CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

ruimtelijke onderbouwing de leemputten

Gemeenteraad 14 oktober 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Adviesrecht van toepassing: 4 recreatiewoningen Leemputten in Groenlo16.218 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.

5 ECLI:NL:RVS:2022:2394

32

In dit plan neemt het verhard oppervlak niet in grote mate toe ten opzichte van de bestaande situatie (zie paragraaf 2.2) en mede gezien de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van natuurbescherming Een M.e.r plicht kan ook ontstaan vanwege wet- en regelgeving omtrent natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Nu het plangebied niet is gelegen binnen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4.3.2), ontstaat er ook geen M.e.r plicht als gevolg van regelgeving omtrent natuurbescherming. 4.2.2

Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen c.q. de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.

Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de

33

zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid is als gemengd gebied te typeren. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie

Richtafstand woonomgeving in meters

Richtafstand gemengd gebied in meters

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het omgevingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is6. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 7. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Beoordeling en conclusie Er zijn in de omgeving geen functies aanwezig die (milieu)overlast kunnen veroorzaken. Omgekeerd gaat van een recreatiewoning geen overlast uit. Zodoende vormt bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor dit plan. 6 ECLI:NL:RVS:2014:1173 7 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5

november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5

34

4.2.3

Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties.

Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Groepsrisico Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt.

Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII

35

Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is.

Beoordeling en conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-06 contour dan wel het invloedsgebied van een inrichting of route gevaarlijke stoffen. Zie navolgende uitsnede van de Atlas voor de Leefomgeving. Zichtbaar ten zuidwesten is een buisleiding van de Gasunie waardoor onder hoge druk gas wordt vervoerd (A-579.GEO200391292, diameter 914.4 inch, maximale werkdruk 6620 Pa). De leiding ligt op meer dan 900 m, zodat er geen onaanvaardbare risico’s van uitgaan. Zichtbaar zijn ook 2 ‘gaszakken’ voor mestvergisting (blauwe cirkels). Dit betreffen geen bevi-inrichtingen en ze hebben ook geen PR-contour. Ze vormen geen specifiek risico. Het onderwerp omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving

36

4.2.4

Geurhinder Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt (artikel 5.92 Bkl) dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De maatregelen voor het beperken van geuremissie staan voorts in hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit zijn vooral locatieonafhankelijke regels. Het oogmerk van deze regels is het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van geur (artikel 2.2 lid 1 Bal). Beoordeling en conclusie In de omgeving zijn geen bedrijven gevestigd die geuroverlast veroorzaken.

4.2.5

Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld.

Beoordeling en conclusie Gelet op de aard van de planontikkeling heeft bodemonderzoek plaatsgevonden8 Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Grond • De bovengrond is van toepassing op de bodemlaag van maaiveld tot 0,5 m-mv. De ondergrond is van toepassing op de bodemlaag van (plaatselijk 0,35 en) 0,5 tot 2,0 m-mv. • Er zijn in het opgeboorde materiaal geen bijzonderheden waargenomen. 8 Verkennend bodemonderzoek De Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo),

WMC, 18 augustus 2025

37

•

•

• •

In de boven- en ondergrond worden geen sterke verontreinigingen aangetroffen. Wel is sprake van de classificatie matig verontreinigd in mengmonster MM03 op basis van minerale olie. In overleg met het bevoegd gezag heeft uitsplitsing plaatsgevonden waarbij helaas in monster 01 (1,5 – 2,0 m-mv) niet meer voldoende monstermateriaal aanwezig was. De onderliggende laag (01: 2,0 – 2,5 mmv) is geanalyseerd en hierbij wordt minerale olie niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de detectiegrens. Het betreft dezelfde bodemlaag als het niet geanalyseerde monster. Zintuiglijk zijn ook geen oliewaarnemingen gedaan bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden. Voor het overige geldt dat in geen van de deelmonsters de detectiegrens voor minerale olie wordt overschreden. De classificatie betreft voor alle geanalyseerde deelmonsters landbouw/natuur. Geconcludeerd wordt dat minerale olie niet nader onderzocht behoeft te worden. OCB’s worden niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de desbetreffende detectiegrenzen. Op indicatieve basis voldoet de kwaliteitsklasse aan landbouw/natuur (zand, MM01 en MM02) en matig verontreinigd (klei, MM03).

Grondwater In verband met een diepe grondwaterstand (> 5,0 m-mv) is conform de NEN 5740 grondwateronderzoek achterwege gebleven. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat nader bodemonderzoek niet noodzakelijk is. 4.2.6

Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de 7 geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel.

