CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

rekenkamerrapport aogw preventie en vroegsignalering

Gemeenteraad 6 mei 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Rekenkameronderzoek naar preventie en vroegsignalering van jeugdhulp in de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk16.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het komt dus voor dat casussen bij het OT nog open staan terwijl ze niet meer betrokken zijn bij de casussen, en dus geen (administratief) zicht hebben of er bijvoorbeeld door jeugdconsulenten 2de lijnszorg wordt aangeboden. Op basis van deze beschikbare cijfers is dus nog moeilijk te zeggen hoeveel van de open casussen terugkerende jongeren zijn, of hoeveel van de casussen toch in de 2de lijnszorg terecht kwamen. Er lijken nog geen duidelijke richtlijnen te zijn over hoe de administratie van casussen plaats moet vinden. Dit maakt de data die er wel is minder geschikt voor het monitoren. Daarnaast ontbreken er nog cijfers die inzicht zouden kunnen bieden op de verwijsstromen van cliënten van de 1ste naar de 2de lijnszorg. Hierdoor is moeilijk te kwantificeren wat voor effect het OT, en de algehele inzet op preventie in het voorveld gehad heeft op de lange termijn.

Het OT heeft verder momenteel geen formele zelfevaluatieprocedure. Er worden voor het OT bijvoorbeeld geen klanttevredenheidsonderzoeken uitgevoerd. Deze vinden alleen per gemeente plaats en gaan vooral over de jeugdconsulenten van de individuele gemeenten. We horen echter dat de klanttevredenheidsonderzoeken van de gemeenten voor preventie zeer slecht ingevuld worden. Het PPJ doet wel aan zelfevaluatie. Zij verzamelen beoordelingen en feedback van deelnemers aan programma’s, evaluaties van betrokkenen (zowel leden van PPJ, partners en deelnemers), en info over wat deelnemers het meest is bijgebleven. Zo verzamelen ze zowel feedback over wat het aanbod voor deelnemers heeft opgeleverd en aanbevelingen over hoe het aanbod te verbeteren. Ook eerder uitgevoerde onderzoeken naar de effectiviteit van het PPJ, zoals die van Agathe de Lange, Onderzoeker publieke gezondheid (De Lange Gezondheid & Onderzoek) worden door het PPJ gebruikt om inzicht te krijgen in de eigen effectiviteit. Wat is er inzichtelijk geworden/geleerd/aangepast Deels naar aanleiding van het bovengenoemde rapport overweegt het PPJ momenteel een herstructurering, waarbij een belangrijke vraag is in welke mate er nog behoefte is aan het kernteam, of dat er inmiddels alleen kan worden volstaan met het uitvoeringsteam. Ook het OT maakt binnenkort een herstructurering door.

Het OT zal in lijn met hervormingsagenda en toekomstscenario kind- en gezinsbescherming meer zaken zelf moeten doen qua uitvoering. Ze zullen in merendeel van de casuïstiek regievoerder zijn en ook blijven tot een casus afgesloten wordt. Ze zullen nauwer moeten gaan samenwerken met het sociaal team omdat het 0-100 gericht moet zijn. Hun rol in cases waar veiligheidsissues spelen moet nog uitgekristalliseerd worden. Dit is een ontwikkeling die het OT zelf al wilde maken, die nu gezien de bovengenoemde beleidskaders verder gesteund voelt.

22

Rond casuïstiek vindt veel overleg, uitwisseling en misschien soms ook gezamenlijke besluitvorming plaats. In dat proces wordt met elkaar wel verbeterd als dat nodig is, maar los van casuïstiek vindt een dergelijk gesprek niet plaats, waardoor verbetering in de gehele beweging naar meer vroegsignalering en preventie trager verloopt en er nauwelijks grote aanpassingen plaatsvinden. Dit is ook wel logisch gezien we uit gesprekken terugkrijgen dat er nauwelijks tot niet collectief geëvalueerd wordt. Daarom is er weinig tot geen zicht en gezamenlijke discussie over structurele tekortkomingen. Meerdere individuen lossen op individueel niveau problemen op, maar structurele verandering komt er niet. Wat zijn uit dit onderzoek voortkomende belemmerende en bevorderende elementen van vroegsignalering/preventie Het succesvol bereiken van moeilijk te bereiken groepen verloopt nog stroef en wordt door meerdere partijen genoemd als een belemmerende factor bij het optimaal inzetten van vroegsignalering en preventie. Wanneer de beoogde doelgroep bereikt wordt, zijn ze (voor zover te achterhalen) over het algemeen tevreden met het aanbod. Echter is de kans zeer klein dat ze dit aanbod, zonder hulp van een professional, zelf hadden gevonden en ingezet. Daardoor blijft het moeilijk om bepaalde groepen voordat ze bij de 2de lijnszorg terechtkomen te bereiken.

Zonder zicht te hebben op waar de cliënten vandaan komen, is het in elk geval moeilijk om patronen te signaleren en terug te koppelen naar de relevante partijen in het voorveld. Dit werkt belemmerend voor het collectief en preventief aanpakken van problemen. Wat zijn belemmerende en bevorderende elementen van effecten inzichtelijk maken Er wordt aangegeven dat men het moeilijk vindt om uitspraken te doen over effectiviteit van de uitgevoerde preventie initiatieven/activiteiten, omdat er veel mogelijke confounding factoren (verstoring van het causale verband) spelen. Het is niet alleen lastig om het effect van de ene preventieve maatregel te onderscheiden van de anderen, maar vooral ook lastig om het effect van de preventie maatregel te onderscheiden van andere levensfactoren. Het is volgens hen dus lastig om in cijfers uit te drukken wat voor verschil of impact de preventie heeft gemaakt, omdat moeilijk in te schatten en aan te geven is wat er was gebeurd zonder het inzetten van preventie. Men gaat er, gebaseerd op de anekdotische feedback die ontvangen wordt van verschillende ex-cliënten, echter wel vanuit dat de preventie een positieve impact maakt. Gezamenlijk leren met alle partners gebeurt niet of nauwelijks, aldus de respondenten.

Er is bij de jeugdconsulenten zelf vaak geen duidelijk zicht op de instroom naar de jeugdconsulenten via verschillende kanalen, waaronder bijvoorbeeld huisarts, OT en GIs. Er wordt aangegeven dat dit wel verkregen zou kunnen worden, omdat alle informatie over verwijzingen door de administratie geregistreerd en afgehandeld worden. Wellicht dat deze informatie in de ene gemeenten wel en in de andere niet gedeeld wordt met de jeugdconsulenten.

