen met o.m.
beenbreek • Parel Tichelovenbos: voormalig kleiwinningsgebied met bijzondere bossamenstelling • Parel De Breken: ven met hoogveenontwikkeling • Ecologische verbinding Berkel, hier vooral ten zuiden van de Berkel via De Breken en de Ramsgoot • Ecologische verbinding Koffijgoot tussen Haaksbergerveen en de Berkel • Leefgebied steenuil • Leemputten bij Zwillbroek: rijke bossen en wateren, start van de evz • Hupselsche Beek - Leerinkbeek; nog onderdeel van Nationaal • Landschap Winterswijk • Koffijgoot: herstelde zijbeek van de Berkel met waardevolle water- en • oeverbiotopen Bij de voorgenomen ontwikkeling van natuurpark de Leemputten gaat het om het ‘‘per saldo’’ niet significant aantasten van de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone. De ontwikkelingsdoelen in deze gebieden zijn hiervan afgeleid. De voor dit plangebied relevante ontwikkelingsdoelen binnen de Groene Ontwikkelingszone zijn: • Ontwikkeling ecologische verbinding Berkel via De Breken, Kerkloo en Ramsbeek • Verdere ontwikkeling ecologische verbinding Koffijgoot • Ontwikkeling van een samenhangend netwerk van heide-, veen- en schraallandbiotopen aan beide zijden van de grens (in Duitsland: Zwillbrocker Venn en Lüntener Fischteichen; in Overijssel: Haaksbergerveen en Lankheet)
2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING NATUURPARK DE LEEMPUTTEN, Facet archi-
tecten & adviseurs, 24 juni 2025
24
• • •
Ontwikkeling kleinschalige landschappen met gebiedseigen lijnvormige elementen en poelen, vochtige bosjes volgens het LOP Ontwikkelen schrale graslanden en ruigteranden Beperken barrièrewerking N18 en Rekkenseweg
Hieronder worden de maatregelen voor dit plan (nogmaals) nader genoemd: • Het aanleggen van kleinschalige, gebiedseigen landschapselementen zoals houtwallen en takkenrillen. Die met name bijdragen aan de ecologische verbindingszones en een grote toevoeging zijn op het gebied van biodiversiteit. Tevens zijn deze passend binnen het LOP. • De houtwallen zullen beplant worden met inheemse en gebiedseigen soorten gericht op het aanbieden van voedsel voor vogels en insecten. • Dit is tevens een gebiedseigen lijnvormig element wat past binnen het ontwikkelen van het samenhangende netwerk aan beide zijden van de grens. • Het behoud van zoveel mogelijk van de bestaande kwaliteiten, zoals grote bomen en lijnvormige elementen. Het behoud van de oevers. • Het toevoegen van nestgelegenheid voor diverse fauna, met name gericht op vogels zoals de ijsvogel en zwaluw. • Het anders beheren van het grasland waardoor er een kruiden- en faunarijk schraal grasland ontstaat. Dat in combinatie met de andere elementen een structuurrijk en biodivers landschap creëert. • Het versterken van de natuurwaarden van de oevers door ze te verbeteren met natuurvriendelijke flauwe oevers met moerasbegroeiing en door het creëren van steilwanden voor de ijsvogel. Door de natuurvriendelijke inrichting van het plangebied zal het gebied meer natuurwaarden krijgen dan nu het geval is.
Daarnaast zal door een consequent uitgevoerd ecologisch beheer de natuurwaarde en de biodiversiteit nog verder toenemen. Met het toevoegen van vier, duurzame en natuurinclusieve recreatiewoningen en de natuurlijke en landschappelijke inrichting van het terrein eromheen, worden de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone ‘‘per saldo’’ niet significant aangetast. Het is eerder zo dat de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone juist zullen worden versterkt met de voorgenomen landschappelijke inpassing. De berekening is gedaan en valt als volgt samen te vatten: Verliesfactor natuurvriendelijke oever: 40 punten Verliesfactor droge natuurgraslanden: 10 punten Impactfactor 4 recreatiewoningen: 294 punten Versterkingsopgave: 344 punten Versterkingsmaatregelen: 1 Natuurvriendelijke oever 78 punten 2 Houtwal 45 punten 3 Takkenril 25 punten 4 Droge natuurgraslanden 60 punten 5 Struweelhaag of scheerhaag 150 punten Totaalpunten versterkingsmaatregelen: 358 Balans: - 344 versterkingsopgave + 358 versterkingsmaatregelen = +14 (positief)
25
Zie bijlage3 voor de volledige berekening.