38

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. Geen geluidbeperkende maatregelen) kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl). 2. De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl). Het betrokken bestuursorgaan voorkomt een toename van het geluid zoveel mogelijk (inspanningsverplichting). 3. Bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 2 Bkl). 4. Het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl). 5. Het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78ad Bkl). 6.

Het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in een recreatieve functie hetgeen geen geluidgevoelig object betreft. Tevens blijkt uit gegevens van het RIVM dat er ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst (volgens in de indeling van Miedema is deze goed), zie navolgende afbeelding.

39

Uitsnede Atlas Leefomgeving

Tabel Milieukwaliteitsmaat (Miedema) Gecumuleerde geluidbelasting in Lden (dB) < 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70

4.2.7

Milieukwaliteitsmaat Goed Redelijk Matig Tamelijk Slecht Slecht Zeer slecht

Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken

40

en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. Beoordeling en conclusie Het onderhavige project voorziet in 4 recreatiewoningen en is daarom als NIBM te kwalificeren. Uit de Atlas voor de Leefomgeving blijkt verder dat de luchtkwaliteit ter plaatse redelijk/matig is (zie afbeelding voorgaande paragraaf); er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering.

41

4.3

Omgevingsaspecten

4.3.1

Water Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.

42

Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema's: 1. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. 2. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld.

Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. 3. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. 4. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving

43

geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. In de Keur heeft het waterschap nadere regels opgesteld. Relevant is onder meer dat watercompensatie nodig is bij plannen die tot een verharding van meer dan 500 m 2 leiden. Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij). Beoordeling en conclusie Er is sprake van een toename van de verharding maar deze blijft onder voornoemde grens van 500 m2. De woningen hebben in totaal een opppervlakte van 341m2; de parkeerplaatsen (4 stuks) worden van grasbetonstenen gemaakt en zijn dus water doorlatend. Er hoeven daarom geen compenserende maatregelen uitgevoerd worden.

In het plan is verder geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Voorts wordt niet gebouwd in een beschermingszone van een waterkering en wordt er geen water gedempt. Er wordt tot slot niet gewerkt met uitloogbare materialen. Zodoende werpt het aspect water geen belemmeringen op. 4.3.2

Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

44

2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Beoordeling Gebiedsbescherming Het gebied ligt niet nabij enig Natura 2000-gebied zodat op voorhand kan worden geconcludeerd dat er geen externe effecten zijn, zoals trilling of verstoring.

De effecten op Natura 2000-gebieden kunnen ook verwaarloosd worden omdat de afstand tot enig Natura 2000-gebied (gelegen in Nederland) relatief groot is en het om een kleinschalig plan gaat. Voor het onderdeel stikstof is dit met een berekening geverifieerd 9.

Natura 2000-gebieden in de omgeving

Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN), strategische reservering natuur of weidevogelleefgebied, alhoewel dat wel geldt voor het overige deel van de Leemputten: de ‘driehoek’ waar de recreatiewoningen beoogd zijn is er van uitgesloten, zie afbeelding hierna. Omdat de vertaling van dit netwerk in de provinciale verordening geen externe werking kent, leiden de beoogde plannen niet tot effecten op deze gebieden.

9

Onderzoek stikstofdepositie De Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), WMC, 6 juni 2025

45

NNN in de omgeving, uitsnede Atlas Leefomgeving

Soortenbescherming Nu er geen bebouwing wordt gesloopt of water wordt gedempt kan op voorhand worden geconcludeerd dat voor deze aspecten geen sprake is van aantasting van de vaste rust- of verblijfplaatsen van (strikt) beschermde soorten. Wel worden aanpassingen verricht aan het landschap. Gelet daarop is natuuronderzoek verricht 10. Vleermuizen In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer zijn geen voor vleermuizen geschikte holtes aangetroffen. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiele functie, omdat voldoende aanwezig blijft en voldoende groen in de omgeving aanwezig is. Een vliegroute van vleermuizen is niet aanwezig. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. De lichtschuwe watervleermuis en meervleermuis komen niet voor in het plangebied. De andere soorten zijn minder lichtschuw. Door rekening te houden met verlichting (niet te fel, zo veel mogelijk uit en niet naar boven) zullen vleermuizen geen lichthinder ondervinden van de plannen. De plannen voorzien in meer diversiteit in het landschap en meer groen door het struweel. Dit komt het foerageergebied voor vleermuizen ten goede.