23

4

Conclusies

Het uitgevoerde onderzoek had tot doel in kaart te brengen wat er in de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk in uitvoering en -in mindere mate- in beleid gedaan wordt aan vroegsignalering en preventie van jeugdhulp en in welke mate men inzicht heeft in de werkzaamheid of de meerwaarde van de gehanteerde aanpakken. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de in hoofdstuk 3 beschreven resultaten, trekken we in dit vierde hoofdstuk conclusies gerelateerd aan de onderzoeksvragen en doen we aanbevelingen die kunnen helpen de uitvoering van preventie en vroegsignalering te verbeteren dan wel bijdragen aan het beter zicht krijgen op de werkzaamheid of meerwaarde van vroegsignalering en preventie van jeugdhulp. Voor we daartoe overgaan schetsen we ook de beperkingen van dit onderzoek. Daarmee kan de juiste duiding worden gegeven aan de resultaten.

4.1.

Beperkingen onderzoek

De looptijd van het onderzoek is langer geweest dan gepland. Met name het verkrijgen van de benodigde documenten en het plannen van interviews heeft veel tijd gekost. Mensen hebben drukke agenda’s en het spreken van wethouders of aansluiten bij een uitvoerend team van jeugdconsulenten of bijeenbrengen van een groep professionals uit de basisvoorzieningen moest zorgvuldig en ver genoeg vooruit gepland worden om het te realiseren. Het is daarmee gelukt om in de volle breedte van basisvoorzieningen, OT, PPJ, jeugdconsultenten, zorgaanbieders, onderwijs, beleidsmedewerkers en wethouder uit alle drie de gemeenten te spreken. Door het verstrijken van de tijd is met een aantal van de aanbevelingen die we doen wellicht ook al gestart. De aanbevelingen zijn wel in lijn met de ingezette ontwikkeling. We denken daarbij met name aan

ontwikkelingen die verwacht worden in het kader van de hervormingsagenda jeugd en het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. We gaan ervan uit dat we ondanks dat dit zo kan zijn, toch ook een aantal nieuwe inzichten en nuttige aanbevelingen doen. De informatie op papier over hoe er samen gewerkt wordt, of een sociale kaart met alle aanpakken of duidelijke cijfers over de jaren was niet makkelijk voorhanden. We moesten dus werken met de documenten en data die we kregen en de informatie uit de gesprekken die we gevoerd hebben. We denken daarmee een vrij compleet beeld te hebben, maar sluiten niet uit dat er toch zaken zijn die we niet hebben meegenomen in dit onderzoek. Laat dit rapport in dat geval vooral een reden zijn om hetgeen we gemist hebben zichtbaar te maken en het gesprek te blijven voeren over wat er beter kan. Idealiter hadden we ook jeugdigen en ouders gesproken. Hun ervaringen met het aanbod in de drie gemeenten vormen een belangrijke kennisbron. Ondanks het werven via verschillende kanalen is het niet gelukt jeugdigen en ouders te spreken binnen de looptijd van dit onderzoek. Daarmee missen we een perspectief in dit onderzoek, namelijk dat van de eindgebruiker of doelgroep.

Hoewel we niet denken dat gesprekken met jeugdigen en ouders een compleet ander beeld zou opleveren, denken we wel dat het van toegevoegde waarde was geweest en zij bepaalde zaken hadden kunnen aanvullen, aanscherpen, nuanceren of helpen duiden. Wellicht is het voor de drie gemeenten mogelijk de resultaten van dit onderzoek op een later moment met ouders en jeugdigen te bespreken, zodat hun stem alsnog wordt meegenomen bij het eventueel doorvoeren van verbetering, maken van afspraken of vormen of aanpassen van beleid.

24

4.2.

Praktijk van preventie en vroegsignalering

De wijze waarop vroegsignalering en preventie van jeugdhulp is vorm gegeven in Aalten, Oost Gelre en Winterswijk, middels het ondersteuningsteam (OT) werkzaam voor alle drie de gemeenten dat vooral kortdurende begeleiding en regievoering kan doen en het preventieplatform jeugd (PPJ) dat er is om wanneer er meer vraag ontstaat rond een bepaald thema collectief aanbod te ontwikkelen en uit te voeren, sluit mooi aan op de visie zoals die op papier staat (zie ook hoofdstuk 3). Ook de doelen waaraan gewerkt wordt vloeien voor de meeste gemeenten voort uit de visie en gezamenlijke ambities. En voor een groot deel is de gekozen opzet al in lijn met de hervormingsagenda jeugd en het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Ook zal menige gemeente jaloers zijn op het PPJ en het collectieve aanbod dat er is. Echter over de kwaliteit van de uitvoering van zowel het OT als het PPJ is wel discussie. Ook het sturen op verbetering is lastig en daarbij zijn er maar beperkt gegevens beschikbaar nu, aan de hand waarvan zo’n meet-, spreek- en verbetercyclus op gang gebracht kan worden. 4.2.1.

Niet veel op papier, men weet elkaar te vinden, maar kwaliteit persoonsafhankelijk Wat opviel tijdens het onderzoek is dat respondenten uit alle geledingen van organisaties steeds aangeven dat de lijnen kort zijn, dat men weet wat men aan elkaar heeft en makkelijk iemand met bepaalde expertise kan bellen als dat nodig is. Echter er staat niet tot nauwelijks iets op papier over de onderlinge samenwerking en wat er van elkaar verwacht mag worden. Dit heeft voor- en nadelen. Er is veel maatwerk mogelijk en uitvoerend professionals stellen zich daarin flexibel op. Nadeel is dat de manier waarop gegevens overgedragen worden of regie wordt gevoerd in een casus heel persoonsafhankelijk is. Hierdoor is de kwaliteit niet altijd gegarandeerd. Dit maakt bijvoorbeeld dat er vertraging kan ontstaan in het bieden van passende hulp of ondersteuning aan jeugdigen en gezinnen, omdat er extra overleg nodig is of op aanvulling van