Om te compenseren voor de aanleg van de 4 recreatiewoningen wordt buiten het plangebied op twee plekken extra natuurversterkende maatregelen gerealiseerd. De eerste maatregel is een struweelhaag op biologisch landbouwgebied. Deze struweelhaag sluit aan op de professor Casimirweg, dat is een zandpad, en deze sluit weer aan op de groene ontwikkelingszone. Dit lijnvormige element past goed in de ontwikkelingsdoelen van de groene ontwikkelingszone. De tweede extra maatregel is een natuurlijke oever aan de zuidzijde van het park. Hier ligt nu vooral opschot van braam en andere planten. Het complete versterkingsplan is in bijlage 1 opgenomen. Het plan voldoet zodoende aan de regels met betrekking tot de Groene ontwikkelzone. Artikel 5.34 (beschermen landschap Gelderse streken: Achterhoek) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Achterhoek wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Achterhoek.
3 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING NATUURPARK DE LEEMPUTTEN, Facet archi-
tecten & adviseurs, 24 juni 2025
26
Die Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Achterhoek zijn de volgende: Kernkwaliteiten Ontwikkeldoelen 1 Een karakteristieke en identiteitsrijke Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekestreek in Oost Gelderland. Met het ning met en dragen zo mogelijk bij aan de Oost-Nederlands Plateau als een bijkernkwaliteiten van de Achterhoek en de te zonder en hoger gelegen deelgebied onderscheiden deelgebieden. (met een duidelijke terrasrand in het westen). Oude IJssel is grens met Liemers. 2 Een aanééngesloten en zacht glooiend Zoveel mogelijk het microreliëf respectedekzandlandschap (microreliëf) door- ren. De regionale waterhuishouding vormt sneden door talrijke van oost naar west de basis voor verdere ruimtelijke ontwikkestromende, al dan niet gekanaliseerde, ling. Herstel van dynamisch rivier- en beekbeken. De Berkel en de Oude IJssel zijn dallandschappen met landschapsbouw en markante rivieren met langs gelegen, het klimaatbestendig maken van het watermin of meer open rivierweiden. Aanwe- systeem om droogte en wateroverlast te zigheid van rivierduinen langs de Oude voorkomen. Dit heeft een nauwe relatie IJssel. met de transitie naar duurzame (kringloop)landbouw.
3 Rijke afwisseling van grondgebruik re- Behouden en versterken van de kleinschasulteert in een half-open coulisseland- ligheid en bijdragen aan herstel en onderschap: weide en akkergronden, oude houd van structurerende en bijzondere bouwlanden (grote en kleine open es- groene landschapselementen. Bij inplaatsen), houtwallen, hagen en singels, sen van nieuwe functies, bijvoorbeeld voor landgoederen en landgoederenzones, energietransitie, het coulisselandschap verbos- en natuurterreinen, beken, laken sterken. en weteringen. 4 Een landschap van dorpen, kleine ker- Bij stedelijke opgaven is het behoud van nen en buurtschappen. Doetinchem als het karakteristieke dorpenlandschap van centrumplaats. Zutphen en Doesburg belang, met aandacht voor de ruimtelijke zijn historische Hanzesteden met het kwaliteit van de stadsranden. Het monugezicht naar de IJssel. mentaal karakter van Doesburg en Zutphen bewaren, herstellen en beleefbaar maken. 5 Talrijke landgoederen als samenhan- Behouden en versterken van de landgoegende ruimtelijke eenheden bestaande deren en landgoederen-structuren. Op geuit een statig huis, (oprij) lanen, histori- paste wijze de economische basis en de sche tuin, bos en landerijen. Zelfstandig recreatieve toegankelijkheid van landgoeof in zones gegroepeerd. deren verbeteren.