Indien mogelijk kunnen kasten voor vleermuizen worden ingebouwd, of worden opgehangen in de bomen. Grondgebonden zoogdieren Holtes in de bomen voor boommarter zijn niet aanwezig. Van steenmarter en andere marterachtigen zijn eveneens geen verblijven aanwezig. Nesten van eekhoorn zijn niet aanwezig. Sporen, zoals latrines en prooiresten, zijn niet gevonden. In het plangebied zijn geen schuil- en foerageermogelijkheden voor beschermde soorten. Vanwege

10 Quickscan flora en fauna De Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), WMC, 24

april 2025

46

de aanwezigheid van groen nabij het plangebied is het mogelijk dat beschermde soorten incidenteel van het plangebied gebruik maken. Op verschillende plaatsen aan de kade zijn zwanenmossels gevonden. Op een plek op een eiland zelfs een verzameling. Muskusrat is zeer waarschijnlijk de soort die dit veroorzaakt. Vaatplanten Het gazon, de moestuin en de steile oevers bieden geen geschikt biotoop voor beschermde soorten. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. Vogels In de bomen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer zijn geen (overblijvende) grote nesten aanwezig. Evenmin zijn onder de bomen krijtsporen en braakballen van uilen gevonden. Vanwege de aanwezigheid van bomen en struweel in het plangebied is het mogelijk dat vogels gaan broeden in het plangebied of binnen de verstorende invloedsfeer. Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het plangebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het plangebied biedt ook geen (essentiële) functie als foerageerplaats of schuilplaats, omdat huismussen niet in het plangebied en de directe omgeving daarvan broeden.

Het is mogelijk dat in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden vogels gaan broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Met het broedseizoen voor vogels moet daarom rekening gehouden worden. De Omgevingswet biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half juli. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring (weekenden uitgezonderd) in het broedseizoen. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. In het plangebied kunnen voor holte bewonende soorten vogelhuisjes worden opgehangen, te meer omdat bomen met holtes ontbreken in het plangebied. De steilwanden kunnen door oeverzwaluw en ijsvogel in gebruik worden genomen. Amfibieën Heide, hoogveen en natuurlijke graslanden ontbreken in het plangebied. Poelkikker en heikikker worden daarom niet verwacht.

Kamsalamander is aan water gebonden en komt niet voor in het kale, gecultiveerde plangebied. De soort komt wel voor in het water van de leemputten. De werkzaamheden omvatten het steil maken van een stuk van de oever en het aanleggen van een flauwe oever. Daarbij wordt nauwelijks in het water gewerkt. De kans dat effecten op de kamsalamander ontstaan is nihil. Door de werkzaamheden op het land worden geen effecten op beschermde soorten verwacht, omdat het biotoop hier niet geschikt is. Op dit moment zijn de kades vrijwel overal te steil. Door de aanleg van twee keer een flauwe oever in het plangebied, wordt het voor amfibieën gemakkelijker het achterliggende land te bereiken. De takkenrillen en houtwallen zijn voor gewone pad een toevoeging ten opzichte 47

van de huidige situatie. De voorgenomen plannen vormen daarmee een versterking van het leefgebied van amfibieën. Reptielen De oevers van de leemputten, die behoren tot het plangebied, zijn niet vochtig. Heide en hoogveen zijn niet aanwezig. Het gecultiveerde plangebied is geen geschikt biotoop voor levendbarende hagedis. De omstandigheden in het plangebied zijn niet geschikt voor levendbarende hagedis. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Vissen De voorgenomen plannen voorzien door de aanleg van flauwe oevers in ingrepen nabij het water. De volgende vissen zijn in Nederland beschermd: beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper en kwabaal. De kreeftachtige Europese rivierkreeft wordt hier ook meegenomen, omdat deze soort, net als vissen, gebruik maakt van watergangen. Volgens verspreidingsgegevens komen deze soorten niet voor. Maatregelen met betrekking tot beschermde soorten hoeven niet genomen te worden. Voor algemene soorten geldt: Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september en oktober (na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën). Werkzaamheden in watergangen kunnen alleen plaatsvinden als zowel de watertemperatuur als de luchttemperatuur boven het vriespunt en beneden de 25 °C liggen en wanneer geen sprake is van ijsvorming.

Bagger dat vrijkomt tijdens werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van dieren (amfibieën en vissen). Indien dieren worden aangetroffen, dienen de soorten teruggeplaatst te worden in een geschikt leefgebied in de nabije omgeving, waar geen werkzaamheden zullen plaatsvinden. Overige beschermde soorten Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop nabij het plangebied geschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege de aanwezigheid van broekbossen, schone plassen en open bosranden. In het plangebied zelf en de oevers daarvan ontbreken waardplanten van deze soorten, waardoor ze zich niet in het plangebied zullen voortplanten. Alle drie de beschermde soorten kunnen in het plangebied incidenteel voorkomen, omdat het plangebied grenst aan geschikt habitat. Ze zullen zich niet in het plangebied voortplanten. Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft daarom op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Maatregelen met betrekking tot deze soortgroepen hoeven niet te worden genomen. Door het aanplanten van struweel en het maken van flauwe oevers zal het biotoop van beschermde soorten vlinders en libellen worden vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Rode lijst soorten In het 5x5 kilometerhok waarbinnen het plangebied valt komen 136 soorten voor die op de rode lijst staan.