gegevens wordt gewacht. Met name de jeugdconsulenten uit de verschillende gemeenten ervaren die persoonsafhankelijkheid als negatief. Het voorveld of de basisvoorzieningen zien juist de voordelen ervan. Wat duidelijk wordt is dat uniformiteit van werken aangaande een aantal zaken wel wenselijk is o.a. de breedte van de intake, al dan niet doen van een verklarende analyse, de wijze van dossiervoering, de informatie die gedeeld wordt bij doorverwijzing en de wijze en duur van regievoeren. 4.2.2. Enthousiasme over het OT, wel meer ‘stevigheid’ nodig voor te toekomst Ondanks de kwaliteitsverschillen door de persoonsafhankelijke manier van werken is er vooral toch veel enthousiasme over het OT vanuit de samenwerkingspartners. Zij zien duidelijk de meerwaarde en weten het OT goed te vinden en benutten. Ook het OT herkent dit en is blij die rol te kunnen vervullen. De jeugdconsulenten van alle drie de gemeenten zijn wat gematigder positief. Zij zien dat er nog niet altijd breed genoeg wordt gekeken bij een intake. Ze vinden dat het OT meer casuïstiek zelf kan doen en soms toch nog te snel doorverwijst naar de jeugdconsulenten. Wachtlijsten bij het OT spelen hierbij ook een rol.

Als je moet kiezen tussen wachten tot het OT plek heeft en de problematiek ondertussen mogelijk verergerd of nu interveniëren vanuit de tweede lijn, dan wordt er vanuit de preventie gedachte voor dat laatste gekozen. Ook vanuit de hervormingsagenda jeugd en het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is het nodig dat het OT ‘steviger’ wordt. Dit houdt in dat ze breder kijken bij de intake, gaan werken met een verklarende analyse, dat ze nog net wat meer en langduriger zelf hulp kunnen verlenen en dat ze in meer cases langer regie blijven voeren. Ze zullen dan ook te maken krijgen met complexere problematiek, nauwer moeten samenwerken met het sociaal team en vaker betrokken zijn en blijven bij cases waarin veiligheidsissues spelen. Wat helpend is hierbij, is dat de wethouders van de drie gemeenten een brede 25

portefeuille hebben en dus niet in hokjes denken en verdere samenwerking sterk aanmoedigen. Het team dat er nu staat kent een grote mate van continuïteit, mensen werken er al lang, hebben veel ervaring in de jeugdhulp en het bredere sociaal domein en men heeft er dan ook vertrouwen in dat het OT die stap naar ‘steviger’ worden goed zal kunnen maken. Een zorg rond het ‘steviger worden’ van het OT zijn de wachtlijsten. Het is dan ook van belang te kijken naar een evenwicht tussen uit te voeren taken en beschikbare capaciteit. Alleen meer ‘moeten’ met dezelfde middelen lijkt niet reëel. 4.2.3. PPJ heeft veel potentie Het PPJ is vrij uniek in Nederland. Niet veel gemeenten hebben het collectief werken al zo goed georganiseerd als in Aalten, Oost Gelre en Winterswijk het geval is. We moeten er wel bij zeggen dat het vooral op papier ontzettend mooi is. In de praktijk komt dat nog niet helemaal uit de verf. Het PPJ heeft zoals eerder in dit rapport toegelicht een ontwikkeltak en een uitvoeringstak. Inmiddels lijkt het erop dat er al veel interventies zijn ontwikkeld en/of doorontwikkeld en blijkt uit de zelfevaluatie dat een hele ‘tak’ voor ontwikkeling wellicht niet meer nodig is. Qua uitvoering zien we dat de interventies die er zijn nog niet altijd op het juiste moment en bij de gewenste groepen terecht komt, waardoor ook het te verwachten effect beperkt is.

Juist de gezinnen die het het hardst nodig hebben en waar je echt effect kunt behalen, worden nog maar zeer beperkt bereikt met de huidige collectieve aanpakken. Wat ook een rol speelt is dat het niet altijd lukt om een groep te vullen, waardoor die afgezegd wordt of dat bepaald aanbod wel in de ene gemeente gegeven wordt, maar niet in de andere waardoor het voor mensen en vooral jeugdigen soms lastig kan zijn om mee te doen. Hierdoor kiest men dan toch voor individueel in plaats van collectief aanbod, soms zelfs in de tweede lijn.

Ook komen op veel van het collectieve aanbod minder mensen uit de lage SES-wijken (Sociaal Economische Status), minder laagopgeleiden, minder mensen met een migratieachtergrond, minder mensen met psychische kwetsbaarheden of bijvoorbeeld verslavingsproblematiek af, terwijl dit nu juist de groepen zijn die je wil bereiken. Wat je ziet gebeuren in de praktijk is dat andere organisaties, zoals onderwijsinstellingen of zorgaanbieders zelf collectief aanbod gaan ontwikkelen en dit los doen van het PPJ, maar meer in verbinding met de plekken waar juist die meer kwetsbare groepen al komen of in beeld zijn. Concluderend kunnen we stellen dat de potentie van het PPJ zeker wordt gezien, maar dat de uitvoering beter moet om er ook echt effect van te sorteren in termen van vroegsignalering en preventie van jeugdhulp.

4.3.

Evaluatie, monitoring en sturing op kwaliteit

Waar we best goed zicht denken te hebben gekregen op de uitvoering van preventie en vroegsignalering, is dat een stuk minder als we kijken naar de meerwaarde of resultaten van vroegsignalering en preventie van jeugdhulp. Wat eigenlijk in elk gesprek naar voren kwam is de overtuiging dat het niet goed mogelijk is om de effecten van preventie en vroegsignalering in kaart te brengen. Dat wil niet zeggen dat men dit niet zou willen of wenselijk zou achten, maar de kennis over het ‘hoe’ mist. Alle respondenten proberen om de effecten van eigen werk inzichtelijk te maken. Op het niveau van individuele casuïstiek spreken ze daar met elkaar over en proberen ze zichzelf steeds te verbeteren in het belang van jeugdigen en gezinnen. Er zijn ook wel wat cijfers en er is een dashbord sociaal domein, maar die informatie worden slechts beperkt gebruikt en helemaal nog niet als onderdeel van een kwaliteitsverbeteringscyclus. Dat de echte urgentie om dit beter te doen ontbreekt blijkt uit deze quote van een van de respondenten:

26

“Waarom zouden we nog gegevens verzamelen, voor wie doen we dat? De Raad doet toch niks met de cijfers.” En een tweede quote: “Er is wel een dashbord sociaal domein ontwikkeld, daar is flink in geïnvesteerd, maar dat is alleen gebruikt totdat we uit de rode cijfers waren en daarna niet meer.” Wat hieruit ook blijkt is dat gebruik van cijfers ervaren wordt als instrument om af te rekenen in plaats van om van te leren. We weten uit eerder onderzoek6, dat het tellen en vertellen oftewel het gebruik van data in combinatie met verhalen uit de praktijk om die data met elkaar goed te kunnen duiden, van belang is om tot een lerende praktijk te komen die de drie gemeenten en aanbieders graag zouden zijn. Bij nagenoeg alle organisaties die we hebben gesproken worden cliënttevredenheidsonderzoeken gedaan. De respons is echter zo laag dat de data daarmee niet te benutten zijn voor kwaliteitsverbetering. Het gesprek met elkaar over aan welk maatschappelijk resultaat moet een interventie bijdragen, wat beogen we te bereiken met bepaalde inzet, waaraan kunnen we zien of waaruit kunnen we afleiden dat dit werkt en door wie en hoe kan dat vervolgens inzichtelijk gemaakt worden, dat wordt niet gevoerd. Tevens ontbreekt de creativiteit en kennis over hoe preventie en vroegsignalering en effecten daarvan inzichtelijk te maken zijn.

We horen wel van respondenten dat jeugdigen en ouders steeds vaker betrokken worden bij beleidsontwikkelingen of gevraagd worden mee te denken over passend aanbod.

6 Https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2021/04/220470_Eigenwijs_transformeren_WEB. pdf.

Al met al is men veel en goed in gesprek met elkaar, steeds meer ook met de doelgroep waar het om gaat, wordt er geëvalueerd en gewerkt aan verbetering rond casuïstiek en de werkprocessen daaromheen. Maar het met elkaar handen aan voeten geven aan omvangrijkere veranderingen zoals doorontwikkeling van het OT en PPJ, op basis van vergaarde landelijke kennis en data gebeurt niet of nauwelijks. Het zijn vooral beleidsmedewerkers die daar sturing aan proberen te geven, maar ook zij hebben maar weinig informatie aan de hand waarvan ze kunnen sturen of beleid kunnen maken en/of verbeteren.

4.4. Er gaat heel veel goed, en... Concluderend kunnen we stellen dat er heel veel goed gaat. Er wordt gewerkt vanuit een duidelijke visie op vroegsignalering en preventie, die visie is uitgewerkt in doelen en acties en deze worden per gemeente uitgevoerd, geëvalueerd en waar nodig worden zaken aangepast. Ook in de uitvoering en dan met name rond casuïstiek zien we dit terug. Hoewel het niet mogelijk was tot een overzicht te komen, hoorden we wel dat er veel preventief aanbod is, zowel universeel als selectief. Het OT en PPJ zijn vanuit de visie tot stand gekomen en ingericht. Ook hier zie je dat de werking daarvan wordt geëvalueerd en dat er gesproken wordt over wat er beter kan. Iedereen is overtuigd van de meerwaarde. Echter dat laten zien, echt hard maken, lukt nog onvoldoende. De informatie op basis waarvan besluiten moeten worden genomen en verbetering in gang moet worden gezet is beperkt en bestaat vooral uit verhalen en in veel mindere mate uit cijfers. Kijken we over een wat langere tijd naar de data die we hebben ontvangen, dan valt op dat er best veel bewerkingen nodig zijn om de data geschikt te maken om informatie te vergaren die je nodig hebt om te kunnen (bij)sturen. Wij hebben bijvoorbeeld geprobeerd te kijken naar de verwijsstromen.

Er heeft wel degelijk een verschuiving plaatsgevonden in het aantal verwijzingen naar de tweedelijns zorg (lees jeugdconsulenten). Het OT pakt dus echt een deel van 27

de gezinnen voor haar rekening. De positionering van het OT en de werkwijze, door aanwezig te zijn op vindplekken, daar is iedereen lovend over en qua vroegtijdige signalering lijkt dat, afgaand op de verhalen heel goed te werken. Toch komt een deel van de jeugdigen en gezinnen later alsnog in de tweedelijnszorg terecht. Hoe groot dat deel precies is en of daar bepaalde problematiek speelt bijvoorbeeld, vraagt meer bewerking van de data dan wij konden doen. Schattingen van respondenten over hoe groot deel van de jeugdigen en gezinnen die bij het OT komen, alsnog in de tweedelijnszorg komen variëren van 40-60%. Over deze groep zou je meer willen weten om te kunnen nadenken over hoe je hen eerder kunt bereiken of sneller passende hulp kunt bieden. Dit om tweedelijns hulp in een deel van de groep wellicht te kunnen voorkomen of misschien juist door sneller tweedelijns hulp in te zetten waardoor problemen niet eerst groter worden.

Zoals gezegd wordt er gebruik gemaakt van het collectieve aanbod van het PPJ. Met name de voorlichting op scholen over verslaving en sociale media opvoeding en het aanbod voor kinderen wiens ouders gaan scheiden wordt goed gevonden en gewaardeerd. Het bereik van de juiste groepen, de frequentie en toegankelijkheid van het aanbod, daar zou verbetering mogelijk zijn. Van het PPJ wordt gezegd dat ze misschien juist wat dichter op die vindplekken zouden moeten gaan zitten. Dan zou het aanbod wellicht in grotere mate bij de kwetsbare groepen terecht komen en ook toegankelijker zijn dan het nu soms is. Mogelijk vraagt dit herstructurering van het PPJ7. Belangrijk is dat collectief aanbod nu in veel gemeenten elders in opkomst is en gezien wordt als een manier om de jeugdhulp toegankelijk en betaalbaar te houden. In de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk ligt er met het PPJ al een hele mooie basis om verder uit te bouwen en beter werkend te krijgen in de praktijk.

Wat ook werd genoemd is dat er al snel wordt doorverwezen naar de tweede lijn als het woord veiligheid valt. De jeugdconsulenten denken dat dit lang niet altijd nodig is en dat daar nog winst valt te behalen. De jeugdconsultenten zouden het OT dan bijvoorbeeld bij willen staan met advies om op die manier, met de juiste kennis meer aan de voorkant, specialistische hulp nog vaker te kunnen voorkomen. Om zo’n consultfunctie in te richten, zo kunnen wij ons voorstellen, is meer zicht nodig op in hoeveel cases dit speelt en van waarde zou kunnen zijn en of het dan gaat om een consult in het kader van vroegsignalering of consult bij het kiezen van de juiste hulp bijvoorbeeld ondersteunend. Over de duur van de trajecten kunnen we op basis van de data geen uitspraken doen. Cases worden namelijk niet altijd direct afgesloten. Uit de gesprekken bleek dat wellicht ook in de duur van trajecten en dan met name door het meer en beter benutten van voorzieningen in gemeenten als sportclubs, de scouting, de kerk etc., een verbeterslag gemaakt kan worden naar nog preventiever en meer in het gewone leven oplossen van vragen en problemen rond opgroeien en opvoeden. 7 Bij het verschijnen van dit rapport is dit reeds in gang gezet.