6 Oost-Nederlands Plateau: kleinschalig, Het bijzondere coulisselandschap behouorganisch gegroeid halfopen coulisse- den en versterken door aanleg en beheer landschap met afwisseling van bosjes, van groene landschapselementen, natuurhoutwallen, landbouwgrond, lanen, me- ontwikkeling langs beken en betere recreaanderende beken, boerderijen; ooste- tieve toegankelijkheid beleefbaarheid. Relijke helft kleinschaliger dan westelijke creatie meer gericht op het verhaal van de helft. Tevens rijk aan microreliëf: o.a. plek. steilranden, essen, eenmansessen. Zorgvuldig openhouden van de oude bouwlanden en de bestaande steilranden niet schaden. Introduceren van passende 27
Die Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Achterhoek zijn de volgende: Kernkwaliteiten Ontwikkeldoelen nieuwe grondgebruiksvormen zoals duurzame landbouw (kringloop-landbouw, natuurinclusief etc.), voedselbossen, beleefplekken en kleinschalige energieopwekking. Beleefbaarheid van cultuurhistorische, geologische en aardkundige waarden vergroten. Aandacht voor kernkwaliteiten donkerte en stilte. 7 Het van oudsher natte en vlakke mid- Ruimtelijke ontwikkelingen in dit middengedengebied is relatief open en kent een bied sturen op ruimtelijke kwaliteit om verjonge ontginning met een rationele ver- rommeling te voorkomen. Inzetten op aankaveling. trekkelijke landschapsbouw. 8 Overgang naar IJsselvallei via kleinBehouden en versterken van de kleinschaschalig oeverwallenlandschap. ligheid door o.a. aanleg, herstel en beheer van groene landschapselementen. Zoveel mogelijk het zicht op de IJsselvallei bewaren. 9 Samenhangende eenheid van hoogge- Het versterken van de stuwwalkern door legen beboste en besloten stuwwalkern natuurontwikkeling. Zorgvuldig openhouvan Lochemerberg met flankerend een den van de oude bouwlanden. De panoreeks van open essen en bijzondere pa- rama’s niet schaden met storende elemennorama’s. ten en mogelijk belvedères toevoegen. 10Ecologische waarden met name langs Intensief inzetten op het verder aanleggen riviertjes en beken, in landgoederen.
van ecologische verbindingszones vooral Andere Natura 2000 gebieden zijn o.a. langs riviertjes, beken en laken. BescherKorenburgerveen, Bekendelle, Willinks men van Natura 2000 waarden. Waar moWeust, Wooldse Veen (alle rond Win- gelijk combineren met klimaatadaptie en terswijk) en Stelkampsveld (nabij Bar- recreatieve toegankelijkheid. chem) 11Circumvallatielinie: historische verdedi- Circumvallatielinie behouden en markante gingslinie rond Groenlo, uit de 17e onderdelen herstellen en recreatief toeganeeuw. kelijk maken. 12Markante Scholteboerderijen: beeldbe- Karakteristieke streekarchitectuur behoupalende herenboerderijen in de omge- den, restaureren en ontwikkelen o.a. door ving van Winterswijk in bosrijke setting. nieuwe functies, passend bij de omgeving. 13Drager van een sterke sociaal-culturele Ruimtelijke en economische dynamiek draidentiteit, met een geheel eigen waarde gen op passende wijze bij aan een levenvoor recreatie en toerisme. Ligging in de dige identiteit van de Achterhoek. Handharelatieve luwte van de Gelderse en Ne- ven van de stiltegebieden. derlandse dynamiek. In noordoosten stille gebieden. Deze kernkwaliteiten zijn specifiek op de locatie niet aanwezig. Het plan houdt dus voldoende rekening met de kernkwaliteiten.
28
Tot slot moet op basis van de instructieregel klimaatadaptie (paragraaf 5.7.6) een omgevingsplan wat een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving van deze aspecten voor de planlocatie is te vinden in hoofdstuk 2. Onder meer komen er natuurvriendelijke oevers en takkenrillen en houtwallen, waarvan bekend is dat deze een verkoelend effect hebben4. Artikel 5.33 (beschermen landschap algemeen) • 1Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen.