De vogels, zoogdieren, vlinders, insecten, vlinders, vaatplanten en vissen zijn in de quickscan behandeld. Voor de korstmossen en schimmels geldt de specifieke zorgplicht. De (specifieke) zorgplicht van de Omgevingswet is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 48

6.1 De (specifieke) zorgplicht zoals weergegeven in artikel 11.27 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Zodra een niet in de Omgevingswet beschermd in het wild levende dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels staat in artikel 11.37 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen. Conclusie Met voornoemde aanbevelingen alsook de zorgplicht wordt rekening gehouden. Het onderwerp natuur werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op. 4.3.3

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare

49

deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Beoordeling en conclusie Er is ter plaatse een archeologische verwachting in de vorm van een archeologische dubbelbestemming toegekend, doch nu de werkzaamheden onder de vrijstellingsgrens van 5.000 m2 blijft (zie hoofdstuk 1) is er geen aanleiding tot het verrichten van archeologisch onderzoek. Wel geldt altijd de zorgplicht, zoals vastgelegd in de Erfgoedwet, ofwel ‘meldingsplicht’, zoals vastgelegd in Artikel 5.10. Archeologische toevalsvondst: 1 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2 De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.

4.3.4

Cultuurhistorie Algemeen Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten; • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • aantasting van de omgeving van een beschermend monument; • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

50

Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 is ingegaan op de geschiedenis; de cultuurhistorische waarden van de locatie worden niet aangetast. Cultuurhistorie vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.3.5

Verkeer en parkeren Het plangebied wordt ontsloten op de Zwolse Veenweg, die is ingericht op de huidige en nieuwe verkeersproductie, die op basis van de CROW publicatie Toekomstigbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen (2018, no 381), ingeschat kan worden op ~4 mvt/etmaal/recreatiewoning, oftewel 16 mvt/etmaal (gemiddeld minder dan 1 per uur). Ingevolge de gemeentelijke parkeernormen zullen er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden, waar voldoende ruimte voor is en in voorzien wordt. Zie hiervoor hoofdstuk 2. Conclusie Verkeer en parkeren vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3.6

Duurzaamheid Over duurzaamheid kan worden aangegeven dat voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten. Tevens zijn enkele aanvullende maatregelen voorzien, zie hoofdstuk 2.

51

5 5.1

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt plaats door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Doorgaans is in dit kader de vraag relevant of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele nadeelcompensatie

5.2

Beoordeling plan De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van de onderbouwing+ onderzoeken door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Oost Gelre zijn derhalve geen kosten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan. Er zijn ook geen aanpassingen in de openbare ruimte nodig, zoals aanpassing van het riool. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt indien nodig een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.

5.3

Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.

52

6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning of de aanvrager aan participatie heeft gedaan en zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Daar is één uitzondering op. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet). Er heeft participatie plaatsgevonden, de resultaten zijn in een bijlage opgenomen 11

6.2

Procedure Onder de Omgevingswet is voor een aanvraag omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsactiviteit in beginsel de reguliere procedure van toepassing, tenzij de gemeente de uitgebreide procedure (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht) van toepassing verklaart. Op grond van artikel 16.65 lid 4 Omgevingswet kan het bevoegd gezag in de volgende gevallen (alsnog) de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren (afdeling 3.4 Awb) op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a) als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; en b) waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Dit plan valt daar niet onder. Daarom kan de reguliere procedure van toepassing worden verklaard. Ook het is mogelijk dat een aanvrager zelf verzoekt de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren.

11 Participatiedocument de Leemputten (Zwolse Veenweg 4a Groenlo), Facet

53

7

Verwerken BOPA in Omgevingsplan Voorliggend plan zal te zijner tijd verwerkt moeten orden in het Omgevingsplan. Hoe precies, is nu nog niet bekend. Maar voor de hand ligt, dat als deze BOPA onherroepelijk is (geworden), het plan positief ‘bestemd’ zal worden.

54

8

Eindconclusie Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties Gelet op hetgeen beschreven is in voorgaande hoofdstukken, kan gemotiveerd de conclusie worden getrokken dat sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties. Het plan kan daarom positief benaderd worden.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16069011/1