28

5

Aanbevelingen en aandachtpunten

Gegeven bovenstaande conclusies komen we tot een vijftal aanbevelingen: 1.

Er kan meer worden geïnvesteerd in het verkrijgen van hardere gegevens ter ondersteuning van een cyclus van monitoren, evalueren, bespreken, verbeteren per organisatie, tussen organisatie en gemeente en als gehele systeem van betrokken partijen bij jeugd in de gemeenten. De drie onderzochte gemeenten hebben met het OT en PPJ een mooie basis gebouwd voor vroegsignalering en preventie van jeugdhulp. Ze hebben dit gedaan vanuit een heldere visie en daaruit voortvloeiende doelen die in grote lijnen aansluiten bij de huidige ontwikkelingen vanuit de hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind en gezinsbescherming. Echter, door het beperkt kunnen aantonen van de meerwaarde en het niet kunnen sturen vanuit cijfers in combinatie met verhalen, bestaat het risico dat doorontwikkeling stagneert. Bij subsidieverstrekking of inkoop zou de gemeente ook afspraken kunnen maken over welke gegevens zij graag zouden willen ontvangen, om beter zicht te hebben op resultaten en effecten, niet om op af te rekenen, maar om met elkaar te blijven leren en ontwikkelen in het belang van ouders en jeugdigen.

2.

Investeer in (meer) kennis en creativiteit om zo het samen leren te bevorderen en om te komen tot het inzichtelijk maken van effecten. Wat echt mist in de drie gemeenten en ook bij de uitvoerende partijen is kennis en creativiteit over het inzichtelijk maken van effecten van preventie en vroegsignalering. Deze kennis is echter wel voorhanden bij kenniscentra zoals het NCJ of NJI. Het begint allemaal met het maken van keuzes voor interventies of aanpakken vanuit de maatschappelijke resultaten die je wil bereiken. Wil je het drank en drugsgebruik onder jeugdigen met 10% verminderen, dan moet je dus weten hoe hoog het gebruik nu is. De GGD verzamelt hier cijfers over in hun jeugdmonitor. Vervolgens kun je allerlei zaken doen. Denk aan voorlichting geven aan ouders tijdens een ouderavond op school, jongerenwerkers de straat op sturen om meer informeel met jeugdigen in gesprek te komen en hen terloops informeren over alcohol en drugsgebruik, kinderen van ouders met een verslaving een interventie aanbieden en jeugdigen die verslaafd zijn of bekend staat als problematisch gebruiker individueel behandelen. Online aanbod ontwikkelen etc. Wil je uiteindelijk het maatschappelijke resultaat halen dan zullen al die aanpakken moeten werken. En hoe meer er werkt, hoe aannemelijker dat je je gewenste maatschappelijke resultaat gaat halen.

Hiertoe moet je van al dit aanbod weten, bereik je de beoogde doelgroep? Weet je die doelgroep vast te houden of vallen ze voortijdig uit? Zijn deelnemers tevreden over dit aanbod? En in welke mate zijn er doelen gerealiseerd of hebben ze aanpassingen gedaan in dit geval in hun drank/drugsgebruik. Bij zo’n ouderavond op school zou je kunnen navragen of alle ouders er waren of dat er bepaalde ouders niet aanwezig waren. Je ziet wie er wellicht tussentijds weg gaan en je kunt na afloop evalueren. Tegenwoordig kan dat heel makkelijk met een app zie je de resultaten direct op een scherm en kun je nog even kort in gesprek 29

over positieve en negatieve punten die wellicht genoemd worden. Bereik en tevredenheid zijn dus goed te doen. Doelrealisatie is bij deze interventie lastiger. School zou wellicht wel kunnen helpen in deze en na een maand of drie nog een keer een kort evaluatielijstje kunnen sturen naar de deelnemers met vragen over wat zij of hun kinderen nu anders doen en of ze dat toeschrijven aan het aanbod dat ze ontvangen hebben. Biedt je groepsaanbod aan een specifieke groep of individuele begeleiding dan is doelrealisatie makkelijker zelf in kaart te brengen. Wil je geen vragenlijsten gebruiken of staat een dergelijk intensieve vorm van dataverzameling niet in verhouding tot misschien heel laagdrempelig en kortdurend aanbod, dan kun je ook onder een steekproef van deelnemers of cliënten eens per jaar een belronde houden bijvoorbeeld. Of op straat langs dezelfde plekken gaan als jongerenwerkers en een aantal jeugdigen vragen naar hun kennis over drank en drugsgebruik. En daar met elkaar op reflecteren en benodigde aanpassingen doen. Uiteraard wil je ook die GGD monitor blijven doen om te zien of je, met al dat ingezette aanbod en wat je weet over de kwaliteit ervan en de ontwikkeling die ze hebben doorgemaakt, uiteindelijk na 1, of 2 of 4 jaar, net hoe ambitieus je met elkaar bent en hoe vaak die monitor uitgevoerd wordt, het gewenste resultaat hebt behaald.

Onze aanbeveling zou zijn om hier echt werk van te gaan maken, om te voorkomen dat wat er allemaal is opgebouwd weer verdwijnt alleen omdat de meerwaarde niet voldoende is aangetoond. Door dit gedegen, stapsgewijs en met elkaar te doen bevorder je tevens het samen leren, dat een van de werkzame elementen is bij vroegsignalering en preventie van jeugdhulp.

3.