• 2Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: o a.per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en o b.de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Ten opzichte van het gestelde ten aanzien van de ligging binnen de Achterhoek (zie eerder deze paragraaf) voegt deze regel geen aanvullende plicht op ten aanzien van de motivering. Finale toetsing provinciale Omgevingsverordening Voorliggend initiatief voorziet in 4 recreatiewoningen op een natuurpark. Met het opgestelde versterkingsplan en de beschrijving van de klimaataspecten wordt voldaan aan de provinciale instructieregels. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:
4 Er is recent een boekje uitgebracht waarin de biovoordelen van de heg worden beschreven
Heg door Kenneth F. Rijsdijk - Managementboek.nl
29
• energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen; • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening; • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied; • positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief. Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren. Beoordeling en conclusie Dit plan past binnen de visie, nu er een bijdrage geleverd wordt aan een prettig recreatief klimaat.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Groen en Verbonden Oost Gelre 2040 In de omgevingsvisie gaat het om de vraag: hoe ziet Oost Gelre eruit in 2040? In deze omgevingsvisie beschrijft de gemeente hoe ze kijkt naar de ontwikkeling van de gemeente, en welke kansen én uitdagingen er zijn. En hoe we daarmee om willen gaan. Verkeer, werken, openbare ruimte, wonen, natuur en milieu, gezondheid, landelijk gebied: alles wat te maken heeft met de fysieke leefomgeving komt voorbij. In 2040 is Oost Gelre meer dan ooit een groene gemeente. Men woont, werkt en brengt onze vrije tijd door in verbinding met het landschap en elkaar. Op weg naar 2040 doet de gemeente moeite voor een sterk netwerk van kernen met een rijk en sociaal verenigingsleven. En dat binnen een afwisselend en duurzaam landschap. Wat dit betekent staat beschreven in de vijf doelen: Oost Gelre in 2040: 1. heeft hechte en leefbare kernen 2. geeft ruimte aan ondernemen 3. blijft dichtbij en bereikbaar 4. is een gezonde en veilige leefomgeving 5. heeft een aantrekkelijk landelijk gebied vol leven Voor dit plan zijn met name doel 2 en 5 relevant. Doel 2 De gemeente wil de positie als echte ondernemersgemeente met aantrekkelijk ondernemersklimaat versterken: ontwikkelen van duurzame, groene en klimaatadaptieve bedrijventerreinen en daarbij zoeken naar slimme koppelingen met de opwek van duurzame energie.
Men beoogt daarbij cultuurhistorische monumenten en landschappen in de gemeente te versterken. Doel 5
30
De kwaliteiten van dit gebied zijn het typische coulisselandschap op een agrarische basis, de vele kerkepaden en andere wandel- en fietspaden, en natuurlijk de rust en ruimte die de natuur en het landschap te bieden hebben. Het is een belangrijke opgave om de bestaande kwaliteiten van het buitengebied in de toekomst te behouden en versterken. Dit doet de gemeente ten behoeve van onze eigen inwoners, maar ook vanwege de grote aantrekkingskracht die het buitengebied heeft op toeristen, dagrecreanten en nieuwe vestigers. De gemeente voor een vitaal en aantrekkelijk landelijk gebied waarin alle gebruikers van het landelijk gebied werken binnen de draagkracht van natuur, klimaat, water en bodem. Men zoekt een goede balans tussen het koesteren van het landschap, maar ook het benutten van haar potentie bij het versterken van de lokale economie. We beschermen de huidige natuurgebieden (Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk). In deze natuurgebieden en de directe omgeving daaromheen zorgen we voor verdere natuurontwikkeling en behoud van waardevolle natuur. Hierin volgen we de landelijke richtlijnen. De gemeenteals Oost Gelre ons aantrekkelijke landschap als belangrijke vestigingsvoorwaarde voor (nieuwe) inwoners. De gemeente vindt het daarom belangrijk dat ons buitengebied bereikbaar en toegankelijk is vanuit huis. Dit stimuleert beweging en draagt bij aan een gezonde leefomgeving.
Hiernaast heeft het landschap een sterke aantrekkingskracht op toeristen. Daarom zorgt de gemeente er voor dat het landschap aantrekkelijk blijft zodat het (toekomstige) inwoners aanspreekt en kan bijdragen aan een groei van het aandeel toerisme in de economie. Beoordeling en conclusie Dit plan beantwoordt aan de omgevingsvisie nu het bijdraagt aan de toegankelijkheid en beleving van een natuurpark, waarmee het voortbestaan daarvan bovendien bestendigd wordt. Er wordt een bijdrage geleverd aan het recreatief voorzieningenniveau en zoals uit hoofdstuk 2 blijkt, worden er diverse maatregelen genomen gericht op het bevorderen van de biodiversiteit. Het plan past zodoende binnen de Omgevingsvisie.
31
4 4.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.
4.2
Milieu-aspecten
4.2.1
Milieueffectrapportage (m.e.r.) Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in het realiseren van 4 recreatiewoningen. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in bijlage V (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt namelijk bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 5.