Bepaal in het licht van de opgaven voor preventie en vroegsignalering op welke wijze data, informatie en kennis gedreven werken vorm kan worden gegeven en welke rollen daarbij nodig zijn. Het is belangrijk dat alle betrokkenen vanuit de gemeente (Raad, college, en ambtelijke apparaat) en betrokken partijen met elkaar in gesprek gaan over op welke wijze data en kennis gedreven werken verder vormgegeven kan worden en welke rol ieder hierbij heeft. Nu bestaan er beelden dat gemeenteraden niet geïnteresseerd zouden zijn in informatie of alleen als er sprake is van een financieel tekort. Het risico van dit beeld is dat dit demotiverend werkt voor aanbieders en anderen die informatie moeten aanleveren. Het is van belang om tot meer dan financiële afspraken te komen en het gaat er niet om een vast budget te genereren. Belangrijker is de vraag: Wat zijn de opgaven in de drie gemeenten en hoe kunnen we daar effectieve ontwikkeling en interventies stimuleren? Bedenk dus als gemeente en uitvoeringspartijen samen, welke informatie relevant is, wie die informatie op welke wijze kan verzamelen en maak afspraken over wat je met die informatie doet in het kader van leren en verbeteren. Betrek waar relevant ook ouders en jeugdigen.

30

4.

Bepaal welke overlegstructuren (nog) relevant en effectief zijn om te komen tot betere afstemming en efficiënter werken aan preventie en vroegsignalering. We hebben tijdens dit onderzoek zicht gekregen op een veelheid aan overlegstructuren in allerhande samenstellingen. Daarin vielen een aantal zaken op: z z

z

z

z

Ouders en jeugdigen hebben maar heel beperkt een stem. Het is niet voor iedereen duidelijk wie waarom bij welk overleg zit en niemand overziet het gehele plaatje. De intentie van de overleggen is goed en zijn passend bij het met elkaar afstemmen, evalueren, leren en verbeteren. De effectiviteit van de overleggen is vaak beperkt omdat groepen te groot zijn, de tijd voor wat men eigenlijk wil bereiken te kort is en er niet altijd een duidelijke agenda is. Er is behoefte aan herziening van de functie van een aantal overleggen.

We adviseren dan ook om die overlegstructuren een keer helemaal goed in kaart te brengen, van elk overleg na te gaan wat het doel is, of het nog steeds relevant is, wat een goede frequentie en duur zou zijn, wie aan tafel moeten zitten en wie de agenda bepaalt. We denken dat hiermee een flinke slag in het efficiënt werken aan preventie en vroegsignalering gemaakt kan worden.

5.

a. Geef het Ondersteuningsteam (OT) een steviger rol en regiefunctie en zorg ervoor dat een aantal samenwerkingsafspraken op papier worden vastgelegd om zo uniformer werken te bevorderen. b. Geef het Preventie Platform Jeugd (PPJ meer een centrale rol en laat het de centrale partner zijn in het beter benutten van het collectief aanbod van voorzieningen. Het OT en PPJ hebben veel potentie, ook gegeven de ontwikkelingen vanuit de hervormingsagenda en het toekomstscenario blijft die potentie overeind. Wel vraagt dit een doorontwikkeling van zowel OT als PPJ. Die ontwikkeling is al gaande zo vertelden verschillende respondenten. Wij zouden kort samengevat zeggen dat het OT een nog steviger team zal moeten worden zodat het meer, langduriger en ook bij complexere problematiek een rol kan spelen. De samenwerking met het sociaal team hebben we in dit onderzoek niet onderzocht, wel kwam in een aantal gesprekken ter sprake die die verbinding sterker zal moeten worden. Een ander punt dat we aan het OT zouden willen meegeven is om toch een aantal samenwerkingsafspraken op papier te gaan zetten om zo ook het uniformer werken te bevorderen en bijvoorbeeld de regiefunctie, die vermoedelijk meer tijd van het OT gaat vragen, goed in te richten en in kaart de brengen wat het qua capaciteit vraagt om die rol goed te kunnen vervullen.

Het PPJ zal meer verbinding moeten leggen met scholen, jongerenwerk, jeugdgezondheidszorg, kinderdagverblijven, OT en zorgaanbieders om ervoor te zorgen dat hun potentieel benut wordt, het collectieve aanbod vaker uitgevoerd wordt en er een beter bereik is onder kwetsbare groepen. Door meer die samenwerking te zoeken wordt aanbod dichterbij mogelijk en daarmee wordt het ook toegankelijker. Wat we verder hebben vernomen is dat er onder professionals veel vraag is naar deskundigheidsbevordering op terreinen waarop collectief aanbod ontwikkeld is. Mogelijk is dat een nieuwe aanvullende ‘tak’ waar het PPJ zich op kan richten. Voorkomen 31

moet worden dat er door allerlei verschillende partijen collectief aanbod wordt ontwikkeld zonder betrokkenheid van het PPJ. Scholen en zorgaanbieders die al bezig zijn met eigen collectief aanbod zouden we willen verzoeken het PPJ hierbij te betrekken. Op die manier maak je gebruik van de expertise en de structuren die er zijn. Zo’n centrale partner in collectief aanbod maakt bovendien het monitoren makkelijker, want ook dat kun je dan samen organiseren in plaats van ieder voor zich. Aandachtspunten Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een tweetal aandachtspunten. Hoewel het punten betreft waarop al ingezet wordt door de gemeenten, willen we benadrukken dat deze onverminderd van belang blijven. 1.

2.

Informatie aan gemeenteraden De drie gemeenteraden worden op wisselende momenten en met wisselende aandacht voor informatie betrokken bij de uitvoering en voortgang van de jeugdhulp en in het specifieke geval voor preventie en vroegsignalering. Vanuit de gemeenteraad is betrokkenheid belangrijk met het oog op goede preventieve inzet van jeugdhulp en in het verminderen van duurdere vormen van jeugdhulp. Het is raadzaam om als gemeenteraad niet alleen betrokken te zijn bij de beleidskaders en financiële resultaten, maar ook zicht te krijgen op de beleidsuitvoering. Organiseer periodiek een themabijeenkomst over de uitvoering van preventief jeugdbeleid, waarbij vanuit maatschappelijke organisaties en de gemeentelijke organisaties meer kleur wordt gegeven aan de cijfers, doelen, inzet en resultaten in dit domein. Het gaat om tellen en vertellen!

Betrokkenheid ouders en jeugdigen Ondanks allerlei inspanningen is het niet gelukt om ouders en jeugdigen te spreken in dit onderzoek. De ervaringen van ouders en jeugdigen met het hulpaanbod van de drie gemeenten zijn een belangrijke kennisbron. Idealiter verbeter je aan de hand van een combinatie van wetenschappelijk kennis, praktijkkennis en ervaringskennis. En voor die laatste zijn ouders en jeugdigen onmisbaar. Dit onderzoek eindigt niet met dit rapport en we zien dit ook als een startpunt voor verdere verbetering. We sporen de gemeenten aan om bij de verdere uitvoering van beleid en van de aanbevelingen en verbeterpunten uit dit onderzoek ouders en jongeren vroegtijdig te betrekken.

32

Bijlagen

33

Bijlage 1: Overzicht ontvangen documenten Notitie Ondersteuningsteam Oost Achterhoek: Samen verantwoordelijk voor jeugd (13 november 2018) .

Maatwerkaanvraag Yunio Basispakket jeugdgezondheidszorg inclusief Rijksvaccinatieprogramma.

Factsheet Begeleide omgangsregeling Achterhoek 2022.

Maatwerkaanvraag Yunio Young & Kids 2024.

GALA: Gezond en Actief Leven Akkoord (januari 2023).

Maatwerkaanvraag Yunio InHuis Steungezinnen 2024.

Hervormingsagenda jeugd 2023-2028 .

Maatwerkaanvraag Yunio Thuisbegeleiding Jeugd 2024 gemeente Aalten.

Infographic samenstelling Preventie Platform Jeugd 2019.

Maatwerkaanvraag Yunio Kindertaalcoach 2024.

Productenboek Preventie platform jeugd 2023 beleidsmakers.

Maatwerkaanvraag Yunio VVE Toeleiding 2024.

Productenboek Preventie platform jeugd 2023 netwerkpartners.

Maatwerkaanvraag Yunio Preventieve huisbezoeken door de jeugdverpleegkundige.

Evaluatie Preventie Platform Jeugd Oost-Achterhoek.

Powerpoint presentatie inzet jeugdpreventiemedewerker gemeente Aalten.

Factsheets PPJ aantal aanmeldingen cursussen PPJ.

Projectplan THINK AALTEN / THINK WINTERSWIJK 2020 (n.d.).

Factsheets PPJ beoordeling bijeenkomst hoogbegaafdheid.

Getekend convenant Ondersteuningsteam Oost Achterhoek (17 december 2018).

Preventie- en handhavingsplan middelengebruik Oost Gelre 2023-2026 .

Ondersteuningsteam (OT) Management info over geheel 2023 (n.d.).

Een gezond en vitaal Oost Gelre Beleidsplan Gezondheid.

Uitvoeringsprogramma beleidsplan Sociaal Domein 2022-2026 gemeente Oost Gelre (n.d.).

Samen sterk in Oost Gelre beleidsplan Mens & Samenleving 2023-2026.

RAPPORTAGE Cliëntervaringsonderzoek Jeugdwet (Jongeren) 2022 Gemeente Oost Gelre (augustus 2023).

Word document overzicht jongerenwerk gemeente Aalten 2023. Word document subsidie aanvraag gemeente Aalten 2024: aanpak hangjongeren.

RAPPORTAGE Cliëntervaringsonderzoek Jeugdwet (Ouders) 2022 Gemeente Oost Gelre (augustus 2023).

Word document subsidie aanvraag gemeente Aalten 2023: iriszorg; het Uitvoeringsplan alcoholmatiging 2019-2022.

Factsheet Cliëntervaringsonderzoek Jeugdwet 2022 Gemeente Oost Gelre - Ouders.

Subsidie aanvraag gemeente Aalten 2023: Yunio (uitvoeringspartner) uitvoering Boekjes en Babbels 2023. Uitvoeringsagenda jongerenwerk gemeente Aalten Uitvoeringsnota sociaal domein gemeente Aalten: Wat gaan we doen in het sociaal domein? Uitvoeringsnota 2023-2027 gemeente Aalten

Visie op het sociaal domein en op de samenwerking binnen de Achterhoek Versie 4 (24 augustus 2017). Borging POH-Jeugd in huisartsenpraktijken in Oost-Achterhoek. Ondersteuningsplan 2022-2026 Samenwerkingsverband Oost Achterhoek. Ondersteuningsplan 2023-2027 Samenwerkingsverband Slinge-Berkel.

Voorstel werkplan preventie 2023 Aalten

(Tussentijds) evaluatieverslag gemeente Aalten.

Maatwerkaanvraag Yunio Home-start 2024.

Cijfers verwijzingen via huisarts gemeente Aalten.

Maatwerkaanvraag Yunio VoorZorg 2024.

34

Bijlage 2: Kwaliteitskompas uitgelegd

0.

Figuur 2: Kwaliteitskompas

In het leven van kinderen en jongeren spelen meerdere partijen een rol. Van de familie, tot de school, tot directe omgeving/ buurt van het kind. Bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken in het jeugdveld zijn daardoor vaak meerdere partijen nodig. Het is daarom handig om voor het begin van het traject na te gaan of coördinatie met andere partijen nodig is bij de aanpak van het vraagstuk. In het geval dat coördinatie van meerdere partijen nodig is, is het belangrijk dat er bij alle partijen een gezamenlijke urgentie is om samen aan de aanpak van het vraagstuk te werken. 1.

Het kwaliteitskompas is een door het Nederlands Jeugdinstituut ontwikkeld hulpmiddel. Het kompas biedt beleidsmakers, zorgaanbieders en onderwijsinstellingen handvaten bij het beter concretiseren en realiseren van jeugdbeleid. Door beleid beter af te stemmen op wat kinderen en jongeren nodig hebben en van een samenhangende aanpak op jeugdbeleid uit te gaan, kunnen er duurzame resultaten geboekt worden. Het kompas bestaat uit zeven bouwstenen:

Impact maken doe je samen.

Staat van onze jeugd en ambities.

Jeugdbeleid is het meest effectief en heeft de grootste impact wanneer het is afgestemd op wat de jeugd op het desbetreffende moment nodig heeft. Het is daarom van groot belang om bij het opzetten en evalueren van beleid en programma’s een goed beeld te hebben van de huidige staat van de jeugd. Om dit beeld te vormen kan gebruik worden gemaakt van zowel kwalitatieve data (de signalen en verhalen van mensen die dagelijks met kinderen werken) en/of kwantitatieve data (de cijfers en statistieken). Afhankelijk van het vraagstuk en welke thema’s daarbij relevant zijn, kan worden gekeken naar specifieke thema’s, of naar een brede waaier aan thema’s (bv. welbevinden, onderwijs, veiligheid, sociale binding, werk, inkomen, wonen of vrijetijdsbesteding). Met de bevindingen uit de data kunnen de doelen en de concrete beoogde resultaten van het beleid beter worden onderbouwd. Daarnaast is er hierdoor ook een duidelijk startpunt om mee te vergelijken, waardoor beter zicht gehouden kan worden op hoe de jeugd zich ontwikkelt op de relevante thema’s. Zo kan er een betere inschatting worden gemaakt over de effectiviteit van het beleid.

35

2.

Maatschappelijk resultaat

Deze bouwsteen draait om het formuleren van concrete beoogde resultaten van het beleid. Welke ver-andering willen we over een bepaalde periode zien? Door vóór het invoeren van beleid, indicatoren en signalen te benoemen die aangeven dat het goed gaat, kan na het inzetten van het beleid gevolgd worden of het beleid bijdraagt aan het behalen van het beoogde maatschappelijk resultaat. 3.

Veranderverhaal en activiteiten

Nadat het beoogde maatschappelijke resultaat concreet geformuleerd is, en dus duidelijk is wat we over een bepaalde periode aan veranderingen willen zien, formuleren we in deze bouwsteen hoe dit maatschappelijk resultaat te bereiken is en wat daarvoor nodig is. Door het opstellen van een veranderverhaal, een beschrijving van de strategie en werkwijze waarop het beoogde maatschappelijk resultaat bereid zal worden, kan de link tussen het beleid, activiteiten en de beoogde effecten gemaakt worden. 4.

De kwaliteit van activiteiten (input)

Deze bouwsteen gaat zowel over de kwaliteit van de activiteiten die ingezet worden om het beoogde maatschappelijk resultaat te bereiken, als over de kwaliteit van de professionals en organisaties die deze activiteiten uitvoeren. Activiteiten van hogere kwaliteit, dragen bij aan een grotere potentiële impact en verhogen zo de kans op effectief beleid. Het is daarom van groot belang om voor, tijdens en na het inzetten van een activiteit, de kwaliteit hiervan te evalueren en eventueel verder te verbeteren.

5.

Uitkomsten van activiteiten (outcome)

Het (tussentijds) evalueren van beleid en activiteiten is zeer waardevol bij het sturen op betere resultaten. Door te onderzoeken wat voor resultaat een activiteit oplevert voor de jeugd, en in hoeverre kinderen en ouders de activiteiten nuttig vinden, kan in beeld worden gebracht welke elementen van de activiteiten wel en niet effectief zijn. Zo kan doorgebouwd worden aan de kwaliteit en effectiviteit van de activiteiten en het beleid, om zo uiteindelijk het beoogde maatschappelijke resultaat te kunnen bereiken. 6.

Samen leren en verbeteren

Deze bouwsteen heeft betrekking tot het in gang zetten en onderhouden van het proces van leren en verbeteren. Binnen dit proces worden de resultaten van de activiteiten en het beleid geëvalueerd. Aan de hand van deze evaluatie kan in beeld gebracht worden wat wel en niet effectief is. Ook kan dan worden besloten wat het beste doorgevoerd of verbeterd kan worden, om de impact van de activiteiten en het beleid zo groot mogelijk te maken. Van belang bij deze bouwsteen is dat het proces van leren en verbeteren een voortdurend proces blijft, wat betrekking heeft op alle voorgaande bouwstenen, omdat de stappen die bij elke bouwsteen genomen zijn, een effect hebben op het uiteindelijke resultaat van de activiteiten en het beleid.

36

Bijlage 3: Overzicht geïnterviewde partijen Functie gesproken partij

Type gesprek (individueel, duo, groep)

Functie gesproken partij

Type gesprek (individueel, duo, groep)

Beleidsadviseur jeugdpreventie gemeente Winterswijk

Groep

Leerplichtambtenaar in dienst van LerenWerkt

Vragenlijst (per mail)

Beleidsmedewerker Jeugd gemeente Winterswijk

Groep & Duo

Wethouder Aalten

Individueel

Afdelingshoofd Mens & Samenleving gemeente Oost Gelre

Individueel & groep

Wethouder Winterswijk

Duo

Programmacoördinator Sociaal Domein gemeente Aalten

Groep

Wethouder Oost Gelre (+2 beleidsmedewerkers)

Groep

Regisseur Sociaal Domein gemeente Winterswijk

Groep

Beleidsmedewerker Jeugd

Groep

Beleidsmedewerker Jeugdpreventie Aalten

Duo

Jeugdconsulenten Oost Gelre

Groep

Beleidsmedewerker Jeugd Aalten

Duo

Jeugdconsulenten Winterswijk

Groep

Hoofd Preventie platform jeugd

Duo

Jeugdconsulenten Aalten

Groep

Manager OT

Interview

Pedagoog Yunio JGZ

Vragenlijst (per mail)

Preventiemedewerker jeugd Aalten

Interview

Veilig thuis NOG

Vragenlijst (per mail)

Directeur samenwerkingsverband voortgezet onderwijs

Groep

Kinderarts (Winterswijk)

Vragenlijst (per mail)

Jongerenwerker gemeente Aalten (Figulus)

Groep

Politie

Per email bevraagd

Ambulant jongerenwerker Oost Gelre

Groep

Jeugdarts GGD

Vragenlijst (per mail)

Halt preventiemedewerker.

Groep

Jeugdverpleegkundige Yunio

Vragenlijst (per mail)

Sociaal werker Jeugd gemeente Winterswijk & [functie] preventie platform jeugd

Groep

Adviseur Preventie IrisZorg

Vragenlijst (per mail)

Duo

Beleidsmedewerker jeugd Oost Gelre, afdeling mens en samenleving

Groep

Intern begeleider onderwijs en trainer Preventie Platform Jeugd (KIES, Dappere Dino’s, Stoere Schildpadden)

37

COLOFON Opdrachtgever Auteurs Uitgave

Rekenkamer Aalten, Oost-Gelre en Winterswijk R. van Rhemen, MSc Dr. F.E.P.L. Sondeijker Verwey-Jonker Instituut Giessenplein 59 C 3522 KE Utrecht T (030) 230 07 99 E secr@verwey-jonker.nl I www.verwey-jonker.nl

De publicatie kan gedownload worden via onze website: http://www.verwey-jonker.nl ISBN 978-94-6409-338-4 © Verwey-Jonker Instituut, Utrecht, december 2024. Het auteursrecht van deze publicatie berust bij het Verwey-Jonker Instituut. Gedeeltelijke overname van teksten is toegestaan, mits daarbij de bron wordt vermeld. The copyright of this publication rests with the Verwey-Jonker Institute. Partial reproduction of the text is allowed, on condition that the source is mentioned.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15470345/1